Toen ik stopte met roken

Lin Yutang (essay)

Lin Yutang

Iedere roker heeft op een ondoordacht moment weleens het nobele voornemen opgevat om voor eens en voor altijd met roken te stoppen. Een tijdlang weet hij de strijd met de tabaksduivel vol te houden, maar na een dag of tien, twee weken op zijn hoogst, komt hij uiteindelijk toch weer bij zinnen. Ook ik ben ooit op dat dwaalspoor beland, vol goede moed gaf ik de sigaret eraan en het duurde wel drie weken voordat mijn geweten begon te knagen en ik vol berouw tot inkeer kwam. Krachtig zwoer ik nooit meer zo lamlendig en lichtvaardig te zijn, en voortaan als een vrome roker door het leven te gaan, tot mijn laatste snik. Afijn, misschien dat ik vlak voor die tijd alsnog zal bezwijken voor de ketterij van de gehaaide tantes van de Geheelonthoudersbond bij de YMCA, want op die leeftijd is men geestelijk zo afgetakeld en aan anderen overgeleverd dat men nog nauwelijks verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen daden. Maar zolang ik wilsbekwaam ben en nog enig besef heb van goed en kwaad, zal ik mij nooit meer in verzoeking laten leiden. Ik heb mijn lesje geleerd, na deze ervaring weet ik dat stoppen met roken en jezelf beroven van dat geestelijke genot simpelweg een onheilzame, ja immorele handeling is waarmee je jezelf beslist tekort doet. Volgens de beroemde Engelse biochemicus Haldane is roken historisch gezien een van de vier meest invloedrijke uitvindingen van de mens. Van de andere drie herinner ik me alleen een verjongingskuur op basis van apenklieren. Maar daarover een andere keer.

Het is werkelijk een beschamende geschiedenis: hoe dwaas en zwak ben ik die drie weken wel niet geweest dat ik, als geen ander bekend met de weldadige uitwerking die één enkel sigaretje kan hebben op lichaam en geest, toch de moed niet heb gehad er eentje op te steken. Als ik er nu op terugkijk, nu alles achter de rug is, kan ik nog altijd niet verklaren hoe ik zo lang in die dwaasheid heb kunnen volharden. Als ik in detail zou moeten navertellen wat ik die drie weken psychisch heb doorgemaakt, zouden de rollen papier niet aan te slepen zijn. In de eerste plaats is het hele idee om met roken te stoppen natuurlijk al amper te begrijpen. Waarom zou je in hemelsnaam stoppen? Op die vraag weet ik zelfs nu nog geen antwoord. Maar ja, menselijk gedrag is wel vaker niet te doorgronden, soms doet een mens expres iets wat hij niet zou moeten doen, soms stelt hij zichzelf, uit verveling wellicht, voor grote uitdagingen, kwelt hij zichzelf, hongert hij zich uit, peigert hij zich af of gaat hij af en toe eens flink tegen zijn aard in, al was het maar om te bewijzen dat hij een echte man is. Buiten die reden kan ik me niet voorstellen waarom ik destijds met dat verachtelijke idee op de proppen kwam. Het lijkt een beetje op Tao Kan die elke dag met stenen heen en weer zeulde om zijn krachten op peil te houden, of op de gymnastiekoefeningen die de moderne mens tegenwoordig pleegt te doen – een geleerde heeft geen hout om te hakken, geen water om te putten en geen kar om te trekken, zijn armen hangen er voor niets bij, bewegen louter om het bewegen, hij levert geen enkele bijdrage aan de industriële productie van het land. Stoppen met roken is waarschijnlijk niet meer dan geestelijke gymnastiek voor wijze heren.

Natuurlijk kreeg ik de eerste drie dagen een irritant, jeukachtig gevoel in mijn keel, en zelfs boven in mijn luchtpijp. Maar daar viel gemakkelijk wat aan te doen. Ik at pepermuntjes, dronk woeloengthee, zoog op eersteklas Franse keelpastilles van Valda, en binnen drie dagen was ik van die vreemde jeuk af. Dat is de eerste fase van het stoppen met roken, een zuiver fysieke strijd, niets om over naar huis te schrijven. Iedereen die denkt dat het werk hiermee gedaan is, vergeet dat roken ook een geestelijke kant heeft; wie dat niet begrijpt, kan er maar beter zijn mond over houden. Na die drie dagen ging ik de tweede fase in, de spirituele strijd. Op dat moment realiseerde ik me voor het eerst dat er in feite twee soorten rokers bestaan – een openbaring. De ene soort doet eigenlijk maar alsof, dat zijn de zogenaamde sociale rokers. Zij kennen de tweede fase van het stoppen niet eens, voor hen is stoppen een fluitje van een cent. Het schijnt dat ze kunnen stoppen wanneer ze willen, ze worden nota bene geroemd om hun ‘wilskracht’, maar zijn het ooit wel echte rokers geweest? Als je een liefhebberij even makkelijk kunt opgeven als je oude kleren weggooit, dan had je om te beginnen nooit een echte liefhebber mogen heten. Voor dit soort mensen is roken een puur lichamelijke bezigheid, net zoiets als tanden poetsen of je gezicht wassen; tanden poetsen doe je niet uit innerlijke noodzaak, je kunt het ook laten; wat is de geestelijke betekenis van tanden poetsen? Waarschijnlijk hebben deze mensen behalve wassen, eten en voor de kinderen zorgen toch al weinig andere geestelijke behoeften: ’s avonds lezen ze samen met hun vrouwen van de Geheelonthoudersbond uit de fabels van Aesopus en daarna slapen ze tevreden in. De poëzie van Xin Jiqi of Wang Wei, de muziek van Beethoven of Wang Shifu, het zegt hun allemaal niets. De waterval van de berg Lu? Gewoon een stroom water die naar beneden stort. Ik vraag u: Wang Wei’s poëzie lezen en niet roken, is dat überhaupt mogelijk?

