Het paviljoen van de vergeten concubines

Veel Chinaromans kent de Nederlandse literatuur niet, maar naast Slauerhoff, Christine D’haen en Allard Schröder, schreef ook Pim Wiersinga, in zijn debuut Honingvogels, al over China. Nu keert hij er terug met een historische roman die als verrassend uitgangspunt De droom van de rode kamer heeft: de grote 18de-eeuwse romanklassieker van Cao Xueqin. Wiersinga voert een keizerlijke tolk op, Vrouwe Cao, die ooit de minnares was van de schrijver en model zou hebben gestaan voor de heldin van de Droom. Wiersinga weet goed dat zulke verbanden tussen ware personen en romanpersonages Chinese lezers tot op heden bezighouden, en ook de manier waarop hij het boek verbindt met maatschappij en politiek is beslist Chinees te noemen. Westerser, en vrijer, is hij in de interculturele dimensie die hij toevoegt: van de botsing met het Britse rijk tot een liefdesintrige met de Nederlandse VOC-er Titsingh – inclusief een onverbloemde hartekreet over het belang van vertalingen! Veel misschien, maar Wiersinga is soeverein in zijn stijl, de knap aangehouden gedragen toon van deze ‘18de-eeuwse’ briefroman.

Lees hier meer over De droom van de rode kamer

Recensie NBD | Biblion

De eerste zin van Victor Segalen

Uit Brieven uit China, vertaald door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts

Marseille, une heure, 24 avril 1909

Mavone bien aimée tu as été hier plus belle que tu ne pouvais raisonnablement l’être.

Marseille, één uur, 24 april 1909

Mijn liefste Mavone je was gisteren mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn. 

Ongelofelijk: een briefwisseling tussen man en vrouw, zij in Frankrijk, hij in China – dat in die tijd nog heel wat verder weg lag dan tegenwoordig – en dan zo beginnen. Maar het is werkelijk de allereerste zin van de allereerste brief die Victor Segalen na vertrek aan zijn Yvonne schreef. De dag ervoor, op 23 april, hadden ze afscheid genomen in Parijs, vanwaar Victor de trein naar Marseille nam om daar de volgende dag aan boord te gaan van de mailboot naar Shanghai – een overtocht die alleen al een maand zou duren. Er volgden nog 64 brieven, totdat Yvonne zich bijna een jaar later, in april 1910, bij hem voegde in Peking.

De zin maakt meteen duidelijk dat de Brieven uit China liefdesbrieven zijn, die direct en indirect een levendig beeld geven van de amoureuze en intellectuele verhouding tussen de twee. Zeker, de brieven laten zich lezen als een reisverslag en bieden tevens een kijkje in Segalens literaire keuken; onvermoeibaar noteert hij zijn invallen voor boeken, als het uitkomt zelfs te paard, op de grote trektocht die hij later door het destijds tamelijk onverkende binnenland van China onderneemt. Maar het voornaamste is dat hij dat alles in eerste instantie deelt met zijn ‘Mavone’.

Er zit ook al meteen een typisch segalenniaanse wending in de eerste zin: wat doet dat ‘redelijkerwijs’ daar, in ‘mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn’? De tweede en derde zin bieden uitkomst:

Je t’aurais pardonné toutes les defaillances. J’aime infiniment que tu ne les aies pas eues.

Ik zou je alle zwakheden hebben vergeven. Maar je was sterk, en dat doet me oneindig goed.

‘Onder de omstandigheden’, had een ander daar misschien geschreven, maar Segalen is een eigenwijs stilist, die het liever wat korter en beslister zegt.

Lastig te vertalen is Segalen om die eigenzinnigheid zeker, al valt het in deze openingszinnen nog wel mee. De eerste zin rolde er net zo natuurlijk uit als Segalen hem ‘onder de omstandigheden’ had kunnen neerpennen. Misschien dat er in een eerste versie nog ‘Mavone mijn liefste’ aan het begin stond, maar dat ‘bien aimée’ staat er in het Frans altijdachter, en in het Nederlands klinkt het ook te gedragen.

De tweede zin: geen probleem. Maar de derde, tja, daarin zou ‘het deed me oneindig goed dat je er geen hebt gehad’, of iets dergelijks, toch echt geen goed Nederlands zijn geweest. Op zoek dus naar iets even korts en beslists – net als bij ‘redelijkerwijs’. Het resultaat, ‘maar je was sterk’, wijkt woordelijk misschien wat af, maar volgens Maarten Elzinga en mij is het Segalen ten voeten uit.

Lees een fragment uit Brieven uit China in De Gids

Oorspronkelijk verschenen in de rubriek ‘Eerste zinnen’ van Boekhandel Athenaeum

De schepper van rechter Tie

‘Een man van drie levens’ was hij, Robert van Gulik: diplomaat, sinoloog en schrijver. Al dekt die titel van zijn biografie uit 1993 de lading, het blijft slechts een poging om vat te krijgen op een man die volledig schuil lijkt te gaan achter zijn uiteenlopende belangstellingen. Ook het zojuist verschenen gedenkboek voor zijn honderdste geboortedag wil, volgens samensteller Marco Huysmans, recht doen aan de veelzijdigheid van deze ongrijpbare schepper van de befaamde Rechter Tie-romans.

Natuurlijk was het China dat Van Guliks drie levens verbond – maar niet alleen als object van zijn fascinatie. Het gedenkboek, een bonte, kwalitatief nogal wisselende bundel bijdragen, laat eens te meer zien hoezeer Van Gulik zich identificeerde met het klassieke ideaal van de Chinese ambtenaar-literaat, zoals dat in zijn geliefde Ming-dynastie in zwang was.

Niet alleen verluchtigde Van Gulik zijn Rechter Tie-mysteries met op Ming-platen gebaseerde tekeningen, die hij zelf maakte in zijn met Ming-meubels ingerichte werkkamer, hij wist ook drommels goed dat Ming-ambtenaren zich onderscheidden door hun bedrevenheid in de kunsten. Zij kalligrafeerden, dichtten en schilderden als amateur in de oorspronkelijke, positieve betekenis van het woord: beoefenaar niet-om-den-brode.

