Het begon allemaal met die foto

Een vertaler kan opgaan in een roman, maar kan hij er ook in voorkomen? Het gebeurde mij, al ben ik er nog niet helemaal zeker van… Een paar jaar terug vertaalde ik enkele korte verhalen van de schrijver Kong Yalei, die afgelopen winter met een nieuwe roman kwam. Hij gaf hem ook een Engelse titel mee: You Beautiful Truth – wat zo om en nabij de vertaling is van de Chinese naam die de eigenlijke titel vormt: Li Meizhen. Wie is Li Meizhen? Het boek begint zo:

Het begon allemaal met die foto. Een oude zwart-witfoto – genomen aan het begin van de twintigste eeuw denk ik, negentien-nul-nog-wat, negentien-één-nog-wat misschien – een frontaal portret, ten halven lijve, van een vrouw van middelbare leeftijd. Om eerlijk te zijn kostte het me even om te bepalen wat haar geslacht was, en dan nog op grond van de vaag zichtbare oorbel. Ik wist niet waarom, maar er ging een onmiskenbare, eigenaardige geslachtsloosheid van haar uit. Misschien vanwege haar haar (dat in een knot achter op haar hoofd zat, waardoor het van voren kort leek). Misschien vanwege haar gelaatstrekken (de zware wenkbrauwen, de enkele oogleden, de rechte neus, de strenge wanglijnen van de neusvleugels tot aan de mondhoeken). Maar misschien vooral vanwege haar gezichtsuitdrukking, of eerder het gebrek daaraan: haar lippen losjes opeen en die ferme, heldere, serene blik – die eenogige blik, om precies te zijn. Ze keek scheel. Haar rechteroog was voor twee derde oogwit, alleen in de rechterbovenhoek zat een halve pupil. Maar in plaats van dat het haar lelijk of monsterlijk zou maken, maakte dat haar alleen maar serener. Haar schele oog leek haar iets zelfverzekerds en onthechts te geven. Een geheimzinnige onverstoorbaarheid. Een zekere bevoorrechtheid. Het was lastig uit te leggen  – net zo lastig uit te leggen als alles wat er daarna zou gebeuren.


Aan het woord is de zeer op Kong Yalei gelijkende schrijver K, die besluit een roman over deze vrouw te schrijven. Hij noemt haar Li Meizhen, maakt van haar een sjamaan rond 1900, die zich op de foto laat zetten door een Britse missionaris, John King – al is ze nog zo bang dat de foto ‘haar ziel wegneemt’. De hoofdstukken uit K’s boek over haar alterneren met de wederwaardigheden van K zelf, die zo’n honderd jaar later in de ban raakt van de voorspelling van het einde van de wereld, op 21-12-2012. Dit nadat hij in een Pekingse hutong een kunstvoorstelling over dat thema heeft bijgewoond, die de toeschouwers door middel van virtual reality in een soort hypnose brengt. Als dit allemaal wat Murakami-esk, wat David Lynch-achtig aandoet, is dat niet verwonderlijk: dat zijn twee van Yalei’s helden.

Raakt K eigenlijk wel uit die hypnose, dat ‘augmented dreamscape’, zoals de kunstenaar het noemt? De hoofdstukken die zíjn verhaal vertellen heten telkens ‘K’s parallelle universum’, en gaandeweg beginnen – natuurlijk, met Murakami en Lynch – zaken uit het verhaal van 1900 over te lopen in zijn eigen leven. K zoekt met behulp van een enigmatische geschiedenisprofessor uit wat hem overkomt, waarbij de parallel met 1900, ook een ‘eindtijd’ voor het oude China, door toenemende westerse invloeden, een grote rol speelt. Maar hun discussies, die gaan over Freud en Tarkovski, Confucius en Lu Xun, de Bijbel en de Yijing, Alice in WonderlandUlysses en De toverberg, kunnen niet verhoeden dat het ware en het niet-ware steeds verder met elkaar verstrengeld raken. De professor vertelt hem over kwantumverstrengeling, waarbij twee deeltjes op afstand met elkaar verbonden kunnen zijn; kortom, zegt ze: werkt hij niet aan een kwantumroman? ‘Klinkt goed,’ merkt K droogjes op, ‘dat kan de uitgever straks mooi op het buikbandje zetten.’

