Echte mensen

De werkelijkheid op de huid

De wereldcinema is ondenkbaar zonder Chinese films, moderne Chinese schilderkunst breekt miljoenenrecords bij Sotheby’s, maar de Chinese literatuur steekt daar internationaal wat schril bij af. Je zou kunnen zeggen: elk land heeft op cultureel gebied nu eenmaal zijn sterke punten. Nederland was lang het land van Rembrandt en Van Gogh, en meer recentelijk van Dutch Design. Nederlandse schrijvers gaan pas sinds kort de wereld over.

Natuurlijk is dat deels een kwestie van vertalen: als is het Chinees geen kleine taal, net als het Nederlands wordt hij buiten de landsgrenzen nauwelijks gesproken. En zoals Engeland nu pas weet dat ze in W.F. Hermans een Nederlandse Kafka hebben, zo weet menig westerling niet dat China juist altijd een door en door literair land is geweest. De enorme Chinese boekhandels van tegenwoordig puilen uit van boeken en lezers, en in het klassieke China was elke ambtenaar een dichter.

Eeuwenlang vormde literatuur een vast onderdeel van de keizerlijke examens, die toegang boden tot de hoogst mogelijke carrière: het dienen van het land. Literatuur had dan ook een praktische rol: het weerspiegelen van wat er speelde in de maatschappij, het signaleren van misstanden en het trekken van lessen uit de geschiedenis.

Mo Yan

En die rol heeft literatuur in de 20e eeuw grotendeels behouden. Schrijvers zijn dan geen ambtenaar meer – al heeft Mao ze een tijdlang voor zijn politieke kar willen spannen – maar de typische Chinese roman zit de werkelijkheid nog altijd dicht op huid, richt zich op het aardse en alledaagse, en verliest de geschiedenis maar zelden uit het oog.

Iemand als Mo Yan (1956), ongetwijfeld de bekendste hedendaagse schrijver, vaak genoemd als Nobelprijskandidaat, heeft er bijna zijn hele oeuvre aan gewijd. Zijn eerste en beroemdste roman, Het rode korenveld uit 1986, is een barokke ode aan zijn voorouders uit het dorpje Gaomi, zijn eigen Yoknapatawpha – William Faulkner is Mo Yans grote voorbeeld.

De verteller voelt zich een onwaardige telg van een groots geslacht van vitale boeren en liederlijke bandieten, die in de jaren veertig heldhaftig verzet boden tegen de Japanse bezetter. Niet uit patriottisme, maar uit eenvoudige boerentrots en stoere onverzettelijkheid. Eigenschappen die de huidige generatie niet meer bezit, treurt de verloren zoon, zelfs het rode koren schittert niet meer als voorheen.

Mo Yan kan als geen ander dat rode koren doen schitteren. Hij kijkt niet op een bijvoeglijk naamwoord en zijn plastische beschrijvingen dijen oneindig uit. Hij heeft zich niet voor niets het pseudoniem mo yan – ‘niet spreken’ – aangemeten, om zijn eigen woordenvloed in te dammen. Maar tegelijkertijd zie je hoe Mo Yan grip probeert te krijgen op de geschiedenis, haar probeert te herschrijven.

De officiële, revolutionaire versie van de geschiedenis wordt namelijk enkel bevolkt door bovenmenselijke helden en onzelfzuchtige martelaars. Mo Yan zet daar zijn echte, aardse mensen tegenover. Dat hij hun puurheid uit lyrische bewondering danig overdrijft, alla – maar puur betekent voor hem in elk geval niet ongeloofwaardig goed en deugdzaam.

Yu Hua

Yu Hua (1960), een van de populairste en best verkopende auteurs van het moment, gaat daarin nog wat verder. Zijn bekendste roman Leven! (1992) bestrijkt, aan de hand van de lotgevallen van een familie, het China van de jaren veertig tot de jaren tachtig. Alle grote historische gebeurtenissen passeren de revue en vinden hun weerslag in het dagelijks leven: de overgang van gokhuizen naar communes, de privé-ijzersmeltoventjes van de Grote Sprong Voorwaarts en de antikapitalistische leuzen van de Culturele Revolutie.

Veel auteurs hebben zo’n weids panorama geschilderd, maar Yu Hua wil ermee laten zien hoe de gewone man zich op pure wilskracht, de wil om te blijven leven, door de oorlog, armoede en sociale misstanden uit die decennia heen kon slaan. Het verhaal eindigt veelzeggend met het beeld van de hoofdpersoon en zijn buffel – bron van levensonderhoud, symbool van het leven.

Yu Hua schreef dan ook geen politieke aanklacht, maar toont zich eerder diep geroerd door die typisch Chinese overlevingsdrang. In zijn poging een zo gewoon mogelijke hoofdpersoon te schetsen, schiep hij een ware alleman, die bijna uitsluitend getekend wordt door zijn taaiheid en volharding.

Zijn er helemaal dan geen breekbare individuen in de Chinese literatuur, personages die eerder kampen met een innerlijke, psychologische strijd – het kenmerk bij uitstek van de westerse moderne roman? Jawel, maar over het algemeen zie je die pas bij auteurs die het woeden der wereld bewust de rug toekeren. De alom geliefde Su Tong (1963), bijvoorbeeld, heeft een grote voorliefde voor de geschiedenis, maar voor hem lijkt het verleden eerder een vlucht. Zijn hoofdpersonen zijn bijna altijd eenlingen die zich bedreigd voelen door de buitenwereld, niet thuis lijken te horen in hun omgeving.

Su Tong

In zijn pseudo-historische roman Mijn leven als keizer (1992) voert hij een argeloos kindkeizertje op dat slachtoffer wordt van machtspelletjes aan een imaginair hof. Vooral de complotten die de oude keizerin-weduwe achter de schermen smeedt maken hem angstig en onzeker. Als hij uiteindelijk wordt afgezet, ervaart hij dat dan ook direct als een bevrijding. De zinderende vlucht die hij vervolgens als gewoon burger door zijn land moet ondernemen, wordt zo één lange louteringstocht. De voormalige keizer heeft nog maar één ambitie: koorddanser worden, om zo dicht mogelijk de vrijheid van de vogels te benaderen – als de Keizer van het Koord.

Wat als begon als een ironisch spel met de conventies van een hofdrama – compleet met jaloerse concubines en een broedertwist – slaat dus om in een roman over individuele vrijheid. Schrijver John Updike bekende in zijn bespreking voor The New Yorker dat hij aanvankelijk maar moeilijk ‘in het verhaal kwam’, totdat hij in het laatste deel tot zijn plezier opeens ‘een hoofdpersoon in de westerse zin van het woord’ ontwaarde, iemand die dingen ‘najaagt, bevecht en ontdekt’.

Zou dat de onbekendheid van de Chinese literatuur kunnen helpen verklaren? De westerse lezer identificeert zich misschien beter met een zich ontplooiend individu dan met een voortploeterende alleman. Hoe het ook zij, voor de huidige grote drie van de Chinese letteren is er duidelijk meer dan alleen dat individu: naast de vogel van de vrijheid is er het koren van de kracht en de buffel van het leven.

Lees ook: Brieven aan een onbekende

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant op 2 augustus 2008 (katern ‘Let The Games Beijing’)

De zon schijnt niet op oost en west tegelijk

China’s opkomst als supermacht kan niemand ter wereld meer ontgaan. Een Chinese verzekeraar koopt belangen in Fortis Bank, de Italiaanse schoenenindustrie legt het af tegen ‘made in China’, en met miljoenen aan ontwikkelingshulp breidt Peking zijn invloed in Afrika uit. China zet de wereld op zijn kop, zo kopte een recente studie van James Kynge terecht (Nw A’dam, 2006).

