Lu Xuns vijftigste verjaardag

Vandaag is het de 139e verjaardag van Lu Xun, de vader van de moderne Chinese literatuur. Al een paar keer las ik in Chinese stukken dat hij zijn vijftigste, in 1930 (volgens de Chinese kalender), gevierd zou hebben in een ‘Nederlands restaurant’ in Shanghai. Een Nederlands restaurant? Even geleden zocht ik eens wat verder: het bleek om het restaurant Surabaya te gaan, dat door een Nederlander werd uitgebaat. Lu Xun zat dus aan de rijsttafel, naar alle waarschijnlijkheid in dit gebouw – het is veelvuldig gedocumenteerd – aan de huidige South Chongqing Road, nummer 182.

Dat men het allemaal uitgeplozen heeft, komt doordat het een bijzondere en in zekere zin beladen gebeurtenis was, die is opgetekend door de verrassende organisator ervan, de Amerikaanse journaliste Agnes Smedley (1892-1950). Zij was destijds China-correspondent, maar ook communistisch activist, en in die laatste hoedanigheid had ze contacten met de Liga van Linkse Schrijvers in Shanghai, waarvan Lu Xun, tegen wil en dank, de erevoorzitter was.

De Liga was het die haar, als buitenlandse, had gevraagd het verjaardagspartijtje voor Lu Xun te organiseren, omdat dat veiliger zou zijn. De communistische schrijversbeweging, net eerder dat jaar opgericht, was algauw door de regerende Nationalistische Partij ondergronds gedreven, en haar leden werden, soms tot in de dood, vervolgd. De maar liefst honderd genode kunstenaars en intellectuelen werden dan ook stilletjes en enkel mondeling benaderd.

In haar boek Battle Hymn of China (1944) beschrijft Smedley hoe ze de beroemde Lu Xun, ‘the Gorky of China’, die avond, op de 17e september, voor het eerst ontmoette – ze lijkt domweg star struck:

Lu Hsün, accompanied by his wife and small son, arrived early, and I met, for the first time, the man who became one of the most influential factors in my life during all my years in China. He was short and frail, and wore a cream-coloured silk gown and soft Chinese shoes. He was bareheaded and his close-cropped hair stood up like a brush. In structure his face was like that of an average Chinese, yet it remains in my memory as the most eloquent face I have ever seen. A kind of living intelligence and awareness streamed from it. He spoke no English, but considerable German, and in that language we conversed. His manner, his speech, and his every gesture radiated the indefinable harmony and charm of a perfectly integrated personality. I suddenly felt as awkward and ungracious as a clod. 

Lu Xun, geportretteerd op zijn 50e verjaardag

In zijn speech bij het diner, schrijft Smedley, gaf Lu Xun nogmaals uiting aan zijn reserves over de beweging voor proletarische literatuur, waarvoor de Liga hem almaar probeerde te winnen. Lu Xun, de man die zoals bekend zijn studie medicijnen opgaf om het volk voortaan ‘met de pen’ te genezen, heeft niettemin zijn leven lang gekampt met twijfels over het nut en de invloed van zijn schrijven. Beroemd is zijn gedesillusioneerde reactie op een verzoek om een bijdrage voor het geëngageerde tijdschrift Nieuwe jeugd in 1918: hij zag een ‘ijzeren huis’ voor zich, zonder ramen of deuren, waarin slapende mensen onbewust de verstikkingsdood tegemoet gingen; als hij er nu een paar wakker zou maken, zouden die ongelukkigen alleen maar hun onontkoombare dood onder ogen moeten zien. De proletarische literatuur die de Liga voorstond leek hem daarbij nog eens te veel een intellectuele exercitie, die weinig met echte ervaring, leven en lijden te maken had, aldus Smedley. Tot aan zijn dood, zes jaar later, bleef dit voor hem een groot gevecht, met zichzelf en met zijn collega-schrijvers.

Het schijnt een van de weinige gelegenheden geweest te zijn waarop Lu Xun zich ten overstaan van de Liga zo uitsprak, tot teleurstelling van menige aanwezige. Maar Smedley, met haar ‘lifelong hostility to professional intellectuals’, begreep hem, en was het van harte met hem eens.

Het is waarschijnlijk toeval dat dit alles zich afspeelde aan een ‘Nederlandse’ rijsttafel; gezien de omstandigheden zocht Smedley vermoedelijk gewoon naar een buitenlands restaurant. Toch weten we dat Lu Xun zijn leven lang een bijzondere band met Nederland heeft gehad, namelijk via een boek, dat hij bovendien vlak tevoren, in 1928, had vertaald: De kleine Johannes van Frederik van Eeden. Hij kreeg het voor eerst onder ogen in 1906, als twintiger, en vertaalde het sindsdien in stukjes en beetjes, via het Duits. Over waarom het boek hem zo dierbaar was, en hoe het Hollandse duinlandschap hem naar zijn eigen kindertijd terugvoerde, heeft vertaler Klaas Ruitenbeek geschreven in De Gids.

Lezen ‘met de oogen van een Chinees’

Toen er in 1939 voor het eerst een moderne Chinese roman in het Nederlands werd vertaald, Schemering over Sjanghai van de schrijver Mao Dun, kon je aan de flaptekst wel merken hoe nieuw en bijzonder dat was. ‘Sjanghai!’ klonk het enthousiast. Het ‘Parijs van het Oosten’ was ‘nu het brandpunt der wereldbelangstelling’ en ‘op het juiste moment’ verscheen dan ook ‘een boeienden roman, die ons het werkelijke, tegenwoordige Sjanghai met de oogen van een Chinees laat zien’.

Benieuwd naar hoe die uitgeversaanprijzing destijds bij het lezerspubliek viel, dook ik het internet eens in, waar ik, onder andere via de mooie website Delpher, uit oude kranten en tijdschriften enkele recensies wist op te diepen. De reacties kwamen me eerlijk gezegd wat bekend voor.

Lees verder op China2025.nl, het China crowdblog

Wie wij zijn

Een prikkelende Biblion|NBD-recensie van Wie wij zijn – een literaire kennismaking met China:

Modern Chinees proza van dertien auteurs als kennismaking met de moderne Chinese literatuur. Elf soms zeer korte vertellingen, twee prozagedichten en een voorwoord dat leest als een verhaal. Surrealistische vertellingen met veel geweld en misère, realistische vertellingen met vaak ook veel verdriet, filosofische stukjes over het typisch Chinese meisje of de gauw getrapte Chinese lange tenen. Over smaak valt niet te twisten, als smaakmaker om meer te lezen van de hier vertaalde dertien auteurs is er voor elk wat wils. De vertalingen zijn uitstekend, evenals de bibliografie, zodat het zoeken naar meer werk van deze schrijvers gemakkelijk is. Of het voorwoord, van een Nederlandse auteur, ook een verhaal is of realiteit, is een prettige vraag waar de lezer mee achterblijft.

B.J. Mansvelt Beck

Meer over de door uw dienaar samengestelde bundel op de website van het ILFU

Een herdenkingsteken van water

Vandaag vijftig jaar geleden ‘wierp Lao She zich in de rivier’, zoals men het in China meestal zegt als men het over de sterfdag van de geliefde schrijver heeft. Op 24 augustus 1966, aan het begin van de Culturele Revolutie, verdronk Lao She, die we in de lage landen vooral kennen van zijn beroemde roman De riksjarenner, zich in het Taipingmeer in Peking. 

Geheel opgehelderd zijn de omstandigheden van zijn dood niet. Voor velen is zijn zelfmoord een gevolg van de vernederingen en mishandelingen die veel intellectuelen tijdens die ‘bloedige augustus’ ondergingen. Sommigen beweren dat hij zou zijn bezweken aan het geweld van een hevige ‘strijdsessie’ bij de Confuciustempel, waarvoor hij die dag immers was gesommeerd. Alles wat zeker is, is dat hij de 24e ’s ochtends zijn huis verliet en de volgende dag in het water werd gevonden.

Op dezelfde dag vijftig jaar later ben ik gaan kijken naar de plek waar vroeger het Taipingmeer lag, net buiten de oude stadsmuur van Peking. Tegenwoordig is er een klein park, langs de oude stadsgracht. Geen herdenkingsteken te vinden, geen plakkaat of steen, maar een man die er waterkalligrafie aan het beoefenen was, maakte deze voor me, een tijdelijke.

De eerste zin van Qian Zhongshu

Uit Belegerde vesting, vertaald door Mark Leenhouts

红海早过了,船在印度洋面上开驶着,但是太阳依然不饶人地迟落早起,侵占去大部分的夜。

Het schip had de Rode Zee al achter zich gelaten en doorkruiste inmiddels de Indische Oceaan, maar de zon ging nog altijd onverbiddelijk laat onder en onverbiddelijk vroeg op, bijna volledig bezit nemend van de nacht.

Het is een bijna traditionele romanopening, maar wel een met een randje. De zon die bezit neemt van de nacht, dat staat er niet zomaar, zoals de tweede zin laat zien:

De nacht die half doorschijnend leek, als in olie gedrenkt papier: ze werd omhelsd door de zon, innig, stevig, en misschien zelfs wel bedwelmd, want ook na het wegkwijnen van de avondschemer behield de hemel nog steeds een rode blos.

De zon als een zwoele maar hardhandige minnaar – een speels beeld, maar bij een schrijver als Qian Zhongshu (1910-1998), China’s grootste boekenwurm en polyglot, die lustig met citaten en taalgrapjes strooide, mag je bij zulke luchtigheid beslist op je hoede zijn – ook als vertaler.

Het is geen onbekend procedé om in de eerste zinnen een hint naar het grondthema van de roman te verwerken, en in het Chinees kan dat vaak subtiel door een spel met woorden. Het duurde even voordat ik het zag, maar ‘bezit nemen’ door te ‘omhelzen’ roept toch onmiskenbaar associaties op met de titel van de roman, Belegerde vesting – zeker als je weet dat die op het huwelijk slaat. Al snel in het boek halen de personages, jonge Chinese intellectuelen die we op het bovenstaande, uit Frankrijk afkomstige schip leren kennen, een Frans gezegde aan: ‘het huwelijk is een belegerde vesting, een forteresse assiégée, zij die buiten staan willen naar binnen, zij die erin zitten willen eruit.’ De guitige beeldspraak zou je dus als een mooie opmaat voor een huwelijkssatire kunnen zien, al blijven het natuurlijk ondertonen.

Maar ondertonen genoeg in deze openingspassage: ook de meer militaire connotaties van de titel vinden we erin terug. Verderop in de alinea lezen we namelijk dat de scène zich afspeelt in de zomer van 1937 en dat het schip op weg is naar China, waar de zomerhitte op dat moment als een ‘voorteken van wapengekletter’ wordt beschouwd. Chinese lezers weten dan onmiddellijk dat hier het begin van de oorlog tegen Japan wordt bedoeld, die uiteindelijk zou opgaan in de Tweede Wereldoorlog. En veel van hen weten nu ook waarom de zon aan het begin als een overweldiger werd neergezet. In het Chinees klinkt de letterlijke betekenis van de landsnaam ‘Japan’ nu eenmaal wat sterker door: ‘land van de rijzende zon’. Japan zou vanaf die zomer grootscheeps China binnenvallen en flinke delen van het land ‘in bezit nemen’.