Voor echte rokers is stoppen een probleem dat de dames en heren van de Geheelonthoudersbond zich niet eens kunnen voorstellen. Wij, rokers van de echte stempel, zien al na drie dagen de zinloosheid van deze zelfkwelling onder ogen. Onze ratio en ons gezond verstand stellen ons de vraag: waarom, om welke politieke, sociale, morele, fysiologische of psychologische reden zouden wij niet mogen roken, waarom zouden wij willens en wetens tegen onze natuur en ons geweten in moeten gaan, als we ons daarmee alleen maar van een ontspannen, zorgeloze gemoedstoestand beroven? Iedereen weet dat een schrijver moet bruisen van vitaliteit, vrij van geest moet zijn – ‘een onbevangen hart, een onbevangen stijl’ – wil er echt iets goeds uit zijn pen vloeien. En ook lezers moeten voor het echte leeswerk in een ontvankelijke toestand komen, zonder innerlijke weerstand, hun geest moet de ruimte krijgen om te kunnen dwalen. Hoe kun je zonder te roken ooit een dergelijke staat bereiken? Op momenten van grote inspiratie lijkt een sigaret opsteken ons dan ook het enige juiste om te doen; een kauwgom in je mond stoppen zou in onze ogen het toppunt van vulgariteit zijn. Ik heb voorbeelden te over van dat soort momenten, maar laat ik het hier bij een of twee houden.

Mijn vriend B kwam van Beiping naar Shanghai, we hadden elkaar drie jaar niet gezien. In Beiping brachten we vaak hele dagen met elkaar door, en vooral ’s avonds praatten we onder het genot van een sigaret over literatuur, filosofie, moderne kunst en over hoe we mens en maatschappij konden veranderen. Die keer zaten we bij de haard herinneringen op te halen. We hadden het over vrienden van vroeger en over de toestand in de wereld, wat anders? Bij elk treffend punt greep ik in gedachten naar een sigaret, maar uiterlijk stond ik alleen eventjes op of ging verzitten. Mijn vriend B pafte op zijn gemak door, zo te zien gelukkiger dan ooit. Ik had hem al verteld dat ik gestopt was en schaamde me om in zijn bijzijn te zondigen. Toch voelde ik me ergens niet lekker, een beetje bedrukt, alsof er iets miste. Ik was buitengewoon helder, alles waar B het zo bevlogen over had kon ik met een volmondig ‘ja’ beamen, maar eigenlijk barstte ik van verlangen om net zo opgewonden mijn hart uit te storten als hij. Zo ging ons eenzijdige gesprek nog een paar uur door, ik viel niet voor de verleiding, en uiteindelijk nam mijn vriend afscheid. Wat ‘wilskracht’ en ‘doorzettingsvermogen’ betreft had ik een grote zege geboekt, maar diep van binnen viel die overwinning me maar zuur. Een paar dagen later schreef mijn vriend me. Ik was de oude niet meer, zei hij, ik was niet meer zo begeesterd, zo openhartig als vroeger, en mijn conversatie was ook niet meer wat het geweest was. Misschien lag het aan de vuile lucht in Shanghai, dacht hij. Tot op de dag van vandaag heb ik spijt dat ik die dag geen sigaret heb opgestoken.

Een andere avond was ik op een wekelijkse bijeenkomst waar na het eten altijd iemand een spreekbeurt gaf, gevolgd door discussie – normaliter één groot rookfestijn. Die week was het de beurt aan C, zijn onderwerp was religie en revolutie, en algauw had hij de lachers op zijn hand. Ik weet nog dat hij vertelde dat krijgsheer Feng Yuxiang bij de noordelijke methodistenkerk was gegaan, terwijl Chiang Kai-shek voor de zuidelijke methodisten had gekozen – waarop iemand zei dat krijgsheer Wu Peifu daarom binnen de kortste keren wel een westelijke methodist zou worden. Bij dat soort opmerkingen werd de rook in de ruimte alsmaar dikker, het was zoals in die klassieke verzen: ‘vluchtige geuren’ wekten ‘ongrijpbare gedachten’. Dichter H zat in het midden, achterover in zijn stoel, en probeerde rookkringetjes uit te blazen. Ongetwijfeld steeg zijn inspiratie met elk kringetje dat hij de lucht in zond. Hij verkeerde in sferen waarover hij na terugkeer met niemand zou kunnen spreken. Ik was de enige die niet rookte en voelde me een verschoppeling, iemand die uit de beschaving was verbannen. Stoppen met roken kwam me op dat moment hoe langer hoe zinlozer voor, ik besefte nu pas echt hoe dwaas ik was geweest. Koortsachtig zocht ik mijn geheugen af naar de redenen voor mijn nobele voornemen van weleer, maar ik kon er geen enkele vinden.