Het lijkt perfect van toepassing op al Van Guliks hoedanigheden. Als diplomaat ging hij geheel zijn eigen gang en epateerde zijn collega’s met informatie die hij bij kunstvrienden of in het nachtleven opdeed. Maar een van de bijdragen in het gedenkboek, een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken, toont aan dat hij vaak zozeer in cultuur geïnteresseerd was, dat hij op politiek vlak weleens van naïviteit getuigde – kritiek die ook de Ming-ambtenaren ten deel viel.

Als wetenschapper is hij eveneens een eigenzinnige liefhebber te noemen. Waar heeft hij niet over geschreven? De Chinese luit, de gibbon, erotische kunst; het gedenkboek neemt zelfs opstellen op die hij als negentienjarige bolleboos schreef over bijvoorbeeld het Chinese schrift. Als er een rode lijn in zit, is het zijn algemene, menselijke invalshoek, zijn bewondering voor de Chinese way of life.

Met dezelfde blik bezag hij ten slotte ook de literatuur. Die moest vooral leerzaam en historisch verantwoord zijn, blijkens een interview in het boek. En als het geen verhalen ‘met kop en staart’ waren, ‘vermorste’ hij zijn tijd er maar mee. Als een ware dilettant verdedigde hij de detective; van de ‘echte’ literatuur ging alleen Couperus nog: ‘Van oude mensen. Is dat geen thriller?’

Of het gedenkboek Van Gulik grijpbaarder maakt, weet ik niet, maar gewoon genieten van het rijke beeldmateriaal mag ook.

Zie ook: www.rechtertie.nl

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 25 september 2010

Speurwerk in het oude China

‘Tie? Dat ben ik!’ heeft Robert van Gulik ooit gezegd. Het zal ingewijden in de Rechter Tie-mysteries misschien niet verbazen, maar een veelzeggende opmerking is het wel.

Al baseerde de excentrieke ‘man van drie levens’ – diplomaat, schrijver en oriëntalist – zich op historisch materiaal over de zevende-eeuwse Chinese speurder, hij verzon er niet alleen allerlei intriges bij maar paste vooral de vorm van de Chinese misdaadverhalen drastisch aan de Westerse smaak aan. En dat terwijl het wereldwijde appeal van ‘Judge Dee’ toch vooral in zijn ‘Chineesheid’ ligt.

De voorwoorden bij de pas verschenen eerste twee delen van de complete heruitgave van de reeks zijn wat dat betreft tekenend. In het eerste, bij Fantoom in Foe-lai, benadrukt sinoloog Idema nog maar eens hoezeer Van Guliks ‘Chinese detectiveroman’ diens eigen uitvinding was. Waar in de traditionele Chinese verhalen de dader vaak al aan het begin bekend was en vooral de berechting en boetedoening centraal stonden, maakte Van Gulik van de moralistische rechter eigenlijk meer de slimme ontrafelaar uit een Westerse whodunit.

Maar voor misdaadschrijver Jan Willem van de Wetering, in zijn inleiding bij Het Chinese lakscherm, is datgene wat Van Gulik aan de vaste detectiveformule toevoegt nou juist de ‘realistische’ verbeelding van ‘het oude China’, met zijn mistige bergtoppen, concubines en kalligrafie. Maar zou je als je je wilt verdiepen in de Chinese cultuur niet ook iets van de klassiek Chinese kijk op misdaad willen meekrijgen, in plaats van alleen die wat stereotiepe setting? Verschaft ‘Rechter Tie’ dan vooral oppervlakkig exotisme?

Ja en nee. Ja: bij (her)lezing van de nu vijftig jaar oude verhalen blijkt dat Van Gulik zijn vele, lang niet altijd voor de plots noodzakelijke wetenswaardigheden over Chinese gewoonten en klederdracht vaak nogal storend en uitleggerig in de dialogen verwerkte.

En nee: in Tie’s manier van doen en spreken proef je toch ook wel iets van de traditionele Chinese misdaadliteratuur. De scherpzinnigheid en doortastendheid van de rechter, bijvoorbeeld, die niet zozeer redeneert en deduceert maar met onverwachte associaties komt of de karakters van mensen doorziet. En even ‘Chinees’ lijkt de bondige, nuchtere stijl waarin Van Gulik die staaltjes vertelt, met meer aandacht voor actie dan psychologie.

Kortom: Van Gulik is inderdaad rechter Tie, en misschien is het juist door die samenvloeiing van persoonlijkheden, meer dan door de mysteries zelf, dat de boekjes nog altijd tot de verbeelding spreken. Zowel de meer kunstzinnige, van bijvoorbeeld Dick Matena’s stripbewerking uit 2000, vlak voor hij aan Reve’s De avonden begon, als de populaire, getuige de verfilming die John McTiernan, maker van kaskrakers als Die Hard en Last Action Hero, in petto heeft. Al is het nog maar de vraag of de jeugdige doelgroep van dat trendy oosterse-vechtkunstspektakel vervolgens ook zal afkomen op deze kostbare verzamelaarsuitgaven met hun omslagen in de oorspronkelijke vijftigerjarenstijl.

Zie ook: www.rechtertie.nl

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 5 september 2003

Het rijk der lichten

Vertaald door Remco Breuker en Imke van Gardingen

Waar heeft Het rijk der lichten van de Koreaanse romancier Kim Young-ha die exotische cover toch voor nodig? Daarop staat een hemel vol rode lampions afgebeeld, terwijl uit het boek blijkt dat Kim (1968) de schilderijenreeks ‘Het rijk der lichten’ van surrealist Magritte bedoelt: verwarrende landschappen waarop onder een stralende, zonnige hemel de aarde in nacht is gehuld.

Dat beeld past geheel bij de roman, waarin niets is wat het lijkt. De gezapige veertiger Kiyong, die op zijn 21e als spion van Noord- naar Zuid-Korea werd gestuurd, leidt al jaren een volstrekt geassimileerd undercoverleventje met vrouw en kind, als hij tot zijn schrik wordt teruggeroepen.