Voor dat ‘bezit nemen van’ in de eerste zin gebruikt Qian Zhongshu eigenlijk een woord waarin het militaire karakter nog iets meer naar voren komt: ‘bezetten’, of preciezer gezegd ‘innemen’. Hij speelt met de dubbele betekenis van die termen: de dagen op de Indische Oceaan zijn zo lang dat de zon het grootste deel van het etmaal ‘inneemt’ en dus als het ware een stuk van de nacht ‘bezet’, je zou zelfs kunnen zeggen ‘terrein verovert’ op de nacht. In mijn Nederlandse vertaling koos ik ‘bezit nemen van’ omdat dat beter aansloot op de amoureuze connotaties van de tweede zin: ‘omhelzen’, ‘bedwelmen’, ‘blos’… Iets met ‘veroveren’, alle amoureuze connotaties ten spijt, was helaas te veel van het goede geweest – te nadrukkelijk vergeleken met het Chinees. Misschien ook wel omdat de westerse lezer de Chinees-Japanse oorlog natuurlijk niet zo op zijn netvlies heeft.

Bovendien is het de bedoeling dat die toespeling op de oorlog alleen maar ‘meeklinkt’ – zoals de oorlog ook slechts het decor vormt van de roman. Qian Zhongshu werd bij verschijning van zijn boek in 1947 nota bene verweten dat hij zich wel erg afzijdig had gehouden van ‘de wereld’ en het in die ontwrichtende tijden bestaan had om zoiets banaals als het huwelijk onder de loep te nemen. Al te lang moet er dus niet bij stilgestaan worden; sterker nog, meteen in de tweede alinea duiken we al in de even concrete als kluchtige liefdesperikelen van de scheepspassagiers…

Qian Zhongshu’s zinnen bevatten heus niet altijd van die dubbele bodems, zoals gezegd wilde hij wat van zijn openingszinnen maken. Toch is er op elke pagina wel een woordgrapje of een verrassende vergelijking te vinden, die me naast de nodige gniffelbuien ook aardig wat hoofdbrekens hebben bezorgd. Zo bezien zette deze openingspassage ook voor de vertaler direct de toon.

Lees meer over Belegerde vesting in In de kantlijn van het leven

Oorspronkelijk verschenen in de rubriek ‘Eerste zinnen’ van Boekhandel Athenaeum

In de kantlijn van het leven

Qian Zhongshu (1910-1998) staat bekend als misschien wel de grootste twintigste-eeuwse literator van China, en tegelijkertijd als de grootste bespotter van het moderne Chinese literatendom. Hij was een ware ‘omgevallen boekenkast’, die zijn verbluffende belezenheid – in zowel het klassiek Chinees, Grieks en Latijn als het Frans, Duits, Engels, Spaans en Italiaans – wist te koppelen aan een luchtig en soms venijnig gevoel voor humor. Het beste voorbeeld daarvan blijft zijn grote satirische roman Belegerde vesting uit 1947, een boek dat elke Chinees kent.

De boekenliefde zat er al jong in bij Qian. Hij werd geboren in een oud geleerden-geslacht te Wuxi, een stadje nabij Shanghai. Zijn vader was een literair historicus van de oude, confucianistische stempel, die hem van kleins af een strenge opvoeding in de klassieken gaf. Maar misschien was de liefde wel aangeboren, getuige de vaak aangehaalde overlevering van zijn eerste verjaardag. Tijdens het traditionele Chinese ‘grijpspelletje’, waarbij een aantal verschillende spulletjes voor de eenjarige wordt uitgestald om zijn karakter te bepalen, greep de kleine Qian spontaan naar een boek. Prompt kreeg hij als nieuwe roepnaam Zhongshu, wat letterlijk ‘die boeken koestert’ betekent.

Qian (de familienaam komt in het Chinees vooraan) groeide op in de vroege jaren van de Chinese Republiek, gesticht na de val van het keizerrijk in 1911. In die tijd van toenemende westerse invloed was het niet vreemd dat hij, vanwege zijn vroeg ontdekte talenknobbel, op zijn veertiende naar een Engelssprekende missieschool werd gestuurd. Spoedig daarna maakte hij als veelbelovend student vreemde talen zijn opwachting aan de beroemde Tsinghua Universiteit in Peking. Op Tsinghua, waar hij allengs de reputatie van een wat eenzelvige, zelfs ongenaakbare boekenwurm en citatenverzamelaar verwierf, ontmoette hij zijn toekomstige vrouw Yang Jiang, die zich later zou ontwikkelen tot een bekend schrijfster en vertaalster, onder andere van Plato en Don Quichot. Samen met haar vertrok hij in 1935 voor twee jaar naar Oxford, waar hij met een studiebeurs zijn B.Litt. behaalde, ook al las hij er naar eigen zeggen vooral detectives. Qian heeft een reeks aan literair-wetenschappelijke artikelen in het Engels nagelaten (vaak onder zijn verengelste naam C.S. Ch’ien), maar toch beweren bronnen dat zijn veeltalige boekenkennis in Oxford niet zozeer imponeerde als wel een wat gedateerde indruk maakte.

Na nog een jaartje in Parijs keerde het jonge stel, met inmiddels een dochter, in 1938 terug naar China, waar net een jaar eerder de tweede oorlog tegen Japan was uitgebroken, die uiteindelijk zou opgaan in de Tweede Wereldoorlog. Het Japanse imperialisme had in 1894-95 al tot een eerste oorlog met China geleid, en na verspreide gevechten gedurende de jaren dertig van de twintigste eeuw viel Japan in de zomer van 1937 wederom grootscheeps China binnen. Al snel werden grote delen van het noorden en de oostkust bezet en kwam er een vlucht naar het binnenland op gang, zowel van burgers als van overheidsinstanties. Het was ook in die vrije zone dat Qian aanvankelijk werk vond, als docent aan de daar opgerichte Verenigde Zuidwestelijke Universiteit, een provisorisch samenwerkingsverband van drie grote noordelijke universiteiten. Het zou later model komen te staan voor de Driebondsuniversiteit in Belegerde vesting.

Vanaf 1941, na de Japanse aanval op Pearl Harbour, kwam Qian door het oorlogsgeweld vast te zitten in Shanghai, waar de buitenlandse concessiewijken een onbezet eilandje vormden. Er volgden sobere oorlogsjaren, waarin Yang en Qian beiden hun literaire debuut maakten, zij vooral als toneelschrijfster, hij in eerste instantie als essayist. Hij baarde opzien met een serie korte essays waarin hij, kwistig citerend uit de wereldliteratuur, speelse filosofietjes opzette over bijvoorbeeld de betekenis van ramen ten opzichte van deuren (zie Het trage vuur 46, juli 2009), maar zich ook vrolijk maakte over de modieuze, ‘pasklare’ ideeën van zijn tijd, met stukjes over thema’s als ‘literatuurblindheid’ of de nutteloosheid van schrijvers (zie Armada 63/64, augustus 2011). Deze essays verzamelde hij uiteindelijk in een kleine bundel met de veelzeggende titel In de kantlijn van het leven (1941). De zaken waar hij zich mee bezig wenste te houden, zei hij tongue-in-cheek, waren immers maar banaal in de ontwrichtende tijden waarin China verkeerde.

Toch bedoelde hij dat laatste wel iets serieuzer dan het klonk: Qian plaatste zich welbewust in de marge, samen met een kleine minderheid van ‘onafhankelijke’ schrijvers die niets zagen in het steeds sterker wordende politieke engagement in linkse literaire kringen. Een engagement dat zich na de capitulatie van Japan alleen maar uitbreidde, gevoed als het werd door de zich nog jarenlang voortslepende burgeroorlog tussen de communisten en de nationalisten. Het is niet dat de maatschappij Qian niets deed, hij vond alleen dat schrijvers hun rol daarin niet moesten overschatten. Iets wat hij illustreerde door met smaak het ijdele karakter van veel van zijn beroepsgenoten te fileren, bijvoorbeeld in zijn beroemde satirische verhaal ‘Inspiratie’ uit de bundel Mensen, beesten, geesten (1946), waarin een Chinese schrijver zijn werk in het Esperanto laat vertalen om zo meer kans te maken op de Nobelprijs.

De eerste druk van Belegerde vesting uit 1947

Nog duidelijker komt dat satirisch vermogen naar voren in Belegerde vesting, dat Qian in diezelfde jaren schreef – jaren, zoals hij in zijn voorwoord zegt, waarin ‘de wereld hem wee deed’. De roman verscheen in 1946 als feuilleton in een literair tijdschrift en in 1947 als boek. De oorlog is in de roman slechts op de achtergrond aanwezig, maar als Qian iets aantoont is het dat zijn jonge, verwesterde generatiegenoten zich er totaal geen raad mee weten en zich eerder druk lijken te maken om hun carrière en hun huwelijk. Zou de titel ‘belegerde vesting’ in eerste instantie nog kunnen slaan op het belegerde Shanghai, waar de roman zich grotendeels afspeelt, algauw laat Qian zijn personages het Franse gezegde over het huwelijk aanhalen: ‘het huwelijk is een belegerde vesting, zij die buiten staan willen naar binnen, zij die erin zitten willen eruit’. Het grote conflict van de roman is dan ook dat tussen de beknellende banden van het traditionele, gearrangeerde huwelijk en de zelfbeschikkingsdrang van de moderne, hoogopgeleide jongere. Maar onder Qians ironische pen is dat geen simpel gevecht tussen goed en kwaad, geen aanklacht tegen het een of een pleidooi voor het ander. De uit het buitenland teruggekeerde jongere wordt door Qian even belachelijk gemaakt als het bekrompen Shanghainese milieu dat hem binnenhaalt als een grote belofte – en een goede huwelijkspartij. Hoofdpersoon Fang Hongjian, de gesjeesde doctor, is duidelijk geen van beide: hij is een charmante nietsnut die het leven maar niet naar zijn hand kan zetten, en als een cynisch, schopenhaueriaans stekelvarken zijn eenzame pad afsukkelt.

De roman werd indertijd dan ook ontvangen als een opvallend apolitiek boek. Men prees het vooral om zijn compositie en psychologie, die het voor velen een van de meest voldragen romans van de toen nog jonge moderne Chinese literatuur maakten. Meer geëngageerde critici vonden het echter maar een simpel verhaal met simpele personages, waarin alles enkel in dienst stond van Qians vrolijke vertoon van eruditie. Toch betogen latere commentaren dat Qians tomeloze citeerdrift en cross-culturele grapjes wel degelijk een functie hebben in de Vesting, aangezien ze het conflict tussen traditie en moderniteit breder trekken en de huwelijksperikelen laten overstijgen. De eerste westerse studies wijzen er bovendien op dat Qian door een subtiele omgang met zijn hoofdpersoon een geslaagd evenwicht tussen maatschappelijke satire en meer invoelende karaktertekening creëert. Daarbij spelen ook de vele terugkerende motieven een rol, zoals de bootreis aan het begin en bijna-einde van het boek, waarvan duidelijk een spiegelend effect uitgaat.