Vanuit het Westen wordt begrijpelijkerwijs vaak ingezoomd op de internationale gevolgen van dat economische succes. Wat zijn de risico’s van een ondemocratische éénpartijstaat die wereldwijd zijn tentakels uitslaat? Kan China het zich blijven veroorloven de mensenrechten in het zich internationaal sterk profilerende Tibet met voeten te treden?

Minder vaak wordt stilgestaan bij wat er zich binnen China afspeelt, en als gevolg daarvan blijft er een wat abstract spookbeeld bestaan van een dreigende, naar binnen gekeerde communistische kolos – zoals ook wel blijkt bij de protesten in de aanloop naar de Olympische Spelen deze zomer.

Twee recente boeken nuanceren dat beeld – en wel doordat de auteurs besloten eens te gaan praten met Chinezen die niet zo vaak aan het woord komen. Floris-Jan van Luyn reisde mee met de boerenmigranten die als binnenlandse gastarbeiders de Chinese vooruitgang mogelijk maken. Mark Leonard zocht de Chinese intellectuelen op die aan universiteiten en in denktanks mede China’s gezicht van vandaag en morgen bepalen.

Volgens schattingen hebben zo’n 130 miljoen Chinese boeren (dat is 10% van de Chinese bevolking!) sinds de jaren ’90 het uitzichtloze platteland verlaten voor de stad, in de hoop op werk en een beter bestaan – als fabrieksarbeider, kok, kapster of prostituee. Hoewel hun bijdrage aan de economie inmiddels onmisbaar is, zijn zij letterlijk tweederangsburgers, toont Van Luyn aan in Een stad van boeren.

Omdat je volgens het Chinese bevolkingsregistratiesysteem als boer of als stedeling geboren wordt, zijn boerenmigranten in de stad per definitie rechteloos. Dat betekent dat een boerenbouwvakker op geen enkele verzekering of andersoortige steun hoeft te rekenen wanneer hij van de steigers langs een wolkenkrabber afvalt – als hij überhaupt al een arbeidscontract heeft gekregen.

Zo onthutsend als Van Luyns portretten zijn, zo indrukwekkend is zijn prestatie als verslaggever. Hij laat de boeren bijna continu aan het woord, en via de mooie foto’s geeft hij ze ook werkelijk een gezicht. En hoewel je aan alles merkt dat hij praktisch overal bij hen was en naast hen stond, zowel op de stinkende vuilnisbelt als in het arbeiderskot waar het riool barstte, is hij in het hele boek niet meer dan degene die waar nodig de achtergronden belicht.

Dat doet hij met oog voor het sprekende, schrijnende detail, maar nooit met een beroep op heilige verontwaardiging of vet sentiment. Misschien ook wel omdat de gelukzoekers en overlevers zelf zo taai en sterk zijn, niet opgeven, waardig blijven – iets wat wel een typisch Chinese eigenschap mag heten.

Boerenmigratie is maar één van de problemen waarmee de intellectuelen die Leonard in What Does China Think?ondervroeg te maken hebben. Als er één beeld uit Leonards korte essay naar voren komt, is dat het tegendeel van een monddode elite onder een repressief regime, zoals men dat uit Mao’s tijd mogelijk gewend was. De hoogleraren en onderzoekers in de economie en de politicologie overleggen regelmatig met de hoogste leiders en hebben paradoxalerwijs, door de afwezigheid van oppositiepartijen en vakbonden, en door het belang van persoonlijke contacten, misschien wel meer macht dan hun westerse tegenhangers.

De meesten zijn westers geschoold (Leonard spreekt in tegenstelling tot Van Luyn geen Chinees en is aangewezen op Engelssprekenden), maar kiezen ervoor het onvoorspelbare politieke klimaat thuis te trotseren om werkelijk iets in hun land te kunnen veranderen. Westers gedachtegoed koppelen zij daarbij creatief aan een Chinese kijk op de wereld.

Zo wordt de westerse roep om democratie en vrijheid van meningsuiting zelfs door de meer gematigde denkers van het zogenoemde ‘Nieuw Links’ niet zonder meer omarmd. Anders dan ‘Nieuw Rechts’, dat het harde kapitalisme voorstaat waarbij sommigen eerder rijk mogen worden dan anderen (‘als de zon opkomt schijnt hij ook eerst op het oosten, niet op oost en west tegelijk’), pleiten zij weliswaar voor experimenten met burgerinspraak op lokaal niveau, om de kloof tussen arm en rijk te helpen dichten. Maar over het algemeen wekt de wetenschap dat de Volksrepubliek in de afgelopen 30 jaar 300 miljoen mensen boven het bestaansminimum heeft weten uit te tillen, meer dan voldoende vertrouwen in het eigen ‘Yellow River Capitalism’, zoals Leonard het noemt.

Sterker nog, Leonard ziet deze vorm van ‘overleggend dictatorschap’, een ‘ommuurd’ politiek systeem met beperkte burgerparticipatie zoals je dat ongeveer in Singapore hebt, als het ‘China-model’ dat in andere ontwikkelingslanden weleens navolging zal kunnen krijgen. China is immers het levende bewijs dat kapitalisme mogelijk is zonder ingrijpende institutionele hervormingen, die bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie tot grote chaos hebben geleid. En anders dan vroeger gaat China bovendien regionale samenwerkingsverbanden aan, die de Amerikaanse wereldorde soms danig verstoren.

Leonards conclusies mogen dan niet altijd even verrassend zijn, en hij wijdt ook veel van zijn beperkte aantal pagina’s aan het schetsen van ruimschoots bekende ontwikkelingen, maar hij laat wel zien dat er een debat is onder Chinese intellectuelen, en dat de regering, schipperend tussen Nieuw Links en Nieuw Rechts, wel degelijk iets met hun ideeën doet – ook voor de miljoenen boerenmigranten.

Het grote probleem zit hem wellicht eerder in de uitvoering van die ideeën, daarover lijken Van Luyn en Leonard het eens, aangezien wijdverbreide corruptie op de lagere niveaus, juist daar waar zelfbeschikking voorzichtig vorm krijgt, veel initiatieven frustreert.

En daar blijkt opnieuw de kracht van Van Luyns boek, dat Leonards grote lijnen inkleurt met urgente verhalen over de gewone burger die van die wanpraktijken de dupe wordt. Compleet met een vertaald familiekasboekje laat Van Luyn zien hoe frauderende partijkaders domweg meer belasting vragen dan een gezin aan inkomsten binnenbrengt. En hoe een tot het uiterste gedwongen boer zijn protest moet bekopen met een afgesneden tong. Maar ook, dat moet gezegd, hoe plaatselijke advocaten en activisten, net zo onverstoorbaar strijdend als de rondtrekkende boerenbevolking, er steeds vaker in slagen hun recht te halen.

Wang en Wang

De 19-jarige bewaker Wang Sujun is een van de naar de stad getrokken boeren die Floris-Jan van Luyn, voormalig China-correspondent voor NRC Handelsblad, in zijn boek portretteert. Sujun staat zwijgend in de houding voor een districtskantoor in Peking en salueert de geblindeerde auto’s van het partijkader. Verder ‘bestudeert hij de voorbijgangers […] of fantaseert over zijn toekomst’. Een eigen garage is zijn grote wens. Zijn baan als bewaker ‘is maar voor even’. Hij voelt dat de mensen uit de stad op hem neerkijken, maar toch is er ‘geen stedeling die bereid is uren voor zo’n poort te gaan staan.’ Terug naar zijn dorp? Geen denken aan. ‘Dat betekent dat ik heb gefaald.’ Zijn ouders, de achterblijvers op het platteland die Van Luyn ook bezoekt, hebben er vrede mee. Hij is geen jongen die in zeven sloten tegelijk loopt, en ‘in de stad leert hij meer dan op het land.’

