Levende skeletten en dode skeletten

Een grabbelton, noemt W.L. Idema zijn nieuwe bundel klassieke Chinese poëzie, waarin alles bijeen wordt gehouden door niets anders dan zijn eigen vertaalplezier, dat tegelijk een vertaalverslaving is. De Nijhoffprijswinnaar staat bekend om zijn overzichtswerken die verbluffen door hun bijna-volledigheid, of het nu om zijn Spiegel van de klassieke Chinese poëzie gaat of zijn bloemlezingen van Chinese vrouwendichters of de geschriften van Dunhuang, de Dodezeerollen van het Chinese boeddhisme.

Maar het leuke aan Transparante tranen, een bundeling van verspreid verschenen vertalingen, is nu juist het niet-representatieve en buitenissige. Een scala aan eerder onbelicht gebleven aspecten van de Chinese dichtkunst is het resultaat, waaronder bijvoorbeeld de monnikenliederen over skeletten en marionetten, die in het boeddhisme staan voor de vergankelijkheid van aardse glorie: ‘Als jij de laatste adem uitgeblazen hebt,/ wordt door de levende skeletten/ de laatste eer bewezen aan een dood skelet!’

Curieus ook is de Chinese diplomaat die eind 19e eeuw de Amerikaanse verkiezingen, de Londense mist en de ‘ijzeren toren’ van Parijs bezingt, al blijven zijn observaties iets te algemeen om dichterlijk te heten. Over Europa sneert hij: ‘Op dit moment zijn er zes keizerrijken,/ en allen wanen ze zich ’s werelds sterkste.’

In een aantal informatieve en hoogst amusante bijdragen over het vertalen laat Idema ook zichzelf van een onverwachte kant zien. ‘Zelf ben ik een van die vertalers die zijn vertalingen graag een herkenbare vorm oplegt’, schrijft hij, en het is waar dat hij de strakke regels van de Chinese poëzie doorgaans rechtdoet door bijvoorbeeld het vaste aantal karakters per vers om te zetten in uniforme jamben. Maar ditmaal laat hij zien ‘dat het ook anders kan’.

Dat doet hij door een Tang-gedicht van Bai Juyi over een hoogmoedige rat knap te herdichten op de wijzen van Vondel tot en met Vroman. Dat klinkt dus zo: ‘Een grauwe rat bekloeg sich om het laghe leven,/ Hem van geboorte door den Opperheer gegheven’. En zo: ‘Al ben ik maar een grijze muis/ toch zou ik graag eens ver van huis// Over het land, over de zee/willen vliegen als een fee.’

Het mogen pastiches zijn, de boodschap is duidelijk: ieder vertaalt op zijn eigen manier. Als om dat te illustreren kwam zopas ook de bundel Chinese stemmen van Daan Bronkhorst uit, eveneens een verzameling van grotendeels eerder verschenen werk, die in dit geval een mooi overzicht biedt van wat Bronkhorst sinds de jaren ’80 in betrekkelijke stilte bijeen vertaalde.

Zijn selectie, lopend van 1000 v.Chr. tot nu, beoogt geen volledigheid maar vertrekt van het gegeven dat Chinese dichters zich altijd vrij direct hebben uitgesproken over de maatschappij, vanuit een sterk gevoel voor rechtvaardigheid. ‘Het zou een al te groot anachronisme zijn om hen “mensenrechtenverdedigers” te noemen’, schrijft Bronkhorst, maar feit is wel dat Amnesty International, waarvoor hij sinds jaar en dag werkt, bij deze uitgave betrokken is.

Dat doet niets af aan de poëzie, want Tang-dichter Du Fu’s aangrijpende getuigenissen van het oorlogsgeweld in zijn tijd, behoren zonder meer tot de hoogtepunten van de Chinese literatuur. Alleen het gedicht van internetjournalist Shi Tao, waarvoor hij in 2005 in de gevangenis belandde, is misschien meer politiek dan poëzie. Maar daartegenover staan weer de minstens zo openhartige liefdesliederen van klassieke vrouwendichters, met intrigerende regels als ‘wie verschoof de fretten op mijn luit?’ en termen als ‘wenkbrauwpijn’.

Zo vrij als Bronkhorsts keuze is ook zijn vertaalwijze. Bij elk gedicht kijkt hij welke vorm het beste past, en zo brengt hij de klassieken soms dichterbij. ‘Haar ziel is nu een schaduw in het nergens’, luidt bij hem een vers over Bai Juyi’s gestorven dochtertje, wat gedurfder is dan Idema’s versie in de Spiegel: ‘en ziel noch schaduw liet zich ergens vinden’. Maar Bronkhorst wil ook weleens wat prozaïsch worden, en dan klinkt zijn ‘aan de schelle rivier staat de maan naast de mensen’ misschien minder dramatisch dan Idema’s ‘de stroom zo klaar: de maan komt naar je toe’.

Zo kun je leuk en leerzaam blijven vergelijken, net als de vertalers zelf doen overigens. Bronkhorst bedankt een reeks vertalers waaronder Idema, en Idema bekent zelfs dat hij eerbiedig een woordje van Bronkhorst heeft ‘gejat’, wat maar weer eens bewijst dat verschillende vertalingen naast elkaar kunnen en moeten bestaan.

Meng Jiao (751-814)

‘Herfstgevoelens, 2’ (fragment)

Herfstmaan, een gezicht ontkleurd als ijzel,

Oud, ontheemd, laatste resten geest,

Dromen stukgeweekt in kille dauw,

Botten koudgekamd door scherpe wind.

– Vertaling Daan Bronkhorst (uit Chinese stemmen)

‘Najaarsemoties, II’ (fragment)

Het aanschijn van de herfstmaan is verijst,

Het streven van de oude man is enkel.

Het dromen drijft de kille dauw aan flarden,

Mijn haren kammen steile stormen koud.

– Vertaling Wilt Idema (uit Transparante tranen)

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 8 mei 2009

Meer over Meng Jiao in: Ik schrik ’s nachts wakker van het najaar

Mijn schrijversnachten

Shi Tiesheng (fragment)

In 1996 publiceerde Shi Tiesheng zijn magnum opus Notities van een theoreticus, een verhalend en beschouwend werk bestaand uit 237 notities, waarvan dit de eerste is. Meer over de roman hier.

Portret: Xing Yi

In mijn verdere leven zal ik die twee kinderen wel nooit meer tegenkomen. Zij zullen ook vast niet vermoeden, nooit vermoeden denk ik, dat ze na toevallig een keer met mij te hebben gespeeld nu zomaar in een roman terecht zijn gekomen, zelfs de opening van die roman zijn geworden. Ze weten vast niet eens meer wie ik ben. Ze weten vast niet eens meer dat er op die herfstavond, in dat oude park waar de wandelaars bijna allemaal vertrokken waren, op dat stille paadje waar een straatlantaarn een heldere cirkel licht in het donker aftekende, waar een oude cipres een gelijkmatige talggeur verspreidde en waar de grond bezaaid lag met sterk riekende espenbladeren, dat daar een man met een boek zat die eventjes met hen gespeeld heeft en met hen over van alles en nog wat heeft gekletst. Het is vast vergeten, uit hun geheugen verdwenen, alsof het nooit is gebeurd.

Of misschien weten ze het nog wel. Misschien is die eenzame gestalte onder het lantaarnlicht, op die herfstavond vol dwarrelende bladeren, een van hen beiden wel zijn leven lang bijgebleven.