Kiyong waande zich een ‘vergeten spion’ en had ook nooit iets spectaculairs hoeven doen, enkel informatie vergaren over het gewone Zuid-Koreaanse leven, bedoeld voor het opleiden van nieuwe spionnen in het communistische P’yongyang. Zelf was hij daar ook opgeleid, op een soort filmset waar het straatleven van kapitalistisch Seoul was nagebootst, om te wennen aan de andere omgangsvormen. Was er ooit iets ‘echt’ aan zijn leven, vraagt hij zich plots af.

Magritte’s Rijk der lichten uit 1954

In de laatste 24 uur die hij krijgt om zijn koffers te pakken, trekt dat leven aan zijn ogen voorbij. Flashbacks, laatste gesprekken en onverwachte ontmaskeringen tonen niet alleen zijn eigen identiteitscrisis, maar ook die van zijn opgedeelde land.

Kim Young-ha gaat een stapje verder dan zijn oudere collega Hwang Sok-yong (1943), die met Mijnheer Han (Arbeiderspers 2005) de klassieke roman over de Koreaanse opdeling schreef. Dat is het afstandelijke relaas van een noordelijke vluchteling die in het zuiden voor spion wordt aangezien en maatschappelijk uitgesloten raakt. Zijn tragische lot wekt woede, maar dat van Kims held is beklemmender: met zijn modale bestaan lijkt op het eerste gezicht niks mis, maar in zijn hoofd staat alles op losse schroeven.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 4 september 2010

Een soort Europa, maar dan beter

Eerste Nederlandstalige geschiedenis van China

Chinezen zijn trots op hun geschiedenis, en nationalisme is in China geen vies woord. Nu China zich in snel tempo van ontwikkelingsland tot supermacht ontpopt, jaagt de zelfverzekerdheid van deze ‘adolescent op steroïden’, zoals een Amerikaanse wetenschapper het typeerde, de westerse wereld weleens angst aan. Of er echt sprake is van een nieuw ‘geel gevaar’ valt echter te bezien, voorlopig lijkt die westerse angst een klassiek geval van projectie, want aan expansiedrift hebben de gewezen koloniale machten zich eerder schuldig gemaakt dan China.

Die indruk, inclusief die prettige relativering van ons westerse wereldbeeld, houd je over aan lezing van Het Hemels Mandaat, de eerste Nederlandstalige geschiedenis van het Chinese keizerrijk, geschreven door Leids hoogleraar Barend ter Haar.

China mag dan steeds assertiever worden op het wereldtoneel, Chinees nationalisme is in feite iets betrekkelijk nieuws. Tot ver in de 19e eeuw zag China zichzelf niet als een natie onder de naties, maar als het ‘rijk van het midden’, zoals haar naam zich letterlijk vertaalt. Nu heeft elk groot rijk, van het Romeinse tot het Amerikaanse, zich als het middelpunt van de wereld beschouwd, maar het verschil is dat het voor China nooit een etnische of geo-politieke kwestie was. De opeenvolgende keizerlijke dynastieën waren simpelweg het middelpunt van de beschaving, omringd door ‘barbaren’.

De keizers regeerden er in naam van de Hemel, van wie zij de taak – het mandaat – hadden gekregen om het Al-onder-de-hemel, oftewel: de hun bekende wereld, te ordenen. Daarbij telde niet zozeer het grondgebied. Hoewel in alle geschiedenisboekjes staat dat de Eerste Keizer in 221 v.Chr. China voor het eerst verenigde, is China de eerste 1200 jaar daarna slechts 3 à 4 eeuwen echt een eenheid geweest, noteert Ter Haar fijntjes. Hij stelt dan ook voor China niet als ‘een land’ te beschouwen, maar als een soort Europa – zij het dan ‘een stuk succesvoller’ wat het eenwordingsproces betreft, voegt hij er met een typische kwinkslag aan toe.

Meestal streden meerdere rijken rond de grote Chinese rivieren, de Gele en de Yangtze, om het Hemels Mandaat, maar het konden ook gerust buitenlanders zijn. De grote Tang-dynastie was half-Turks, de Yuan was een Mongoolse veroveraarsdynastie, en vanaf de 17e eeuw werd China driehonderd jaar geregeerd door Mantsjoes. Al deze vreemde volkeren konden aanspraak maken op het Hemels Mandaat door de kwaliteit van hun bestuur, dat zij doorgaans zelfs op Chinese leest stoelden. Het is dan ook op hun morele gezag dat Chinese historiografen hun leiders beoordeelden – een van de valkuilen voor de moderne historiograaf op zoek naar feiten.

De westerlingen, in casu de Britse handelsdelegaties uit de 19e eeuw, stelden zich in Chinese ogen niet respectvol open voor de ‘beschavende uitstraling’ van de keizer. Zij beschouwden de wereld als louter afzetgebied en ergerden zich aan China’s soevereine onverschilligheid. Zonder enig benul van het Hemels Mandaat, maakten ze er domweg een einde aan; de door hen verklaarde Opiumoorlogen liepen binnen enkele decennia uit op de ondergang van het keizerrijk in 1911.

Hoe de confrontatie met het Westen, aanvankelijk nog een vrolijke parade van misverstanden, zulke fatale gevolgen kon hebben, is iets waarbij Ter Haar uitvoerig stilstaat. Zijn overwegend zakelijke overzicht, dat als vanzelf boeit door de indrukwekkende kennis van zaken, lijkt haast naar een dramatische ontknoping toe te werken.

Enerzijds is het een onvermijdelijke clash tussen de twee wereldmachten van toen: het Britse rijk met zijn koloniën, en het Chinese, dat tijdens de Song-dynastie (10e-12e eeuw) al het stabielste rijk ter wereld was, onder de Mongolen (13e-14e eeuw) het grootste en tijdens de Ming (14e-17eeuw) het rijkste. Maar voor China’s plotselinge val naar de status van ‘zieke man van Azië’ zijn meerdere oorzaken aan te wijzen, waarbij Ter Haar zich deels baseert op nieuwe inzichten.