Vanaf die dag liet mijn geweten me niet meer met rust. Het ware denken bestond bij de gratie van plotselinge invallen, bedacht ik, maar hoe kon een niet-rokende geest daar ooit voor open staan? Een middag ging ik bij een westerse vrouw op bezoek. Ze zat aan tafel, met een sigaret in de ene hand en met haar andere hand op haar knie. Ze helde iets naar voren en was een en al charme. Ik voelde dat het moment van mijn ontwaken daar was. Ze hield haar pakje sigaretten op en bood me er een aan. Langzaam maar zelfverzekerd nam ik er een uit het pakje, en ik wist dat ik met die stap weer op het rechte pad zat.

Thuis liet ik de bediende meteen een pakje Capstan kopen. Rechts op mijn bureau zat een brandplek, daar legde ik mijn brandende sigaret altijd neer. Omdat ik continu rookte had ik naast die plek een inscriptie gekerfd: ‘Holte van de vliedende tijd’. Ik had ooit uitgerekend dat het me zo’n zeven, acht jaar zou kosten om helemaal door het twee duim dikke tafelblad heen te branden; toen ik zo vastberaden stopte met roken, deed het me pijn dat die ‘Holte van de vliedende tijd’ maar een halve centimeter diep zou blijven. Het was daarom met groot genoegen dat ik mijn sigaret er opnieuw neerlegde; al had ik nog een lange weg te gaan, ik kon hem nu weer onvermoeibaar voortzetten. Toen ik later verhuisde en een kleinere studeerkamer kreeg, heb ik mijn bureau helaas moeten verkopen, waardoor ik ook mijn ‘Holte van de vliedende tijd’ verloor. Misschien is dat wel het grootste verdriet van mijn leven.

(Vertaling Mark Leenhouts)

De Chinees Lin Yutang (1895-1976) was een tweetalige auteur, die in het westen bekend werd met Engelstalige boeken als My Country and My People en The Importance of Living, waarin hij op een prettige, licht ironische manier essayeerde over ‘Chinese levenswijsheid’, van het genieten van thee, roken en conversatie tot de kunst van het in bed liggen. Daarnaast vertaalde hij veel Chinese klassieken. Van 1937 tot 1954 doorliep hij een academische carrière in Amerika (Harvard) en Duitsland (doctorsgraad in Leipzig), waarna hij doceerde in Singapore, Taiwan en Hongkong. Het bijgaande essay schreef Lin in 1932 in het Chinees, waarna hij het in 1937 in gewijzigde, Engelse vorm opnam in The Importance of Living, dat in 1949 in het Nederlands verscheen als Levenswijsheid met een glimlach.

Oorspronkelijk verschenen in De tweede ronde, ‘Roken is dodelijk-nummer’, herfst 2006

De evolutie van de man

Lu Xun (essay)

Het paren van dieren liefde noemen is haast profaan, ik geef het toe. Toch valt niet te ontkennen dat ook dieren een seksleven hebben. Als mannetjes en wijfjes elkaar in de bronsttijd tegenkomen is het gekir en gekoos niet van de lucht. Ook zal het wijfje met haar gebruikelijke maniertjes en koketterie soms een paar passen wegspringen, weer omkijken, nog eens roepen, totdat de ‘cohabiterende liefde’ een feit is. Al zijn er vele soorten dieren en zijn hun manieren van ‘liefhebben’ complex, één ding staat vast: het mannetje heeft het meestal niet voor het zeggen.

De mens is de heer der schepping, dat is in de eerste plaats te danken aan de vermogens van de man. In de oertijd rommelde iedereen natuurlijk maar wat aan, maar gezien het feit dat men, in Confucius’ woorden, ‘wel zijn moeder maar niet zijn vader kende’, moet het zwakke geslacht toch een tijdlang ‘de touwtjes in handen’ hebben gehad; de matriarch boezemde toen waarschijnlijk meer ontzag in dan de latere stamhoofden. Daarna, het is niet duidelijk waarom, keerde het tij voor de vrouwen: om hals, armen en voeten kregen zij kettingen, banden en ringen geslagen – en hoewel die kettingen en ringen in de duizenden jaren die volgden grotendeels in goud en zilver veranderden, en ingelegd werden met paarlen en juwelen, blijven die snoeren en braceletten tot op de dag van vandaag een teken van vrouwelijke onderwerping. Nu vrouwen eenmaal slaven waren, hoefden mannen geen toestemming meer te vragen om hen ‘lief te hebben’. Bij de stammenoorlogen uit het verleden werden krijgsgevangenen immers tot slaven gemaakt en vrouwelijke krijgsgevangenen verkracht. Inmiddels was de bronst waarschijnlijk al ‘afgeschaft’ en konden mannen altijd en overal vrouwelijke krijgsgevangenen, vrouwelijke onderworpenen, verkrachten. De schurken en aanranders van vandaag die vrouwen niet als hun gelijke bejegenen, handelen dus eigenlijk in de nobele geest van de krijgers en krijgsheren van weleer.