Maar dat ben ik dan niet meer. Hoe die avond ook in zijn herinnering bewaard is gebleven, het is voortaan zijn verhaal. Misschien zal hij ooit fantaseren over de eenzaamheid van die man, over waar hij vandaan kwam en waar hij naartoe ging, wie weet komt die man ooit wel in een boek van hém terecht. Maar dat heeft dan niets meer met mij te maken, dat zijn dan zijn eigen herinneringen en fantasieën; het is allemaal een deel van zijn eigen leven geworden.

Het jongetje was denk ik een jaar of zeven. Het meisje heb ik gevraagd – vijfenhalf, zei ze, en ze stak vijf vingers op, telde ze een voor een af, maar kon vervolgens niet bedenken hoe ze dat halve jaar moest aangeven. Op datzelfde moment wist ik dat we elkaar algauw weer uit het oog zouden verliezen, die twee kinderen en ik, dat we elkaar in die rumoerige stad vlakbij ons, in die chaotische wereld rondom ons, binnen de kortste keren weer uit het oog zouden verliezen. En elkaar nooit meer zouden vinden.

En zo is het ook met ons, met jou en mij. Hebben wij elkaar ooit ontmoet? Nee, zeg je, nou goed, dat zou best kunnen, maar misschien is dat wel omdat we het vergeten zijn, of omdat het destijds langs ons heen is gegaan. Wat we vergeten zijn of wat langs ons heen is gegaan, is toch eigenlijk nooit gebeurd?

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in het vertalersnummer van tijdschrift Tirade, nr 428, mei 2009, dat online leesbaar is op de site van uitgeverij Van Oorschot

Lees nog een ander fragment: Invaliditeit en liefde

De pauw huilt

Vertaald door Martine Torfs

‘Toen ik zes was, hielden zelfs de honden het niet uit in mijn gezelschap’, zo begint Hong Ying (1962) het nawoord bij haar nieuwe roman. Van kleins af een buitenstaander, wil ze maar zeggen, een mager nakomertje met fletse haren dat opgroeide tijdens de grote, door Mao veroorzaakte hongersnood, maar bovenal hongerde naar liefde. We konden het al lezen in het autobiografische Hongerdochter (1998), waarin ze als tiener ontdekt dat ze een onecht kind is.

Argeloosheid en bedrog, daar draait het om in haar hele werk, deels geschreven vanuit haar tweede woonplaats Londen. In Zomer van verraad (1997), de eerste roman over het Tiananmen-incident van 1989, koppelde ze het politieke verraad van de regering aan verraad in de liefde. En diezelfde opzet markeert het nu vertaalde De pauw huilt, dat opnieuw de eerste roman is over een heikel politiek onderwerp: de Drieklovendam in de Yangtse-rivier, het megaprestigeproject van de staat dat miljoenen gedwongen verhuizingen en grootscheepse milieuproblemen heeft veroorzaakt.

Het leven van wetenschapster Liu komt op losse schroeven te staan als zij na lange tijd terugkeert naar de Drieklovenstreek, waar zij, net als de schrijfster, is geboren. Ze stuit er niet alleen op geheimen omtrent haar ouders, ook haar man blijkt niet te zijn wie ze dacht dat hij was. Als projectleider bij de bouw van de dam praat hij opeens het holle beleidstaaltje na dat alle sociale en ecologische misstanden moet verbloemen. En dan blijkt hij er ook nog eens een andere vrouw op na te houden.

Zoals altijd schuwt Hong Ying het sentiment niet, en de opgeroepen spanning laat ze verslappen door boze exposés over corruptie en wanbeheer. Ook het op een oude legende geënte parallelverhaal over de monnik en de hoer komt niet helemaal uit de verf: vanwege hun verboden liefde werden zij tijdens de Culturele Revolutie opgesloten in de gevangenis – dezelfde waarin Liu belandt vanwege haar verzet tegen de dam.

Toch kun je niet onaangedaan blijven door Hong Yings ernst, haar authentieke en tegelijkertijd oer-Chinese allergie voor onrecht en hypocrisie, die haar in China dan ook een flinke populariteit heeft opgeleverd.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant

Kaartspeler, ook in het leven

Voor de kust van de Zuid-Chinese stad Amoy, tegenwoordig Xiamen geheten, ligt het eilandje dat Slauerhoff ooit het lente-eiland noemde, omdat je er het rumoer van Amoy-stad zo goed kon vergeten: ‘Het is hier eeuwige stilte. Het is hier eeuwig herfst. Of lente?’

Allard Schröder, in zijn nieuwe roman Amoy, noteert die stilte van het eiland ook, maar voegt er een donkerder visie aan toe. De stemmen in de verte en het geruis van de golven ‘waren bleke tekenen van leven, maar het organisme dat ze voortbracht was verre van dood, lag alleen maar slaperig en bewegingloos als een slang in de zon om daarna geruisloos de avond in te glijden.’

Schröders visie is vast gevoed door zijn eigen recente verblijf in de havenstad, want na decennia van grijs communisme is Slau’s wondereiland een spookeiland geworden, waar de ‘duizend villa’s’ in westerse stijl verwaarloosd leegstaan en ’s nachts opgloeien ‘als een smeulende berg sintels’. Vertrouwde Schröder-lezers weten intussen wel beter: plekken waar dood en leven samenkomen zijn het ideale decor voor de typische Schröder-held, of het nu burgerman Favonius is in Overlethe, suburbia aan de dodenrivier (Favonius, 2005), of de roeszoekende econome in haar Zuid-Duitse voorgeborchte (De econome, 2008).

Advocaat Seghers is ook zo iemand die levend dood is. In Batavia bracht hij zijn tijd door met bridgen, zeker nadat zijn vrouw hem met de Indische tennisleraar bedroog en vervolgens terugvluchtte naar Den Haag. In 1937, aan de vooravond van de Chinees-Japanse oorlog, neemt hij op goed geluk een opdracht aan in Amoy, waar een zekere zakenman Freyler spoorloos is verdwenen. De firma die hem op de boot zet heet Hermes – juist ja, de god die mensen naar de onderwereld begeleidt.

In Amoy komt hij terecht in het kleine, verstikkende wereldje van buitenlandse consulaten: Nederlanders, Amerikanen en Japanners die er in ‘splendid isolation’ van de Chinese maatschappij leven. Slauerhoff beschreef het al in zijn defaitistische verhaal ‘Such is life in China’, maar Schröder, dat kan hij als geen ander, tekent de sfeer nog genadelozer. Seghers’ onderzoek vlot niet, het eiland verlamt hem en de bewoners laten weinig los over de mysterieuze Freyler, behalve dan dat hij op hem lijkt. Uiterlijk tenminste, want verder moet Freyler juist alles zijn waar Seghers alleen maar van kan dromen: een krachtige man die de wereld naar zijn hand zet. Ook dat dubbelgangermotief kennen we van Schröder – Seghers spiegelt zich aan zijn macho alter ego, neemt zelfs zijn intrek in diens villa, gaat zijn smokings dragen, en valt voor de vrouw op wie Freyler aasde.

De vrouw, de Chinese Grace, maakt niet alleen door haar schoonheid veel in Seghers los. Ze leert hem iets over zijn lot. Als ze op een feestje dansen, wil ze door hem opgetild worden, want: ‘Degene door wie je wordt opgetild, neemt voor even je lot in handen. En dan ben je een moment vrij.’ Het doet Seghers beseffen dat hij een kaartspeler is, ‘ook in het leven’, iemand die ‘wacht tot er gedeeld is’ en zich vervolgens schikt naar de mogelijkheden.