Mark Leonard, directeur van het European Council on Foreign Relations, was verrast toen hij Wang Hui (1959) ontmoette in het Pekingse Thinker’s Café. In zijn poloshirt en colbertje leek hij wel een Parijse intellectueel. Maar verrassender was Wangs ontwikkeling als prominent denker van Nieuw Links. Na het Tiananmen-incident van 1989 trok hij zich twee jaar terug in de bergen en zag dat de nieuwe markteconomie de gewone man geen goed deed. Terwijl het Westen de onderdrukte demonstraties zag als ‘een confrontatie tussen een onmenselijke, onhervormde communistische staat en een groep studenten die aansluiting wilde bij de kapitalistische wereld van liberale democratie’, schrijft Leonard, vroeg Wang aandacht voor de arbeiders die naar het plein kwamen uit woede over de inflatie en ongelijkheid waartoe de radicale hervormingen hadden geleid. Zonder partijlidmaatschap of officiële functie, zoekt Wang Hui vaak de media om misstanden aan de kaak te stellen.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 mei 2008

Opgroeiende lezer

Volwassen worden met Frans Kellendonk

Toen ik na maandenlange afwezigheid weer eens bij mijn ouders op bezoek was, iets waaraan een zelfstandig student op kamers natuurlijk maar bij hoge uitzondering mocht toegeven, zag ik de schrijver voor het eerst. Ik dwaalde door het huis, waar ik mijn plek niet meer meende te kunnen vinden, tot ik vanuit de keuken de woonkamer inkwam en plotseling stilstond voor de tv. Op het scherm prijkte een onduidelijke zwart-witfoto van een donker kijkende man; ongemakkelijke houding, onwillig geportretteerd. Van het onderschrift zag ik alleen de jaartallen, 1951-1990, de naam van de schrijver ging verloren in de bestudeerd-gedragen toon die nieuwslezers plegen aan te slaan bij het overlijden van een bekend persoon uit de wereld van kunst en cultuur.

Foto Philip Mechanicus, 1981

Het was eigenlijk een eerste kennismaking met een oude bekende. Ik had altijd al veel gelezen, maar als puber ging ik er recalcitrant vanuit dat ik niet moest lezen wat men voorschreef; niet de grote namen, niet de canon, ik vond mijn eigen weg wel door de bibliotheek. Misschien lag het ook aan de leraren op school. Op de vraag waarom we De aanslag moesten lezen, luidde het mompelend dat dat boek ‘gewoon goed in elkaar zat’. Op de vraag waarom Wir Kinder vom Bahnhof Zoo van Christiane F niet mocht, reageerde de leraar Duits met enkel een diepe, hoofdschuddende zucht. De leraren Engels deden het wat dat betreft beter, die lieten ons, zestienjarigen, onbevangen door de niet bepaald uitnodigende wereld van Joyce’s Dubliners stappen; een onvergetelijke ontdekkingstocht langs zompige tuinen en besneeuwde dodenakkers.

Ook Frans Kellendonk had ik in feite op mijn eigen houtje ontdekt. Ik zag hem dan wel voor het eerst op het NOS-journaal, maar besefte direct dat ik door de jaren heen zeker een boek of drie, vier van hem in mijn toen nog zeer bescheiden kast had verzameld. Aangezien ik niet wist wie hij was – namen en oeuvres waren per slot van rekening uit den boze – had zijn werk me dus blijkbaar echt aangesproken. Natuurlijk sloeg ik aan het herlezen, en algauw bleek dat het allemaal begonnen was met Bouwval, zijn vanaf de eerste zin overrompelende debuutnovelle uit 1977: ‘Een paar maanden nadat zijn ouders hadden besloten om oud te zijn en beiden tegelijk hun tanden hadden laten trekken zag de kroonprins het schilderij voor het eerst.’ Misschien had ik het boek in eerste instantie opgepakt vanwege de dungelijnde zwart-wittekening van William D. Kuik op het omslag. Een bouwwerk stelde het voor, maar het beeld was zo onaf en oningevuld dat je je verbeelding erbij kon inschakelen; er viel nog heel wat te ontdekken.

Bouwval lijkt eenvoudig samen te vatten: de tienjarige Ernst, die in zijn fantasieën de ‘kroonprins’ is van een illuster geslacht van kathedralenbouwers, komt er op een familiebezoek tijdens Allerzielen achter dat al zijn verwachtingen op niets zijn gebaseerd. Zijn voorvaderen, zo blijkt uit opa’s exposé tijdens de thee, waren hooguit bekrompen, mislukte aannemers, en zijn eigen vader, die amper een schilderij kan ophangen, is opgelucht als het familiebedrijf verkocht wordt en hij het niet meer hoeft te erven. Kortom: een jongen die zijn eerste grote illusie te verwerken krijgt en dus een beetje volwassen wordt.

Maar zo simpel is het niet, het mooie is juist dat er vanaf het begin al een kleine volwassene in de kroonprins schuilt. Met de ironie die zijn handelsmerk zou worden laat Kellendonk de kroonprins voortdurend over zichzelf denken zoals hij dat op zijn leeftijd nooit zou kunnen. ‘Van de tien jaar die hij al leefde had de kroonprins er tien verwacht, maar nog altijd was hij plomp en vormeloos en die doelgerichte, vastomlijnde staat, die hij bij zichzelf volwassenheid noemde, was hij nog geen stap genaderd.’ Als Ernst achter in de auto wacht op zijn ouders, om bij opa op visite te gaan, staat er metaforisch: ‘Hij ging zwaar gebukt onder zijn leeftijd. Hij kon niets anders doen dan wrokkend wachten op de om onnaspeurbare redenen zo noodzakelijke volwassenheid.’ Geen wonder dat hij zich zo ergert aan zijn zusje Aapje, dat zich met behulp van moeders make-up en eigengereide bijdragen aan de conversatie juist opzichtig probeert voor te doen als een groot mens.

Toch zijn er zonder dat hij het weet al heel wat dingen die Ernst als een volwassene ervaart. ‘Hij hield van het gevoel van snelheid. Snelheid ontnam de dingen langs de weg hun concrete hardheid zodat ze even innerlijk konden worden als gevoelens en gedachten. Veilig in de auto zitten en de hele wereld aan hem voorbij laten gaan zonder aan de hardheid van de dingen te hoeven lijden, o! wat hield hij daarvan.’ Maar zijn belangrijkste ervaring is natuurlijk de ontmoeting met zijn demon: de ingelijste krijttekening van ‘Langueur’ die bij hem thuis boven de trap hangt. Een portret van een slungelige, onderuitgezakte jongeman in slordig jacquet, die door de krijtstrepen van de tekenaar ‘zo belachelijk altijddurend aan het vallen was’. In dat schilderij, gemaakt door de overleden broer van zijn opa, ziet Ernst zijn eigen onheil, een soort oudere versie van zichzelf. Hij begrijpt met een schok wat ‘doemenis’ is en begint te voelen dat hij ‘aan de geest van zijn familie onderworpen was. Hij werd somberder.’

Ik zal niet zeggen dat ik me nou zo in Ernst herkende, al heeft iedereen die opgroeit deze ‘familielast’ ongetwijfeld ervaren. Het moet de ironische toon van Kellendonk zijn geweest, de dubbele bodem, die me indirect iets over dat opgroeien vertelde, liet voelen. Ook Kellendonks latere stokpaarden, die zich in Bouwval al aandienden, gingen bij eerste lezing grotendeels aan me voorbij. De afbrokkelende zuilen van het geloof, de oprukkende invloed van het geld, het uiteenvallen van traditie en gemeenschap – Kellendonk was bijna een generatie ouder dan ik en hij klonk wat die zaken betreft eerder als een oudere broer.

