De zon schijnt niet op oost en west tegelijk

China’s opkomst als supermacht kan niemand ter wereld meer ontgaan. Een Chinese verzekeraar koopt belangen in Fortis Bank, de Italiaanse schoenenindustrie legt het af tegen ‘made in China’, en met miljoenen aan ontwikkelingshulp breidt Peking zijn invloed in Afrika uit. China zet de wereld op zijn kop, zo kopte een recente studie van James Kynge terecht (Nw A’dam, 2006).

Vanuit het Westen wordt begrijpelijkerwijs vaak ingezoomd op de internationale gevolgen van dat economische succes. Wat zijn de risico’s van een ondemocratische éénpartijstaat die wereldwijd zijn tentakels uitslaat? Kan China het zich blijven veroorloven de mensenrechten in het zich internationaal sterk profilerende Tibet met voeten te treden?

Minder vaak wordt stilgestaan bij wat er zich binnen China afspeelt, en als gevolg daarvan blijft er een wat abstract spookbeeld bestaan van een dreigende, naar binnen gekeerde communistische kolos – zoals ook wel blijkt bij de protesten in de aanloop naar de Olympische Spelen deze zomer.

Twee recente boeken nuanceren dat beeld – en wel doordat de auteurs besloten eens te gaan praten met Chinezen die niet zo vaak aan het woord komen. Floris-Jan van Luyn reisde mee met de boerenmigranten die als binnenlandse gastarbeiders de Chinese vooruitgang mogelijk maken. Mark Leonard zocht de Chinese intellectuelen op die aan universiteiten en in denktanks mede China’s gezicht van vandaag en morgen bepalen.

Volgens schattingen hebben zo’n 130 miljoen Chinese boeren (dat is 10% van de Chinese bevolking!) sinds de jaren ’90 het uitzichtloze platteland verlaten voor de stad, in de hoop op werk en een beter bestaan – als fabrieksarbeider, kok, kapster of prostituee. Hoewel hun bijdrage aan de economie inmiddels onmisbaar is, zijn zij letterlijk tweederangsburgers, toont Van Luyn aan in Een stad van boeren.

Omdat je volgens het Chinese bevolkingsregistratiesysteem als boer of als stedeling geboren wordt, zijn boerenmigranten in de stad per definitie rechteloos. Dat betekent dat een boerenbouwvakker op geen enkele verzekering of andersoortige steun hoeft te rekenen wanneer hij van de steigers langs een wolkenkrabber afvalt – als hij überhaupt al een arbeidscontract heeft gekregen.

Zo onthutsend als Van Luyns portretten zijn, zo indrukwekkend is zijn prestatie als verslaggever. Hij laat de boeren bijna continu aan het woord, en via de mooie foto’s geeft hij ze ook werkelijk een gezicht. En hoewel je aan alles merkt dat hij praktisch overal bij hen was en naast hen stond, zowel op de stinkende vuilnisbelt als in het arbeiderskot waar het riool barstte, is hij in het hele boek niet meer dan degene die waar nodig de achtergronden belicht.

Dat doet hij met oog voor het sprekende, schrijnende detail, maar nooit met een beroep op heilige verontwaardiging of vet sentiment. Misschien ook wel omdat de gelukzoekers en overlevers zelf zo taai en sterk zijn, niet opgeven, waardig blijven – iets wat wel een typisch Chinese eigenschap mag heten.

Boerenmigratie is maar één van de problemen waarmee de intellectuelen die Leonard in What Does China Think?ondervroeg te maken hebben. Als er één beeld uit Leonards korte essay naar voren komt, is dat het tegendeel van een monddode elite onder een repressief regime, zoals men dat uit Mao’s tijd mogelijk gewend was. De hoogleraren en onderzoekers in de economie en de politicologie overleggen regelmatig met de hoogste leiders en hebben paradoxalerwijs, door de afwezigheid van oppositiepartijen en vakbonden, en door het belang van persoonlijke contacten, misschien wel meer macht dan hun westerse tegenhangers.

De meesten zijn westers geschoold (Leonard spreekt in tegenstelling tot Van Luyn geen Chinees en is aangewezen op Engelssprekenden), maar kiezen ervoor het onvoorspelbare politieke klimaat thuis te trotseren om werkelijk iets in hun land te kunnen veranderen. Westers gedachtegoed koppelen zij daarbij creatief aan een Chinese kijk op de wereld.