Na drie herdrukken in twee jaar, wat wijst op een aanzienlijke populariteit, verdween de Vesting, samen met zijn auteur, pardoes van de radar. Toen Mao Zedong in 1949 de Volksrepubliek China uitriep en de letteren per decreet ondergeschikt maakte aan de politiek, trok Qian zich, net als menig ander schrijver, geheel terug uit het literaire leven; hij bedankte voor de eer om als schrijver de publieke zaak te dienen en besloot zich voortaan te wijden aan de wetenschap. In 1953 trad hij aan als onderzoeker klassieke poëzie aan de prestigieuze Chinese Academy of Social Sciences te Peking – al werd hij daar, vanwege zijn talenkennis, ook een tijdlang tot voorzitter benoemd van een vertaalteam voor de geschriften van Mao. Gedurende decennia werd er nauwelijks meer iets van hem vernomen; tijdens de Culturele Revolutie circuleerden er zelfs geruchten dat hij zou zijn overleden. Toen hij eind jaren zeventig, na de dood van Mao, weer boven water kwam, werd duidelijk dat hij en zijn vrouw, zoals veel intellectuelen, menige publieke vernedering hadden ondergaan. Samen hadden ze zelfs drie jaar in een ‘kaderschool’ oftewel heropvoedingsinstituut doorgebracht, ervaringen die zijn vrouw later te boek zou stellen in het nuchtere Six Chapters of My Life ‘Downunder’, zoals de titel van de Engelse vertaling uit 1983 luidt. Toen het echtpaar in 1972 uit de kaderschool kwam was de ellende overigens nog niet voorbij: hun appartement bleek door anderen bezet, waardoor zij nog eens drie jaar in Qians kantoor aan de Academy moesten bivakkeren.

Qian Zhongshu en Yang Jiang

Qians terugkomst in het openbare leven, gemarkeerd door een korte buitenlandse tournee in 1979, sloeg in als een bom, niet in de laatste plaats omdat bleek dat hij zich tijdens de Culturele Revolutie heimelijk gewijd had aan zijn grote levenswerk: een weldra in meerdere banden uitgegeven verzameling erudiete essays over allerhande literair-historische onderwerpen, geheel gesteld in het klassiek Chinees – een taal die qua status vergelijkbaar is met het Latijn in het Westen. Hij gaf dit wederom van citaten aan elkaar hangende geheel een voor hem karakteristieke titel mee, Met bamboe en els, naar een beroemde vergelijking uit het taoïstische boek Zhuangzi, waarin het hebben van een ‘beperkt denkraam’, aldus sinoloog W.L. Idema, wordt vergeleken met ‘turen door een bamboebuis om de hemel te doorgronden’ of ‘de dikte van de aarde willen meten met een els’ (een kleine priem). Voor de vertaalde bloemlezing die in 1998 bij Harvard University Press verscheen, bedacht Qian zelf de Engelse titel: Limited Views. Natuurlijk zette hij zich daarmee weer vol zelfspot neer als de stoffige kamergeleerde die zich ver van de grote, boze buitenwereld ophoudt, maar commentatoren wijzen erop dat er in zijn aandacht voor het detail en de nuance dezelfde indirecte waarschuwing tegen oppervlakkigheid en politieke willekeur schuilt als in zijn debuutbundel In de kantlijn van het leven – alleen moest dat onder Mao in veel bedekter termen. Hét grote verschil met die vroege essays, waarin nog een baldadige dertiger spreekt, is de encyclopedische ernst van het latere werk.

Maar ook Qians humor was terug, want in 1980 werd voor het eerst zijn Belegerde vesting weer uitgegeven – om algauw in alle grote talen te worden vertaald en, mede door een populaire tv-serie uit 1990, uit te groeien tot een van de klassiekers van de moderne Chinese literatuur. Tegenwoordig kent elke Chinese scholier de mooie prater Fang Hongjian en zijn pittige echtgenote Sun Roujia, die met haar bescheiden voorkomen maar sterke, ‘heerszuchtige’ wil wel eens een zeer rake typering van de Chinese vrouw is genoemd. Ook het fictieve ‘Clayton University’, waar de arme Fang zijn valse bul van kocht, is in China een gevleugelde uitdrukking geworden.

De schrijver zelf bleef tamelijk stoïcijns onder het succes en weigerde over het algemeen alle interviews of bezoekjes van bewonderaars – een enkele vertaler daargelaten. ‘Als je het ei lekker vond, moet je dan per se de kip leren kennen?’ was zijn reactie op dergelijke verzoeken. Dat de vraag naar de mens achter het werk niettemin erg groot was, blijkt wel uit het feit dat zijn vrouw Yang Jiang voor de herziene editie van de Vesting uit 1985 een lang nawoord schreef, waarin ze niet alleen een aanzet gaf tot Qians biografie, maar ook in detail aantoonde waar het boek, ondanks alle schijnbare overeenkomsten, van het leven verschilde. Bij bijna alle personages wordt een vermeende pastiche op bestaande personen ontzenuwd, en ook laat ze fijntjes weten dat Qian en zij weliswaar net als in het boek op een Franse mailboot uit Europa waren teruggekeerd, maar ‘helaas’ niet in 1937 – en natuurlijk heette die boot ook niet de Vicomte de Bragelonne, want dat is de titel van een roman van Alexandre Dumas.

In de loop van de jaren negentig raakte Qian Zhongshu ernstig verzwakt door kanker, een ziekte die tot overmaat van ramp ook zijn geliefde enige dochter trof. Zij stierf een jaar vóór hem, in 1997. Yang Jiang overleefde hen beide en publiceerde over dat dubbele verlies de bitterzoete gezinsbiografie Wij drie (2003), die haar op hoge leeftijd nog een veelgelezen auteur maakte. Op het moment van dit schrijven 101 jaar oud, houdt zij de herinnering aan haar man nog op vele manieren levend.

Oorspronkelijk verschenen als nawoord bij mijn vertaling van Belegerde vesting, Athenaeum – Polak & Van Gennep 2013, ook gepubliceerd op Schwob.nl

Meer over Belegerde vesting hier

Met een gestold gemoed

Zo staat het in alle geschiedenisboekjes: in 1949, het jaar van de communistische machtsovername in China, legde Shen Congwen, een van de grootste schrijvers van zijn tijd, na een poging tot zelfmoord de pen neer. Hij was beslist niet de enige die er de brui aan gaf toen de politiek definitief de literatuur in zijn greep kreeg, voor veel Chinese schrijvers was dat jaar een keerpunt. Toch blijft Shens verhaal als geen ander het Chinese hart beroeren, niet alleen omdat het keerpunt bij hem als het ware is samengestold tot één dramatisch moment, maar ook om de opvallende eerlijkheid waarmee hij van zijn jarenlange innerlijke worsteling verslag heeft gedaan, in brief, polemiek en dagboek.

Shen Congwen

Peking, maandag 28 maart 1949. Zelf heeft Shen met geen woord meer over zijn daad van die ochtend gerept. Geen krant ook die er melding van maakte, zelfs niet de muurkrant van de universiteit waar hij die periode werkte. Het werd alleen rondgefluisterd in de kantines en slaapzalen, wist een vriend van de familie te melden – in een artikel dat pas in 1957 verscheen in Taiwan, het eiland waarnaar velen na Mao’s machtsgreep de wijk zochten. Lang was dit artikel de enige bron voor het gebeurde, totdat Shens jongste zoon Huchu wat meer details prijsgaf, in een herdenkingsstuk voor zijn vader uit 1988, het jaar van zijn dood.

Huchu, destijds elf jaar, herinnert zich dat hij de bewuste dag uitgelaten uit school kwam, helemaal vol van de communistische rijstplantersdans die hij die dag voor het eerst had geleerd. Het contrast met de thuiskomst kon niet groter – hij noteert staccato: ‘De deur stond wagenwijd open, binnen was het een chaos. Een van de ramen was ingeslagen, een stuk opengereten hor stak naar buiten. Alleen grote broer was thuis. Papa heeft een ongeluk gehad!’ Hij begreep: die ochtend nadat hij naar school was gegaan, een halfuur eerder voor de dansoefeningen, had papa ‘op verschillende manieren geprobeerd om rust te vinden’, maar gelukkig had een oom hem gered en ‘was hij daar niet in geslaagd’.

Rust was iets waar zijn al maanden depressieve vader het vaak over had gehad; de kleine jongen wist dat zijn vader ‘ziek’ was, het hele gezin leed eronder. Wat de ‘verschillende manieren’ betreft, die zou zijn moeder kort daarna in een pas veel later gepubliceerde brief aan de familie kort en zakelijk beschrijven: haar man had zich met een scheermesje de keel en polsen doorgesneden en ook nog paar slokken petroleum gedronken. ‘Gelukkig was het overdag en waren de verwondingen niet ernstig.’ Uit weer een andere bron weten we dat de reddende oom per toeval langskwam en iemand hoorde kreunen. De deur zat op slot, hij sloeg een raam in en trof een bebloede Shen Congwen aan, die volgens zoon Huchu half bewusteloos lag te ijlen, alsmaar herhalend: ‘Ik kom uit Hunan… Ik kom uit Fenghuang…’

Fenghuang (letterlijk ‘Feniks’) is het dorpje in de zuidelijke provincie Hunan waar Shen in 1902 werd geboren – in de noordwestelijke hoek van die provincie, om precies te zijn, een van oudsher bijzonder gebied. De wat afgelegen regio staat bekend om zijn natuurschoon en de vele etnische minderheden die er wonen, met name de met veel folklore gezegende Miao. Ongereptheid en primitiviteit zijn de eerste associaties die bijna elke Chinees met die bevolkingsgroep heeft. Al eeuwen geleden werd West-Hunan bezongen door de beroemde dichter Tao Yuanming (ook wel Tao Qian geheten, de ‘verborgene’), die er bovendien zijn beroemde utopie de Perzikbloesembron in situeerde: China’s cocagne, het paradijselijke oord vol goede mensen dat na één bezoekje nooit meer teruggevonden kan worden. Die idylle, gecombineerd met de omsluitende bergen, leverde de streek in moderne tijden ook wel de benaming China’s Zwitserland op – een benaming die in Shens geval welhaast omineus mag heten.

Fenghuang

Shen vereenzelvigde zich met zijn geboortegrond. Hij stamde uit een familie van generaals die al generaties lang huwelijken aangingen met de plaatselijke Miao. Iets van hun wildheid is zodoende vast in zijn karakter terechtgekomen, want in plaats van naar school te gaan hing de kleine Shen het liefst rond in de natuur, met name bij de rivier, waar de schippers en de prostituees huisden die later zijn verhalen zouden bevolken. In zijn al vroeg gepubliceerde jeugdherinneringen heeft hij het liefdevol over de ‘grote school van het leven’, die hem zoveel meer boeide dan de ‘kleine school’ van de lesbanken en leerboeken. Die laatste school houdt hij dan ook niet lang vol, op zijn vijftiende gaat hij bij het leger, destijds ‘de enige uitweg’ voor een eenvoudige plattelandsjongen. Vijf jaar lang leert hij het nog grotere leven van de oorlog kennen: China was na de val van de laatste keizerlijke dynastie in 1911 ten prooi gevallen aan krijgsheren, die elkaar eindeloos bestreden in het hopeloos verdeelde land. Ook dat soldatenleven komt terug in zijn literaire werk.

Want soldaat of niet, en spijbelaar of niet, Shen bleek een leesgierig knaapje, dat in het leger onder meer een klerkenbaantje wist te versieren – een boekrijke omgeving waarin hij zowel klassiek Chinese als kersvers vertaalde westerse romans leert kennen: van de historische verhalen uit de Drie koninkrijken tot Dickens’ Oliver Twist. Het leidt ertoe dat hij alsnog wil gaan studeren, en in 1922 maakt hij de grote stap naar Peking, waar hij het nog binnen dat decennium van hongerlijdend student tot gevierd schrijver en – zonder enig diploma – docent literatuur aan de universiteit schopt. Zijn loopbaan is miraculeus, zijn productie niet minder: al in 1935 wordt zijn verzameld werk uitgeven, in vijfendertig delen.