Ik voelde me eigenlijk pas echt een plompe, vormeloze kroonprins toen ik op mijn beurt in mijn ouderlijk huis voor een portret kwam te staan. Nu ik de schrijver via het tv-journaal had herkend, was ik immers ook een illusie armer – als lezer welteverstaan. Het versmaden van de canon had weinig zin meer, ik kreeg vanaf dat moment juist wél oog voor namen en begon actief schrijvers te volgen en verzamelen. En niet voor niets: Bas Heijne toonde in ‘Alle vrees is als glas’ al overtuigend aan hoezeer Kellendonks romans en verhalen samenhangen, een klein maar hecht oeuvre vormen. Al was het maar om te zien hoe Ernst uit Bouwval opgroeit tot Frits in De nietsnut en tot Broer in Mystiek lichaam – waarin ook Aapje tot Prul is geëvolueerd.

Potloodtekening door Frans Kellendonk van ‘Langueur’. 
Collectie Letterkundig Museum (via DBNL)

Toen ik later vol goede moed promotieonderzoek ging doen naar de moderne Chinese letterkunde, ontdekte ik verrast dat mijn aanvankelijke, onvolwassen leeshouding in de literatuurwetenschap juist tamelijk wijdverbreid was. Barthes’ bekende leuze ‘de dood van de auteur’ was daar een geheel eigen leven gaan leiden, dat wil zeggen: die werd er wel heel simplistisch opgevat. Zeker, ook ik vind dat alles begint en eindigt bij de tekst zelf, en ook ik hoef niets van de bedoelingen of het leven van de auteur te weten om de tekst te kunnen lezen en waarderen. Kellendonks eigen opvatting daarover is overigens genoegzaam bekend. Van biografische verklaringen moest hij niets hebben: ben je aldoor bezig geweest om van je leven kunst te maken, gaat een ander dat weer allemaal ontrafelen, moet hij ooit zo ongeveer hebben gezegd. Maar in de westerse bestudering van de Chinese literatuur sloeg men zo ver door dat oeuvres van hedendaagse

Chinese schrijvers, die toch al zo moeilijk te ontsluiten zijn door barrières van taal en cultuur, geheel dreigden onder te sneeuwen. Er werd bijna alleen nog gepraat over theoretische kaders en historische vergezichten – als het literaire werk niet simpelweg werd gebruikt voor sociologisch onderzoek naar de Chinese maatschappij, werd opgeknipt en uitgesmeerd over thema’s als de politiek, de vrouw en de homo. Is het een wonder dat haast niemand buiten China een Chinese schrijver kan opnoemen? Dat er zo weinig vertaald wordt dat niemand al grasduinend op een rijke literaire traditie kan stuiten?

Aan een dergelijke literatuurbestudering had ook Kellendonk duidelijk een broertje dood, getuige zijn niet malse kritiek op de Nederlandse anglistiek, waarin hij was gepromoveerd. Een Amerikaanse literatuurgeschiedenis van twee ‘Utrechtse doctores’ karakteriseerde hij als volgt: ‘Schrijvers “wijzen vooruit” of “grijpen terug”, ze zijn “representatief”, zetten tendensen voort of kappen met tradities, alsof ze geen romans en gedichten maar literatuurgeschiedenis hebben geschreven.’

Ik kan goed begrijpen dat Kellendonk eveneens vertaler was – een intiemere omgang met een literaire tekst is haast ondenkbaar. Voor mij was dat in ieder geval een belangrijke reden om de wetenschap uiteindelijk te verruilen voor het vertalen. Al ben ik er nu een paar jaar uit, toch volg ik de literaire sinologie nog wel op een lager pitje. En zo las ik laatst tot mijn genoegen dat daar soms weer voorzichtig gepleit wordt voor een ‘terugkeer’ naar de ‘klassieke’ author study. Mooi zo, dacht ik als een neuswijze Ernst, worden ze daar ook eindelijk eens volwassen.

Oorspronkelijk verschenen in Arrmada – tijdschrift voor wereldliteratuur nr 50 ‘Wereldliteratuur!’

Rehabilitatie van een feeks

Chinese heerseressen komen er in de geschiedenis meestal niet zo goed vanaf. Keizerin Wu Zetian van de Tangdynastie (7e eeuw) werd verguisd; Tzu Hsi, de laatste keizerin van China, was een ‘intrigante’ met ‘een meesterlijk, inslecht brein’, zo stond er tot 1991 in Chinese leerboeken te lezen; en Madame Mao kreeg bijna alle schuld voor de excessen van de Culturele Revolutie.

Vertaald door Thera Idema

Misogynie van mannelijke geschiedschrijvers? Tekenend is in ieder geval wel dat het recentelijk vaak vrouwelijke auteurs zijn die zich in historische romans geroepen voelen om de namen van deze vrouwen te zuiveren, een menselijker portret van hen te schilderen. De Chinees-Franse Shan Sa deed het voor Wu Zetian in Keizerin (Archipel 2004), de Chinees-Nederlandse Mayli Wen voor Tzu Hsi in Een vrouw op de drakentroon (Conserve 2006), en de Chinees-Amerikaanse Anchee Min voor Jiang Qing in Mevrouw Mao (Contact 2000).

Van deze drie ‘feeksen’ spreekt Tzu Hsi, regentes op de drempel van de twintigste eeuw, internationaal het meest tot de verbeelding, getuige ook de diverse (populair) wetenschappelijke studies die er sinds de jaren ’90 verschijnen – zowel boeken ‘voor’ als ‘tegen’ haar. Waarschijnlijk is dat vanwege haar rol in de confrontatie tussen het traditionele China en het moderne Westen; de Dragon Lady wordt vaak verweten het moederland aan buitenlandse mogendheden te hebben verkwanseld.

Anchee Min, in 1957 in China geboren en sinds 1984 woonachtig in Amerika, heeft maar liefst twee boeken aan deze Chinese Queen Victoria gewijd. In Keizerin Orchidee uit 2004 beschreef ze hoe Tzu Hsi, als meisje Orchidee genoemd, snel en listig opklom van concubine tot keizerin, en in het zojuist vertaalde De laatste keizerin volgt ze haar in haar carrière op en achter de troon, van 1861 tot aan haar dood in 1908.

De ‘rehabilitatie’ volgt bij alle drie de schrijfsters nagenoeg hetzelfde patroon: de vrouwen worden beschreven als slagvaardige, soms koppige doorzetters, die zich op eigen kracht een positie in de mannenwereld weten te verwerven. In het geval van Anchee Min heeft dit nog een persoonlijke dimensie. Het autobiografische Rode azalea, haar bestsellende debuut uit 1994, deed geloven dat zij in haar jonge jaren tijdens de Culturele Revolutie, vechtend tegen vooroordelen en vernederingen, zelf ook zo’n sterke vrouw moet zijn geweest.

Stonden in Keizerin Orchidee het gevoelsleven van de jonge Tzu Hsi en het excentrieke, exotische paleisleven centraal, in De laatste keizerin komen met name de politiek en de geschiedenis, het openbare leven van de keizerin, aan bod. Min heeft veel onderzoek gedaan en speelt een aardig spel met feit en fictie door de keizerin allerlei werkelijke bronnen en krantenberichten uit die tijd, bijvoorbeeld uit de New York Times, te laten tegenspreken of nuanceren. Maar toch komt Tzu Hsi als persoon niet echt dichterbij.