Zo wordt de westerse roep om democratie en vrijheid van meningsuiting zelfs door de meer gematigde denkers van het zogenoemde ‘Nieuw Links’ niet zonder meer omarmd. Anders dan ‘Nieuw Rechts’, dat het harde kapitalisme voorstaat waarbij sommigen eerder rijk mogen worden dan anderen (‘als de zon opkomt schijnt hij ook eerst op het oosten, niet op oost en west tegelijk’), pleiten zij weliswaar voor experimenten met burgerinspraak op lokaal niveau, om de kloof tussen arm en rijk te helpen dichten. Maar over het algemeen wekt de wetenschap dat de Volksrepubliek in de afgelopen 30 jaar 300 miljoen mensen boven het bestaansminimum heeft weten uit te tillen, meer dan voldoende vertrouwen in het eigen ‘Yellow River Capitalism’, zoals Leonard het noemt.

Sterker nog, Leonard ziet deze vorm van ‘overleggend dictatorschap’, een ‘ommuurd’ politiek systeem met beperkte burgerparticipatie zoals je dat ongeveer in Singapore hebt, als het ‘China-model’ dat in andere ontwikkelingslanden weleens navolging zal kunnen krijgen. China is immers het levende bewijs dat kapitalisme mogelijk is zonder ingrijpende institutionele hervormingen, die bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie tot grote chaos hebben geleid. En anders dan vroeger gaat China bovendien regionale samenwerkingsverbanden aan, die de Amerikaanse wereldorde soms danig verstoren.

Leonards conclusies mogen dan niet altijd even verrassend zijn, en hij wijdt ook veel van zijn beperkte aantal pagina’s aan het schetsen van ruimschoots bekende ontwikkelingen, maar hij laat wel zien dat er een debat is onder Chinese intellectuelen, en dat de regering, schipperend tussen Nieuw Links en Nieuw Rechts, wel degelijk iets met hun ideeën doet – ook voor de miljoenen boerenmigranten.

Het grote probleem zit hem wellicht eerder in de uitvoering van die ideeën, daarover lijken Van Luyn en Leonard het eens, aangezien wijdverbreide corruptie op de lagere niveaus, juist daar waar zelfbeschikking voorzichtig vorm krijgt, veel initiatieven frustreert.

En daar blijkt opnieuw de kracht van Van Luyns boek, dat Leonards grote lijnen inkleurt met urgente verhalen over de gewone burger die van die wanpraktijken de dupe wordt. Compleet met een vertaald familiekasboekje laat Van Luyn zien hoe frauderende partijkaders domweg meer belasting vragen dan een gezin aan inkomsten binnenbrengt. En hoe een tot het uiterste gedwongen boer zijn protest moet bekopen met een afgesneden tong. Maar ook, dat moet gezegd, hoe plaatselijke advocaten en activisten, net zo onverstoorbaar strijdend als de rondtrekkende boerenbevolking, er steeds vaker in slagen hun recht te halen.

Wang en Wang

De 19-jarige bewaker Wang Sujun is een van de naar de stad getrokken boeren die Floris-Jan van Luyn, voormalig China-correspondent voor NRC Handelsblad, in zijn boek portretteert. Sujun staat zwijgend in de houding voor een districtskantoor in Peking en salueert de geblindeerde auto’s van het partijkader. Verder ‘bestudeert hij de voorbijgangers […] of fantaseert over zijn toekomst’. Een eigen garage is zijn grote wens. Zijn baan als bewaker ‘is maar voor even’. Hij voelt dat de mensen uit de stad op hem neerkijken, maar toch is er ‘geen stedeling die bereid is uren voor zo’n poort te gaan staan.’ Terug naar zijn dorp? Geen denken aan. ‘Dat betekent dat ik heb gefaald.’ Zijn ouders, de achterblijvers op het platteland die Van Luyn ook bezoekt, hebben er vrede mee. Hij is geen jongen die in zeven sloten tegelijk loopt, en ‘in de stad leert hij meer dan op het land.’

Mark Leonard, directeur van het European Council on Foreign Relations, was verrast toen hij Wang Hui (1959) ontmoette in het Pekingse Thinker’s Café. In zijn poloshirt en colbertje leek hij wel een Parijse intellectueel. Maar verrassender was Wangs ontwikkeling als prominent denker van Nieuw Links. Na het Tiananmen-incident van 1989 trok hij zich twee jaar terug in de bergen en zag dat de nieuwe markteconomie de gewone man geen goed deed. Terwijl het Westen de onderdrukte demonstraties zag als ‘een confrontatie tussen een onmenselijke, onhervormde communistische staat en een groep studenten die aansluiting wilde bij de kapitalistische wereld van liberale democratie’, schrijft Leonard, vroeg Wang aandacht voor de arbeiders die naar het plein kwamen uit woede over de inflatie en ongelijkheid waartoe de radicale hervormingen hadden geleid. Zonder partijlidmaatschap of officiële functie, zoekt Wang Hui vaak de media om misstanden aan de kaak te stellen.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 mei 2008

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s