Het is geen inzicht als dat waartoe de dolende wetenschapper Karsch komt in Schröders De hydrograaf (2002) – dat hij voorgoed een mens van de oude tijd is. Seghers weet van geen oude tijden, heeft amper een eigen verleden; hij is als de verveelde Deense telegrafist op het eiland, wiens geheugen dagelijks door de drank wordt gewist.

Wat moet er van zo’n man worden? Hij krijgt wat orakelachtige hulp van de Nederlandse consulsdochter, zo’n vroegwijs meisje dat soms de al even ‘lege’ hoofdpersonen vergezelt van Haruki Murakami, een door Schröder bewonderd schrijver. Maar onherroepelijk raakt hij verstrikt in Freylers louche zaakjes, want ook Chinese ongure types zien hem voor de ander aan. Is Grace zijn redding, of de oorlog, die alle buitenlanders noopt tot vertrek? Maar waar kan hij heen? Weer de zee op? Naar een volgend eiland?

Op elke pagina resoneren de hints naar Seghers’ eeuwige verdoemenis. Freyler klinkt als ‘vrij’, ‘leven’ echoot telkens met ‘leegte’, en de willoze Seghers citeert Nietzsche’s Wille zur Macht en Ewige Wiederkehr… Het heeft soms iets overdadigs, maar tegelijkertijd zijn het net muzikale variaties waarmee Schröder je knap weet te bezweren in deze kleine suite over zijn Chinese helle-eiland.

Gulangyu (het lente-eiland) voor de kust van Xiamen (Amoy)

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 januari 2009

Het ‘ik’ is niet zo belangrijk

Chinese literatuur en de grenzen van de globalisering

Er zijn twee soorten Chinese literatuur: een in China en een erbuiten. De internationale variant kun je bijna met één titel typeren – Wilde zwanen van Jung Chang. Deze getuigenis van de woelige Chinese geschiedenis zette in 1991 een ware industrie in gang: autobiografische boeken van naar het Westen uitgeweken vrouwen die direct in de taal van hun gastland tegemoetkwamen aan de schijnbaar onstilbare westerse honger naar ‘Chinees leed’. Onder die naam werd het genre in internationale uitgeverskringen nog een goede vijftien jaar succesvol uitgebaat.

Zelfs een meer frivool boek als Balzac en het Chinese naaistertje (2000) van de Frans-Chinese Dai Sijie, waarin op het platteland tewerkgestelde scholieren tijdens de Culturele Revolutie via verboden westerse romans ‘het ware leven’ ontdekken, bespeelt op vergelijkbare wijze het westerse gemoed, door het onderdrukkende communisme en het vrije Westen tamelijk diametraal tegenover elkaar te zetten.

Is dit eigenlijk nog wel Chinese literatuur te noemen? Chinezen kunnen deze boeken vaak niet eens lezen, en al worden ze in het Chinees vertaald, dan nog blijkt men in China amper geïnteresseerd in verhalen die het leven zo eendimensionaal tot politiek reduceren. Het doet hen denken aan die korte vlaag van ‘littekenliteratuur’ vlak na Mao’s dood in 1976 – verhalen over de wonden van de Culturele Revolutie die simpelweg ‘geschreven moesten worden’, maar nooit voor hoge kunst doorgingen.

Waarom blijft dit werk in de rest van de wereld dan toch zo hardnekkig de ‘echte’ Chinese literatuur aan het zicht onttrekken? Het is niet alleen dat Chinese littekens makkelijker reizen dan Chinese schrifttekens, want inmiddels is er al aardig wat hedendaagse Chinese literatuur vertaald. Het moet deels te maken hebben met die westerse fixatie op eenduidige politieke aanklachten, want in de Chinese letteren wordt ook, en veel zelfs, geschreven over de recente geschiedenis, maar wel wat subtieler.

Belangrijker is dat boeken als Wilde zwanen voor een westerling domweg ‘beter lezen’. Geen wonder: Jung Changs literair agent te Londen zei zeven jaar met haar te hebben samengewerkt om haar manuscript in een voor de westerse markt aantrekkelijke vorm te gieten, waarbij de persoonlijke beleving voor het historische materiaal moest komen te staan.

Vergelijk dat eens met een schrijfster als Wang Anyi, die in China de reputatie geniet van, zeg, Margriet de Moor, maar slechts mondjesmaat wordt vertaald. Haar romanklassieker Lied van het eeuwig verdriet uit 1995 beslaat een halve eeuw China aan de hand van het leven van een vrouw – net als in de Engelstalige egodocumenten dus. Een eenvoudige verpleegster, die ooit derde werd bij een Miss Shanghai-verkiezing en eindigt als een sombere oude vrijster, maakt het Shanghai mee vanaf de kosmopolitische jaren veertig, via de grijze communistische periode tot aan de wederopbloei van de stad begin jaren negentig.

Maar in tegenstelling tot wat de internationale littekenliteratuur suggereert, wordt haar triviale leventje niet beheerst door politieke campagnes: het kabbelt eigenlijk rustig voort. Ze blijft gewoon mahjongen, al moet dat onder het strenge maoïsme dan stiekem. Haar echte ongeluk is te wijten aan haar eigen middelmatigheid, niet aan het totalitaire systeem, dat voor zo’n gewone burger ver op de achtergrond blijft.

Zou de westerling die nuance soms niet willen horen? Mogelijk, maar een groter obstakel is wellicht dat het boek zelf ook wat rustigjes voortkabbelt. De gewone vrouw is een wel heel gewone vrouw, Wang tekent haar niet in detail, maar besteedt minstens zo veel aandacht aan de vele personages om haar heen, die in dit feuilletonachtige relaas allemaal een hoofdstukje krijgen. Met dat brede maatschappelijke palet staat Wang in een lange Chinese traditie, die de westerse lezer van psychologische romans, zoekend naar identificatie met een centrale hoofdfiguur, vaak als kil en afstandelijk overkomt.

Iets soortgelijks zie je bij de nog minder vertaalde schrijver Shi Tiesheng, in China zeer geliefd, zij het bij een kleiner publiek vanwege zijn wat meer experimentele werk. Notities van een theoreticus uit 1996, een vrij los geheel van korte notities, gaat over gefnuikte verlangens. Op een niet zozeer verhalende als wel beschouwende manier legt hij de geknakte levens van groep mensen naast elkaar, en daarbij blijkt dat de politiek maar één van de vormen is die het noodlot kan aannemen. Het ene personage ziet zijn dromen gedwarsboomd door zijn ‘foute’ klassenachtergrond, de ander door zijn verlamde benen, een derde door zijn angst voor de ware liefde. Shi lijkt zozeer op zoek naar het algemeen menselijke dat hij zijn personages geen namen maar slechts initialen meegeeft.

Shi Tiesheng schrijft intimistischer proza dan Wang Anyi, maar ook hij toont zich typisch Chinees in het feit dat hij liever een hele rits personages met elkaar vergelijkt dan in de zielenroerselen van één ervan graaft – al is het resultaat is er niet minder ontroerend om. Toch zijn het die eeuwenoude Chinese opvattingen over maatschappelijke relevantie en verbloeming van het ‘ik’ die zoveel Chinese schrijvers over de grens parten spelen.

Natuurlijk is de moderne Chinese literatuur beïnvloed door de westerse; zij dankt er zo ongeveer haar ontstaan aan. Rond 1900 waren Balzac, Dickens en Gogol al vertaald, en schrijvers van nu zijn geïnspireerd door Faulkner, Kundera of Calvino. De gemiddelde Chinees leest en weet meer van de westerse cultuur dan de westerling van de zijne; omdat die westerse cultuur nu eenmaal alomtegenwoordig is.