Dat is deels omdat de historische gebeurtenissen wat haastig de revue passeren; dit deel beslaat 40 jaar tegenover de 10 jaar van het vorige. Maar het komt vooral doordat Min, op het ongeloofwaardige af, telkens maar weer de goedheid en de onschuld van de keizerin benadrukt – met name in de relatie tot haar adoptiefzoon Guangxu, die vanaf 1875 in naam regeerde. Volgens de overlevering ‘gebruikte’ Tzu Hsi hem van achter de schermen en dreef ze hem uiteindelijk tot waanzin. Maar bij Min ontfermt ze zich juist als een bezorgde moeder over de getormenteerde jongeling, en als ze ontdekt dat hij een moordaanslag op haar heeft verordend, knippert ze amper met haar ogen en weet ze meteen dat haar wereldvreemde kind door hervormingsgezinde facties aan het hof tegen haar is opgezet.

Naar het einde toe schuift Min dit soort alternatieve interpretaties steeds nadrukkelijker op de voorgrond. Ze ‘verspreekt’ zich zelfs een keertje. Op een gegeven moment verzucht Tzu Hsi, die de hele roman in de ik-vorm vertelt: ‘Toekomstige historici zouden me unaniem afschilderen als een “misdadigster met een immense macht en toegewijd aan het kwaad…”’ Hier legt Min haar hoofdpersoon woorden in de mond die ze nooit gezegd kan hebben. Al is De laatste keizerin om deze redenen misschien geen shakespeareaans koningsdrama geworden, het is wel een boek dat op een toegankelijke manier de nog niet zo vaak begane paden van de Chinese geschiedenis verkent. En gezien de onbekendheid van die geschiedenis in het Westen, mogen die boeken er beslist zijn.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 14 december 2007

Lezen van een schildpadschild

Van tatoeages op schouders en billen tot de poëzie van Ezra Pound: het Chinese karakterschrift spreekt tot de verbeelding. Letterlijk: die tekens lijken wel tekeningen, denkt iedereen die ze voor het eerst ziet. Dat was ook het uitgangspunt voor de Zweedse sinologe Cecilia Lindqvist (1932), die in haar boek Het karakter van China ‘het verhaal van de Chinezen en hun schrift’ vertelt.

Ze publiceerde het boek eind jaren tachtig, toen China net zijn deuren had opengegooid en het lang gesloten land van Mao enorm in de belangstelling stond. Half Nederland leerde Chinees via de Teleac-cursus Ni Hao! De karakters die mijnheer Han daar wekelijks kalligrafeerde – met die olijke glimlach onder zijn Chinese snor – staan mij in ieder geval nog scherp op het netvlies. De Nederlandse vertaling van Lindqvists boek verschijnt niet toevallig op het moment dat er, met de Olympische Spelen in Peking in zicht, een tweede, nog grotere golf van China-interesse aanzwelt.

Mijnheer Han, Teleac 1986

Net als veel westerlingen heeft Lindqvist zich altijd afgevraagd waarom de Chinese karakters ‘eruitzien zoals ze eruitzien’. Tijdens haar studie was ze blij als de leraar iets over de geschiedenis van die vreemde vormen kon vertellen; het hielp haar bij het onthouden. Toen ze in de jaren zestig in China ging werken, verbaasde het haar dan ook zeer dat de Chinezen zelf zo weinig over de oorsprong van hun schrift wisten. Die karakters hadden ze als kind gewoon uit hun hoofd moeten leren.

Dus ging Lindqvist zelf op zoek naar de oorsprong. Het resulteerde in een rijk geïllustreerd boek voor de leek, waarin ze met behulp van voortschrijdend taalkundig en archeologisch onderzoek laat zien hoe de geschreven Chinese taal inderdaad als beeldschrift is begonnen. Kijkt u maar naar de bijgaande plaatjes: het karakter voor ‘zon’ lijkt op een zon, dat voor ‘maan’ was oorspronkelijk een beeld van de wassende maan, en in het teken voor ‘groot’ is een rechtopstaande mensenfiguur met gespreide armen te herkennen.

Het is daarom dat karakters vaak ‘pictogrammen’ worden genoemd, gestileerde afbeeldingen van concrete zaken, of ‘ideogrammen’, voorstellingen van abstracte begrippen. Maar al kent het Chinees geen alfabet zoals de meeste talen, toch is het aantal picto- of ideogrammen in het moderne schrift uiteindelijk heel erg klein. Dat kan ook niet anders, want wat moet je met woorden waarvoor geen onmiddellijk herkenbaar beeld voorhanden is? Het idee ‘lopen’ kun je nog wel uitbeelden, maar ‘denken’? Of ‘zullen’ en ‘zouden’? Of woordjes als ‘omdat’, ‘daarom’, ‘mits’? Daarvoor moet je gewoon afspraken maken, conventies vastleggen, zoals in elke taal.

Vertaald door Bertie van der Meij

En dat is wat het Chinees voor de Chinezen dan ook is: taal. Als de gemiddelde Chinees zijn boodschappenlijstje voor de supermarkt maakt, staat hij niet stil bij het visuele aspect van zijn schrift, er verschijnen geen visioenen van appels en peren voor zijn ogen, of hij moet wel erge honger hebben. Vandaar ook dat Lindqvists toegankelijke boek zelfs in het Chinees werd vertaald, want wat zij doet is in China hoofdzakelijk voer voor etymologen. Geen wonder: het Chinese schrift werd al in de derde eeuw voor onze jaartelling gestandaardiseerd, en sommige alledaagse schrifttypen zijn ook al bijna tweeduizend jaar in zwang. Alles wat Lindqvist beschrijft speelt zich dus daarvóór af, in de verre oudheid.

Het is uiteraard geweldig om te zien hoe de vroegste tekens geënt zijn op barstjes in schildpadschilden die ten behoeve van de waarzeggerij werden verhit: een splijting naar links of naar rechts betekende goed of slecht nieuws. Ook is het uniek dat zo’n oud schrift tot op de dag van vandaag voortleeft, want het Japans en Koreaans, hoewel geworteld in het Chinees, zijn bijvoorbeeld al overgestapt op een soort lettergrepenalfabet.

Toch vertelt Lindqvist niet het hele verhaal. Na ‘zon’, ‘maan’ en ‘mens’ gaat ze in overzichtelijke rubrieken de duidelijkste beeldtekens af: van dieren tot gereedschappen, van huizen tot muziekinstrumenten. De gelijkenissen met de werkelijke voorwerpen zijn vaak frappant, en anders wel aannemelijk door Lindqvists historische toelichtingen.

Bij minder concrete zaken worden de verklaringen lastiger. Waarom betekenen de tekens voor ‘kind’ en ‘vrouw’ samengevoegd ‘goed’? vraagt ze zich af. Is het goed voor een man om vrouw en kind te hebben? Dacht de maker van het teken aan het geluk dat moeder en kind samen voelen? Of is een vrouw die kinderen kan baren goed, deugdzaam? Het is een leuk spel om zo te associëren, en Lindqvist schept er zichtbaar genoegen in, maar je kunt er natuurlijk wel eindeloos mee doorgaan.

En dat terwijl het combineren van tekens, zoals bij ‘goed’, in feite de kern van het Chinese schrift is. De ‘enkelvoudige’ tekens waar Lindqvist zo uitgebreid bij stilstaat, zijn uiteindelijk de bouwstenen voor de 50.000 karakters die het Chinees tegenwoordig telt. Een Chinees ziet in een karakter dan ook geen verzameling losse streepjes, maar een groepje basiselementen, waarbij het ene element er soms alleen voor de klank bij staat, en het andere voor de betekenis.