Zo had China vóór de komst van de Britten al te maken met natuurrampen en malthusiaanse spanningen als gevolg van hoge bevolkingsgroei, zaken die het elk land moeilijk hadden gemaakt. Maar het zijn vooral de schaduwkanten van het Hemels Mandaat die de Chinezen opbreken. Een vergelijking met Japan, dat in dezelfde tijd succesvol moderniseerde, maakt dat duidelijk. In technologisch opzicht deed China niet voor Japan onder, maar het faalde op organisatorisch vlak.

Door de grote nadruk op moreel bestuur heeft China tot in de late 19e eeuw nauwelijks een onafhankelijke elite gekend. Het examensysteem, dat opleidde tot het hoogste ambt, dat van dienaar des keizers, testte minder op bestuurlijke competentie dan op ideologische integriteit, door middel van kennis van de klassieke geschriften. De eerste Qing-keizers waren zelfs een soort superliteraten, die handel en praktisch vernuft als bijzaken beschouwden. Met een loyale ambtenarij en zonder werkelijk politiek debat, bleven veel hervormingen steken in desinteresse en corruptie op overheidsniveau.

Tianming, oftewel ‘hemels mandaat’

De parallellen met het tegenwoordige China springen hier in het oog. Al is de meer hervormingsgezinde overheid sinds de Culturele Revolutie wel geïnteresseerd in westers ‘praktisch vernuft’, nog altijd tracht zij het te importeren zonder de eigen ideologie te laten aantasten door het gedachtegoed dat ermee naar binnen sijpelt, denk aan democratie. En wat de handel betreft: de openstelling van de markt die de WTO verlangt, ligt sinds het 19e-eeuwse optreden van de Britten nog altijd gevoelig.

De twintigste eeuw behandelt Ter Haar in een relatief kort slothoofdstuk, dat enkel aanknopingspunten wil bieden voor verder onderzoek naar hoe de traditie doorwerkt in de moderne tijd. Hij noemt bijvoorbeeld de blijvende invloed van de Chinese geneeskunde, maar er valt ook te denken aan een term als ‘cultureel China’ die in het Chinese denken opgang doet.

Daarmee wordt verwezen naar de gedeelde Chinese waarden over de politieke grenzen heen, van de Volksrepubliek tot Taiwan en alle Chinese gemeenschappen overzee. Dat culturele gevoel is sterk aanwezig: elders in de wereld, of het nu Nederland of Canada is, plegen Chinezen, ook zij die er geboren en getogen zijn, de autochtone bevolking nog altijd ‘buitenlanders’ te noemen, alsof ze hun ‘rijk van het midden’ gewoon overal met zich meedragen. Is zo’n eenheidsideaal zonder notie van grondgebied geen eigentijds uitvloeisel van het aloude Hemels Mandaat?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 januari 2010

Kaartspeler, ook in het leven

Voor de kust van de Zuid-Chinese stad Amoy, tegenwoordig Xiamen geheten, ligt het eilandje dat Slauerhoff ooit het lente-eiland noemde, omdat je er het rumoer van Amoy-stad zo goed kon vergeten: ‘Het is hier eeuwige stilte. Het is hier eeuwig herfst. Of lente?’

Allard Schröder, in zijn nieuwe roman Amoy, noteert die stilte van het eiland ook, maar voegt er een donkerder visie aan toe. De stemmen in de verte en het geruis van de golven ‘waren bleke tekenen van leven, maar het organisme dat ze voortbracht was verre van dood, lag alleen maar slaperig en bewegingloos als een slang in de zon om daarna geruisloos de avond in te glijden.’

Schröders visie is vast gevoed door zijn eigen recente verblijf in de havenstad, want na decennia van grijs communisme is Slau’s wondereiland een spookeiland geworden, waar de ‘duizend villa’s’ in westerse stijl verwaarloosd leegstaan en ’s nachts opgloeien ‘als een smeulende berg sintels’. Vertrouwde Schröder-lezers weten intussen wel beter: plekken waar dood en leven samenkomen zijn het ideale decor voor de typische Schröder-held, of het nu burgerman Favonius is in Overlethe, suburbia aan de dodenrivier (Favonius, 2005), of de roeszoekende econome in haar Zuid-Duitse voorgeborchte (De econome, 2008).

Advocaat Seghers is ook zo iemand die levend dood is. In Batavia bracht hij zijn tijd door met bridgen, zeker nadat zijn vrouw hem met de Indische tennisleraar bedroog en vervolgens terugvluchtte naar Den Haag. In 1937, aan de vooravond van de Chinees-Japanse oorlog, neemt hij op goed geluk een opdracht aan in Amoy, waar een zekere zakenman Freyler spoorloos is verdwenen. De firma die hem op de boot zet heet Hermes – juist ja, de god die mensen naar de onderwereld begeleidt.

In Amoy komt hij terecht in het kleine, verstikkende wereldje van buitenlandse consulaten: Nederlanders, Amerikanen en Japanners die er in ‘splendid isolation’ van de Chinese maatschappij leven. Slauerhoff beschreef het al in zijn defaitistische verhaal ‘Such is life in China’, maar Schröder, dat kan hij als geen ander, tekent de sfeer nog genadelozer. Seghers’ onderzoek vlot niet, het eiland verlamt hem en de bewoners laten weinig los over de mysterieuze Freyler, behalve dan dat hij op hem lijkt. Uiterlijk tenminste, want verder moet Freyler juist alles zijn waar Seghers alleen maar van kan dromen: een krachtige man die de wereld naar zijn hand zet. Ook dat dubbelgangermotief kennen we van Schröder – Seghers spiegelt zich aan zijn macho alter ego, neemt zelfs zijn intrek in diens villa, gaat zijn smokings dragen, en valt voor de vrouw op wie Freyler aasde.

De vrouw, de Chinese Grace, maakt niet alleen door haar schoonheid veel in Seghers los. Ze leert hem iets over zijn lot. Als ze op een feestje dansen, wil ze door hem opgetild worden, want: ‘Degene door wie je wordt opgetild, neemt voor even je lot in handen. En dan ben je een moment vrij.’ Het doet Seghers beseffen dat hij een kaartspeler is, ‘ook in het leven’, iemand die ‘wacht tot er gedeeld is’ en zich vervolgens schikt naar de mogelijkheden.