Toch heeft China geen wereldsterren als Márquez of Rushdie voortgebracht – maar dat zijn dan ook schrijvers die dankzij de koloniale tijd diepe westerse wortels hebben en eerder de Europese literatuur nieuw leven inbliezen dan dat ze de Latijns-Amerikaanse of Indiase op de kaart zetten. Zelfs van de Turkse literatuur, dichter bij huis, leest de Europeaan het liefst iemand als Pamuk, die in zijn thuisland toch bij een kleine, westers georiënteerde minderheid hoort.

Met de Chinese literatuur is het waarschijnlijk hetzelfde gesteld. Zij heeft zich millennia lang in relatieve afzondering ontwikkeld en is daarmee misschien wel de enige andere, grote literaire traditie naast de westerse, als je die met Homerus laat beginnen. Net als de westerse literatuur neemt de Chinese daarom van andere tradities over wat haar bevalt, en is het resultaat mogelijk wat onherkenbaarder voor ons, arme kinderen van het Avondland.

Oorspronkelijk verschenen in Trouw, 20 december 2008

Zie ook: Lezen ‘met de oogen van een Chinees’

Insectjes op de wimpers van muggen

Net als bijna alle sinologen ter wereld ken ik de eerste regels van wijsgeer Mencius uit mijn hoofd:

Mencius verscheen op audiëntie bij koning Hui van Liang. ‘Oude heer,’ zei de koning, ‘duizend mijlen vond u niet te ver, u komt mijn land vast voordeel brengen.’ Waarop Mencius zei: ‘Wat praat u van voordeel, sire? Ik breng menselijkheid en plichtsbesef, meer is er niet.’

Vanwege zijn heldere taal is Mencius al decennialang de ideale beginnerstekst voor alle lessen klassiek Chinees, het Chinese Latijn. Tegelijkertijd geeft dit ene citaat meteen al de kern – en de stijl – van zijn denken weer.

Menselijkheid en plichtsbesef: het zijn de pijlers van het confucianisme, en dat is deels te danken aan deze meester Meng, zoals hij in het Chinees heet, die in de 4de eeuw v.Chr. een leerling was van de kleinzoon van Confucius, meester Kong. Lang gold hij niet als een vooraanstaand filosoof, maar in de 12de eeuw werden zijn geschriften met die van de Grote Wijze samengesmeed tot het neo-confucianisme, dat vervolgens tot in de 20ste eeuw als staatsleer werd gepropageerd.

Gezien zijn belang is het dus eigenlijk raar dat Mencius nu pas volledig en direct in het Nederlands is vertaald, door emeritus hoogleraar Karel van der Leeuw, die al een reeks publicaties over het Chinese denken op zijn naam heeft staan. Of toch niet? Het confucianisme is in het Westen nooit zo erg in trek geweest, geassocieerd als het wordt met strenge regels – plichtsbesef, je plaats kennen in de sociale hiërarchie; dingen die zowel het oude keizerrijk als het moderne Singapore iets stars en ondoorgrondelijks geven.

En het moet gezegd: de teksten van Mencius hebben vaak het belerende toontje dat daarbij past. In het bovenstaande citaat wijst hij de koning al meteen fel de les, waarna hij vervolgt met de redenering: als de koning alleen aan zijn eigen voordeel denkt, dan zullen zijn ambtenaren en het gewone volk dat ook doen en wordt het land uiteindelijk onbestuurbaar. De koning moet kortom het goede voorbeeld geven.

Geen speld tussen te krijgen. Duidelijk maar dor. Minder dor is Mencius als hij dat ‘goede voorbeeld geven’ verder uitwerkt, in een al even beroemde passage over koning Xuan. Deze koning zag hoe een koe naar de offerplaats werd gesleept en kon plotseling de ‘angstige uitdrukking’ van het dier niet verdragen, ‘als van een onschuldige die naar de executieplaats gaat’. Voor Mencius, die zoals gebruikelijk om raad wordt gevraagd, is dit nu precies wat menselijkheid inhoudt: het niet kunnen verdragen van het leed van anderen. Na een levendige dialoog besluit hij dat de koning dit gevoel alleen nog maar hoeft uit te breiden naar zijn hele volk, en ‘het hele rijk kan in zijn palm worden rondgedraaid’ – oftewel: het besturen gaat vanzelf.

Afgezien van die politieke toepasbaarheid, vormt het ‘niet kunnen verdragen’ ook de bredere grondtoon van Mencius’ leer. Hij geloofde dat de mens van nature goed was, en het mededogen voor dieren, maar ook voor zuigelingen, was daarvan de kiem. Een kiem die echter nog wel gecultiveerd moest worden tot een echte deugd, door opvoeding en onderwijs. Je kunt Mencius dan ook beslist een moralist noemen, net als de confucianisten die het tegendeel betoogden, namelijk dat de mens door cultivering juist van zijn slechte natuur moest worden afgeholpen.

Regelrechte zedenprekers waren de confucianisten in de ogen van de taoïsten, hun traditionele tegenhangers, die het gekissebis over goed en slecht altijd geamuseerd hebben gadegeslagen. Voor hen geen moralisme maar relativisme – iets wat ook de hedendaagse westerling meer aan lijkt te spreken. Het grootste boek van het taoïsme, dat van Zhuangzi, meester Zhuang, beleefde in 2007 herdruk op herdruk in Kristofer Schippers eerste integrale Nederlandse vertaling. En het onlangs verschenen boek van Liezi, meester Lie, bezorgd door Jan De Meyer, was binnen een maand al uitverkocht.

Liezi en Zhuangzi zijn nauw aan elkaar verwant, men zegt zelfs dat delen van Zhuangzi’s boek naar dat van Liezi zijn overgeheveld. Aangezien er bitter weinig over de persoon Liezi bekend is – hij moet in de 5de eeuw v.Chr. hebben geleefd – rijst het vermoeden dat men postuum zijn naam heeft geplakt op een thematisch samenraapsel van teksten. Afijn, de taoïsten doen toch al niet zo aan persoonsverering: aartsvader Laozi (Lao Tse) is een schimmige legende en Zhuangzi moet een gewone lakschilder zijn geweest.

Of sommige teksten nu van Zhuangzi zijn of niet, Liezi geeft er altijd een eigen, praktische draai aan: hij is meer gericht op ‘levenskunst’ dan op puur denken en literair vernuft. Dat maakt hem toegankelijker dan Zhuangzi, maar vergeleken met Mencius zijn zijn soms onwaarschijnlijke parabels wel even schrikken. In plaats van een angstige koe voert Liezi bijvoorbeeld een soort minuscule insectjes op, genaamd jiaoming, die in zwermen samentroepen op de wimpers van muggen, ‘zonder dat de muggen er iets van merken’! Toch waren er twee meesters die, na maanden vasten in de Lege Grot, de diertjes voor zich zagen ‘als de hellingen van de berg Song’ en ze hoorden ‘als het geratel van de donder’.

Het klinkt kolderiek, maar het laat zich uiteraard allegorisch lezen. De boodschap is dat de mens moet ophouden verschil te maken tussen dingen als ‘groot’ en ‘klein’, en bij uitbreiding tussen alle menselijke categorieën: goed en kwaad, nuttig en nutteloos, enzovoort. Want al die arbitraire indelingen verwijderen de mens van de natuur, waarin dit soort principes helemaal niet bestaan. Proberen één te worden met de natuur is de weg naar de vrijheid, en vandaar dat Liezi onze levensvragen niet beantwoordt met strenge voorschriften à la Mencius, maar met een advies als: ‘Ruim eerst die principes van je maar eens op, dan praten we verder!’