Maar al was de mens met zijn vermogen tot verkrachting een stap verder ‘geëvolueerd’ dan het dier, uiteindelijk kon je dat toch maar een halve beschaving noemen. Denkt u zich eens in, die huilende, jammerende vrouwen, aan handen en voeten geboeid, zou dat nu echt stimulerend hebben gewerkt? Toen het zaligmakende geld zijn intrede deed, nam de evolutie van de man pas echt een grote vlucht. Alles onder de zon kon verhandeld worden, seks was daarop natuurlijk geen uitzondering. In ruil voor een paar losse centen kon de man voortaan krijgen wat hij van een vrouw verlangde. En hij kon haar voorhouden: ik verkracht je niet, jij doet dit geheel uit eigen vrije wil, als je wat geld wilt verdienen, doe dan wat ik zeg, wees braaf en gedwee, dit is eerlijke handel tegen een eerlijke prijs! Na aldus haar eer te hebben vertrappeld, verwachtte hij bovendien nog een ‘dank u, meneer’. Kunnen dieren hieraan tippen? Hoerenlopen vertegenwoordigt duidelijk al een betrekkelijk hoog stadium in de mannelijke evolutie.

Tegelijkertijd was het traditionele huwelijk, bepaald door de ouders en bekonkeld door koppelaars, een zo mogelijk nog ingenieuzere vondst dan hoerenlopen. Onder dit systeem verwierf de man een levende have van permanente, levenslange duur. Vanaf het moment dat de bruid bij de bruidegom in bed belandde, had ze alleen nog maar plichten, zelfs het recht om over de prijs te praten had ze niet meer, laat staan dat op liefde. Of ze nu van hem hield of niet, in naam van de Hertog van Zhou en de wijze Confucius werd zij geacht haar man eeuwige trouw te zweren en verder haar kuisheid te bewaren. De man kon naar believen gebruik van haar maken, terwijl zij de zedenleer der wijze vaderen moest betrachten; ‘zo wie slechts in zijn hart begeert, die heeft alrede overspel gedaan’. Als een mannetjeshond er ten aanzien van een teefje zulke slinkse, grimmige praktijken op nahield, zou het teefje ongetwijfeld binnen de kortste keren in wanhoop ‘van de muur springen’. De mens, van zijn kant, springt hooguit in een put, om te kunnen sterven als een zedige, eerbare vrouw en een martelares voor de kuisheid. De evolutionaire betekenis van het zedelijk huwelijk behoeft geen nader betoog.

Het feit, ten slotte, dat de man met de ‘meest wetenschappelijke’ theorieën in de hand de vrouw zonder een beroep op enige zedenleer toch heeft kunnen bewegen hem bereidwillig tot in den dood trouw te blijven en haar ervan heeft weten te overtuigen dat seksuele lust alleen maar ‘dierlijke lust’ is en niet opgevat moet worden als een voorwaarde voor liefde – die uitvinding van de ‘wetenschappelijk verantwoorde kuisheid’ is uiteraard het toppunt van beschaving en vooruitgang.

Ach, daarin onderscheidt de mens – de man – zich dan toch ten enenmale van het dier!

Let wel: dit is een stukje van een verstokte zedenpreker.

1933

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in De tweede ronde, ‘Chinees nummer’, lente 2006 – zie ook hier

Lof der stommen

Zhou Zuoren (essay)

‘Als een stomme die alsem eet’, zegt men weleens, doelend op iemand die lijdt in stilte. Maar er wordt ook gezegd: ‘een deuntje spelen bij de alsemstruik’, oftewel een zonnig gezicht opzetten als het tegenzit; dat komt minstens zo vaak voor. Dus, al lijdt een stomme aan het feit dat hij niet kan praten, het kan ook best zijn dat hij in stilte geniet, misschien nog wel meer dan wij die wel over een mond beschikken – wie zal het zeggen?

Over het algemeen worden stommen als gebrekkigen beschouwd, gelijkgesteld aan mensen die een been of hun ogen missen, maar dat is volkomen onterecht. Hun mond vertoont eigenlijk geen gebrek, het is alleen zo dat ze niet praten. In de aloude Verklaringen der karakters staat: ‘Stomheid, de aandoening niet te kunnen spreken’. Niet kunnen spreken mag dan, zoals samensteller Xu Shen stelt, een aandoening zijn, het is toch bepaald geen ernstige aandoening; het heeft nauwelijks nadelige invloed op de voornaamste functies van de mond. Ga maar na, die functies vallen grofweg uiteen in: a) eten, b) zoenen en c) spreken. In principe is er niets mis met de mond van een stomme, hij ontbeert geen tong, noch zitten zijn lippen aan elkaar vastgegroeid, dus wat eten betreft kan hij alles naar believen tot zich nemen, zonder een centje pijn, of het nou de buitenlandse of onze eigen keuken is. De lichamelijke conditie van de stomme is daarom niet in het geding, daar hoeven we verder geen woorden aan vuil te maken. En zoenen dan? Voor een mond die zoals gezegd ongehinderd kan eten en drinken, zal ook die taak geen enkel probleem opleveren. Immers, zoals de Nederlandse dokter Van de Velde in hoofdstuk acht van Het volkomen huwelijk zegt: zoenen is over het geheel genomen beperkt tot reuk, smaak en tast, en heeft hoegenaamd niets met het gehoor te maken; het feit dat de stomme niet kan praten mag duidelijk geen enkele belemmering zijn. 