Het is geen inzicht als dat waartoe de dolende wetenschapper Karsch komt in Schröders De hydrograaf (2002) – dat hij voorgoed een mens van de oude tijd is. Seghers weet van geen oude tijden, heeft amper een eigen verleden; hij is als de verveelde Deense telegrafist op het eiland, wiens geheugen dagelijks door de drank wordt gewist.

Wat moet er van zo’n man worden? Hij krijgt wat orakelachtige hulp van de Nederlandse consulsdochter, zo’n vroegwijs meisje dat soms de al even ‘lege’ hoofdpersonen vergezelt van Haruki Murakami, een door Schröder bewonderd schrijver. Maar onherroepelijk raakt hij verstrikt in Freylers louche zaakjes, want ook Chinese ongure types zien hem voor de ander aan. Is Grace zijn redding, of de oorlog, die alle buitenlanders noopt tot vertrek? Maar waar kan hij heen? Weer de zee op? Naar een volgend eiland?

Op elke pagina resoneren de hints naar Seghers’ eeuwige verdoemenis. Freyler klinkt als ‘vrij’, ‘leven’ echoot telkens met ‘leegte’, en de willoze Seghers citeert Nietzsche’s Wille zur Macht en Ewige Wiederkehr… Het heeft soms iets overdadigs, maar tegelijkertijd zijn het net muzikale variaties waarmee Schröder je knap weet te bezweren in deze kleine suite over zijn Chinese helle-eiland.

Gulangyu (het lente-eiland) voor de kust van Xiamen (Amoy)

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 januari 2009

Ergerlijkheden van duizend jaar geleden

Het is een tijdje stil geweest rond de Japanse literatuur, maar de laatste jaren doet de stroom vertalingen van Haruki Murakami de tijden van Tanizaki, Kawabata en Oe weer een beetje herleven. Aan de ene kant appelleert Murakami’s werk, van Norwegian Wood tot After Dark, aan het moderne, westerse levensgevoel, doordrongen van Kafka, Carver, jazz en whiskey. Aan de andere kant roepen zijn mysterieuze parallelle werelden en zijn ‘lege’ personages met hun terloopse, droge verteltrant ook vraagtekens op – en vermoedens naar traditioneel-Japanse invloeden.

Vraagtekens en vermoedens die iedereen voortaan te lijf kan gaan dankzij de monumentale bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van vertaler Jos Vos, die in één mooi verzorgde band literatuur uit elf eeuwen samenbrengt, van 700 tot 1850, rechtstreeks uit het Japans overgezet. Een unicum, en een schatkamer.

Murakami mag dan modern zijn, zijn voorgangers van duizend jaar geleden spreken ons soms net zo direct toe. Dat merk je het best aan twee inmiddels wereldwijd bekende hoogtepunten van de Japanse letterkunde, geschreven door hofdames uit de 10e en 11eeuw. Vos geeft een voorproefje van Het verhaal van Genji door vrouwe Murasaki, de allergrootste Japanse roman, die hij inmiddels in zijn geheel (ruim duizend bladzijden!) aan het vertalen is. Deze kleurrijke, caleidoscopische verbeelding van het oude hofleven, aan de hand van de amoureuze verwikkelingen van prins Genji, wordt wel de eerste roman ter wereld genoemd – of in ieder geval de eerste psychologische roman.

Jos Vos’s volledige vertaling van Het verhaal van Genji verscheen in 2013

Ook Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon, die op meer melancholieke wijze haar onzekerheden in de liefde te boek stelt, doet in zijn openhartigheid tijdloos aan. Al houdt zij het bij wat algemenere, soms wat koketterende verwoordingen van haar leed, toch spreekt haar eigenzinnigheid uit de bekende lijstjes die zij door haar memories heen strooit: ‘Ontstellende dingen’, ‘Ergerlijke dingen’, ‘Afschuwelijke dingen’, enzovoort.

Misschien kan deze vroege aandacht voor het individu verklaren waarom de Japanse literatuur aan het einde van de 19e eeuw zo snel westerse invloeden opzoog en een ‘absoluut modern’ gezicht liet zien. Dit in tegenstelling tot de Chinese literatuur bijvoorbeeld, die langer worstelde met de moderniteit, maar dan ook altijd meer sociaal begaan is geweest en het praktisch nut van literatuur vooropstelde. Schreven in China de ambtenaren, in Japan was het met name de aristocratie, en vanaf de 17e eeuw ook de burgerij.

Iets van die spectaculaire Japanse modernisering kun je proeven als je kijkt naar Akutagawa (1892-1927), een van de eerste moderne Japanse schrijvers. Van hem is bekend dat hij klassieke verhalen bewerkte – bijvoorbeeld in zijn Rashomon, later verfilmd door de befaamde Kurosawa en onlangs nog herdrukt in de serie L.J. Veen Klassiek. In Vos’ anthologie kunnen we die Verhalen van lang geleden uit de 11e en 12e eeuw nu eindelijk lezen, en dan zien we dat Akutagawa een eenvoudige vertelling over een roofoverval in het bos uiteenrafelt in vier elkaar tegensprekende bekentenissen, waarin de ware toedracht, de waarheid, volledig zoek raakt.

Jos Vos’s volledige vertaling van Het hoofdkussenboek verscheen in 2018

 De bekentenis is al sinds Het hoofdkussenboek, en ook het minder bekende Herfstdradendagboek, een vaste waarde in de Japanse literatuur, maar toch kun je het in de klassieke tijd nog geen psychologisch diepgravend genre noemen. Zo zijn Kaneyoshi’s Overpeinzingen in ledigheid uit 1330-1331 in weerwil van de titel eerder impressies en gevoelsuitingen dan filosofische mijmeringen zoals de westerse literatuur die kent.