Hoe je dat doet? Het ‘maanden vasten in de Lege Grot’ wijst erop dat uiterste concentratie om je geest leeg te maken de enige manier is. Al kun je ook een voorbeeld nemen aan de dronkenlap, die van de kar valt zonder zijn botten te breken; zijn geest is immers ook leeg, en zijn lichaam daardoor onaantastbaar. Maar voor de moderne mens is het lezen van Liezi zelf al een meditatieve oefening. Want Liezi doet niets anders dan je bestoken met voorbeelden, totdat je vanzelf doordrongen raakt van die bevrijdende relativiteit.

Zo zijn er veel passages over droom en werkelijkheid. Wie is er gelukkiger, een baas die elke nacht droomt dat hij een knecht is, of een knecht die in zijn dromen altijd de baas is, en zo toch zijn halve leven genietend doorbrengt? Voor een taoïst zijn je wakende en slapende leven namelijk beide even waar of illusoir: de kunst is alleen om ze in balans te brengen. Als de baas zijn knecht overdag wat beter behandelt, voelt hij zichzelf in zijn dromen ook wat beter. De berusting die daaruit spreekt, brengt het taoïstische aanvaarden van de natuur ook in verband met het je schikken in je lot – die niet altijd begrepen oosterse wijsheid die Liezi hier wat verder uit de doeken doet.

Het lijkt wel of confucianisten en taoïsten behalve verschillende lezers ook verschillende vertalers aantrekken. Van der Leeuws Nederlands is helder, maar wat stroever, voorzichtiger dan dat van literair vertaler De Meyer. Ook De Meyers inleiding heeft iets meer schwung: op de uitgebreide filologische commentaren na, die misschien niet geheel in een publiekseditie passen, schildert De Meyer het antieke intellectuele leven alsof hij er zelf bij was, en dat belooft wat voor zijn essayboek over Chinese levenskunst dat Augustus komend voorjaar uitbrengt.

Mencius mag minder populair zijn – zijn boek verscheen bij een specialistische uitgever, geen algemene – maar toch horen hij en Liezi bij elkaar. Het ideaal van veel Chinezen is niet voor niets je sociale en spirituele leven in harmonie te brengen: confucianistisch van buiten zijn, en taoïstisch vanbinnen. Mooi dus dat we beide wijsgeren nu in het Nederlands hebben; het wachten is alleen nog op een vertaling van de Grote Wijze, Confucius zelf!

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 19 december 2008

Ergerlijkheden van duizend jaar geleden

Het is een tijdje stil geweest rond de Japanse literatuur, maar de laatste jaren doet de stroom vertalingen van Haruki Murakami de tijden van Tanizaki, Kawabata en Oe weer een beetje herleven. Aan de ene kant appelleert Murakami’s werk, van Norwegian Wood tot After Dark, aan het moderne, westerse levensgevoel, doordrongen van Kafka, Carver, jazz en whiskey. Aan de andere kant roepen zijn mysterieuze parallelle werelden en zijn ‘lege’ personages met hun terloopse, droge verteltrant ook vraagtekens op – en vermoedens naar traditioneel-Japanse invloeden.

Vraagtekens en vermoedens die iedereen voortaan te lijf kan gaan dankzij de monumentale bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van vertaler Jos Vos, die in één mooi verzorgde band literatuur uit elf eeuwen samenbrengt, van 700 tot 1850, rechtstreeks uit het Japans overgezet. Een unicum, en een schatkamer.

Murakami mag dan modern zijn, zijn voorgangers van duizend jaar geleden spreken ons soms net zo direct toe. Dat merk je het best aan twee inmiddels wereldwijd bekende hoogtepunten van de Japanse letterkunde, geschreven door hofdames uit de 10e en 11eeuw. Vos geeft een voorproefje van Het verhaal van Genji door vrouwe Murasaki, de allergrootste Japanse roman, die hij inmiddels in zijn geheel (ruim duizend bladzijden!) aan het vertalen is. Deze kleurrijke, caleidoscopische verbeelding van het oude hofleven, aan de hand van de amoureuze verwikkelingen van prins Genji, wordt wel de eerste roman ter wereld genoemd – of in ieder geval de eerste psychologische roman.

Jos Vos’ volledige vertaling van Het verhaal van Genji verscheen in 2013

Ook Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon, die op meer melancholieke wijze haar onzekerheden in de liefde te boek stelt, doet in zijn openhartigheid tijdloos aan. Al houdt zij het bij wat algemenere, soms wat koketterende verwoordingen van haar leed, toch spreekt haar eigenzinnigheid uit de bekende lijstjes die zij door haar memories heen strooit: ‘Ontstellende dingen’, ‘Ergerlijke dingen’, ‘Afschuwelijke dingen’, enzovoort.

Misschien kan deze vroege aandacht voor het individu verklaren waarom de Japanse literatuur aan het einde van de 19e eeuw zo snel westerse invloeden opzoog en een ‘absoluut modern’ gezicht liet zien. Dit in tegenstelling tot de Chinese literatuur bijvoorbeeld, die langer worstelde met de moderniteit, maar dan ook altijd meer sociaal begaan is geweest en het praktisch nut van literatuur vooropstelde. Schreven in China de ambtenaren, in Japan was het met name de aristocratie, en vanaf de 17e eeuw ook de burgerij.

Iets van die spectaculaire Japanse modernisering kun je proeven als je kijkt naar Akutagawa (1892-1927), een van de eerste moderne Japanse schrijvers. Van hem is bekend dat hij klassieke verhalen bewerkte – bijvoorbeeld in zijn Rashomon, later verfilmd door de befaamde Kurosawa en onlangs nog herdrukt in de serie L.J. Veen Klassiek. In Vos’ anthologie kunnen we die Verhalen van lang geleden uit de 11e en 12e eeuw nu eindelijk lezen, en dan zien we dat Akutagawa een eenvoudige vertelling over een roofoverval in het bos uiteenrafelt in vier elkaar tegensprekende bekentenissen, waarin de ware toedracht, de waarheid, volledig zoek raakt.

Jos Vos’ volledige vertaling van Het hoofdkussenboek verscheen in 2018

 De bekentenis is al sinds Het hoofdkussenboek, en ook het minder bekende Herfstdradendagboek, een vaste waarde in de Japanse literatuur, maar toch kun je het in de klassieke tijd nog geen psychologisch diepgravend genre noemen. Zo zijn Kaneyoshi’s Overpeinzingen in ledigheid uit 1330-1331 in weerwil van de titel eerder impressies en gevoelsuitingen dan filosofische mijmeringen zoals de westerse literatuur die kent.

De impressie bij uitstek vind je terug in de beroemde reisverslagen van Basho uit de 17e eeuw, een van Japans grootste dichters. De smalle weg naar het verre noorden, dat Vos al vertaalde voor de reeks Privédomein, lijkt ook nauwelijks diepgang te bevatten, het is bijna puur registrerend, een beetje zoals bij Murakami dus. Maar Basho’s poëzie en proza getuigen wel van een haast obsessief reizen, een hartstochtelijk onderweg zijn, met name door de vele natuurlijke hindernissen die hij zo onverstoorbaar noteert. Misschien is dat wat Cees Nooteboom zo in Basho aantrekt.