Nu zijn er meer romans over zulke zelfreferentiële verwarring geschreven, maar Yalei voegt er op het einde nog een dimensie aan toe. Het laatste hoofdstuk heet ‘Nawoord’, en aanvankelijk dacht ik dat het om een ‘echt’ nawoord ging, tot al snel bleek dat het niet voor niets ‘Hoofdstuk 18’ van de roman is. Natuurlijk komt Yalei hier zelf aan het woord, maar K had in het voorafgaande al zo veel gemeen met zijn schepper, van zijn Pekingse omzwervingen tot aan zijn eerdere boektitels, dat die schepper misschien ook wel een stap verder moest gaan. Het begint zo:

Het begon allemaal met die foto. In september 2015 ging ik met de Nederlandse sinoloog Mark Leenhouts naar Panjiayuan, de Pekingse antiekmarkt. We zagen elkaar voor het eerst. Hij was de Nederlandse vertaler van Belegerde vesting en zwoegde intussen op De droom van de rode kamer. We hadden elkaar leren kennen omdat hij me gemaild had dat hij een verhaal van me wilde vertalen. Dat verhaal, ‘Shackleton uitgezwaaid door zijn bemanning op Elephant Island’, was later verschenen in het oude, gevestigde tijdschrift De Gids – een treffende naam voor een blad uit het land van de legale hallucinogenen.

Het was alsof we elkaar allang kenden. Hij bleek een lange, knappe kerel, maar zacht en bescheiden, een tikkeltje verlegen zelfs. En hij sprak een aardig mondje Chinees. Soms dacht ik, misschien was hij in een vorig leven wel een klassieke Chinese literator geweest, zoals ik soms het gevoel had dat ik in een vorig leven een westerling had kunnen zijn.

Al kletsend struinden we de tweedehandsboekenstalletjes af, tot ik opeens die foto zag. De foto, en mijn eerste indruk ervan, heb ik al uitvoerig beschreven in de eerste passage van dit boek.

En net als ik in het verhaal schrijf, heb ik de foto niet gekocht, maar er wel een foto van genomen met mijn mobiel. Ik weet nog goed dat ik met de originele foto in mijn hand tegen Mark zei, die naast me stond: ooit schrijf ik over deze vrouw een roman.


Heeft Kong Yalei nu echt de werkelijkheid de roman in geschreven? Of in welke dimensie zitten we nu? En ik welke dimensie zit ik nu? En wat gebeurt er nu ik dit hier ook nog eens heb vertaald?

Het verhaal ‘Shackleton uitgezwaaid door zijn bemanning op Elephant Island’ is in elk geval echt, en hier te lezen, op de website van De Gids.

Twee andere verhalen, ‘Ik’, waarin K ook al opdook, en ‘Mango’, zijn te lezen bij tijdschrift Terras.

Kong Yalei (1975) publiceerde twee romans en een verhalenbundel, Volcano Hotel, waaruit enkele verhalen eerder tot ‘beste korte verhaal van het jaar’ waren uitgeroepen. Daarnaast vertaalde hij werk van Paul Auster, Bret Easton Ellis, Geoff Dyer en James Salter; zijn vertaling van Salters Light Years werd in 2018 bekroond.

Ergerlijkheden van duizend jaar geleden

Het is een tijdje stil geweest rond de Japanse literatuur, maar de laatste jaren doet de stroom vertalingen van Haruki Murakami de tijden van Tanizaki, Kawabata en Oe weer een beetje herleven. Aan de ene kant appelleert Murakami’s werk, van Norwegian Wood tot After Dark, aan het moderne, westerse levensgevoel, doordrongen van Kafka, Carver, jazz en whiskey. Aan de andere kant roepen zijn mysterieuze parallelle werelden en zijn ‘lege’ personages met hun terloopse, droge verteltrant ook vraagtekens op – en vermoedens naar traditioneel-Japanse invloeden.