De impressie bij uitstek vind je terug in de beroemde reisverslagen van Basho uit de 17e eeuw, een van Japans grootste dichters. De smalle weg naar het verre noorden, dat Vos al vertaalde voor de reeks Privédomein, lijkt ook nauwelijks diepgang te bevatten, het is bijna puur registrerend, een beetje zoals bij Murakami dus. Maar Basho’s poëzie en proza getuigen wel van een haast obsessief reizen, een hartstochtelijk onderweg zijn, met name door de vele natuurlijke hindernissen die hij zo onverstoorbaar noteert. Misschien is dat wat Cees Nooteboom zo in Basho aantrekt.

Tegelijkertijd bewerkstelligt die concrete, getuigende stijl juist de opvallende directheid van de Japanse literatuur – net als die van de Chinese overigens. Vos’ vertalingen dragen daaraan bij. Over het algemeen behouden die het ‘juiste midden’ tussen tijdloos en eigentijds Nederlands, al schiet hij weleens door naar een iets te modieuze uitdrukking. Architectuur zou een klassieke auteur niet zo gauw ‘spannend’ noemen, en ‘linke loetje’ detoneert toch wel wat. Aan andere kant krijgen de scabreuze teksten van Saikaku (17e eeuw) of Gennai (18e eeuw) er wel hun schwung door.

Aanmerkingen kun je natuurlijk altijd hebben. Vos’ inleiding, een gedegen historisch overzicht, zou misschien gewonnen hebben bij een meer algemene karakterisering van de Japanse literatuur. En een index was bij zo’n enorm aantal schrijvers en titels erg nuttig geweest. Maar je moet wel een heel grote kniesoor zijn om dit bewonderenswaardige opus daarom links te laten liggen!

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 5 september 2008

De zon schijnt niet op oost en west tegelijk

China’s opkomst als supermacht kan niemand ter wereld meer ontgaan. Een Chinese verzekeraar koopt belangen in Fortis Bank, de Italiaanse schoenenindustrie legt het af tegen ‘made in China’, en met miljoenen aan ontwikkelingshulp breidt Peking zijn invloed in Afrika uit. China zet de wereld op zijn kop, zo kopte een recente studie van James Kynge terecht (Nw A’dam, 2006).

Vanuit het Westen wordt begrijpelijkerwijs vaak ingezoomd op de internationale gevolgen van dat economische succes. Wat zijn de risico’s van een ondemocratische éénpartijstaat die wereldwijd zijn tentakels uitslaat? Kan China het zich blijven veroorloven de mensenrechten in het zich internationaal sterk profilerende Tibet met voeten te treden?

Minder vaak wordt stilgestaan bij wat er zich binnen China afspeelt, en als gevolg daarvan blijft er een wat abstract spookbeeld bestaan van een dreigende, naar binnen gekeerde communistische kolos – zoals ook wel blijkt bij de protesten in de aanloop naar de Olympische Spelen deze zomer.

Twee recente boeken nuanceren dat beeld – en wel doordat de auteurs besloten eens te gaan praten met Chinezen die niet zo vaak aan het woord komen. Floris-Jan van Luyn reisde mee met de boerenmigranten die als binnenlandse gastarbeiders de Chinese vooruitgang mogelijk maken. Mark Leonard zocht de Chinese intellectuelen op die aan universiteiten en in denktanks mede China’s gezicht van vandaag en morgen bepalen.

Volgens schattingen hebben zo’n 130 miljoen Chinese boeren (dat is 10% van de Chinese bevolking!) sinds de jaren ’90 het uitzichtloze platteland verlaten voor de stad, in de hoop op werk en een beter bestaan – als fabrieksarbeider, kok, kapster of prostituee. Hoewel hun bijdrage aan de economie inmiddels onmisbaar is, zijn zij letterlijk tweederangsburgers, toont Van Luyn aan in Een stad van boeren.

Omdat je volgens het Chinese bevolkingsregistratiesysteem als boer of als stedeling geboren wordt, zijn boerenmigranten in de stad per definitie rechteloos. Dat betekent dat een boerenbouwvakker op geen enkele verzekering of andersoortige steun hoeft te rekenen wanneer hij van de steigers langs een wolkenkrabber afvalt – als hij überhaupt al een arbeidscontract heeft gekregen.

Zo onthutsend als Van Luyns portretten zijn, zo indrukwekkend is zijn prestatie als verslaggever. Hij laat de boeren bijna continu aan het woord, en via de mooie foto’s geeft hij ze ook werkelijk een gezicht. En hoewel je aan alles merkt dat hij praktisch overal bij hen was en naast hen stond, zowel op de stinkende vuilnisbelt als in het arbeiderskot waar het riool barstte, is hij in het hele boek niet meer dan degene die waar nodig de achtergronden belicht.

Dat doet hij met oog voor het sprekende, schrijnende detail, maar nooit met een beroep op heilige verontwaardiging of vet sentiment. Misschien ook wel omdat de gelukzoekers en overlevers zelf zo taai en sterk zijn, niet opgeven, waardig blijven – iets wat wel een typisch Chinese eigenschap mag heten.

Boerenmigratie is maar één van de problemen waarmee de intellectuelen die Leonard in What Does China Think?ondervroeg te maken hebben. Als er één beeld uit Leonards korte essay naar voren komt, is dat het tegendeel van een monddode elite onder een repressief regime, zoals men dat uit Mao’s tijd mogelijk gewend was. De hoogleraren en onderzoekers in de economie en de politicologie overleggen regelmatig met de hoogste leiders en hebben paradoxalerwijs, door de afwezigheid van oppositiepartijen en vakbonden, en door het belang van persoonlijke contacten, misschien wel meer macht dan hun westerse tegenhangers.

De meesten zijn westers geschoold (Leonard spreekt in tegenstelling tot Van Luyn geen Chinees en is aangewezen op Engelssprekenden), maar kiezen ervoor het onvoorspelbare politieke klimaat thuis te trotseren om werkelijk iets in hun land te kunnen veranderen. Westers gedachtegoed koppelen zij daarbij creatief aan een Chinese kijk op de wereld.