Tegelijkertijd bewerkstelligt die concrete, getuigende stijl juist de opvallende directheid van de Japanse literatuur – net als die van de Chinese overigens. Vos’ vertalingen dragen daaraan bij. Over het algemeen behouden die het ‘juiste midden’ tussen tijdloos en eigentijds Nederlands, al schiet hij weleens door naar een iets te modieuze uitdrukking. Architectuur zou een klassieke auteur niet zo gauw ‘spannend’ noemen, en ‘linke loetje’ detoneert toch wel wat. Aan andere kant krijgen de scabreuze teksten van Saikaku (17e eeuw) of Gennai (18e eeuw) er wel hun schwung door.

Aanmerkingen kun je natuurlijk altijd hebben. Vos’ inleiding, een gedegen historisch overzicht, zou misschien gewonnen hebben bij een meer algemene karakterisering van de Japanse literatuur. En een index was bij zo’n enorm aantal schrijvers en titels erg nuttig geweest. Maar je moet wel een heel grote kniesoor zijn om dit bewonderenswaardige opus daarom links te laten liggen!

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 5 september 2008

Echte mensen

De werkelijkheid op de huid

De wereldcinema is ondenkbaar zonder Chinese films, moderne Chinese schilderkunst breekt miljoenenrecords bij Sotheby’s, maar de Chinese literatuur steekt daar internationaal wat schril bij af. Je zou kunnen zeggen: elk land heeft op cultureel gebied nu eenmaal zijn sterke punten. Nederland was lang het land van Rembrandt en Van Gogh, en meer recentelijk van Dutch Design. Nederlandse schrijvers gaan pas sinds kort de wereld over.

Natuurlijk is dat deels een kwestie van vertalen: als is het Chinees geen kleine taal, net als het Nederlands wordt hij buiten de landsgrenzen nauwelijks gesproken. En zoals Engeland nu pas weet dat ze in W.F. Hermans een Nederlandse Kafka hebben, zo weet menig westerling niet dat China juist altijd een door en door literair land is geweest. De enorme Chinese boekhandels van tegenwoordig puilen uit van boeken en lezers, en in het klassieke China was elke ambtenaar een dichter.

Eeuwenlang vormde literatuur een vast onderdeel van de keizerlijke examens, die toegang boden tot de hoogst mogelijke carrière: het dienen van het land. Literatuur had dan ook een praktische rol: het weerspiegelen van wat er speelde in de maatschappij, het signaleren van misstanden en het trekken van lessen uit de geschiedenis.

Mo Yan

En die rol heeft literatuur in de 20e eeuw grotendeels behouden. Schrijvers zijn dan geen ambtenaar meer – al heeft Mao ze een tijdlang voor zijn politieke kar willen spannen – maar de typische Chinese roman zit de werkelijkheid nog altijd dicht op huid, richt zich op het aardse en alledaagse, en verliest de geschiedenis maar zelden uit het oog.

Iemand als Mo Yan (1956), ongetwijfeld de bekendste hedendaagse schrijver, vaak genoemd als Nobelprijskandidaat, heeft er bijna zijn hele oeuvre aan gewijd. Zijn eerste en beroemdste roman, Het rode korenveld uit 1986, is een barokke ode aan zijn voorouders uit het dorpje Gaomi, zijn eigen Yoknapatawpha – William Faulkner is Mo Yans grote voorbeeld.

De verteller voelt zich een onwaardige telg van een groots geslacht van vitale boeren en liederlijke bandieten, die in de jaren veertig heldhaftig verzet boden tegen de Japanse bezetter. Niet uit patriottisme, maar uit eenvoudige boerentrots en stoere onverzettelijkheid. Eigenschappen die de huidige generatie niet meer bezit, treurt de verloren zoon, zelfs het rode koren schittert niet meer als voorheen.

Mo Yan kan als geen ander dat rode koren doen schitteren. Hij kijkt niet op een bijvoeglijk naamwoord en zijn plastische beschrijvingen dijen oneindig uit. Hij heeft zich niet voor niets het pseudoniem mo yan – ‘niet spreken’ – aangemeten, om zijn eigen woordenvloed in te dammen. Maar tegelijkertijd zie je hoe Mo Yan grip probeert te krijgen op de geschiedenis, haar probeert te herschrijven.

De officiële, revolutionaire versie van de geschiedenis wordt namelijk enkel bevolkt door bovenmenselijke helden en onzelfzuchtige martelaars. Mo Yan zet daar zijn echte, aardse mensen tegenover. Dat hij hun puurheid uit lyrische bewondering danig overdrijft, alla – maar puur betekent voor hem in elk geval niet ongeloofwaardig goed en deugdzaam.

Yu Hua

Yu Hua (1960), een van de populairste en best verkopende auteurs van het moment, gaat daarin nog wat verder. Zijn bekendste roman Leven! (1992) bestrijkt, aan de hand van de lotgevallen van een familie, het China van de jaren veertig tot de jaren tachtig. Alle grote historische gebeurtenissen passeren de revue en vinden hun weerslag in het dagelijks leven: de overgang van gokhuizen naar communes, de privé-ijzersmeltoventjes van de Grote Sprong Voorwaarts en de antikapitalistische leuzen van de Culturele Revolutie.

Veel auteurs hebben zo’n weids panorama geschilderd, maar Yu Hua wil ermee laten zien hoe de gewone man zich op pure wilskracht, de wil om te blijven leven, door de oorlog, armoede en sociale misstanden uit die decennia heen kon slaan. Het verhaal eindigt veelzeggend met het beeld van de hoofdpersoon en zijn buffel – bron van levensonderhoud, symbool van het leven.

Yu Hua schreef dan ook geen politieke aanklacht, maar toont zich eerder diep geroerd door die typisch Chinese overlevingsdrang. In zijn poging een zo gewoon mogelijke hoofdpersoon te schetsen, schiep hij een ware alleman, die bijna uitsluitend getekend wordt door zijn taaiheid en volharding.

Zijn er helemaal dan geen breekbare individuen in de Chinese literatuur, personages die eerder kampen met een innerlijke, psychologische strijd – het kenmerk bij uitstek van de westerse moderne roman? Jawel, maar over het algemeen zie je die pas bij auteurs die het woeden der wereld bewust de rug toekeren. De alom geliefde Su Tong (1963), bijvoorbeeld, heeft een grote voorliefde voor de geschiedenis, maar voor hem lijkt het verleden eerder een vlucht. Zijn hoofdpersonen zijn bijna altijd eenlingen die zich bedreigd voelen door de buitenwereld, niet thuis lijken te horen in hun omgeving.

Su Tong

In zijn pseudo-historische roman Mijn leven als keizer (1992) voert hij een argeloos kindkeizertje op dat slachtoffer wordt van machtspelletjes aan een imaginair hof. Vooral de complotten die de oude keizerin-weduwe achter de schermen smeedt maken hem angstig en onzeker. Als hij uiteindelijk wordt afgezet, ervaart hij dat dan ook direct als een bevrijding. De zinderende vlucht die hij vervolgens als gewoon burger door zijn land moet ondernemen, wordt zo één lange louteringstocht. De voormalige keizer heeft nog maar één ambitie: koorddanser worden, om zo dicht mogelijk de vrijheid van de vogels te benaderen – als de Keizer van het Koord.

Wat als begon als een ironisch spel met de conventies van een hofdrama – compleet met jaloerse concubines en een broedertwist – slaat dus om in een roman over individuele vrijheid. Schrijver John Updike bekende in zijn bespreking voor The New Yorker dat hij aanvankelijk maar moeilijk ‘in het verhaal kwam’, totdat hij in het laatste deel tot zijn plezier opeens ‘een hoofdpersoon in de westerse zin van het woord’ ontwaarde, iemand die dingen ‘najaagt, bevecht en ontdekt’.