Toch blijft hij een buitenbeentje, autodidact die hij is. Alleen al zijn levenswandel sprak tot de verbeelding: zijn eigenwijze schelmenjaren natuurlijk, maar vooral de geruchtmakende bohémienjaren waarin hij samen met de algauw ook beroemde schrijfster Ding Ling en haar man in een soort ménage à trois leeft, al schrijvend en tijdschriften redigerend – activiteiten die hij naderhand voortzet in het literaire mekka van die tijd: Shanghai. Maar ook de onderwerpen van zijn boeken waren ongewoon: het soms rauwe, soms liederlijke leven van de plattelanders uit zijn geboortestreek, dat hij zonder enig moreel oordeel, eerder met sympathie beschrijft.

Eerste druk van Grensplaats

In zijn beroemdste roman, het korte Grensplaats uit 1934, komt eigenlijk alles samen. Het opent als een ingetogen pastorale over de ontluikende seksualiteit van een vijftienjarig plattelandsmeisje, maar blijkt uiteindelijk een idylle met duistere ondertonen. Het meisje wordt opgevoed door haar grootvader, veerman van beroep, omdat haar beide ouders vanwege hun onmogelijke liefde zelfmoord hebben gepleegd. De oude man houdt haar hierover angstvallig in onwetendheid en probeert met aandoenlijke onbeholpenheid een echtgenoot voor haar te vinden. Twee broers dingen door middel van een traditioneel zangritueel naar haar hand, terwijl het pure meisje intussen door giechelende hoertjes in de haven glimpen van een ander leven oppikt. Maar voordat ze goed en wel begrijpt wat er gaande is, frustreert haar grootvader uit overbezorgdheid alle kansen, met nieuwe sterfgevallen tot gevolg. Shens toon zal sommigen misschien wat al te naïef zijn, maar de symboliek liegt er intussen niet om: het meisje wordt omringd door de dood, maar blijft zelf de onschuld in persoon. Ze blijft alleen met haar dromen, en zal, zo lijkt het, nooit een grens oversteken – alleen de rivier, telkens weer, op het veerpontje dat ze van opa overneemt. Om die donkere kant is Grensplaats meteen ook een overgangswerk: werden Shens personages voorheen vaak als nobele wilden gezien, voortaan slopen er diepere, complexere lagen in zijn portretten. Shen begon westerse modernisten te lezen en raakte geïnteresseerd in Freud. Maar eigenlijk heeft die ontwikkeling zich nooit goed door kunnen zetten – omdat de Geschiedenis ertussen kwam.

Hoe meer de burgeroorlogen tussen krijgsheren zich voortsleepten, hoe meer engagement bon ton werd in de letteren, zeker nadat in 1937 ook nog eens de oorlog tegen Japan uitbrak, die uiteindelijk zou opgaan in de Tweede Wereldoorlog. De in 1930 opgerichte Liga van Linkse Schrijvers won sterk aan invloed, en lang voordat Mao Zedong zijn opmars maakte, namen ligaleden met het karakteristieke jargon elke andersdenkende de maat. Al in 1937 kreeg Shen het verwijt dat hij niet ‘over de klassenstrijd’ schreef en ‘geen duidelijke haat- en liefdescheiding tussen de verschillende klassen aanbracht’. Shen was inderdaad een van de ‘onafhankelijke’ schrijvers, die zich liever afzijdig hielden van de politiek. De neutrale Shen, die zich noch bij de opkomende Communistische of de regerende Nationalistische Partij had aangesloten, vond domweg dat je politiek en literatuur goed uit elkaar moest houden, want hoewel literatuur natuurlijk best over politiek kon gaan, zei hij, draaide het er bij de linksen altijd op uit dat politiek de literatuur ging bepalen. Hij werd nogal eens versleten voor de estheet die enkel zijn onschuldige arcadië bezong en volkomen wars was van elk engagement, maar in feite, misschien wel door zijn ‘creoolse’ Miao-temperament, mengde hij zich juist geregeld in polemieken, en fel ook, al was het maar om zich te verdedigen tegen aantijgingen over zijn ‘libertaire’ of ‘onvaderlandse’ opstelling. Zijn vrouw Zhaohe, met wie hij in 1933 was getrouwd, zei hem meer dan eens dat hij moest ophouden met die essays, daar lag zijn talent niet: ‘Je snapt niets van politiek, waarom meng je je er dan in?’

Een alledaagse echtelijke berisping, toen nog, maar het is niet overdreven om te stellen dat Shens bevlogenheid hem later zou opbreken, toen na de capitulatie van Japan in 1945 de strijd tussen de Nationalisten en de Communisten in volle hevigheid losbarstte – de strijd om het landsbestuur waarin de laatsten allengs de overhand kregen.

De toestand wordt grimmiger wanneer begin 1948 de leider van de Linkse Liga, Guo Moruo, een invloedrijk intellectueel, hem in een artikel in een Hongkongs tijdschrift rechtstreeks bekritiseert als een reactionair en een ‘perzikroze’ schrijver, oftewel een pornograaf, die zijn lezers ‘vergiftigt’ en hun ‘strijdmentaliteit verzwakt’. Mogelijk is het een verlate tegenaanval of wraakactie, aangezien Shen in de jaren dertig Guo’s romans eens had gelaakt en hem ironisch had geprezen als politicus – waarom hield Guo zich eigenlijk niet direct met politiek bezig, als dat zijn doel was? Hoe het ook zij, wanneer Shen het communistische leger tegen het eind van datzelfde jaar ziet oprukken naar Peking, lijkt hij steeds gelatener zijn lot te aanvaarden. Uit een brief van begin december 1948:

Alles moet nu eenmaal veranderen, breed gezien gaat China een gloednieuw tijdperk tegemoet, dat lijdt geen enkele twijfel. Wie met de pen nog iets wil betekenen, van nut wil zijn, dient zijn traditionele schrijfopvattingen en maatschappelijke standpunten ernstig ter discussie te stellen, en keuzes te maken… Als middelbare man, met een al wat gestold gemoed en misschien ook wel een te introvert karakter, mis ik de sociale vermogens om me aan te passen; twintig, dertig jaar lang ben ik met mijn pen altijd van het woord ‘denken’ uitgegaan, nu moet ik opeens van het woord ‘geloven’ uitgaan; die omslag valt me zwaar. Over niet al te lang zal ik mijn pen wel moeten neerleggen, als ik er al niet toe gedwongen word. Dat is voor velen van mijn generatie de onvermijdelijke uitkomst.

Zhang Zhaohe en Shen Congwen

Al snel nadat hij in 1946 een aanstelling aan de Universiteit Peking kreeg, begon Shen te voelen dat de tijden nu echt aan het veranderen waren. Een paar jaar eerder had Mao, toen nog guerrillaleider in Yan’an, het communistisch bolwerk waar hij na de Lange Mars was neergestreken, zijn befaamde toespraken over kunst en literatuur gehouden. Die stelde hij voortaan ondubbelzinnig in dienst van de politiek, en steeds meer schrijvers gaven aan zijn oproep gehoor. Een literatuur van ‘arbeiders, boeren en soldaten’ moest het worden, groepen die Shen bij uitstek kende, maar Mao dacht daarbij eerder aan folklore waarin een duidelijke boodschap voor het volk verpakt kon worden. Met groeiende twijfel vroeg Shen zich af of er nog wel plaats was voor zijn manier van schrijven, in een brief aan een vriend zegt hij opvallend mat: ‘Ik kan nog wel mooie werken schrijven, maar geen grootse meer. Mijn werk is vervreemd van de huidige tijd, staat te veel op zichzelf, en dus houd ik me bezig met iets volkomen nutteloos.’

Dat ‘geloven’ had betrekking op discussies die hij voerde met schrijvers zoals de literaire reus Ba Jin, die hem voortdurend over de streep wilde trekken, hem aanspoorde vooral wel te blijven schrijven en zich dus wel ‘aan te passen’ aan de nieuwe maatschappij. Maar Shen vond dat zijn oude vriend ‘een leeg geloof’ predikte, te meer omdat het hem opviel dat Ba Jin, net als zijn oude vriendin Ding Ling, zelf juist hoe langer hoe minder schreef, en eigenlijk alleen nog politiek bedreef. Wat doet ze daar eigenlijk in kamp Yan’an, zei hij snerend over Ding Ling, ze heeft toch allang geen boeken meer?

Shen wordt steeds depressiever onder de continue druk die op hem wordt uitgeoefend, en als het communistische leger in januari 1949 echt voor de poorten van de stad staat, volgt er een ware zenuwinzinking. Het dagelijkse artillerievuur in de straten zorgt voor ‘explosies in papa’s hoofd’, schrijft zoon Huchu, die zijn vader nog voor het raam ziet staan, angstig mompelend: ‘De afrekening is begonnen.’ Volgens Huchu had hij het gevoel dat hij constant in de gaten werd gehouden, dat de buren meeluisterden en dat er ‘een net om hem heen werd getrokken’ om hem ‘te dwingen zichzelf te gronde te richten’. Hij lijkt gelijk te krijgen wanneer er terzelfdertijd muurkranten verschijnen op zijn universiteit, waarin hij opnieuw wordt belasterd als ‘perzikroze’ schrijver, die zich ‘prostitueert’ en zich ‘niet inzet voor het land’. De familie besluit hem uiteindelijk een tijdje naar de campus van de Tsinghua Universiteit te sturen, dertig kilometer buiten de stad, waar hij op adem kan komen. De brieven die hij van daar aan zijn vrouw stuurt tonen niets dan vertwijfeling:

Ik ben moe, ik heb rust nodig, alleen voor jou blijf ik worstelen, maar hoe lang ik het volhoud weet ik zelf niet. Ik moet alles opnieuw leren, mijn kansen afwachten. (29 januari)

Mijn wilskracht, wat is dat dan? Alles wat ik heb geschreven is slecht, dat zeggen anderen tenminste. Ik weet niet eens meer wat ik geschreven heb. […] Geef me rust, een pijnloze rust waaruit ik niet meer hoef te ontwaken. Niemand begrijpt nog wat ik zeg, geen van mijn vrienden wil of durft te zeggen dat ik niet gek ben. […] Je hoeft me niet meer te schrijven, wat doet het er nog toe of ik besta of niet, dit is het leven, meer is het niet. Ik voel me met niets meer verbonden. (31 januari)

Al vijftien jaar zit je met me opgescheept, en nu moet je ook nog eens deze crisis met me door, het vreet aan me. Het heeft niets met jou te maken, het is mijn eigen probleem. (2 februari)

Toespelingen op het zoeken naar definitieve rust zijn er genoeg, maar het blijft gissen naar wat hem uiteindelijk tot de daad heeft gedreven, kort na zijn terugkomst op de Universiteit Peking (die destijds nog midden in de stad lag). Er is het verhaal dat hij begin maart naar zijn oude vriendin Ding Ling is gestapt om uit te vinden of de Communistische Partij, waarin zij inmiddels flink was opgeklommen, nu echt van plan was te ageren op de muurkranten en hem zou komen oppakken. Haar kille houding, gecombineerd met het strakke legeruniform dat ze inmiddels droeg, zou zijn laatste hoop de grond in hebben geboord. Maar Ding Ling zelf heeft later ontkend dat ze die periode zelfs maar in Peking was; ze zou Shen pas in juni dat jaar een keer hebben ontmoet. Dan is er nog de anonieme brief met een getekende kogel die Shen omstreeks deze tijd moet hebben ontvangen, voorzien van de tekst: ‘De afrekening is nabij.’ Die bedreiging zou iets te maken kunnen hebben gehad met het summier overgeleverde voorval op 9 maart, waarbij zijn oudste zoon hem betrapte terwijl hij zijn hand uitstak naar het stopcontact. Ten slotte wijst men op onenigheden tussen hem en zijn vrouw Zhaohe. Hen beiden was al verscheidenen malen aangeraden om ‘marxistische lessen’ te gaan nemen aan de Revolutionaire Universiteit in het noordoosten van China, een soort heropvoeding om ‘voorbereid te zijn’ op de nieuwe maatschappij. Zhaohe voelde er wel voor, tot diep ongenoegen van Shen. Vlak voor de fatale ochtend van 28 maart 1949 had Zhaohe haar vertrek al min of meer geregeld, tot groot enthousiasme van de beide zoons, die haar wel in zo’n stoer maopak wilden zien. Misschien was dat de laatste druppel.