Zo wordt de westerse roep om democratie en vrijheid van meningsuiting zelfs door de meer gematigde denkers van het zogenoemde ‘Nieuw Links’ niet zonder meer omarmd. Anders dan ‘Nieuw Rechts’, dat het harde kapitalisme voorstaat waarbij sommigen eerder rijk mogen worden dan anderen (‘als de zon opkomt schijnt hij ook eerst op het oosten, niet op oost en west tegelijk’), pleiten zij weliswaar voor experimenten met burgerinspraak op lokaal niveau, om de kloof tussen arm en rijk te helpen dichten. Maar over het algemeen wekt de wetenschap dat de Volksrepubliek in de afgelopen 30 jaar 300 miljoen mensen boven het bestaansminimum heeft weten uit te tillen, meer dan voldoende vertrouwen in het eigen ‘Yellow River Capitalism’, zoals Leonard het noemt.

Sterker nog, Leonard ziet deze vorm van ‘overleggend dictatorschap’, een ‘ommuurd’ politiek systeem met beperkte burgerparticipatie zoals je dat ongeveer in Singapore hebt, als het ‘China-model’ dat in andere ontwikkelingslanden weleens navolging zal kunnen krijgen. China is immers het levende bewijs dat kapitalisme mogelijk is zonder ingrijpende institutionele hervormingen, die bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie tot grote chaos hebben geleid. En anders dan vroeger gaat China bovendien regionale samenwerkingsverbanden aan, die de Amerikaanse wereldorde soms danig verstoren.

Leonards conclusies mogen dan niet altijd even verrassend zijn, en hij wijdt ook veel van zijn beperkte aantal pagina’s aan het schetsen van ruimschoots bekende ontwikkelingen, maar hij laat wel zien dat er een debat is onder Chinese intellectuelen, en dat de regering, schipperend tussen Nieuw Links en Nieuw Rechts, wel degelijk iets met hun ideeën doet – ook voor de miljoenen boerenmigranten.

Het grote probleem zit hem wellicht eerder in de uitvoering van die ideeën, daarover lijken Van Luyn en Leonard het eens, aangezien wijdverbreide corruptie op de lagere niveaus, juist daar waar zelfbeschikking voorzichtig vorm krijgt, veel initiatieven frustreert.

En daar blijkt opnieuw de kracht van Van Luyns boek, dat Leonards grote lijnen inkleurt met urgente verhalen over de gewone burger die van die wanpraktijken de dupe wordt. Compleet met een vertaald familiekasboekje laat Van Luyn zien hoe frauderende partijkaders domweg meer belasting vragen dan een gezin aan inkomsten binnenbrengt. En hoe een tot het uiterste gedwongen boer zijn protest moet bekopen met een afgesneden tong. Maar ook, dat moet gezegd, hoe plaatselijke advocaten en activisten, net zo onverstoorbaar strijdend als de rondtrekkende boerenbevolking, er steeds vaker in slagen hun recht te halen.

Wang en Wang

De 19-jarige bewaker Wang Sujun is een van de naar de stad getrokken boeren die Floris-Jan van Luyn, voormalig China-correspondent voor NRC Handelsblad, in zijn boek portretteert. Sujun staat zwijgend in de houding voor een districtskantoor in Peking en salueert de geblindeerde auto’s van het partijkader. Verder ‘bestudeert hij de voorbijgangers […] of fantaseert over zijn toekomst’. Een eigen garage is zijn grote wens. Zijn baan als bewaker ‘is maar voor even’. Hij voelt dat de mensen uit de stad op hem neerkijken, maar toch is er ‘geen stedeling die bereid is uren voor zo’n poort te gaan staan.’ Terug naar zijn dorp? Geen denken aan. ‘Dat betekent dat ik heb gefaald.’ Zijn ouders, de achterblijvers op het platteland die Van Luyn ook bezoekt, hebben er vrede mee. Hij is geen jongen die in zeven sloten tegelijk loopt, en ‘in de stad leert hij meer dan op het land.’

Mark Leonard, directeur van het European Council on Foreign Relations, was verrast toen hij Wang Hui (1959) ontmoette in het Pekingse Thinker’s Café. In zijn poloshirt en colbertje leek hij wel een Parijse intellectueel. Maar verrassender was Wangs ontwikkeling als prominent denker van Nieuw Links. Na het Tiananmen-incident van 1989 trok hij zich twee jaar terug in de bergen en zag dat de nieuwe markteconomie de gewone man geen goed deed. Terwijl het Westen de onderdrukte demonstraties zag als ‘een confrontatie tussen een onmenselijke, onhervormde communistische staat en een groep studenten die aansluiting wilde bij de kapitalistische wereld van liberale democratie’, schrijft Leonard, vroeg Wang aandacht voor de arbeiders die naar het plein kwamen uit woede over de inflatie en ongelijkheid waartoe de radicale hervormingen hadden geleid. Zonder partijlidmaatschap of officiële functie, zoekt Wang Hui vaak de media om misstanden aan de kaak te stellen.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 mei 2008

Lezen van een schildpadschild

Van tatoeages op schouders en billen tot de poëzie van Ezra Pound: het Chinese karakterschrift spreekt tot de verbeelding. Letterlijk: die tekens lijken wel tekeningen, denkt iedereen die ze voor het eerst ziet. Dat was ook het uitgangspunt voor de Zweedse sinologe Cecilia Lindqvist (1932), die in haar boek Het karakter van China ‘het verhaal van de Chinezen en hun schrift’ vertelt.

Ze publiceerde het boek eind jaren tachtig, toen China net zijn deuren had opengegooid en het lang gesloten land van Mao enorm in de belangstelling stond. Half Nederland leerde Chinees via de Teleac-cursus Ni Hao! De karakters die mijnheer Han daar wekelijks kalligrafeerde – met die olijke glimlach onder zijn Chinese snor – staan mij in ieder geval nog scherp op het netvlies. De Nederlandse vertaling van Lindqvists boek verschijnt niet toevallig op het moment dat er, met de Olympische Spelen in Peking in zicht, een tweede, nog grotere golf van China-interesse aanzwelt.