Zou dat de onbekendheid van de Chinese literatuur kunnen helpen verklaren? De westerse lezer identificeert zich misschien beter met een zich ontplooiend individu dan met een voortploeterende alleman. Hoe het ook zij, voor de huidige grote drie van de Chinese letteren is er duidelijk meer dan alleen dat individu: naast de vogel van de vrijheid is er het koren van de kracht en de buffel van het leven.

Lees ook: Brieven aan een onbekende

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant op 2 augustus 2008 (katern ‘Let The Games Beijing’)

De zon schijnt niet op oost en west tegelijk

China’s opkomst als supermacht kan niemand ter wereld meer ontgaan. Een Chinese verzekeraar koopt belangen in Fortis Bank, de Italiaanse schoenenindustrie legt het af tegen ‘made in China’, en met miljoenen aan ontwikkelingshulp breidt Peking zijn invloed in Afrika uit. China zet de wereld op zijn kop, zo kopte een recente studie van James Kynge terecht (Nw A’dam, 2006).

Vanuit het Westen wordt begrijpelijkerwijs vaak ingezoomd op de internationale gevolgen van dat economische succes. Wat zijn de risico’s van een ondemocratische éénpartijstaat die wereldwijd zijn tentakels uitslaat? Kan China het zich blijven veroorloven de mensenrechten in het zich internationaal sterk profilerende Tibet met voeten te treden?

Minder vaak wordt stilgestaan bij wat er zich binnen China afspeelt, en als gevolg daarvan blijft er een wat abstract spookbeeld bestaan van een dreigende, naar binnen gekeerde communistische kolos – zoals ook wel blijkt bij de protesten in de aanloop naar de Olympische Spelen deze zomer.

Twee recente boeken nuanceren dat beeld – en wel doordat de auteurs besloten eens te gaan praten met Chinezen die niet zo vaak aan het woord komen. Floris-Jan van Luyn reisde mee met de boerenmigranten die als binnenlandse gastarbeiders de Chinese vooruitgang mogelijk maken. Mark Leonard zocht de Chinese intellectuelen op die aan universiteiten en in denktanks mede China’s gezicht van vandaag en morgen bepalen.

Volgens schattingen hebben zo’n 130 miljoen Chinese boeren (dat is 10% van de Chinese bevolking!) sinds de jaren ’90 het uitzichtloze platteland verlaten voor de stad, in de hoop op werk en een beter bestaan – als fabrieksarbeider, kok, kapster of prostituee. Hoewel hun bijdrage aan de economie inmiddels onmisbaar is, zijn zij letterlijk tweederangsburgers, toont Van Luyn aan in Een stad van boeren.

Omdat je volgens het Chinese bevolkingsregistratiesysteem als boer of als stedeling geboren wordt, zijn boerenmigranten in de stad per definitie rechteloos. Dat betekent dat een boerenbouwvakker op geen enkele verzekering of andersoortige steun hoeft te rekenen wanneer hij van de steigers langs een wolkenkrabber afvalt – als hij überhaupt al een arbeidscontract heeft gekregen.

Zo onthutsend als Van Luyns portretten zijn, zo indrukwekkend is zijn prestatie als verslaggever. Hij laat de boeren bijna continu aan het woord, en via de mooie foto’s geeft hij ze ook werkelijk een gezicht. En hoewel je aan alles merkt dat hij praktisch overal bij hen was en naast hen stond, zowel op de stinkende vuilnisbelt als in het arbeiderskot waar het riool barstte, is hij in het hele boek niet meer dan degene die waar nodig de achtergronden belicht.

Dat doet hij met oog voor het sprekende, schrijnende detail, maar nooit met een beroep op heilige verontwaardiging of vet sentiment. Misschien ook wel omdat de gelukzoekers en overlevers zelf zo taai en sterk zijn, niet opgeven, waardig blijven – iets wat wel een typisch Chinese eigenschap mag heten.

Boerenmigratie is maar één van de problemen waarmee de intellectuelen die Leonard in What Does China Think?ondervroeg te maken hebben. Als er één beeld uit Leonards korte essay naar voren komt, is dat het tegendeel van een monddode elite onder een repressief regime, zoals men dat uit Mao’s tijd mogelijk gewend was. De hoogleraren en onderzoekers in de economie en de politicologie overleggen regelmatig met de hoogste leiders en hebben paradoxalerwijs, door de afwezigheid van oppositiepartijen en vakbonden, en door het belang van persoonlijke contacten, misschien wel meer macht dan hun westerse tegenhangers.

De meesten zijn westers geschoold (Leonard spreekt in tegenstelling tot Van Luyn geen Chinees en is aangewezen op Engelssprekenden), maar kiezen ervoor het onvoorspelbare politieke klimaat thuis te trotseren om werkelijk iets in hun land te kunnen veranderen. Westers gedachtegoed koppelen zij daarbij creatief aan een Chinese kijk op de wereld.

Zo wordt de westerse roep om democratie en vrijheid van meningsuiting zelfs door de meer gematigde denkers van het zogenoemde ‘Nieuw Links’ niet zonder meer omarmd. Anders dan ‘Nieuw Rechts’, dat het harde kapitalisme voorstaat waarbij sommigen eerder rijk mogen worden dan anderen (‘als de zon opkomt schijnt hij ook eerst op het oosten, niet op oost en west tegelijk’), pleiten zij weliswaar voor experimenten met burgerinspraak op lokaal niveau, om de kloof tussen arm en rijk te helpen dichten. Maar over het algemeen wekt de wetenschap dat de Volksrepubliek in de afgelopen 30 jaar 300 miljoen mensen boven het bestaansminimum heeft weten uit te tillen, meer dan voldoende vertrouwen in het eigen ‘Yellow River Capitalism’, zoals Leonard het noemt.

Sterker nog, Leonard ziet deze vorm van ‘overleggend dictatorschap’, een ‘ommuurd’ politiek systeem met beperkte burgerparticipatie zoals je dat ongeveer in Singapore hebt, als het ‘China-model’ dat in andere ontwikkelingslanden weleens navolging zal kunnen krijgen. China is immers het levende bewijs dat kapitalisme mogelijk is zonder ingrijpende institutionele hervormingen, die bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie tot grote chaos hebben geleid. En anders dan vroeger gaat China bovendien regionale samenwerkingsverbanden aan, die de Amerikaanse wereldorde soms danig verstoren.

Leonards conclusies mogen dan niet altijd even verrassend zijn, en hij wijdt ook veel van zijn beperkte aantal pagina’s aan het schetsen van ruimschoots bekende ontwikkelingen, maar hij laat wel zien dat er een debat is onder Chinese intellectuelen, en dat de regering, schipperend tussen Nieuw Links en Nieuw Rechts, wel degelijk iets met hun ideeën doet – ook voor de miljoenen boerenmigranten.

Het grote probleem zit hem wellicht eerder in de uitvoering van die ideeën, daarover lijken Van Luyn en Leonard het eens, aangezien wijdverbreide corruptie op de lagere niveaus, juist daar waar zelfbeschikking voorzichtig vorm krijgt, veel initiatieven frustreert.