Brieven van Shen Congwen

Nadat hij gered was door de oom die de ruit had ingeslagen, werd hij direct overgebracht naar een nabij ziekenhuis, waar hij nog dagenlang half buiten kennis op bed lag. Telkens als hij bijkwam dacht hij dat hij in de gevangenis zat. Hij vroeg om pen en papier en verzocht zijn vrouw de decaan van de letterenfaculteit in te schakelen om hem vrij te krijgen. Op 2 april laat ze hem overbrengen naar een psychiatrische inrichting. Daar schrijft hij op 6 april een acht pagina’s lange aantekening in zijn dagboek, waarin zich, hoe verward ook, de eerste tekenen van een omslag aandienen. Hij begint om ‘7 uur ’s ochtends’:

Weer een nieuw begin van een dag. In dit ochtendlicht komt de wereld, de maatschappij, vanuit haar eeuwigheid en continuïteit weer in beweging en rolt voort. Maar ik sta nog altijd buiten dat alles. Ik begrijp nog altijd niet wat mijn plaats is. […] Vorig jaar leek ik nog te precies weten wat ik was, wat ik kon doen en wat ik aan de nieuwe maatschappij kon bijdragen. Nu is alles één grote warboel.

Hij zegt diepe schaamte te voelen als hij in het Volksdagblad, de partijkrant, van 2 april leest over de wapenfeiten van een communistische heldin, een ‘pure, gezonde plattelandse’. ‘Dat is pas een nieuwe mens van de nieuwe tijd!’ schrijft hij, daarbij vergeleken stellen die ‘stadse intellectuelen’ niets voor, precies zoals Mao al zei. ‘Ik moet mijn oude literatuuropvattingen wegdoen, geheel en al wegdoen. Stoppen met schrijven is onvermijdelijk, noodzakelijk.’ Maar na dat resolute voornemen komt de twijfel weer:

Wat jammer toch, zo’n nieuw land, zo’n nieuw tijdperk, en ik kan er niet aan meedoen. Mensen die veel slechter zijn dan ik krijgen het nieuwe leven wel, maar ik, objectief beperkt door de omstandigheden, door mijn karakter, moet in dat historische proces opgeofferd worden. Ik heb in twintig jaar artikelen veel te veel mensen beledigd. Geef me een kans op het nieuwe leven.

Om ‘8 uur’ schrijft hij opnieuw dat hij ‘zijn pen er wel aan moet geven’. Wat in deze tijd nodig is, vervolgt hij, is niet denken met het hoofd, maar werken met de handen, als een gewone plattelander opstaan zodra het licht wordt en meteen aan de arbeid. ‘Alleen dan heeft mijn leven weer een normaal doel.’ Cultureel werk moet hij voortaan maar overlaten aan mensen met een gezond en helder hoofd. ‘Alleen als een gewoon mens kan ik iets betekenen voor deze maatschappij.’

Opvallend is hoe hij steeds meer het communistisch jargon overneemt, en dat terwijl de Partij nog altijd niet definitief de macht heeft overgenomen; pas op 1 oktober dat jaar zou Mao de Volksrepubliek uitroepen. Even verderop heeft hij het over zijn ‘opvoeding’ die nu ‘al diep in zijn leven is doorgesijpeld’, en een paar regels daarna zelfs als ‘afgerond’ mag worden beschouwd. Hij voelt zijn leven ‘veranderen’, ‘weer normaal worden’. Het enige wat nog hij wil is ‘met de rest van mijn leven iets nuttigs doen voor het volk’. Het is een ‘mentale hergeboorte’, een ‘nieuw begin’, maar ook een ‘vrijwillige straf’. Laat hem maar als tuinman of bewaker in het Zomerpaleis op een bescheiden salarisje zijn dagen slijten, dat is de straf die hij verdient, een straf die ‘zwaarder is dan de dood’, juist om de gestrafte voor eens en voor al duidelijk te maken dat ‘al zijn fouten zijn begonnen bij het verwijderd raken van het massa’.

Als hij om ‘even over elven’ zijn dagboekaantekening besluit met ‘ik wil het nieuwe leven’, lijkt hij al totaal heropgevoed. Maar helemaal waar is dat niet: hij mag dan accepteren dat de samenleving veranderd is, maar als schrijverwenst hij daar geen rol in te spelen. En dat is wel wat de schrijverswereld van hem verwacht. Als hij een paar maanden later uit de inrichting komt en hij zijn baan aan de universiteit kwijt is, begint men in literaire kringen weer aan hem te trekken. Toch houdt hij voet bij stuk, en in september dat jaar neemt hij een eenvoudig baantje als catalograaf en rondleider in het paleismuseum van de Verboden Stad – precies zo als hij dat in zijn dagboek wenste. Mao zag schrijvers graag als ‘culturele arbeiders’, wel, Shen lijkt die betiteling letterlijk op te nemen, in een hogere, schrijnende vorm van ironie. Niet iedereen zag dat laatste in: een collega-schrijver die hem op een dag in het museum aan het werk zag, durfde hem uit plaatsvervangende schaamte niet te groeten.

Ook de nieuw geïnstalleerde regering laat hem niet met rust, maar hoe gebroken Shen ook lijkt, hij blijft zich halsstarrig verzetten. Pas in 1950 gaat hij schoorvoetend akkoord met de marxistische lessen aan de Revolutionaire Universiteit en pas in 1951 perst hij er ten langen leste een ‘bekentenis’ over zijn verderfelijke schrijversverleden uit. Het is een eindeloos herschreven traktaat vol voorspelbare leuzen als ‘literatuur is ondergeschikt aan de politiek’, waarin hij hoogstens wat authentieke clausules als ‘het is moeilijk mijn oude zelf af te schudden’ weet te behouden. Hoe groot de sociale druk op hem is, blijkt wel uit een bewaard gebleven schoolopstel van zijn zoon, die op zijn eigen manier het ongemak verwoordt waarmee het gezin door Shens weigerachtige houding wordt opgezadeld:

Wij zijn thuis met zijn vieren, papa, mama, mijn oudere broer en ik. Papa was een zogenaamde schrijver onder de Nationalisten, hij heeft vroeger veel boeken geschreven. Hij is erg trots dat hij op eigen kunnen is opgeklommen. Na de Bevrijding ging het niet zo goed met hem omdat hij geen helder bewustzijn had en is hij een tijdje ziek geweest. […] Behalve papa zijn wij een heel progressief gezin. [Op zaterdag] houdt mama ideologische strijdsessies met hem. Als papa zijn denken kan hervormen, zal dat denk ik heel fijn zijn voor ons hele gezin. Ik heb met mijn broer afgesproken dat we mama zullen helpen om papa op te voeden, zodat we weer een gelukkig gezin kunnen worden.

Shens boek over traditionele klederdracht

Opmerkelijk is ook de verhouding met zijn vrouw Zhaohe, die onder het nieuwe bewind uitgerekend redactrice wordt van het vooraanstaande tijdschrift Literatuur van het volk, waarin zij dus mede de nieuwe socialistische standaard voor de Chinese letteren bepaalt. In de loop van de jaren vijftig corresponderen de echtelieden verscheidene malen over literaire zaken, als een van beiden voor het een of ander op reis moet. In deze brieven is soms de felle Shen weer terug, die de door zijn vrouw aanbevolen ‘nieuwe literatuur’ becommentarieert met schimpscheuten over de vele taalfouten: laten ze die soms expres staan om de lezers ernaar te laten zoeken, is dat het soms nieuwe opvoeden? Maar over het algemeen vindt hij de literatuur maar vlak, ‘omdat iedereen bang is iets verkeerds te zeggen’. Zijn vrouw is het uiteraard niet met hem eens, maar geeft wel toe dat schrijvers tegenwoordig zo vaak worden ‘opgetrommeld om aan politieke campagnes mee te doen’ dat ze weinig tijd overhouden om te schrijven. Toch blijft ze hem aansporen: ‘Vroeger, toen je nog ambitieus was, schreef je tot je neus bloedde, nu is er een partij die literatuur belangrijk vindt en schrijvers steunt en aanmoedigt, en dan schrijf je juist niet!’

Kennelijk zit er nog genoeg West-Hunanese koppigheid in hem: Shen blijft in het paleismuseum, en alles wat hij in zijn verdere leven nog publiceert zijn boeken en artikelen over traditionele kostuums, zijde, lak- en glaswerk, waaronder overigens zeer gewaardeerde standaardwerken. In 1961 wordt hij nog een keer overgehaald om zich voor langere tijd in een schrijverskolonie ergens in de provincie te vestigen, om daar ‘van het leven te leren’ en een roman te schrijven. Er ging een audiëntie met Mao in hoogsteigen persoon aan vooraf, die gezegd moet hebben: u bent nog niet zo oud, u kunt nog wel een tijdje mee als schrijver. Maar Shen houdt het na een paar kladhoofdstukken voor gezien en brengt zijn tijd voornamelijk door in de nabijgelegen porseleinfabrieken van het beroemde Jingdezhen, waar hij meer van zijn gading vindt. Alles wijst er ook op dat hij werkelijk gepassioneerd is van al dit soort ambachtswerk: voor de buitenwereld ‘begraaft hij zich in die stoffige museummagazijnen’, maar een geëmigreerde oud-leerling die hem in 1973 na jaren terugziet merkt op hoe zijn ogen twinkelen als hij over antiquiteiten en dergelijke spreekt. Op de vraag waarom hij niet meer terug naar de fictie wil, antwoordt hij bescheiden, bijna verontschuldigend dat hij daar ‘simpelweg de vereiste levenservaring niet meer voor heeft’.

Tijdens de Culturele Revolutie blijkt zijn keuze voor een ondergedoken monnikenbestaan ook niet eens zo’n slechte, want de ergste vervolgingen blijven hem bespaard. In 1966 moet hij weliswaar een jaar lang damestoiletten schrobben, omdat nu eenmaal geen enkele intellectueel zijn leven zeker is in die tijd, maar als hij later naar een kaderschool wordt gestuurd, voor weer een nieuwe ronde heropvoeding, krijgt hij niet het zwaarste werk te doen. Schrijven doet dan eigenlijk niemand meer, daarop is hij nu geen uitzondering.

Na de Culturele Revolutie, die eindigt met Mao’s dood in 1976, komt er langzamerhand meer vrijheid in de kunsten, zeker onder de hervormingen van de jaren tachtig. Er breekt een periode aan die veel wegheeft van de levendige jaren twintig en dertig, met opnieuw een flinke injectie westerse literatuur. Toch neemt Shen de pen niet meer op, al is zijn gedeeltelijke verlamming na een hersentrombose in 1983 daar mede debet aan. Wel wordt hij herontdekt en zelfs aanbeden door een nieuwe generatie schrijvers die, op zoek naar de ware Chinese literatuur onder de versteende laag maoïstische ideologie, juist bij hem het kolkende magma van de traditionele vertelwijzen vinden. Een hedendaags schrijver heeft eens gezegd dat hij als student ademloos in een onbekend, oud boek zonder kaft en titelblad had zitten lezen, en er pas later achterkwam dat het om Grensplaats ging.