Al met al kunnen we dus nog altijd vaststellen dat de stomme maar ‘lijdt’ aan één ding: niet kunnen spreken. En volgens mij is dat echt zo erg nog niet. Het spraakvermogen van de mens is eigenlijk volstrekt overbodig; kijk maar naar alles wat een ziel heeft in de wereld, alle schepsels leven hun leven, volgen hun aard – en heb je ze ooit een woord horen zeggen? Confucius zei: ‘Al kan de mensaap spreken, het is en blijft een beest; al kan de papegaai spreken, het is en blijft een vogel.’ Arme dieren, hebben ze met veel pijn en moeite een paar woordjes mensentaal geleerd, schoppen ze het nog altijd niet verder dan het dierenrijk, worden ze alleen maar door de Wijze op hun nummer gezet – allemaal vergeefse inspanning. Toen de vierogige Cang Jie uit het niets het schrift schiep, huilden de goedaardige geesten de hele nacht, en ik maak me sterk dat de Hemelse Verhevene van het Oorspronkelijke Begin ook diepe zuchten moet hebben geslaakt toen de eerste primitieve mensachtige zijn keel rekte en leerde spreken. Een mens zwoegt en tobt zijn leven lang, maar waartoe? ‘Voeding en voortplanting,’ zei Confucius, ‘daarin schuilen de grootste begeerten van de mens.’ Dus zolang het aan die grootste begeerten maar niet ontbreekt, kunnen we dan niet wat minder hangen aan alle andere zaken? Een belangrijke Chinese levenswijsheid luidt: ‘een zaak minder is een zorg minder’ – dat lijkt me een lijfspreuk voor alle stommen.

‘Ziekten komen via de mond naar binnen, rampen via de mond naar buiten’. Uit dat gezegde blijkt maar eens te meer dat spreken een mens meer kwaad dan goed doet. Er kan geen woord over iemands lippen komen, tegenwoordig, of het bevat een oordeel, betekent een gevaar. Je kunt niet altijd lieve dingen als ‘ik hou van jou’ zeggen – want als je daar even bij stilstaat begrijp je dat ‘ik hou van jou’ ook kan betekenen: ‘ik houd niet van haar’, of: ‘ik wil niet dat hij van jou houdt’, met alle catastrofale gevolgen van dien. Als een verstandig mens zijn gasten begroet houdt hij het dan ook niet voor niets bij: ‘Weertje hè… hahaha!’, zonder er verder op in te gaan. Want het weer mag dan onschuldig zijn, alleen al zeggen of het goed of slecht is kan per slot van rekening verkeerd vallen, vandaar dat hij het maar met een lach afdoet. Ooit las ik Yang Hui’s brief aan zijn vriend Sun Huizhong, waarin de Han-ambtenaar zich beklaagt over zijn val in rang; ik herinner me alleen maar de zinnen: ‘Ik zaaide een veld bonen en oogstte evenzovele staken.’ Persoonlijk was ik er wel door getroffen, maar ik wist niet dat waarde Yang er nota bene om getweeëndeeld werd. Dat is net zo onvoorstelbaar als de vijftien-, zestienjarige schoolmeisjes uit Hunan die geëxecuteerd werden voor het lezen van Gevallen bladeren (de roman van Guo Moruo, de communist, niet het gedicht van Xu Zhimo, de romanticus). Maar wij leven nu eenmaal in een onvoorstelbare wereld, wat kun je ertegen beginnen? Uit eeuwenlange ervaring hebben de Ouden ons deze les meegegeven: ‘Een vooruitziend mens behoudt zijn lijf en leden.’ En uit jarenlange gewoonte hebben theehuizen plakkaten opgehangen met het advies: ‘Niet over landszaken praten.’ Het bekende gouden standbeeld dat door Confucius tot driemaal toe de mond werd gesnoerd is al 2500 jaar een voorbeeld voor de wereld, zijn reputatie van ‘de Oude die op zijn woorden past’ blijft ongeëvenaard. Is de stomme niet het gouden standbeeld van deze tijd? 

De man in de straat beschouwt kunnen spreken als een gave, maar kijk eens naar degenen die naam hebben gemaakt door zich als een stomme voor te doen. Door alle tijden en alle standen heen is dat trouwens maar aan weinigen gegeven, alleen daaraan valt al te zien hoe prijzenswaardig stomheid kan zijn. Als eerste heb je de vermaarde vrouwe Xi. Met haar schoonheid die steden en landen ten ondergang kon brengen is ze tweemaal tot koningin gekroond, en ze heeft de koning van Chu een tweetal zonen gebaard zonder ooit een woord tegen de vorst te zeggen. Chinese literaten die graag met dode schoonheden uit het verleden flirtten hebben vervolgens het ene na het andere grote gedicht over haar geschreven, sommigen over hoe goed ze was, anderen over hoe slecht ze was; ze stonken van eigendunk, maar dankzij hen steeg de roem van vrouwe Xi ten top. Eerlijk gezegd is het een tragisch vrouwenleven, en het is niet zomaar een enkel geval, het staat bijna symbool voor het lot van alle vrouwen. In Een poppenhuis van Ibsen vraagt de vrouwelijke hoofdpersoon Nora zich af hoe ze ooit een totaal onbekende man twee kinderen heeft kunnen baren. Dat is precies het lot van vrouwe Xi, en is het eigenlijk niet het lot van alle vrouwen onder het kapitalisme? En dan is er nog een andere zwijger, te weten kluizenaar Jiao, roepnaam Xian, bijnaam Xiaoran, die leefde aan het eind van de Han. Mijn streekgenoot Jin Guliang uit de Qingdynastie heeft deze eenzaat opgenomen in zijn Stamboek der weergalozen en van hem is ook dit treffende lofdicht:

