Grensplaats

Shen Congwen (romanfragment)

De eerste druk van Grensplaats
《边城》

Shen Congwens klassieker Grensplaats uit 1934 is een korte roman die opent als een ingetogen pastorale over de ontluikende seksualiteit van een vijftienjarig plattelandsmeisje, maar uiteindelijk een idylle met duistere ondertonen bljikt te zijn. Het meisje, Cuicui, wordt opgevoed door haar grootvader, veerman van beroep, omdat haar beide ouders vanwege hun onmogelijke liefde zelfmoord hebben gepleegd. De oude man houdt haar hierover angstvallig in onwetendheid en probeert met aandoenlijke onbeholpenheid een echtgenoot voor haar te vinden. Twee broers dingen door middel van een traditioneel zangritueel naar haar hand, terwijl het pure meisje intussen door giechelende hoertjes in de haven glimpen van een ander leven oppikt. Maar voordat ze goed en wel begrijpt wat er gaande is, frustreert haar grootvader uit overbezorgdheid alle kansen, met nieuwe sterfgevallen tot gevolg. Shens toon zal sommigen misschien wat naïef zijn, maar de symboliek liegt er intussen niet om: het meisje wordt omringd door de dood, maar blijft zelf de onschuld in persoon. Ze blijft alleen met haar dromen, en zal, zo lijkt het, nooit een grens oversteken – alleen de rivier, telkens weer, op het veerpontje dat ze van opa overneemt.

Shen Congwen

Hoofdstuk 13

Bij schemerval zat Cuicui onder de witte pagode achter het huis, kijkend naar de sluierwolken die door de ondergaande zon brandend perzikroze werden gekleurd. De veertiende was marktdag in Zhongzhai, veel kooplui uit de stad trokken erheen om bergproducten te kopen, en dus waren er ook veel overstekers; grootvader had op het pontje geen ogenblik rust. Weldra zou het donker zijn, de gevederde wereld leek al op stok, behalve de koekoek – die hield geen ogenblik stil. Rotsen, aarde, bomen en planten, alles was de hele dag door de zon geblakerd en alles gaf op dit moment een klamme warmte af. Je rook de aarde, je rook de planten, je rook zelfs de kevers. Cuicui keek naar de rossige wolken, luisterde naar het geroezemoes van de reizende kooplui op het veer, en voelde een sluimer van mistroostigheid.

De schemer was even zacht, mooi, vredig als altijd. Toch zou ieder in haar plaats diezelfde mistroostigheid hebben gevoeld – dit was het moment waarop de dag, waarop het leven pijn deed. Cuicui had het gevoel dat er iets miste. Dat de dag, de tijd te snel voorbijging en dat er iets moest gebeuren om hem tegen te houden, vast te houden, maar wat? Het was allemaal zo’n sleur, zo’n ondraaglijke sleur.

‘Ik vaar gewoon naar Taoyuan, helemaal over het Dongtingmeer, en laat opa de hele stad naar me afzoeken, met een fakkel, met een gong, en overal moet hij me roepen.’

Ze ging helemaal op in haar verbeelding, alsof ze een diepe wrok koesterde jegens haar grootvader, ze stelde zich zelfs voor hoe hij na een daglang dolen en speuren radeloos op zijn pontje zou neervallen.

Iemand zou roepen: ‘Ik moet over, baas, wat is er aan de hand? Zo kunt u toch niet blijven liggen?’

‘Wat er is? Cuicui is weg, naar Taoyuan!’

‘En wat nu?’

‘Wat nu? Ik pak een mes, rol het in mijn bundeltje… en dan neem ik de boot en maak haar van kant!’

Ze schrok, alsof ze het gesprek echt had gehoord, en schel roepend om haar opa rende ze de helling af naar de beek. Daar zag ze hem, midden op het water, op het pontje vol gedempt keuvelende mensen. Haar hart, haar kleine meisjeshart, ging nog steeds als een bezetene te keer.

‘Opa, opa, breng de boot aan de kant!’

De oude veerman begreep niet wat ze bedoelde, dacht dat ze het van hem over wilde nemen. ‘Wacht maar meisje,’ zei hij, ‘ik kom zo.’

‘Snel nou!’

‘Ik kom, ik kom!’

Ze ging op de oever zitten en keek uit over de in avondkleuren gehulde beek. Onder de mensen op het pontje zag ze een roker die met een vuursteenaansteker zijn pijp aanmaakte, waarna hij met de lange pijpensteel tegen de rand van de boot tikte om de as eraf te slaan. Opeens moest ze huilen.

Toen grootvader weer met de pont bij de kant was, zag hij haar daar verdwaasd zitten. Hij vroeg wat er was maar ze gaf geen sjoege. Ga het vuur voor het eten maar vast aansteken, zei hij. Cuicui dacht even na, vond het idioot dat ze had zitten huilen, en ging in haar eentje terug naar huis, waar ze in het pikdonker voor de oven hurkte. Toen het vuur brandde liep ze weer naar buiten tot aan de rand van het klif en riep haar grootvader dat hij thuis moest komen. Maar de oude schipper, die zijn werk heel serieus nam, wist dat iedereen voor het eten terug in de stad wilde zijn en ging nog liever met één persoon over dan dat hij iemand moest laten wachten; voorlopig kwam hij dus nog niet aan wal. Vanaf de steven riep hij naar Cuicui dat hij nog even doorwerkte en kwam eten zodra er geen mensen meer waren.