Maar het was meer dan de boeken alleen. In de puurheid van Shens personages, zoals het meisje op het veer uit Grensplaats, zag men nu scherper dan ooit zijn eigen karakter terug. Niet alleen omdat in de Chinese literatuurbeschouwing de mens en de tekst lang niet zo streng gescheiden worden – van oudsher is literatuur in China immers de spiegel van ’s schrijvers ziel, waarin ongehuicheld zijn gevoelens over de wereld worden gereflecteerd. Maar ook omdat Shen in zijn pijnlijke worsteling met de politiek heeft laten zien dat hij zijn literatuur echt zuiver heeft proberen te houden, door niet volgens andermans geloof te schrijven of, zoals anderen wel deden, op andermans aanwijzing zijn oude werk te herschrijven. Meer dan een tragisch slachtoffer, lijkt hij in die zin eigenlijk een taaie, oprechte volhouder. En zo wordt hij sinds zijn dood in 1988, op vijfentachtigjarige leeftijd, waarschijnlijk vooral herinnerd.

***

Voor dit essay is gebruik gemaakt van Shen Congwens correspondentie, zoals opgenomen in zijn Verzameld werk uit 2002 en zijn Familiebrieven uit 1995, alsmede van diverse Chineestalige bronnen. Geraadpleegde westerse werken zijn The Odyssey of Shen Congwen door J. Kinkley (Stanford University Press, Palo Alto, ca, 1987; biografie), The Chinese Literary Scene door Kai-yu Hsu (Penguin 1975), Vier zusters van Hofei door Annping Chin (Spectrum, Utrecht 2003; over Zhang Zhaohe) en en het tijdschrift A Public Space nr 10, 2010 (Brooklyn, New York; brieven).

Lees hier een fragment van Grensplaats

Oorspronkelijk verschenen in Armada – tijdschrift voor wereldliteratuur nr 68 ‘Beslissende dagen’, herfst 2012

Grensplaats

Shen Congwen (romanfragment)

De eerste druk van Grensplaats
《边城》

Shen Congwens klassieker Grensplaats uit 1934 is een korte roman die opent als een ingetogen pastorale over de ontluikende seksualiteit van een vijftienjarig plattelandsmeisje, maar uiteindelijk een idylle met duistere ondertonen bljikt te zijn. Het meisje, Cuicui, wordt opgevoed door haar grootvader, veerman van beroep, omdat haar beide ouders vanwege hun onmogelijke liefde zelfmoord hebben gepleegd. De oude man houdt haar hierover angstvallig in onwetendheid en probeert met aandoenlijke onbeholpenheid een echtgenoot voor haar te vinden. Twee broers dingen door middel van een traditioneel zangritueel naar haar hand, terwijl het pure meisje intussen door giechelende hoertjes in de haven glimpen van een ander leven oppikt. Maar voordat ze goed en wel begrijpt wat er gaande is, frustreert haar grootvader uit overbezorgdheid alle kansen, met nieuwe sterfgevallen tot gevolg. Shens toon zal sommigen misschien wat naïef zijn, maar de symboliek liegt er intussen niet om: het meisje wordt omringd door de dood, maar blijft zelf de onschuld in persoon. Ze blijft alleen met haar dromen, en zal, zo lijkt het, nooit een grens oversteken – alleen de rivier, telkens weer, op het veerpontje dat ze van opa overneemt.

Shen Congwen

Hoofdstuk 13

Bij schemerval zat Cuicui onder de witte pagode achter het huis, kijkend naar de wolkensluiers die door de ondergaande zon perzikroze werden gekleurd. De veertiende was marktdag in Zhongzhai, veel kooplui uit de stad trokken erheen om bergproducten te kopen, dus waren er ook veel overstekers; grootvader had op het pontje geen ogenblik rust. Weldra zou het donker zijn, de gevederde wereld leek al op stok, behalve de koekoek – die hield geen ogenblik stil. Rotsen, aarde, bomen en planten, alles was de hele dag door de zon geblakerd en alles gaf op dit moment een klamme warmte af. Je rook de aarde, je rook de planten, je rook zelfs de kevers. Cuicui keek naar de rossige wolken, luisterde naar het geroezemoes van de reizende kooplui op het veer, en voelde een lichte mistroostigheid over zich neerdalen.

De schemer was even zacht, mooi, vredig als altijd. Toch zou ieder ander in haar plaats zich even mistroostig hebben gevoeld – dit was het moment waarop de dagen pijn deden. Cuicui had het gevoel dat er iets miste. Dat de tijd te snel voorbijging en dat er iets moest gebeuren om hem tegen te houden, vast te houden, maar wat? Het leven was zo’n sleur, zo’n ondraaglijke sleur.

‘Ik vaar gewoon naar Taoyuan, helemaal over het Dongtingmeer, en laat opa overal naar me zoeken. Ik laat hem met een fakkel de stad afgaan en op een gong slaan om me te roepen.’

Ze ging op in haar verbeelding, alsof ze een diepe wrok tegen haar grootvader koesterde, stelde zich zelfs voor hoe hij na lang dolen en speuren uiteindelijk radeloos in zijn boot zou neervallen.

Iemand zou roepen: ‘Ik moet over, meneer, wat is er aan de hand? Zo kunt u toch niet blijven liggen?’

‘Wat er is? Cuicui is weg, naar Taoyuan!’

‘En wat nu?’

‘Wat nu? Ik pak een mes, verstop hem in mijn bundeltje… en dan neem ik de boot en ga haar vermoorden!’

Ze schrok, alsof ze het gesprek echt had gehoord, en schel roepend om haar opa rende ze de helling af naar de rivier. Daar zag ze hem, midden op het water, op het pontje vol gedempt keuvelende mensen. Haar hart ging nog steeds als een bezetene te keer.

‘Opa, opa, breng de boot aan de kant!’

De oude veerman begreep niet wat ze bedoelde, dacht dat ze het van hem over wilde nemen. ‘Wacht maar meisje,’ zei hij, ‘ik kom zo.’

‘Snel nou!’

‘Ik kom, ik kom!’

Ze ging op de oever zitten en keek over de in avondkleuren gehulde rivier. Onder de mensen op het pontje zag ze een roker met een vuursteenaansteker zijn pijp aanmaken, waarna hij met de lange pijpensteel tegen de rand van de boot tikte om de as eraf te slaan. Opeens moest ze huilen.

Toen grootvader even later aanmeerde, zag hij haar verdwaasd aan de waterkant zitten. Hij vroeg wat er was maar ze gaf geen sjoege. Ga het vuur voor het eten maar vast aansteken, zei hij. Cuicui dacht even na, vond het idioot dat ze had zitten huilen, en ging in haar eentje terug naar huis, waar ze in het pikdonker voor de oven hurkte. Toen het vuur brandde liep ze weer naar buiten tot aan de rand van het klif en riep haar grootvader dat hij thuis moest komen. Maar de oude schipper, die zijn werk heel serieus nam, wist dat iedereen voor het eten terug in de stad wilde zijn en zette liever één persoon over dan dat hij iemand moest laten wachten; voorlopig kwam hij dus nog niet aan wal. Vanaf de steven riep hij naar Cuicui dat hij nog even doorging en kwam eten zodra er geen mensen meer waren.

Cuicui drong aan, maar hij negeerde haar. Bedroefd zakte ze neer op het klif.

Het werd donker. In een flits schoot het blauwe lichtje van een grote vuurvlieg langs haar heen. ‘Kijk jou eens vliegen!’ dacht ze, en met haar ogen volgde ze zijn glimmende staartje. De koekoek riep weer.

‘Opa, waar blijf je nou? Kom!’

Grootvader, op de boot, hoorde haar aanhankelijke, nu zelfs klaaglijke stem en antwoordde bars: ‘Ik kom al, Cuicui, ik kom!’ Terwijl hij intussen bij zichzelf dacht: ‘Meisje meisje, wat moet er toch van je worden als ik er straks niet meer ben?’

Toen de oude schipper thuiskwam was het pikdonker binnen, op de vlammen in de oven na. Hij zag Cuicui op het lage krukje voor de oven zitten, met haar handen voor haar ogen.

Pas toen hij dichterbij kwam begreep hij dat ze zo al een tijdje had zitten huilen. De hele middag had hij voorovergebogen de boot heen en weer geboomd, en nu hij klaar was deed alles hem zeer, zijn handen, zijn rug. Normaal gesproken rook hij bij thuiskomst de geur van gesmoorde groente in de pan, en kon hij Cuicui’s schim onder het lamplicht heen en weer zien schieten, druk bezig met het avondmaal. Vandaag was het anders.

‘Ik ben wat later en je huilt al, dat kan toch niet, meisje? Wat als ik ooit dood ga?’

Cuicui zweeg.

‘Niet huilen,’ zei hij, ‘je bent groot nu, je mag niet huilen, wat er ook gebeurt. Je moet sterk zijn, flink zijn, anders hoor je hier niet op aarde thuis!’

Ze haalde haar handen van haar ogen en drukte zich tegen hem aan. ‘Ik huil al niet meer.’

Bij het eten, onder de sojaolielamp, vertelde grootvader haar voor de afleiding wat verhalen, verhalen waarin ook haar overleden moeder voorkwam. Hij was al moe, maar dronk toch nog een half kommetje sterk, waardoor hij na het eten in een opgewekte stemming raakte. Samen gingen ze buiten op de rand van het klif in de maneschijn zitten, waar de oude schipper verder vertelde. Over hoe lief haar arme moeder was geweest. Over hoe koppig haar arme moeder kon zijn. Cuicui luisterde ademloos.

Ze zat met haar armen om haar opgetrokken knieën, tegen haar grootvader aan, en vroeg hem om nog meer verhalen over die arme moeder van haar. Af en toe slaakte ze een zucht, alsof er iets zwaars op haar hart lag dat ze zo weg wilde drukken; maar met een zucht kreeg ze dat niet gedaan.

Het maanlicht leek van zilver en zette alles in zijn gloed; het bamboe op de bergen stak er zwart bij af. In het gras en de struiken rondom hen klonk het getjirp van insecten, aanhoudend als dichte regen. Af en toe liet een grasvogel een roller horen, moeilijk te zeggen waarvandaan. Maar algauw leek het beestje te beseffen dat het zich op dit uur koest moest houden, waarna het zijn oogjes toekneep en kalmpjes insliep.

‘En toen?’ vroeg Cuicui. ‘En toen?’

Grootvader, nog altijd in opperbeste stemming sinds de nacht was gevallen, ging verder met zijn verhalen. Hij vertelde Cuicui over het volkszingen in de stad, over hoe die traditie twintig jaar geleden vermaard was tot over de grenzen van Sichuan en Guizhou. Dat Cuicui’s vader de beste zanger van allemaal was en met talloze beelden kon laten zien hoe liefde en haat met elkaar verweven waren, ook dat vertelde hij haar. Dat Cuicui’s moeder zo van zingen hield en nog voor ze Cuicui’s vader kende al vraag- en antwoordliederen met hem zong – hij terwijl hij bamboe kapte op de berg, zij terwijl ze het pontje de rivier over boomde. Ook dat vertelde hij haar.

‘En toen?’ zei grootvader. ‘Dat is een lang verhaal. Het voornaamste is dat jij door die liederen ter wereld bent gekomen.’