Illustratie de Volkskrant, 9-11-07

Lindqvist besteedt relatief weinig aandacht aan dat principe. Het is ook ingewikkeld en de regels zijn lang niet sluitend; vandaar dat Chinese kinderen domweg moeten stampen. Lindqvist pakt het schools aan: wat zou je doen als je ‘geurig’ wilde schrijven? Je kunt het elementje ‘kruid’ nemen en daar dit of dat aan toevoegen – waarna ze besluit met ‘het goede antwoord’. Het is niet onjuist, maar zo versterkt ze wel de misvatting dat Chinezen creatief ‘tekenen’ wanneer ze schrijven. Bovendien heeft ze het nog geregeld over het penseel, terwijl men in China uiteraard allang met balpen schrijft, en sinds de jaren negentig massaal met de computer.

Het aardige aan Lindqvists boek is dan ook dat ze aan de hand van de karakters allerlei wetenswaardigheden over China te berde brengt: via ‘berg’ en ‘rivier’ komt ze op het landschap, en ook de architectuur heeft veel visueels te bieden. Maar voor de scholieren die momenteel op dertig middelbare scholen in Nederland Chinees leren, is dat alles nog niet de simpele sleutel tot het schrift. Net als de Chinese kinderen zullen ze moeten stampen. Al wordt dat stampen er zo natuurlijk wel leuker op.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 november 2007

Hoe breng je China dichterbij?

Het onbekende China moet de laatste tijd al een stuk bekender zijn geworden, als je tenminste afgaat op het aantal boeken dat er over de wereldmacht in wording verschijnt. Het afgelopen anderhalf jaar zijn we in Nederland bijna anderhalf dozijn titels rijker geworden, of het nu gaat om politieke studies, handboeken voor zakendoen, taalgidsjes of persoonlijke boeken met een culturele inslag. De vraag is natuurlijk of ze er allemaal in slagen het verre China werkelijk dichterbij te brengen.

Want hoe doe je dat? Twee van de meest recente publicaties laten elk een andere aanpak zien, al waren beide auteurs gedurende dezelfde periode China-correspondent: Garrie van Pinxteren werkte van 2001 tot 2006 voor NRC Handelsblad, Peter Hessler werd in 2001 de eerste vaste verslaggever voor The New Yorker.

Van Pinxteren studeerde Chinees en komt al sinds 1982 in China, zo ongeveer de tijd waarin de Volksrepubliek aan zijn huidige opmars in de vaart der volkeren begon en na decennia van geslotenheid zijn grenzen openstelde. Van Pinxteren heeft China steeds meer deel van de wereld zien worden en vraagt zich dan ook af: zal het land verregaand verwestersen of krijgt het door zijn wirtschaftswunder zoveel zelfvertrouwen dat het zijn Chinese opvattingen aan de wereld zal opleggen?

In de zeventien uitgewerkte krantenreportages van China. Centrum van de wereld laat zij zien dat het laatste al in toenemende mate het geval is. Zo hebben veel westerse bedrijven hun plannen in China moeten bijstellen: de gedroomde afzetmarkt van 1,3 miljard mensen blijft vaak buiten bereik en in plaats daarvan produceren ze vanuit China noodgedwongen voor de export en leveren ze voornamelijk technologie. Dat geld en die kennis heeft de Chinese overheid voorlopig harder nodig dan veelal te dure westerse consumptiegoederen. Toch doen die bedrijven vanwege gedane investeringen grote concessies: Shell zegde zowaar toe pompstations te openen waarop ook de naam van de Chinese partner staat vermeld, en Yahoo en Google werken mee aan politieke internetfiltering.

Van Pinxteren beschrijft deze ontwikkelingen met een haast triomfantelijk grijnsje. In deze economische kwesties is ze ook het beste thuis, voor onderwerpen als Chinese kunst of de positie van de vrouw lijkt ze wat te nuchter ingesteld en zijn haar verklaringen vaak gemakzuchtig. Als ze dan weer wat persoonlijker wordt, hoe bescheiden en functioneel ook, zie je meteen het verschil. De opkomst van de Chinese middenklasse kan ze fraai illustreren aan de hand van een bevriend echtpaar: begin jaren tachtig waren deze mensen armer dan de jonge studente uit Nederland, tegenwoordig halen ze de fietsende Van Pinxteren rechts in met een dure auto. Maar het mooist is het laatste hoofdstuk, waarin ze beschrijft hoe haar beste Chinese vriend gedurende vijfentwintig jaar van duizelingwekkende veranderingen stoïcijns zichzelf is gebleven – Chinees dus, en dat is heus niet hetzelfde als bekrompen en traditioneel.

Peter Hesslers Orakelbeenderen is een veel persoonlijker boek. Als leraar Engels bij de Amerikaanse vrijwilligersorganisatie Peace Corps werd hij in 1996 plotseling ‘in een totaal andere samenleving geworpen’. Nog altijd lijkt alles nieuw voor hem en die verbijstering is zijn uitgangspunt. Dat zou goed kunnen werken, de westerse lezer zou zich met hem kunnen identificeren, ware het niet dat Hessler zich door zijn enthousiasme lukraak in het ene na het andere verhaal stort.

Vertaald door Josephine Ruitenberg

Hij is bijvoorbeeld gefascineerd door het karakterschrift – als een kind dat net leert lezen leest hij overal opschriften op en strooit hij de karakters over de pagina’s. Dit leidt hem vervolgens naar de orakelbeenderen, de oudste Chinese teksten op botten en schildpadschilden. Veel oorspronkelijks heeft hij er niet over te melden, al e-mailt hij erover met een beroemd Amerikaans professor, maar ze brengen hem toevallig op het spoor van een Chinese orakelbeenderenexpert, en prompt besluit hij diens zelfmoord tijdens de Culturele Revolutie te gaan uitzoeken. Het moet de rode draad van zijn boek vormen, er een historische laag aan geven, maar eigenlijk is het niet meer dan een verhaal tussen alle andere verhalen.

Sommige daarvan zijn heel aardig, zoals die van zijn oud-leerlingen, die hij volgt in hun prille loopbanen, en wier brieven in aandoenlijk steenkolenengels hij uitgebreid citeert. Maar hij verliest zich telkens in impressies en details. Hessler studeerde creative writing aan Princeton en heeft daar misschien het adagium show, don’t tell meegekregen. Bladzijden lang beschrijft hij de anti-Amerikaanse straatbetogingen van Nanking in 1999, na de Amerikaanse bom op de Chinese ambassade te Belgrado, gretig noteert hij alle leuzen die hij hoort, maar voor de betekenis van het incident verwijst hij haastig naar wat telexberichten. ‘Ik was altijd slecht geweest in de dagelijkse journalistiek’, geeft hij toe.

Als hij daar nou iets tegenover stelde, literaire brille of een brede visie, dan zou je die bekentenis nog ontwapenend kunnen vinden. Nu laat hij zich vooral kennen als een nogal naïeve reporter. Van Pinxteren mag dan wat prozaïsch afsteken bij de Amerikaan, in dit geval geef ik meer voor die Hollandse nuchterheid.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 16 augustus 2007

Gelijkhebberij is niet des Tao’s

Nu China de laatste jaren overal ter wereld Confucius-instituten uit de grond stampt, als culturele aanhangsels van zijn ambassades, lijkt de oude wijsgeer bijna synoniem met de Chinese cultuur. Maar het praktische confucianisme, de oude levensbeschouwelijke staatsorthodoxie, heeft altijd een stille tegenhanger gekend in het meer spirituele, apolitieke taoïsme, dat alleen al door zijn invloed op de kunsten cultureel minstens zo bepalend is geweest.