Mijnheer Han, Teleac 1986

Net als veel westerlingen heeft Lindqvist zich altijd afgevraagd waarom de Chinese karakters ‘eruitzien zoals ze eruitzien’. Tijdens haar studie was ze blij als de leraar iets over de geschiedenis van die vreemde vormen kon vertellen; het hielp haar bij het onthouden. Toen ze in de jaren zestig in China ging werken, verbaasde het haar dan ook zeer dat de Chinezen zelf zo weinig over de oorsprong van hun schrift wisten. Die karakters hadden ze als kind gewoon uit hun hoofd moeten leren.

Dus ging Lindqvist zelf op zoek naar de oorsprong. Het resulteerde in een rijk geïllustreerd boek voor de leek, waarin ze met behulp van voortschrijdend taalkundig en archeologisch onderzoek laat zien hoe de geschreven Chinese taal inderdaad als beeldschrift is begonnen. Kijkt u maar naar de bijgaande plaatjes: het karakter voor ‘zon’ lijkt op een zon, dat voor ‘maan’ was oorspronkelijk een beeld van de wassende maan, en in het teken voor ‘groot’ is een rechtopstaande mensenfiguur met gespreide armen te herkennen.

Het is daarom dat karakters vaak ‘pictogrammen’ worden genoemd, gestileerde afbeeldingen van concrete zaken, of ‘ideogrammen’, voorstellingen van abstracte begrippen. Maar al kent het Chinees geen alfabet zoals de meeste talen, toch is het aantal picto- of ideogrammen in het moderne schrift uiteindelijk heel erg klein. Dat kan ook niet anders, want wat moet je met woorden waarvoor geen onmiddellijk herkenbaar beeld voorhanden is? Het idee ‘lopen’ kun je nog wel uitbeelden, maar ‘denken’? Of ‘zullen’ en ‘zouden’? Of woordjes als ‘omdat’, ‘daarom’, ‘mits’? Daarvoor moet je gewoon afspraken maken, conventies vastleggen, zoals in elke taal.

Vertaald door Bertie van der Meij

En dat is wat het Chinees voor de Chinezen dan ook is: taal. Als de gemiddelde Chinees zijn boodschappenlijstje voor de supermarkt maakt, staat hij niet stil bij het visuele aspect van zijn schrift, er verschijnen geen visioenen van appels en peren voor zijn ogen, of hij moet wel erge honger hebben. Vandaar ook dat Lindqvists toegankelijke boek zelfs in het Chinees werd vertaald, want wat zij doet is in China hoofdzakelijk voer voor etymologen. Geen wonder: het Chinese schrift werd al in de derde eeuw voor onze jaartelling gestandaardiseerd, en sommige alledaagse schrifttypen zijn ook al bijna tweeduizend jaar in zwang. Alles wat Lindqvist beschrijft speelt zich dus daarvóór af, in de verre oudheid.

Het is uiteraard geweldig om te zien hoe de vroegste tekens geënt zijn op barstjes in schildpadschilden die ten behoeve van de waarzeggerij werden verhit: een splijting naar links of naar rechts betekende goed of slecht nieuws. Ook is het uniek dat zo’n oud schrift tot op de dag van vandaag voortleeft, want het Japans en Koreaans, hoewel geworteld in het Chinees, zijn bijvoorbeeld al overgestapt op een soort lettergrepenalfabet.

Toch vertelt Lindqvist niet het hele verhaal. Na ‘zon’, ‘maan’ en ‘mens’ gaat ze in overzichtelijke rubrieken de duidelijkste beeldtekens af: van dieren tot gereedschappen, van huizen tot muziekinstrumenten. De gelijkenissen met de werkelijke voorwerpen zijn vaak frappant, en anders wel aannemelijk door Lindqvists historische toelichtingen.

Bij minder concrete zaken worden de verklaringen lastiger. Waarom betekenen de tekens voor ‘kind’ en ‘vrouw’ samengevoegd ‘goed’? vraagt ze zich af. Is het goed voor een man om vrouw en kind te hebben? Dacht de maker van het teken aan het geluk dat moeder en kind samen voelen? Of is een vrouw die kinderen kan baren goed, deugdzaam? Het is een leuk spel om zo te associëren, en Lindqvist schept er zichtbaar genoegen in, maar je kunt er natuurlijk wel eindeloos mee doorgaan.

En dat terwijl het combineren van tekens, zoals bij ‘goed’, in feite de kern van het Chinese schrift is. De ‘enkelvoudige’ tekens waar Lindqvist zo uitgebreid bij stilstaat, zijn uiteindelijk de bouwstenen voor de 50.000 karakters die het Chinees tegenwoordig telt. Een Chinees ziet in een karakter dan ook geen verzameling losse streepjes, maar een groepje basiselementen, waarbij het ene element er soms alleen voor de klank bij staat, en het andere voor de betekenis.

Illustratie de Volkskrant, 9-11-07

Lindqvist besteedt relatief weinig aandacht aan dat principe. Het is ook ingewikkeld en de regels zijn lang niet sluitend; vandaar dat Chinese kinderen domweg moeten stampen. Lindqvist pakt het schools aan: wat zou je doen als je ‘geurig’ wilde schrijven? Je kunt het elementje ‘kruid’ nemen en daar dit of dat aan toevoegen – waarna ze besluit met ‘het goede antwoord’. Het is niet onjuist, maar zo versterkt ze wel de misvatting dat Chinezen creatief ‘tekenen’ wanneer ze schrijven. Bovendien heeft ze het nog geregeld over het penseel, terwijl men in China uiteraard allang met balpen schrijft, en sinds de jaren negentig massaal met de computer.

Het aardige aan Lindqvists boek is dan ook dat ze aan de hand van de karakters allerlei wetenswaardigheden over China te berde brengt: via ‘berg’ en ‘rivier’ komt ze op het landschap, en ook de architectuur heeft veel visueels te bieden. Maar voor de scholieren die momenteel op dertig middelbare scholen in Nederland Chinees leren, is dat alles nog niet de simpele sleutel tot het schrift. Net als de Chinese kinderen zullen ze moeten stampen. Al wordt dat stampen er zo natuurlijk wel leuker op.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 november 2007