(Vertaling Mark Leenhouts)

Meer over Shen Congwen: Met een gestold gemoed

e88cb6e5b3922
Het plaatsje Chadong in de provincie Hunan, de plek die model stond voor de roman

Oorspronkelijk verschenen op Schwob.nl

Over schrijvers

Qian Zhongshu (essay)

De schrijver is te prijzen om zijn bescheidenheid. Hij streeft niet naar status, maar naar het hogere; elke zelfgenoegzaamheid is hem vreemd. Ik meen het, een schrijver veracht zichzelf soms nog erger dan anderen al doen; hij vindt het vreselijk om schrijver te zijn en getroost zich een hoop moeite, tijd en papier om te bewijzen met hoeveel onwil en ongenoegen hij het schrijverschap wel niet draagt. Is hij daarmee, in onze huidige maatschappij, geen visionair die de polsslag van zijn tijd feilloos aanvoelt?

Het begrip schrijver zou normaal gezien moeten verwijzen naar eenieder die boeken of artikelen produceert en manuscripten indient voor publicatie. Maar in de praktijk wordt er alleen maar mee verwezen naar schrijvers van poëzie, romans, essays en toneel, oftewel, wat men in vroeger tijden aanduidde als ‘bellettristen’ of ‘geletterde leeglopers’, als in: ‘Wie zijn leven aan de letteren wijdt, is gedoemd tot onbeduidendheid.’ Vandaar dat natuur- en maatschappijwetenschappers, die niet de ‘lege letteren’ maar het ‘ware weten’ dienen, zich ondanks de lijvige artikelen die zij schrijven geen moment als nutteloze mannen van de letteren beschouwen – al zullen zij zich in nuttigheid dan nooit kunnen meten met de mannen van de wapenen. Maar misschien komt die houding ook wel voort uit zelfkennis; wat woorden op papier kunnen zetten is immers nog geen literaire verdienste.

Als je het hebt over nuttigheid, zie ik ruwweg twee soorten. Ten eerste het hergebruik van afval, zoals koeienuitwerpselen die kunnen dienen als brandstof, of denk aan de zuinige Tao Kan die nog geen houtsnipper, geen bamboestompje kon weggooien.[1] Ten tweede de onontkoombaarheid van dagelijkse gebruiksvoorwerpen als een tandenborstel of het toilet, dingen waarover wij net zo denken als Wang Ziyou over zijn geliefde bamboe: ‘Ik kan geen dag zonder u.’[2] Terwijl alles op aarde dus een veelheid aan nuttige toepassingen en uiteenlopende vormen van bruikbaarheid kent, lijkt alleen de schrijver getooid met de kroon der nutteloosheid. Is het niet droevig dat hij zich minderwaardig moet voelen ten opzichte van een houtsnipper, een bamboestompje, een tandenborstel of een toilet?

Laten we voor de nuttigen onder hen daarom een aparte naam bedenken, om hen te kunnen onderscheiden van de literairen. Als tegenhanger van het deftige ‘littérateur’ zouden we ze bijvoorbeeld ‘serviteur’ kunnen noemen, een mooi woord voor dienaar in brede zin, dat beslist niet alleen voor amahs, dienstmeiden en riksjalopers gereserveerd zou moeten worden. Het heeft bovendien twee andere voordelen. Ten eerste ademt het de geest van het democratische gelijkheidsideaal: deskundigen en raadsmannen staan op één lijn met bodes en butlers, simpelweg omdat ze dezelfde titel dragen. Ten tweede strookt het met de idee van de algehele verwestersing van China. In Amerika schijnt een president zich ooit een public servant to the citizens te hebben genoemd, een dienaar die voor iedereen klaar staat dus. De Roomse paus noemt zich nederig servus servorum, oftewel ‘slaaf der slaven’, en tijdens de Franse Revolutie probeerden de revolutionairen hun dienaars voor zich te winnen met de benaming frères servants, ‘broeder-dienaars’. Een president staat gelijk aan onze monarch, de paus (papa) is in onze termen een vader, dus als die begrippen in Europa en Amerika gelijkgesteld worden aan ‘serviteur’, kunnen wij in China niet achterblijven.

De serviteur kijkt neer op de littérateur – dat heb ik niet uit de krant van vanochtend, dat is altijd zo geweest. In de Annalen van Han-keizer Gaozu staat opgetekend dat ‘de Keizer geen literatuur belieft’; de Biografie van Lu Jia citeert keizer Gaozu zelfs direct: ‘Ik heb het rijk te paard veroverd, wat moet ik met boeken en gedichten?’[3] Voorwaar een maxime dat, in al zijn openhartigheid, met recht een sacraal edict van een stichter der dynastie mag heten. Hoeveel woorden de tegenstanders van literatuur door de tijden heen ook aan hun zaak hebben vuilgemaakt, het kwam altijd neer op dat ene simpele zinnetje. Tijdens de huidige oorlog tegen Japan spreken de woorden ‘te paard’ overigens maar al te zeer tot de verbeelding. Ook Plato verbant schrijvers en dichters uit zijn Ideale staat, maar zijn toon is lang niet zo resoluut en afgemeten! Plato had een poëtische inborst, en zelfs keizer Gaozu improviseerde ooit in een vlaag van dichterlijke inspiratie een ‘Hymne aan de wind’; toch koesterden beiden een diepe minachting voor de bellettrie, dus wat te denken van de gemiddelde, welgedane mensaap?

Qian Zhongshu’s bundel In de kantlijn van het leven, waarin ‘Over schijvers’ in 1941 verscheen

Théophile Gautier schreef in Les Grotesques dat de welgestelden vaak ‘aan een vreemde ziekte lijden die men poésophobie zou kunnen noemen, oftewel een hartstochtelijke afschuw van verzen’. De ziekte openbaarde zich als volgt: een welgestelde vader trok op een dag de bureaula van zijn zoon open en vond een stapel volgeschreven vellen papier, die niets weghadden van grootboeken of balansrekeningen. Elk eerste woord van de regel was met een hoofdletter geschreven, maar het laatste woord reikte nergens tot aan de rechterkantlijn. Hij keek nog eens goed en zag dat het gedichten waren, waarop zijn hoofd begon te koken en hij bijna uit zijn vel sprong; welk onheil was zijn familie overkomen! wat een onwaardige zoon had hij voortgebracht! Prompt verviel hij tot krankzinnigheid. Het is overigens een zeer besmettelijke ziekte, die ook tegenwoordig keer op keer om zich heen grijpt, als cholera in de zomer of griep in de winter. En ja, er schijnt een middel tegen te bestaan: men neme een keur aan poëzie- en prozabundels, zowel klassiek als modern en Chinees als westers, geve die prijs aan de vlammen en slikke de overgebleven as in één keer met water door. Mits goed toebereid, zo wordt beweerd, verdrijft dit de beklemming uit de borst en de doorn uit het vlees, wat op den duur zal leiden tot een krachtige natie met een schone politiek en een weerbaar volk! Over deze en andere fascinerende opvattingen van de grote geesten van onze tijd hoef ik hier niet verder uit te weiden, u bent er ongetwijfeld voldoende mee vertrouwd aangezien zij in de daartoe aangewezen, wijd en zijd verkrijgbare bladen staan gepubliceerd.

Literatuur zou dus vernietigd moeten worden, maar schrijvers kunnen best wat aanmoediging gebruiken – aanmoediging om het schrijven op te geven. Pope brabbelde als kind in verzen (lisped in numbers), Bai Juyi kon bij geboorte al een paar karakters onderscheiden, maar van dit soort ongeneeslijke ‘geboren schrijvers’ heb je er al met al maar weinig. Gewone schrijvers houden eigenlijk helemaal niet van literatuur, ze blinken er ook helemaal niet in uit. Ze gaan de schrijverij in zoals meisjes van goeden huize in romans de prostitutie in gaan, gedwongen door de omstandigheden, omdat er niets anders op zat; althans, dat hoor ik vaak. Zodra ze de kans krijgen om aan die hel te ontsnappen, zullen alle veelbelovende jongelingen hun pen aan de wilgen hangen en een betere toekomst kiezen. Literatuur is een vak van pech en tegenslag, de vooruitzichten zijn miniem, al wat het met zich meebrengt is honger en kou, en ziekte ligt altijd op de loer. We kennen enkel de ‘aan lagerwal geraakte schrijver’, de aan lagerwal geraakte wetenschapper, ingenieur, advocaat of zakenman is geen begrip. Zelfs de domsten onder ons gaan geen romans of gedichten schrijven tenzij zij echt geen andere uitweg meer zien. Daarom kijken niet alleen buitenstaanders vol minachting naar literatuur en literatoren, ook schrijvers zelf, vervuld van minderwaardigheidsgevoelens, tonen geen greintje geloof of respect voor de letterkunde. Neem Yang Xiong, littérateur pur sang, die in zijn Stelregels zei: ‘Een wakker man laat zich niet in met rijmelarij en ander gekrabbel.’[4] Ook hij was dus liever een flinke vent dan een schrijver. Zo zien we dus een opvallend verschijnsel: alle geleerden steken, met waardigheid en trots, de loftrompet over hun specialisatie en geloven voor de volle honderd procent in hun vak, terwijl schrijvers ongemakkelijk lachen en zich hullen in schaamte, bang om ergens voor uit te komen; als ze zich onverhoopt toch eens op de borst kloppen, in discussies over ‘literatuur in oorlogstijd’ of ‘literatuur als wapen’, dan klinkt het krachteloos, als een omfloerste trom.

Goethe werd gelaakt omdat hij geen patriottische poëzie schreef, waarop hij in de Gespräche mit Eckermann als een oude knorrepot tekeerging: hij was nooit soldaat geweest en had nooit aan het front gestaan, dus had hij dan vanuit zijn studeerkamer strijdkreten moeten roepen en strijdliederen moeten schrijven (Kriegslieder schreiben und im Zimmer sitzen)? Er zijn maar weinig schrijvers die, in tijden die om helden vragen, kunnen meepraten over oorlogsstrategieën, politieke vertogen kunnen houden en voorstellen kunnen doen aan de regering, of die zich op zijn minst kunnen opwerpen als gids van het volk. Zulke veelzijdige talenten moeten en zullen ook niet wegkwijnen in de literatuur. Zodra zich iets anders aandient houden ze de schone letteren voor gezien en winnen hun kostje elders.

Shelley zegt in zijn ‘Defence of Poetry’ dat dichters de ‘niet erkende wetgevers van de mensheid’ zijn (the unacknowledged legislators of mankind). Carlyle vindt in ‘The Worship of Heroes’ dat ook schrijvers bij die heroes horen. Uitzonderlijk begiftigde schrijvers willen zich maar al te graag de rol van held aanmeten, in de vorm van wetgever of wat dan ook. Zichzelf direct uitroepen tot held of wetgever zou aanmatigend zijn, maar ernaar streven is niets anders dan de wil om te reiken naar het hogere. Die wil is prijzenswaardig. Reiken naar het hogere betekent geen genoegen nemen met zichzelf en zich schamen voor zijn sociale positie. Besef van schaamte is de eerste stap naar moed, zei Confucius. En moed moet beloond worden, zeker in deze tijd – of niet soms?

Kortom: laten we de literatuur vernietigen en de schrijver aanmoedigen – om geen schrijver meer te zijn en zich niet meer met literatuur in te laten.

(Vertaling Mark Leenhouts)


[1] Tao Kan (259-334) was een ambtenaar die bekendstond om zijn spaarzaamheid.

[2] Wang Ziyou, een beroemde kalligraaf uit de late vierde eeuw, leefde een teruggetrokken leven omringd door bamboe.