Vraagtekens en vermoedens die iedereen voortaan te lijf kan gaan dankzij de monumentale bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van vertaler Jos Vos, die in één mooi verzorgde band literatuur uit elf eeuwen samenbrengt, van 700 tot 1850, rechtstreeks uit het Japans overgezet. Een unicum, en een schatkamer.

Murakami mag dan modern zijn, zijn voorgangers van duizend jaar geleden spreken ons soms net zo direct toe. Dat merk je het best aan twee inmiddels wereldwijd bekende hoogtepunten van de Japanse letterkunde, geschreven door hofdames uit de 10e en 11eeuw. Vos geeft een voorproefje van Het verhaal van Genji door vrouwe Murasaki, de allergrootste Japanse roman, die hij inmiddels in zijn geheel (ruim duizend bladzijden!) aan het vertalen is. Deze kleurrijke, caleidoscopische verbeelding van het oude hofleven, aan de hand van de amoureuze verwikkelingen van prins Genji, wordt wel de eerste roman ter wereld genoemd – of in ieder geval de eerste psychologische roman.

Jos Vos’s volledige vertaling van Het verhaal van Genji verscheen in 2013

Ook Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon, die op meer melancholieke wijze haar onzekerheden in de liefde te boek stelt, doet in zijn openhartigheid tijdloos aan. Al houdt zij het bij wat algemenere, soms wat koketterende verwoordingen van haar leed, toch spreekt haar eigenzinnigheid uit de bekende lijstjes die zij door haar memories heen strooit: ‘Ontstellende dingen’, ‘Ergerlijke dingen’, ‘Afschuwelijke dingen’, enzovoort.

Misschien kan deze vroege aandacht voor het individu verklaren waarom de Japanse literatuur aan het einde van de 19e eeuw zo snel westerse invloeden opzoog en een ‘absoluut modern’ gezicht liet zien. Dit in tegenstelling tot de Chinese literatuur bijvoorbeeld, die langer worstelde met de moderniteit, maar dan ook altijd meer sociaal begaan is geweest en het praktisch nut van literatuur vooropstelde. Schreven in China de ambtenaren, in Japan was het met name de aristocratie, en vanaf de 17e eeuw ook de burgerij.

Iets van die spectaculaire Japanse modernisering kun je proeven als je kijkt naar Akutagawa (1892-1927), een van de eerste moderne Japanse schrijvers. Van hem is bekend dat hij klassieke verhalen bewerkte – bijvoorbeeld in zijn Rashomon, later verfilmd door de befaamde Kurosawa en onlangs nog herdrukt in de serie L.J. Veen Klassiek. In Vos’ anthologie kunnen we die Verhalen van lang geleden uit de 11e en 12e eeuw nu eindelijk lezen, en dan zien we dat Akutagawa een eenvoudige vertelling over een roofoverval in het bos uiteenrafelt in vier elkaar tegensprekende bekentenissen, waarin de ware toedracht, de waarheid, volledig zoek raakt.

Jos Vos’s volledige vertaling van Het hoofdkussenboek verscheen in 2018

 De bekentenis is al sinds Het hoofdkussenboek, en ook het minder bekende Herfstdradendagboek, een vaste waarde in de Japanse literatuur, maar toch kun je het in de klassieke tijd nog geen psychologisch diepgravend genre noemen. Zo zijn Kaneyoshi’s Overpeinzingen in ledigheid uit 1330-1331 in weerwil van de titel eerder impressies en gevoelsuitingen dan filosofische mijmeringen zoals de westerse literatuur die kent.