Cuicui drong aan, maar hij negeerde haar. Bedroefd zakte ze neer op het klif.

Het werd donker. Flitsend schoot het blauwe lichtje van een grote vuurvlieg langs haar heen. ‘Kijk jou eens vliegen,’ dacht ze, ‘en zo ver!’ Met haar ogen volgde ze zijn glimmende staartje. De koekoek riep weer.

‘Opa, waar blijf je nou? Kom!’

Grootvader, op de trekpont, hoorde haar aanhankelijke, nu zelfs klaaglijke stem en antwoordde bars: ‘Ik kom al, Cuicui, ik kom!’ Terwijl hij intussen bij zichzelf dacht: ‘Meisje meisje, wat moet er toch van je worden als ik er straks niet meer ben?’

Toen de oude schipper thuiskwam was het pikdonker binnen, op de vlammen in de oven na. Hij zag Cuicui op het lage krukje voor de oven zitten, met haar handen voor haar ogen.

Pas toen hij bij haar stond begreep hij dat ze zo al een tijdje had zitten huilen. De hele middag had hij voorovergebogen de pont heen en weer getrokken, en zodra hij rust hield deed alles hem zeer, zijn handen, zijn rug. Normaal gesproken rook hij bij thuiskomst de geur van gesmoorde groente in de pan, en kon hij Cuicui onder het lamplicht heen en weer zien schieten, druk bezig met het avondmaal. Vandaag was het anders.

‘Ik ben wat later en je huilt al, dat kan toch niet, meisje? Wat als opa ooit doodgaat?’

Cuicui zweeg.

‘Niet huilen,’ zei hij, ‘je bent groot nu, je mag niet huilen, wat er ook gebeurt. Je moet sterk zijn, flink zijn, anders hoor je hier niet thuis hoor, op dit stukje aarde van ons!’

Ze haalde haar handen van haar ogen en leunde naar hem toe. ‘Ik huil al niet meer.’

Bij het eten, onder de sojaolielamp, vertelde grootvader haar voor de afleiding wat verhalen, verhalen waarin ook haar overleden moeder voorkwam. Moe van de dag dronk hij een half kommetje sterk, waardoor hij na het eten in een opgewekte stemming raakte. Samen gingen ze buiten op de rand van het klif in de maneschijn zitten, waar de oude schipper verder vertelde. Over hoe lief haar arme moeder was geweest. Over hoe koppig haar arme moeder kon zijn. Cuicui luisterde ademloos, en vol bewondering.

Ze zat met haar armen om haar opgetrokken knieën, tegen haar grootvader aan, en vroeg hem om nog meer verhalen over die arme moeder van haar. Af en toe slaakte ze een zucht, alsof er iets zwaars op haar hart lag dat ze zo weg wilde drukken; maar met een zucht kreeg ze dat niet gedaan.

Het maanlicht leek van zilver en zette alles in zijn gloed; de bamboe op de bergen stak er zwart bij af. In het gras en de struiken rondom hen klonk het getjirp van insecten, aanhoudend als dichte regen. Af en toe liet een grasvogel een roller horen, moeilijk te zeggen waarvandaan. Maar algauw leek het beestje te beseffen dat het zich op dit uur koest moest houden, waarna het zijn oogjes toekneep en kalmpjes insliep.

Grootvader, nog altijd in opperbeste stemming sinds de nacht gevallen was, ging verder met zijn verhalen. Hij vertelde Cuicui over het volkszingen in de streek, over hoe die traditie twintig jaar geleden vermaard was tot over de grenzen van Sichuan en Guizhou. En dat Cuicui’s vader de beste zanger van allemaal was, dat hij met talloze beelden kon laten zien hoe liefde en haat met elkaar verweven waren, ook dat vertelde hij haar. En dat Cuicui’s moeder ook zo van zingen hield, dat ze nog voor ze Cuicui’s vader kende al vraag- en antwoordliederen met hem zong in de zon – hij terwijl hij bamboe kapte op de berg, zij terwijl ze het pontje de rivier overtrok. Ook dat vertelde hij haar.

‘En toen?’ vroeg Cuicui. ‘En toen?’

‘En toen?’ zei grootvader. ‘Dat is een lang verhaal. Het voornaamste is dat jij uit die liederen bent voortgekomen.’

(Vertaling Mark Leenhouts)

Meer over Shen Congwen: Met een gestold gemoed

e88cb6e5b3922
Het plaatsje Chadong in de provincie Hunan, de plek die model stond voor de roman

Oorspronkelijk verschenen op Schwob.nl

Een gedachte over “Grensplaats

  1. Pingback: Met een gestold gemoed | Aards maar bevlogen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s