Een van de twee belangrijkste boeken van het taoïsme is nu voor het eerst volledig en direct in het Nederlands vertaald, door kenner en Tao-meester Kristofer Schipper: de geschriften van Zhuang Zi, meester Zhuang, uit de vierde eeuw voor onze jaartelling. Het andere boek, de Daodejing van Laozi, werd vanwege zijn bondigheid en relatief toegankelijke symboliek al vele malen vertaald of bewerkt, onlangs nog door sinoloog B.J. Mansvelt Beck (Servire, 2002). Maar het boek van Zhuang Zi is dan ook anders: weerbarstiger, maar ook rijker en levendiger.

Spontaniteit is het kernwoord van het taoïsme. In de Chinese traditie is de wereld niet geschapen maar verloopt alles in de natuur spontaan, volgens een ongrijpbaar ordeningsprincipe, aangeduid met Tao of ‘de weg’. Volgens het taoïsme heeft alleen de arme mens zijn spontaniteit verloren, gedreven als hij is door gewin en door zijn drang om alles in het leven in te delen in goed en kwaad, nuttig en nutteloos. Om zijn spontaniteit – en daarmee zijn vrijheid – te herwinnen, moet de mens proberen niet meer in te grijpen in de natuur: het befaamde taoïstische ‘niets doen’.

Waar de Daodejing soms iets wegheeft van een handboek met spreuken, maakt Zhuang Zi deze principes aanschouwelijk door middel van anekdotes, allegorieën en grappen – zijn boek wordt niet voor niets vaak als literatuur gelezen. Spontaniteit laat hij bijvoorbeeld zien aan de hand van de door hem zo geliefde ambachtsman: de houtbewerker of de smid die door zijn jarenlange ervaring zijn vaardigheden onbewust uitvoert. Spontaan zijn heeft niets te maken met je gevoelens volgen, zoals het in de westerse romantiek heet: de ambachtsman zal zich juist tot het uiterste concentreren om elke menselijke passie uit te bannen en zo toegang te krijgen tot de Tao, datgene wat ons met de natuur verenigt.

Zhuang Zi kán het ook alleen maar laten zien, want uitleggen blijkt onmogelijk: de ambachtslui kunnen nooit onder woorden brengen hoe ze het doen, hoe vaak het hen in Zhuang Zi’s verhalen en verhaaltjes ook gevraagd wordt – onder andere door niemand minder dan Confucius zelf! Zhuang Zi voert de Grote Heilige voortdurend op, meestal om hem zijn eigen domheid te laten toegeven. De Wijze snapt de Tao in abstracto wel, maar kan er simpelweg niet naar leven; Zhuang Zi zet hem spottend neer als een ijdele zedenpreker, die vooral school wil maken.

Zhuang Zi’s vlinderdroom, door Lu Zhi (16de eeuw)

Niet alleen Confucius’ eerzucht is natuurlijk niet ‘des Taos’, ook zijn moralisme en gelijkhebberij zijn Zhuang Zi volkomen vreemd. De vrolijke relativist laat je keer op keer zien dat je de dingen ook anders kunt bekijken. Een oude boom vol knoesten mag nutteloos lijken omdat je er geen planken uit kunt zagen, maar aangezien niemand de bijl erin zet, is de boom wel een heerlijk lang leven beschoren, en hoe groter hij wordt hoe meer schaduw hij geeft.

Zhuang Zi’s taal is soms abstruus, soms volks en luchtig; een grilligheid die je terugziet in Schippers vertaling, die over het algemeen letterlijker blijft dan de literaire benaderingen die er bijvoorbeeld in het Engels bestaan. In de eveneens wat grillige inleiding geeft ook Schipper blijk van dat onbezorgde onvermogen van de taoïst om zijn leer uit te leggen. Lees het boek maar, lijkt hij te zeggen, net zoals zijn Taiwanese Tao-meesters altijd tegen hem zeiden: vraag toch niet telkens waarom! Dat hij eerder een man van de praktijk is dan een boekengeleerde – een man naar Zhuang Zi’s hart dus – heeft ook een groot voordeel. In de onmisbare voetnoten doceert Schipper uiterst gemoedelijk, zodanig zelfs dat de noten op een prettige manier bij de tekst gaan horen; net als in China overigens, waar Zhuang Zi het ook al eeuwenlang niet meer zonder commentaren kan stellen.

Zhuang Zi’s Innerlijke geschriften, die Schipper tien jaar geleden vertaalde, zijn nu eindelijk uitgebreid met de veel omvangrijkere Uiterlijke en de Gemengde geschriften, die niet meer aan Zhuang Zi zelf worden toegeschreven. Zijn volgelingen zijn weliswaar niet altijd zo gevat als de meester zelf, en sommigen willen ondanks alles toch politiek bedrijven, polemiseren en beleren met de Tao. Maar dankzij deze volledige vertaling worden we wel getrakteerd op de beroemde verhalen over de dood van Zhuang Zi’s vrouw en over zijn eigen sterfbed. En belangijker nog: de vele herhalingen en overlappingen in deze delen helpen ons, ‘arme kinderen van het avondland’, de Tao te begrijpen, doordat we hem steeds in een iets andere gedaante kunnen bekijken. Want dat is tenslotte de enige manier: gewoon lezen!

Hoogleraar, vertaler en Tao-meester

Na zijn middelbare school zette Kristofer Schipper (1934) zich af van het intellectuele milieu waarin hij was opgegroeid, hij wilde niet gaan studeren en toog begin jaren vijftig naar Parijs om zich in de kunsthandel te begeven. Een eenvoudig stalletje was zijn ideaal; wat dat betreft was hij al jong een taoïst. Maar via de Chinese kunst kwam hij toch op de universiteit terecht, waar hij sinologie combineerde met antropologie. Toen hij in de jaren zestig voor veldonderzoek in Taiwan verbleef ontdekte hij dat het taoïsme, dat hij had leren kennen als een filosofische wereldbeschouwing die voornamelijk in geschriften bestond, eigenlijk een springlevende volksreligie was, gekenmerkt door rituelen en ingebed in een sociale structuur. De fascinatie voor religie die hij van huis uit al had – zijn moeder schreef christelijke kinderboeken, zijn vader was joods – groeide uit tot een levensbestemming.

De enige manier om meer van het Chinese volksgeloof te weten te komen was zelf opgeleid worden tot priester of Tao-meester – het werd een verregaand participerend onderzoek van zeven jaar, dat hij als eerste en enige westerling volbracht. Terug in Parijs ontdekte hij dat hij met zijn praktijkkennis bepaalde leemtes in de wetenschappelijke bestudering van het taoïsme kon vullen, wat onder meer resulteerde in zijn boek Le Corps taoïste uit 1982, dat hij in 1988 zelf in het Nederlands vertaalde als Tao, de levende religie van China. Deze oorspronkelijke en zeer leesbare studie werd alom geprezen en beleefde in Nederland onlangs zijn vijfde druk (Meulenhoff 2006).

Met zijn nieuwe inzichten ging hij eveneens het boek van Zhuang Zi te lijf, de taoïstische klassieker die hij inmiddels als hoogleraar aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes met zijn studenten was begonnen te lezen. Het idee voor een nieuwe, grondige vertaling werd algauw geboren, maar de aanvankelijke samenwerking met de Franse dichter Yves Bonnefoy was niet bevredigend. Schipper wachtte tot hij in de jaren negentig hoogleraar Chinese geschiedenis werd in Leiden om zelf, in zijn eigen moedertaal, de literaire aspecten van Zhuang Zi recht te kunnen doen.