De impressie bij uitstek vind je terug in de beroemde reisverslagen van Basho uit de 17e eeuw, een van Japans grootste dichters. De smalle weg naar het verre noorden, dat Vos al vertaalde voor de reeks Privédomein, lijkt ook nauwelijks diepgang te bevatten, het is bijna puur registrerend, een beetje zoals bij Murakami dus. Maar Basho’s poëzie en proza getuigen wel van een haast obsessief reizen, een hartstochtelijk onderweg zijn, met name door de vele natuurlijke hindernissen die hij zo onverstoorbaar noteert. Misschien is dat wat Cees Nooteboom zo in Basho aantrekt.

Tegelijkertijd bewerkstelligt die concrete, getuigende stijl juist de opvallende directheid van de Japanse literatuur – net als die van de Chinese overigens. Vos’ vertalingen dragen daaraan bij. Over het algemeen behouden die het ‘juiste midden’ tussen tijdloos en eigentijds Nederlands, al schiet hij weleens door naar een iets te modieuze uitdrukking. Architectuur zou een klassieke auteur niet zo gauw ‘spannend’ noemen, en ‘linke loetje’ detoneert toch wel wat. Aan andere kant krijgen de scabreuze teksten van Saikaku (17e eeuw) of Gennai (18e eeuw) er wel hun schwung door.

Aanmerkingen kun je natuurlijk altijd hebben. Vos’ inleiding, een gedegen historisch overzicht, zou misschien gewonnen hebben bij een meer algemene karakterisering van de Japanse literatuur. En een index was bij zo’n enorm aantal schrijvers en titels erg nuttig geweest. Maar je moet wel een heel grote kniesoor zijn om dit bewonderenswaardige opus daarom links te laten liggen!

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 5 september 2008

Onbereikbare vrouwen

Er wordt wel gezegd dat de Japanner Haruki Murakami twee soorten boeken schrijft. Je hebt de uitbundige experimentele romans zoals De jacht op het verloren schaap, Hardboiled Wonderland… en De opwindvogelkronieken. En je hebt de kleine, ingetogen liefdesromans zoals Ten zuiden van de grens en het nu door Elbrich Fennema vertaalde Spoetnikliefde uit 1999.

Vertaald door Elbrich Fennema

Waar de boeken uit de eerste groep vaak zo bol staan van de fantastische elementen en de symboliek dat de lezer of paf staat of afhaakt, zijn die uit de tweede groep veel aardser en directer, zodanig dat ze ook weten te ontroeren – al betekent dat nog niet dat Murakami zijn voorliefde voor mythe en mysterie ooit zal opgeven.

Zoals in bijna elk boek verdwijnt er in Spoetnikliefde een vrouw, en zoals altijd weet de ik-verteller haar niet te vinden; mysteries zijn bij Murakami ook echt mysteries. Het gaat om het zoeken, en als de zoektocht ditmaal van Japan naar een Grieks eiland voert, dan is dat bij Murakami zeker een knipoog naar de mythologie.

Spoetnikliefde is de naam die Sumire, een schrijfster in de dop, geeft aan de onbereikbare oudere vrouw op wie ze verliefd is. Deze Mioe doet haar denken aan het arme hondje Laika dat in de Russische Spoetnik rond de aarde cirkelde en nooit meer terugkwam. In feite ontstond die naam uit een grappig misverstand: in een gesprek over Kerouac zei Mioe per ongeluk spoetnik in plaats van beatnik. Sumire zelf is eigenlijk ook zo’n eenzame kunstmaan, niet alleen is zij de onbereikbare liefde van de verteller, ze raakt ook nog eens echt zoek.

De onbereikbaarheid van de vrouwen heeft alles te maken met een vertrouwd Murakamiaans thema: een gebrek aan identiteit, dat Murakami graag verbeeldt door de geijkte metaforen letterlijk op te vatten. Sumire cijfert zichzelf in haar verliefdheid dusdanig weg dat ze uiteindelijk fysiek verdwijnt, en de frigide Mioe voelt zich niet alleen ‘gespleten’, afgesplitst van haar sensuele helft, ze heeft ook werkelijk haar ‘andere ik’ voor haar ogen de liefde zien bedrijven met een groot geschapen latino lover.