Xiaoran woont alleen

Zijn lippen stijf opeen

Zwijgend wordt hij oud

De spot van ’t dierenwoud

Bovendien zegt de overlevering: ‘Zo leefde hij zijn leven lang en werd meer dan honderd jaar.’ Dus door je voor te doen als een stomme kun je zowel hoge achting als hoge ouderdom bereiken; daaruit spreekt de lofwaardigheid van stommen toch maar al te duidelijk. 

De tijden zijn in verval, de zeden zijn niet meer wat ze geweest zijn, de stommen van vandaag hebben zich zelfs verwaardigd met gebaren te gaan spreken; alleen in het donker kunnen ze die niet gebruiken en zeggen ze dus nog altijd niets. Ik citeer Confucius: ‘Als het land de Weg kwijtraakt, is men krachtig in zijn optreden maar matig in zijn spreken.’ Is de stomme niet simpelweg doordrongen van dat aloude principe?

(Vertaling Mark Leenhouts)

Zhou Zuoren (1885-1967) werd in de vroege jaren 1920 bekend als een van de pleitbezorgers van de moderne Chinese literatuur. Hiertoe wijdde hij zich vooral aan de vertaling van buitenlandse literatuur, onder meer in samenwerking met zijn oudere broer Lu Xun (Zhou Shuren), met wie hij tevens enkele jaren in Japan studeerde. Daarnaast is hij vooral de geschiedenis in gegaan als veelzijdig essayist, met name als beoefenaar van het wat lichtere, ongedwongen essay, waarvan dit stuk uit 1929 een voorbeeld is.

Oorspronkelijk verschenen in Het trage vuur 21, maart 2003

Lees ook: Lezen op het toilet

Lezen op het toilet

Zhou Zuoren (essay)

In deel vier van de Optekeningen uit het vertrek voor het drogen van boeken in de zon van Hao Yixing staat een stukje getiteld ‘Lezen op het toilet’, dat gaat als volgt:

Er is een oud verhaal over een vrouw die zo’n toegewijde boeddhiste was, dat zij zelfs op het toilet niet ophield met het opzeggen van de soetra’s. Ook al werd haar goedheid beloond, toch kwam zij tenslotte op het toilet aan haar einde. Dit verhaal dient als een waarschuwing, en ofschoon het uit de boeddhistische zedenleer komt en niet voor waar aangenomen behoeft te worden, laat het toch zien dat het niet past om op onreine plekken de heilige geschriften te reciteren.

In zijn Terugkeer naar de akkers citeert Ouyang Xiu een uitspraak van Qian Sigong: ‘Ik heb altijd van lezen gehouden. In mijn stoel lees ik de Klassieken en Historiën, in bed het liefst verzonnen verhalen, en op het toilet graag populaire rijmpjes.’ Volgens hetzelfde boek zou Xie Xishen gezegd hebben dat Song Gongchui altijd een boek meenam naar het toilet, en dat zijn luide stem, wanneer hij hardop las, in de wijde omtrek was te horen.

Mij komt dit alles belachelijk voor. Zich ontlasten met de broek op de knieën en een boek in de hand is niet alleen een vorm van heiligschennis, maar bovendien is het nog een hele toer. Dient men zo ver te gaan in zijn leergierigheid?

Volgens Ouyang Xiu heeft Xie Sishen ook gezegd dat hij bij voorkeur op drie plaatsen zijn artikelen schrijft, namelijk op zijn paard, op zijn hoofdkussen en op het toilet; alleen daar kan hij zich naar behoren concentreren. Dit is nu eens mooi gezegd, het is namelijk intiem, maar het blijft binnen de perken.

Mijnheer Hao’s essay is hoogst interessant, maar toch verschil ik enigszins met hem van mening, aangezien ik eerder een voorstander ben van lezen op het toilet. Toen ik klein was hoorde ik van mijn grootvader dat Pekingse lakeien een gezegde hadden dat luidde: ‘Onze bazen eten snel, maar wij bedienden schijten snel.’ Dat klinkt misschien wat goedkoop, toch denk ik dat het een feit is. Het is natuurlijk moeilijk vast te stellen hoe lang iemand op het toilet zit, maar het kan nooit al te kort zijn. En het verschilt met eten in die zin dat je, hoe weinig tijd je er ook doorbrengt, je die altijd als verspilde tijd beschouwt en dus naar manieren zoekt om hem zo goed mogelijk te gebruiken. Zo steekt het gewone volk in de streek waar ik vandaan kom graag een pijpje op gedurende de tijd dat ze op de wc moeten zitten. Of, als er iemand rijst of kleren aan het wassen is op de stenen aan de oever van de rivier of als er iemand met een draagstok voorbij komt, waarom zou je dan geen praatje maken? ‘Hoeveel kost die rijst per pond?’ roepen ze dan, of: ‘Waar ga je naartoe?’ Lezen, zou je kunnen zeggen, is niet veel anders dan een pijpje roken.