En daar blijkt opnieuw de kracht van Van Luyns boek, dat Leonards grote lijnen inkleurt met urgente verhalen over de gewone burger die van die wanpraktijken de dupe wordt. Compleet met een vertaald familiekasboekje laat Van Luyn zien hoe frauderende partijkaders domweg meer belasting vragen dan een gezin aan inkomsten binnenbrengt. En hoe een tot het uiterste gedwongen boer zijn protest moet bekopen met een afgesneden tong. Maar ook, dat moet gezegd, hoe plaatselijke advocaten en activisten, net zo onverstoorbaar strijdend als de rondtrekkende boerenbevolking, er steeds vaker in slagen hun recht te halen.

Wang en Wang

De 19-jarige bewaker Wang Sujun is een van de naar de stad getrokken boeren die Floris-Jan van Luyn, voormalig China-correspondent voor NRC Handelsblad, in zijn boek portretteert. Sujun staat zwijgend in de houding voor een districtskantoor in Peking en salueert de geblindeerde auto’s van het partijkader. Verder ‘bestudeert hij de voorbijgangers […] of fantaseert over zijn toekomst’. Een eigen garage is zijn grote wens. Zijn baan als bewaker ‘is maar voor even’. Hij voelt dat de mensen uit de stad op hem neerkijken, maar toch is er ‘geen stedeling die bereid is uren voor zo’n poort te gaan staan.’ Terug naar zijn dorp? Geen denken aan. ‘Dat betekent dat ik heb gefaald.’ Zijn ouders, de achterblijvers op het platteland die Van Luyn ook bezoekt, hebben er vrede mee. Hij is geen jongen die in zeven sloten tegelijk loopt, en ‘in de stad leert hij meer dan op het land.’

Mark Leonard, directeur van het European Council on Foreign Relations, was verrast toen hij Wang Hui (1959) ontmoette in het Pekingse Thinker’s Café. In zijn poloshirt en colbertje leek hij wel een Parijse intellectueel. Maar verrassender was Wangs ontwikkeling als prominent denker van Nieuw Links. Na het Tiananmen-incident van 1989 trok hij zich twee jaar terug in de bergen en zag dat de nieuwe markteconomie de gewone man geen goed deed. Terwijl het Westen de onderdrukte demonstraties zag als ‘een confrontatie tussen een onmenselijke, onhervormde communistische staat en een groep studenten die aansluiting wilde bij de kapitalistische wereld van liberale democratie’, schrijft Leonard, vroeg Wang aandacht voor de arbeiders die naar het plein kwamen uit woede over de inflatie en ongelijkheid waartoe de radicale hervormingen hadden geleid. Zonder partijlidmaatschap of officiële functie, zoekt Wang Hui vaak de media om misstanden aan de kaak te stellen.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 mei 2008

Rehabilitatie van een feeks

Chinese heerseressen komen er in de geschiedenis meestal niet zo goed vanaf. Keizerin Wu Zetian van de Tangdynastie (7e eeuw) werd verguisd; Tzu Hsi, de laatste keizerin van China, was een ‘intrigante’ met ‘een meesterlijk, inslecht brein’, zo stond er tot 1991 in Chinese leerboeken te lezen; en Madame Mao kreeg bijna alle schuld voor de excessen van de Culturele Revolutie.

Vertaald door Thera Idema

Misogynie van mannelijke geschiedschrijvers? Tekenend is in ieder geval wel dat het recentelijk vaak vrouwelijke auteurs zijn die zich in historische romans geroepen voelen om de namen van deze vrouwen te zuiveren, een menselijker portret van hen te schilderen. De Chinees-Franse Shan Sa deed het voor Wu Zetian in Keizerin (Archipel 2004), de Chinees-Nederlandse Mayli Wen voor Tzu Hsi in Een vrouw op de drakentroon (Conserve 2006), en de Chinees-Amerikaanse Anchee Min voor Jiang Qing in Mevrouw Mao (Contact 2000).

Van deze drie ‘feeksen’ spreekt Tzu Hsi, regentes op de drempel van de twintigste eeuw, internationaal het meest tot de verbeelding, getuige ook de diverse (populair) wetenschappelijke studies die er sinds de jaren ’90 verschijnen – zowel boeken ‘voor’ als ‘tegen’ haar. Waarschijnlijk is dat vanwege haar rol in de confrontatie tussen het traditionele China en het moderne Westen; de Dragon Lady wordt vaak verweten het moederland aan buitenlandse mogendheden te hebben verkwanseld.

Anchee Min, in 1957 in China geboren en sinds 1984 woonachtig in Amerika, heeft maar liefst twee boeken aan deze Chinese Queen Victoria gewijd. In Keizerin Orchidee uit 2004 beschreef ze hoe Tzu Hsi, als meisje Orchidee genoemd, snel en listig opklom van concubine tot keizerin, en in het zojuist vertaalde De laatste keizerin volgt ze haar in haar carrière op en achter de troon, van 1861 tot aan haar dood in 1908.

De ‘rehabilitatie’ volgt bij alle drie de schrijfsters nagenoeg hetzelfde patroon: de vrouwen worden beschreven als slagvaardige, soms koppige doorzetters, die zich op eigen kracht een positie in de mannenwereld weten te verwerven. In het geval van Anchee Min heeft dit nog een persoonlijke dimensie. Het autobiografische Rode azalea, haar bestsellende debuut uit 1994, deed geloven dat zij in haar jonge jaren tijdens de Culturele Revolutie, vechtend tegen vooroordelen en vernederingen, zelf ook zo’n sterke vrouw moet zijn geweest.

Stonden in Keizerin Orchidee het gevoelsleven van de jonge Tzu Hsi en het excentrieke, exotische paleisleven centraal, in De laatste keizerin komen met name de politiek en de geschiedenis, het openbare leven van de keizerin, aan bod. Min heeft veel onderzoek gedaan en speelt een aardig spel met feit en fictie door de keizerin allerlei werkelijke bronnen en krantenberichten uit die tijd, bijvoorbeeld uit de New York Times, te laten tegenspreken of nuanceren. Maar toch komt Tzu Hsi als persoon niet echt dichterbij.

Dat is deels omdat de historische gebeurtenissen wat haastig de revue passeren; dit deel beslaat 40 jaar tegenover de 10 jaar van het vorige. Maar het komt vooral doordat Min, op het ongeloofwaardige af, telkens maar weer de goedheid en de onschuld van de keizerin benadrukt – met name in de relatie tot haar adoptiefzoon Guangxu, die vanaf 1875 in naam regeerde. Volgens de overlevering ‘gebruikte’ Tzu Hsi hem van achter de schermen en dreef ze hem uiteindelijk tot waanzin. Maar bij Min ontfermt ze zich juist als een bezorgde moeder over de getormenteerde jongeling, en als ze ontdekt dat hij een moordaanslag op haar heeft verordend, knippert ze amper met haar ogen en weet ze meteen dat haar wereldvreemde kind door hervormingsgezinde facties aan het hof tegen haar is opgezet.

Naar het einde toe schuift Min dit soort alternatieve interpretaties steeds nadrukkelijker op de voorgrond. Ze ‘verspreekt’ zich zelfs een keertje. Op een gegeven moment verzucht Tzu Hsi, die de hele roman in de ik-vorm vertelt: ‘Toekomstige historici zouden me unaniem afschilderen als een “misdadigster met een immense macht en toegewijd aan het kwaad…”’ Hier legt Min haar hoofdpersoon woorden in de mond die ze nooit gezegd kan hebben. Al is De laatste keizerin om deze redenen misschien geen shakespeareaans koningsdrama geworden, het is wel een boek dat op een toegankelijke manier de nog niet zo vaak begane paden van de Chinese geschiedenis verkent. En gezien de onbekendheid van die geschiedenis in het Westen, mogen die boeken er beslist zijn.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 14 december 2007