In zijn onlangs vertaalde Opwindvogelkronieken voerde Murakami de ene na de andere ‘lege huls’ op, een term voor mensen zonder kern, zonder persoonlijkheid, die ook in Spoetnikliefde weer valt. Maar waar hij de lezer in dat dikke magnum opus bedolf onder de vele gesuggereerde betekenissen en verwijzingen, staat hij hier tweehonderd pagina’s lang stil bij twee personages, waardoor hij de kans krijgt hun onwaarschijnlijke lot geloofwaardig en voelbaar te maken.

Zeker, de symbolische verklaringen dringen zich op, en de Griekse mythen liggen op de loer. Maar is het wel nodig om uit te pluizen wat noch Murakami’s typische antiheld, noch de altijd vrij improviserende en mysterie-minnende Murakami zelf volledig lijkt te doorgronden? Je hebt genoeg aan Murakami’s beheerste, indringende evocaties.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 21 augustus 2004

Een afgeworpen huid

Murakami’s parade van lege hulzen

De boeken van de Japanner Haruki Murakami (1949) worden in zijn land bij miljoenen verkocht. Daarom, en omdat ze zo nadrukkelijk verankerd zijn in de populaire, westers georiënteerde cultuur, kan Murakami het bij het literaire establishment maar niet goed maken.

Vertaald door Jacques Westerhoven

Gevraagd om een verklaring voor zijn (verkoop)succes opperde Murakami dat jonge mensen zich waarschijnlijk identificeren met zijn hoofdpersonen, die zich verzetten tegen de sociale druk, met name de werkersmentaliteit van de gemiddelde forens die zijn leven lang voor hetzelfde bedrijf werkt, en hun eigen weg proberen te vinden.

Het zoeken naar een eigen identiteit is inderdaad iets wat Murakami’s hoofdpersonen beweegt. Of… beweegt? De vertellers van zijn romans zijn meestal passieve, onverschillige types, die zich door een voorval ineens bewust worden van de leegte in hun levens.

Of het nu de illusieloze dertiger uit Ten zuiden van de grens is, die zich door een ontmoeting met een jeugdliefde ineens afvraagt wat zijn oppervlakkige leventje tot dan toe in feite heeft voorgesteld, of de Caltutec uit het science-fictionachtige Hard-boiled wonderland en het einde van de wereld, een mens die door een neurologische operatie zijn hersenhelften heeft leren scheiden en daardoor een soort mechanisch computerwerk kan doen dat aan zijn eigen geest voorbijgaat – tot er iets misloopt.

Of neem het meer fantastische De jacht op het verloren schaap, waarin een mysterieus schaap bezit neemt van de geesten van zwakke, ‘lege’ persoonlijkheden en ze onderwerpt aan zijn kwaadaardige wil; zo gaat een personage ineens extreem-rechtse sympathieën vertonen.

Want behalve de droge humor die de Murakami-held kenmerkt, en waarin Murakami vooral in zijn vroege werk bijna evenzeer grossiert als Arnon Grunberg, lijkt de schrijver ook geïnteresseerd in de gevolgen van die apathie. ‘Ik wist nog niet […] dat een mens soms iemand pijn doet, alleen omdat hij bestaat’, heet het in het schrijnende liefdesverhaal Ten zuiden van de grens.

Eerste Nederlandse uitgave uit 1994, vertaald uit het Engels door Marion Op den Camp en Maxim de Winter

Niemand zal er dus van opkijken wanneer een personage uit Murakami’s nu vertaalde roman De opwindvogelkronieken uit 1995 opmerkt: ‘Ik voelde me een opgedroogd kadaver, de afgeworpen huid van een insect […] – een lege huls, alleen vorm, geen inhoud. En net als zo’n huls kan ik leven zo lang als ik wil, maar echt leven is het niet.’