Dit mag dan wel zo zijn, toch zijn er plaatsen waar je liever alleen een pijp opsteekt, en die zich niet bepaald lenen voor het lezen van een boek. De wc’s aan de oever van de rivier in Zhejiang waar ik het net over had, zijn hier één voorbeeld van.

Ik heb eens in Nanjing in een boekwinkel gelogeerd van een vriend uit Hunan; hij heette Liu, ik had hem leren kennen via Zhao Boxian. Dat jaar werden de districtsexamens gehouden, en Liu had vlak bij Huapailou een boekwinkel geopend. Ik was ziek en de school was geen aangename plek voor mij om te verblijven, waarop Liu mij bij hem thuis onderbracht, waar hij medicijnen en rijstepap voor me bereidde. Hij verkocht niet alleen boeken aan de examenkandidaten, maar was ondergronds ook nog eens actief in de revolutionaire beweging. Het was werkelijk een bewonderenswaardige figuur. Ik sliep achter de boekenkasten achter de toonbank. Daar dronk ik ook mijn medicijnen en at ik mijn rijstepap, alleen het gemak bevond zich buiten. Je moest de winkel uit, een paar huizen verder lopen naar een lege plek en dan was het ergens onder tegen een muur op een vuilnishoop. Het was ondoenlijk voor mij om daarnaartoe te moeten. Gedeeltelijk omdat ik ziek was natuurlijk, maar zelfs al was ik in goede gezondheid geweest, dan nog had ik gewild dat ik er niet heen hoefde. Ziedaar voorbeeld nummer twee.

Toen ik in de zomer van 1919 in Hyuga, Japan, op bezoek was bij een vriend, verbleef ik in een bergdorp dat Kijo heette. Het privaat aldaar had weliswaar net als overal anders een dak en een houten deur en ramen, maar het stond op een meter of veertig van het woonhuis, midden op het land. ’s Avonds moest je een lamp meenemen, bij regen een paraplu. En het leek wel of het daar alleen maar regende: van de vijf dagen die ik er heb doorgebracht, herinner ik me ik maar één droge dag. Laat dit mijn derde voorbeeld zijn.

Ten slotte zijn er de openbare wc’s in Peking: niet meer dan een gat in de grond en twee stenen ernaast; regen, wind en zonneschijn hebben er vrij spel. Vorig jaar was ik bij Sun Fuyuan in Dingzhou. Daar heb je latrines net als op de Riukiu-eilanden: je staat aan de rand van een gat waarin varkens rondknorren, wat beangstigend is voor mensen die dat niet gewend zijn. Hoe kun je daar nu rustig lezen? Voorbeeld vier.

Zhou Zuoren (1885-1967) werd in de vroege jaren 1920 bekend als een van de pleitbezorgers van de moderne Chinese literatuur. Hiertoe wijdde hij zich vooral aan de vertaling van buitenlandse literatuur, onder meer in samenwerking met zijn oudere broer Lu Xun (Zhou Shuren), met wie hij tevens enkele jaren in Japan studeerde. Daarnaast is hij vooral de geschiedenis in gegaan als veelzijdig essayist, met name als beoefenaar van het wat lichtere, ongedwongen essay. ‘Lezen op het toilet’ verscheen in zijn bundel Bittere bamboenotities uit 1936.

In Het woud der verhalen uit de vierde eeuw staat te lezen dat het toilet ten huize van Shi Chong voorzien was van een groot bed met een gordijn van rode tule, fraaie rieten matten en twee dienaressen die bestikte geurzakjes vasthielden. Ik zou zo’n extravagante bedoening volkomen ongeschikt vinden om te lezen. Mijn eisen zijn eigenlijk heel eenvoudig: als een toilet maar muren heeft, een raampje en een deur, en als je er ’s avonds maar licht kunt maken – is het niet elektrisch, dan is een kaars ook goed. Het mag gerust een twintig-, dertigtal passen van het huis verwijderd zijn: al heb je dan soms een paraplu nodig, in het noorden regent het toch niet veel. Naar zo’n wc neem ik met alle plezier een boekje mee.

Junichiro Tanizaki heeft in zijn Setsuyo-essays een stuk met de titel ‘Lof der schaduw’, waarvan het tweede gedeelte ingaat op de kwaliteiten van de toiletten in de Japanse architectuur. De tempels van Kyoto en Nara hebben toiletten in de oude stijl: ze zijn weliswaar donker maar worden zeer schoon gehouden, en ze staan in een groene omgeving, waar je de geuren van loof en mos kunt ruiken. Ze bevinden zich buitenshuis, maar zijn via overdekte gangen te bereiken. Gezeten op zo’n halfduistere plek, waar het licht gefilterd wordt door de papieren schermen, kun je in dromerige gedachten verzinken, of door het raam de tuin aanschouwen. Het is een onbeschrijflijk mooi gevoel. Tanizaki zegt verder:

Zoals ik al zei, zijn er een aantal vereisten: een zekere mate van duisternis, onberispelijke properheid en een stilte waarin zelfs het gezoem van een mug te horen is. In een toilet dat aan al deze voorwaarden voldoet, mag ik graag naar het ruisen van de vallende regen luisteren. Vooral op de wc’s in Kanto, die uitgerust zijn met smalle raampjes tot op de vloer, zodat de regendruppels die van de dakrand of van de boombladeren vallen de voet van de lamp schoonwassen en het mos op het stenen opstapje bevochtigen – daar kun je van heel dichtbij de regen zachtjes in de aarde horen sijpelen. Een dergelijk toilet is bij uitstek de plaats om te genieten van het getsjirp van insecten en vogels, of van het aanzicht van de maan, en het is de ideale plek om de overgangen van de jaargetijden te proeven. Me dunkt dat de haikudichters van weleer hier menig thema hebben opgedaan. Zo bezien kan men gerust stellen dat het toilet het meest gedistingeerde aspect van de Japanse architectuur is.