[3] Beide teksten komen uit de Optekeningen van de hofhistoriograaf van Sima Qian (145-87 v.Chr.), de Chinese Herodotus. Keizer Gaozu, de eerste keizer van de Handynastie, was een van de weinige keizers van eenvoudige afkomst.

[4] Yang Xiong (53 v.Chr.-18 n.Chr.) modelleerde deze verzameling maximen naar de Gesprekken van Confucius.

Oorspronkelijk verschenen in Armada – tijdschrift voor wereldliteratuur nr 64 ‘De nieuwe Chinese literatuur’

Ramen

Qian Zhongshu (essay)

Het is lente, de ramen kunnen weer open. En komt de lente eenmaal via het raam naar binnen, dan houden we het in onze huizen niet meer uit en vliegen we door de deur naar buiten. Maar wat is die lente daar buiten toch vreselijk ordinair! Overal schijnt de zon, maar nergens zo mooi en helder als het licht dat een somber vertrek doorklieft; overal die lome, zonverwarmde wind, nergens die frisse, opwekkende stroom die een bedompte kamer eens lekker omwoelt. Zelfs het vogelgekwetter klinkt er flets en banaal – dat heeft eigenlijk de stilte van binnen nodig om goed tot zijn recht te komen. Algauw wordt het ons duidelijk: de lente moet je ingekaderd door een raam bekijken, net als een schilderij in een lijst.

Tegelijkertijd doet ons dit beseffen dat een raam iets heel anders is dan een deur. Deuren zijn uiteraard gemaakt om door naar binnen en naar buiten te gaan. Maar dat kan door een raam ook, denk maar aan dieven, of aan geliefden in romans, die voor hun geheime afspraakjes om de haverklap door vensters klauteren. Daarin zit hem dus niet het wezenlijke verschil. Als je nog eens naar ons voorbeeld van de lente kijkt, zou je het misschien zo kunnen zeggen: dankzij onze deuren kunnen we naar buiten, maar dankzij onze ramen hoeven we niet naar buiten. Ramen brengen de natuur bij de mens, lokken de wind en de zon het huis binnen en houden zo een stukje lente voor ons vast, waar we dan in alle rust van kunnen genieten, zonder de deur uit te moeten. Klassieke dichters als Tao Yuanming voelden de essentie van het raam haarfijn aan. In zijn Lied van de terugkeer staan deze verzen: ‘Trots sta ik voor het zuiderraam, gerieflijk in mijn kleine stulp’. Wat kan hij anders bedoelen dan: met een mooi uitzicht is zelfs de krapste behuizing leefbaar? Ook heeft hij ooit geschreven: ‘In de rust van de zomer, in het ruisen van de wind, lig ik lui bij ’t noorderraam, en voel mij de koning te rijk’. Waarmee hij maar wil zeggen: met een raam voor wat frisse lucht kan een schamel hutje nog een paradijs zijn; hij hoefde niet eens de heuvels in voor verkoeling, al had hij daar in Chaisang het Lugebergte om de hoek.

Daarom zeg ik: deuren staan voor verlangen, ze laten ons dingen najagen; maar ramen staan voor genot, ze laten ons dingen veroveren, bezitten. En dat verschil geldt niet alleen voor wie binnen zit, maar soms ook voor bezoekers van buiten. Iemand die ergens aan de deur komt en netjes aanklopt met een verzoek of een vraag, blijft altijd een gast die zich maar te voegen heeft naar de gastheer. Maar iemand die door het raam naar binnen sluipt, of het nou een kruimeldief of een hartendief is, heeft bij voorbaat al de rol van gastheer van je opgeëist, zonder zich af te vragen of hij welkom is of niet. De Musset zegt het heel mooi in zijn blijspel Waar jonge meisjes van dromen (A quoi rèvent les jeunes filles): ‘Vader opent de deur voor de materiële gemaal (matériel époux), maar haar ideaal (l’idéal) komt altijd via het raam’. Met andere woorden: degene die door de voordeur komt is alleen de formele schoonzoon, bij de vader mag hij dan in de smaak vallen, het hart van de dochter moet hij nog maar zien te winnen. Degene die door het achterraam binnenkomt, dát is pas haar ware liefde, aan wie ze zich met lichaam en ziel zal overgeven. Kom je door de voordeur, dan moet je je eerst door de dienstbode laten aankondigen, wachten op de heer des huizes en vervolgens nog een praatje maken over het weer voordat je de reden van je komst te berde kunt brengen. Wat een gedoe, wat een tijdverspilling – zeker als je ziet hoe de raamganger rechtstreeks op zijn doel afgaat. Bij het studeren nemen we toch ook de korte weg naar de index, wie leest nou elk boek van voor tot achter? Enfin, natuurlijk geldt dit onderscheid alleen onder normale omstandigheden, in tijden van oorlog of andere maatschappelijke onrust is niemand zijn huis zeker, dus valt er überhaupt weinig binnen te dringen, door deur of raam!

Alle huizen ter wereld hebben deuren, maar huizen zonder ramen kom je ook nog weleens tegen. Daaraan kun je zien dat het raam een hoger stadium in de menselijke evolutie vertegenwoordigt dan de deur. Een deur in een huis is nodig, een raam is goedbeschouwd een luxe. Oorspronkelijk was een huis niet meer dan een plek om te overnachten, net als een vogelnest of dierenhol; met de deur op slot zat je veilig. Maar door ramen in de muur te maken en zonlicht en buitenlucht toe te laten, hoefden we overdag niet meer per se naar buiten toe en konden we ook achter gesloten deuren leven. Zo won het huis voor de mens aan betekenis, je sliep er niet alleen, je schuilde er niet alleen voor wind en regen, maar met meubels, boeken en schilderijen werd het een plek om van ’s ochtends tot ’s avonds te kunnen denken, werken en je te ontspannen, een toneel waarop zich alle tragedies en komedies van het leven konden afspelen. De mens kwam door de deur naar binnen, de natuur door het raam, zou je kunnen zeggen. Was het huis aanvankelijk opgetrokken tegen de gevaren van de woeste buitenwereld, nu werd een klein stukje van de natuur door het raam naar binnen gelokt en getemd voor menselijk gebruik, zoals we wilde paarden tot huisvee hebben gemaakt. Sindsdien konden we binnenshuis met de natuur verkeren, we hoefden niet meer op zoek naar licht en lucht – dat kwam gewoon naar ons toe. Dus van alle overwinningen van de mens op de natuur, is het raam er zeker één. Alleen heeft deze overwinning wel iets weg van die van een vrouw op een man: het lijkt een kleine concessie, de ramen openzetten om wat zon en wind te laten binnendringen, maar voor je het weet zijn de rollen omgedraaid en neemt het huis bezit van de binnendringer!

Ik zei al dat deuren een noodzaak zijn, en wat nodig is, daarover heeft de mens niets te zeggen: als je honger hebt, moet je eten; als je dorst hebt, moet je drinken. Dus als er op de deur wordt geklopt, moet je simpelweg opendoen. Misschien staat, zoals bij Ibsen, de jongere generatie wel voor de deur. Misschien is het, zoals in De Quincey’s Over de klop op de poort in Macbeth (On the Knocking at the Gate in Macbeth), de wereld van het daglicht die de wereld van duisternis en schuld komt verdringen. Of het is de verloren zoon die thuiskomt. Of iemand die geld komt lenen (of waarschijnlijker: terug komt vragen). Hoe groter je onzekerheid, hoe banger je bent om open te doen, maar hoe groter je nieuwsgierigheid, hoe meer je open wilt doen. Zelfs de postbode die dagelijks aanbelt vervult je van bange hoop, omdat je nooit weet wat voor nieuws hij brengt maar je ondertussen wel staat te popelen. Het openen van de deur heb je dus niet in eigen hand. Maar het raam? Als je ’s ochtends vroeg opstaat hoef je de gordijnen maar opzij te schuiven en je weet wat je buiten te wachten staat: sneeuw, mist, regen of juist zon. Daarna kun je rustig beslissen of je het raam opendoet of niet. Ramen zijn zoals gezegd een luxe, en luxe is nu juist iets waarvan de mens zelf uitmaakt hoeveel hij er op welk moment van wil hebben.

Ramen kun je wel de ogen van het huis noemen, denk ik vaak. Liu Xi’s Verklaring van namen uit de Handynastie gaf al aan: ‘Venster – verwant aan scherpzinnigheid; van binnen naar buiten kijken duidt op scherpzinnigheid.’[1] En de eerste verzen van Gottfried Kellers Avondlied (Abendlied) luiden: ‘Ogen, lieve vensters mijn (Fensterlein), trouw schenkt u mij de mooiste schijn’. Toch vertellen zij beiden maar het halve verhaal. Ogen zijn de vensters van de ziel, ze geven ons zicht op de buitenwereld maar tegelijkertijd geven ze ook prijs wat er in ons binnenste omgaat. Je blik volgt elke verandering in je hart, vandaar dat Mencius al zei: ‘Aan de ogen kent men de mens’. In een van Maeterlincks toneelstukken mag een geliefde tijdens een kus haar ogen niet sluiten, om de ander te laten zien hoeveel kussen er uit haar hart opstijgen naar haar lippen. Dat is net zoiets als wanneer we tegen iemand met een zonnebril praten en het gevoel hebben dat we nooit zijn ware intenties kunnen achterhalen, alsof hij een masker opheeft. Volgens een gesprek met Eckermann op 5 april 1830, had Goethe zelfs een hekel aan alle brildragers, omdat zij ‘elke rimpel op mijn oude gezicht’ kunnen zien, terwijl ‘de spiegel van hun ziel voor mij versluierd wordt door die verblindende brillenglazen’.

Inderdaad, door ramen kun je naar buiten kijken, maar anderen kunnen er ook door naar binnen kijken, vandaar dat mensen die aan drukke straten wonen gordijnen ophangen om hun privéleven af te schermen. Als je ’s avonds bij iemand langs gaat kun je aan het licht zien of hij thuis is, zonder dat je hoeft aan te kloppen om het te vragen – net als je soms aan iemands ogen al kunt zien wat hij denkt en niet hoeft af te wachten wat hij gaat zeggen. De ramen dichtdoen is net als je ogen sluiten. Er is veel moois tussen hemel en aarde dat je alleen met gesloten ogen kunt zien, in dromen bijvoorbeeld. Is het buiten te rumoerig en te chaotisch? Sluit je raam, dan kun je je geest vrijelijk laten dwalen en je aan stille mijmeringen overgeven. Soms liggen het sluiten van ramen en ogen in elkaars verlengde. Vind je de wereld maar zozo, kan ze je niet meer genoeg bekoren, verlang je terug naar je geboortedorp, naar je familie, vrienden die al lang niet meer hebt gezien? Dan hoef je maar te gaan slapen: sluit je ogen en reis af in een droom. Maar sta eerst op en sluit de ramen, want het is pas net lente, dus het lijkt me nog te kil om ze dag en nacht open te laten.


[1] Dit vermoedelijk uit de tweede eeuw daterende Chinese woordenboek geeft de semantische verwantschap van woorden op basis van overeenkomsten in klank en niet de vorm van de karakters. Destijds was deze fonologische benadering van woordbetekenissen wijdverbreid, maar mede door moeilijk traceerbare uitspraakveranderingen is de Verklaring van namen in onbruik geraakt – al klinken ‘venster’(chuang) en ‘scherpzinnig’ (cong) in het moderne Mandarijn in de verte nog enigszins hetzelfde.

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in Het trage vuur 46, juli 2009

Qian Zhongshu’s bundel In de kantlijn van het leven, waarin ‘Ramen’ in 1941 verscheen