Het mag met recht een sleutelzin uit het boek heten. Toru Okada, de gezapige verteller van Murakami’s dikke magnum opus, is zijn baan kwijt en houdt zich thuis voornamelijk ledig met (lekker) koken. Net als hij zich na een ruzietje met zijn werkende vrouw afvraagt of hij haar eigenlijk wel kent, verdwijnt zij spoorloos. Op zijn halfhartige zoektocht ontmoet hij allerlei personages die hem een spiegel van zijn leegheid lijken voor te houden. Een vrouw aan de telefoon die enkel bestaat als stem, een man zonder gezicht, een gevoelloze prostituee, een karakterloze media-politicus, en personages zonder eigen naam: een geheimzinnige moeder en zoon laten Okada een naam voor ze verzinnen; het wordt: Nootmuskaat en Kaneel.

De sleutelzin komt uit de mond van een Japanse luitenant die zijn gevoel, ‘de kern van zijn bewustzijn’, kwijtraakte nadat hij in de oorlog in China een man levend gevild had zien worden: ’s mans omhulsel ging eraf, en kon je de vleesklomp die overbleef dan nog een mens noemen? De luitenant kwam tot dat besef in een put waarin hij als krijgsgevangene werd geworpen, hetgeen Okada inspireert om ook in een put te gaan zitten en in dat donker uit zijn lichaam te treden en toegang te krijgen tot zijn binnenste ik.

Zo’n louteringstocht loopt bij Murakami altijd via geijkte symbolische voorstellingen. In zijn eerdere werk kwamen al een niet mis te verstane onderaardse reis en bergbeklimming voor, hier is het duidelijk dat wat er in een duistere hotelkamer gebeurt zich eigenlijk in Okada’s hoofd afspeelt. Maar in De opwindvogelkronieken stapelen de symbolen zich op, waardoor lezen soms bijna puzzelen wordt. Vertaler Jacques Westerhoven laat zich in zijn nawoord verleiden tot enkele verklaringen, en in Amerika verscheen er zelfs een speciale Reader’s Guide.

Japanse eerste editie van Ten zuiden van de grens

De weggelopen kat wijst waarschijnlijk vooruit naar de verdwenen vrouw, en de opwindvogel, die ‘de veren van de wereld opwindt’, maakt van alle mensen mechanische, lege schepsels, etcetera. Al hebben uiteraard niet alle symbolen een eenduidige betekenis, toch lijken ze, net als de parade van ‘lege hulzen’, alleen maar steeds op een iets andere manier het thema van de leegte aanschouwelijk te maken, zonder écht nieuwe inzichten te verschaffen. Murakami mag dan bekennen dat hij nu eenmaal improviserend, zonder plan, schrijft, als lezer ga je je na 600, 700, 800 bladzijden afvragen of het soms niet wat vrijblijvend wordt.

Dat geldt ook voor zijn wat gekunstelde pogingen om het Japanse militaire verleden in het boek te verwerken. Die scènes leveren vaak weer mooie, indringende portretten van lege hulzen op, maar het lijken korte verhalen die hij nog had liggen en er wel bij vond passen – wat goed mogelijk is gezien de volgens Westerhoven fragmentarische ontstaansgeschiedenis van de roman.

Critici zagen in Murakami’s aandacht voor de nationale geschiedenis een aanwijzing dat de bestsellerauteur eindelijk een gooi naar het ‘serieuzere’ werk en misschien zelfs wel de Nobelprijs deed. Maar de oude Zweedse heren zullen het er vast mee eens zijn dat Murakami’s associatieve aanpak niet genoeg is voor dit grote boek. In het kleine, ingetogen Ten zuiden van de grens heeft hij al bewezen dat hij zonder er al te veel bij te halen veel overtuigender kan zijn.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 12 december 2003