Tanizaki is nu eenmaal een dichter, dus hij neigt ernaar een en ander iets mooier te laten klinken dan dat het in werkelijkheid zal zijn. Maar dat betreft slechts zijn taalgebruik; er is niets mis met wat hij wil zeggen. Tijdens de periode van de Strijdende Staten in Japan (vijftiende en zestiende eeuw) vormden de kloosters van Gozan zo ongeveer het enige terrein van cultuurbehoud en culturele creativiteit. Dit bracht stijlveranderingen met zich mee, zoals de overgang van de traditionele realistische paleisschilderingen naar de grillige bomen, bamboe en rotspartijen uitgevoerd in eenkleurige inkt. Dezelfde verandering vond plaats in de architectuur. Dit is met name goed zichtbaar in het theehuis, en de esthetisering van het toilet is niets anders dan een nevenwerking van deze trend.

De volgelingen van het boeddhisme zijn altijd erg kieskeurig geweest als het op het toilet aankwam. Door de boeddhistische gebodenboeken van de Hinayana- en de Mahayanatraditie die ik zo her en der weleens heb gelezen, heb ik een enorme bewondering gekregen voor de grondige aandacht die de oude Indiase notabelen schonken aan alle aspecten van het leven. Wat de gang naar het toilet betreft: de Drieduizend voorschriften voor het sober gedrag van de grote monnik, in het Chinees vertaald tijdens de Oostelijke Handynastie, bevat ‘Vijfentwintig zaken aangaande de retirade’; het zesde deel van de Sarvastivada Vinimatrka, vertaald in de Songdynastie, telt er in totaal dertien afdelingen over, uiteenlopend van ‘lijwaartse ligging’ tot ‘bouwontwerpen’; en in het tweede deel van ‘Overbrenging van het innerlijke dharma’ uit Boeddhistische gebruiken van de Zuidelijke Zee door Tangmonnik Yijing, behandelt het achttiende hoofdstuk ‘Zaken aangaande de stoelgang’. Al deze teksten bevatten gedetailleerde voorschriften, waarvan sommige even strikt als lachwekkend zijn. Ik kan er alleen maar grote bewondering voor opbrengen.

Dat de monnik Lu Zhishen in onze klassieker Het verhaal van de wateroever van keukenhulp op kan klimmen tot wc-schrobber geeft eens te meer het belang aan van het toilet in de Chinese kloosters in vroeger tijden. Maar vandaag de dag zie je daar niets meer van terug. In 1921 heb ik wegens ziekte een half jaar doorgebracht in de Westelijke Bergen bij Peking. Ik verbleef in de Shifangzaal van de Azuren Wolkentempel, waar nergens ook maar een behoorlijke wc te vinden bleek. Het was zoals ik in mijn Gemengde brieven uit de Westelijke Bergen heb beschreven:

Mijn omzwervingen hebben zich inmiddels uitgebreid tot aan de bronnen in het oosten. Het is daar lang niet slecht; ik maak er elke ochtend vroeg een wandelingetje, voordat de toeristen komen, en geniet er van het wonderschone landschap. Jammer alleen dat het er niet zo schoon is, vele luchten vergezellen je waar je gaat – het is er namelijk een ware uitstalling van dat geneesmiddel dat in de Chinese Materia medica wordt aangeduid als ‘bruine menselijke substantie’. China is toch echt een wonderlijk land, denk ik weleens. Aan de ene kant komt men er maar moeilijk aan voedsel, terwijl men er aan de andere kant niet weet wat men er met zijn uitwerpselen moet doen.

Onder dergelijke omstandigheden zou het al een hele vooruitgang zijn als Chinese kloosters over een normale wc zouden beschikken. Is er dan nog wel een plek te vinden voor onze overpeinzingen of voor het lezen van een boek? Als monniken al zo nalatig zijn, wat kunnen we dan nog verwachten van het gewone volk?

Maar mocht er een schoon toilet te vinden zijn, dan kun je er heel goed een boekje lezen – schrijven, dat zou ik niet durven zeggen. Het maakt niet uit wat je er leest, of het nu de Klassieken, de Historiën, de Filosofen of de Anthologieën zijn. Over het algemeen neem ik zelf geen zeldzame uitgaven of moeilijke boeken mee naar het toilet, meestal kies ik voor een grammaticaboek. Naar mijn ervaring zijn essays het beste voor op de wc; romans zijn uit den boze. En wat hardop lezen betreft, weinig mensen lezen tegenwoordig nog de Grote Acht van de Tang en de Song, dus daarmee kunnen we dat reciteren ook wel achterwege laten.

Oktober 1935

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in Het trage vuur 2, april 1997

Lees ook: Lof der stommen