Toch vond hij een strikt literaire benadering onvoldoende. Hij plaatste de tekst in zijn sociaal-historische context, met aandacht voor zijn mystieke en liturgische achtergronden – wat onder het confucianisme en het latere communisme, met hun beider afkeer van volksgeloof, uit den boze was. Zodoende kon hij de geschriften beter vertalen. In een interview met de Volkskrant in 1998 zei hij dat de vertaalproblemen hem vooral zaten in de gedachtegang van Zhuang Zi. Zijn denken is niet causaal, maar ‘wild’, concludeert hij met een verwijzing naar Lévi-Strauss. Schipper: ‘Het boek staat vol verhaaltjes over ambachtslieden, slagers, handelaren, zwangere vrouwen, mensen met afgehakte benen en gedrochten om te laten zien dat de essentie van het zijn zich niet in onze intellectuele constructies bevindt, maar in het dagelijks leven.’

Het gaat in de Chinese religie dus meer om wat je doet dan om wat je denkt, benadrukt hij elders – en dat lijkt ook wel van toepassing op zijn eigen beslommeringen. Het praktische vertalen is voor hem in de eerste plaats een manier geweest om simpelweg met Zhuang Zi’s denkwijze bezig te zijn – iets waar zijn academische collega’s verrast van opkeken. En toen hij met pensioen ging deed hij weer iets onverwacht praktisch: in 2002 richtte hij in China, in de zuidoostelijke stad Fuzhou, een exclusieve bibliotheek voor westerse werken op. Na een leven lang dankbaar gebruik te hebben gemaakt van sinologische bibliotheken in het westen wilde hij eindelijk iets teruggeven aan China.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 23 maart 2007

Meer over (confucianisme en) taoïsme in: Volmaakt geluk betekent: vrij van geluk en Insectjes op de wimpers van muggen

Brieven uit China

Victor Segalen

De Franse marinearts, etnoloog en schrijver Victor Segalen (1878-1919), geestverwant van Rimbaud, Gauguin en Slauerhoff, vriend van Huysmans, Claudel en Debussy, liet een buitengewoon veelzijdig oeuvre na – romans, essays, poëzie, libretti, reisdagboeken, toneelstukken – dat grotendeels postuum gepubliceerd is en tegenwoordig toenemend in de belangstelling staat. In Nederland verschenen onder andere de roman René Leys (vertaling Nelleke van Maaren, Wereldvenster 1988) en de dichtbundel Stèles (vertaling Maarten Elzinga, Wagner & Van Santen 2000).

In april 1909 vertrok Segalen als leerling-tolk Chinees per boot naar China. Vanuit Peking ondernam hij samen met zijn vriend Augusto Gilbert de Voisins een avontuurlijke, vijf maanden lange reis door de binnenlanden van China, te paard en per jonk, vergezeld van enige tientallen koelies, gidsen en koks. Voor Segalen was China het land dat het meest beantwoordde aan zijn verlangen zich onder te dompelen in een niet-christelijke, niet-westerse cultuur. Hij kwam er niet als toerist maar wilde zich verdiepen en verliezen in het volslagen Andere van de Chinese cultuur, ondanks én juist in het besef van de onbereikbaarheid van dat Andere.

De kern van Segalens werk en levenshouding is dan ook, zoals hij het formuleerde in zijn onvoltooide Essay sur l’Exotisme, de ‘esthetiek van de verscheidenheid’. Zijn uitgangspunt was ‘een absoluut subjectivisme’, waarbij het ik zichzelf pas werkelijk kan gewaarworden en verrijken door de confrontatie met het Andere. Hoe groter het verschil tussen beide, hoe feller het levensbesef. Segalen was niet alleen geïnteresseerd in de verschillen tussen landen en culturen, maar ook in die tussen verleden en heden, man en vrouw, werkelijkheid en verbeelding, geografie en poëzie. Exotisme betekende voor hem niet het zich vergapen aan vreemde culturen, en in zijn literaire werk zette hij zich af tegen het genre van de oppervlakkige reisimpressie, waarbij de eigen identiteit eerder wordt gestreeld dan uitgedaagd. Het ging Segalen niet ‘om de reactie van de reiziger op zijn omgeving, maar om die van de omgeving op de reiziger’. Met enige bezorgdheid stelde hij vast dat de dominantie van de westerse beschaving en het opkomende massatoerisme een zekere vervlakking van de diversiteit in de hand werkten – waarschijnlijk een van de redenen waarom hij zijn heil zocht in China.

Arbeiderspers, 2010

De brieven die hij vandaar schreef aan zijn vrouw Yvonne Hébert-Segalen, voor het eerst gebundeld in 1967 als Lettres de Chine, laten zich lezen als een dagboek, een reisverslag en een blik in Segalens literaire keuken, aangezien ze onder meer voorstudies bevatten van de latere gedichten uit Stèles (1912) en de postume roman Le Fils du Ciel (De Zoon van de Hemel, 1975). Gelukkig gaat Segalen zich in zijn brieven ook regelmatig te buiten aan datgene wat hij in literatuur en poëzie zo verfoeide: de spontane beschrijving van kersverse reisindrukken en het opdissen van vermakelijke anekdotes. Maar de Brieven uit China ontlenen wellicht hun grootste charme aan het ontroerende beeld dat ze schetsen van de amoureuze en intellectuele verhouding van Segalen met zijn ‘Mavone’, die hem pas een jaar later nareisde.

Voor een selectie uit de Nederlandse vertaling, door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts, lees verder bij tijdschrift De Gids (jaargang 170, januari 2007, via dbnl).

Zie ook: De eerste zin van Victor Segalen

Schoonheid waar man en vrouw voor valt

De herlezer: Junichiro Tanizaki

Waarom lezen we exotische schrijvers? Zijn we echt benieuwd naar het vreemde, of zijn we eigenlijk op zoek naar wat we al kenden? Neem Gabriel García Márquez, Latijns-Amerikaanser kan het niet, zou je denken, maar als je naar het lijstje van Márquez’ inspiratoren kijkt, is naast Kafka, Faulkner, Hemingway en Sofokles de enige inlandse invloed zijn eigen grootmoeder. Hij confronteerde het westen niet echt met iets nieuws, maar blies de westerse literatuur nieuw leven in. Op magistrale wijze, dat wel.

Zoiets lijkt er ook aan de hand met Junichiro Tanizaki (1886-1965). Is het toeval dat de eerste Oost-Aziatische auteur die uitgeverij Atlas opneemt in zijn pantheon van de wereldliteratuur, de inmiddels ruim 50-delige reeks De twintigste eeuw, uitgerekend bekend stond als een van de meest verwesterde auteurs van Japan, een nazaat van Wilde, Poe en Baudelaire? Atlas komt met twee titels: Tanizaki’s magnum opus Stille sneeuwval, een familiekroniek die vaak wordt gelezen als een inkijkje in de Japanse cultuur, en de kleinere roman Kruisende lijnen uit 1931, doorgaans beschouwd als een proeve van Tanizaki’s schrijfkunst.

Vertaald door Jacques Westerhoven

En die schrijfkunst doet inderdaad westers aan. Alleen al vanwege de strakke plot, die je in Japanse (en Chinese) romans niet vaak aantreft – dat zijn, zoals vertaler Jacques Westerhoven in zijn nawoord aangeeft, eerder ‘parelkettingen’ van gebeurtenissen: zonder einddoel, wel een eenheid. Maar het is vooral de psychologie van de personages die de westerse lezer een indirecte verwijzing naar het boeddhisme algauw op de koop doet toenemen.

In veel van zijn boeken onderzoekt Tanizaki het verband tussen schoonheid en het kwade, en de rol van erotiek daarin. De spil van Kruisende lijnen is Mitsuko, een adembenemende, absolute schoonheid waar iedereen voor valt, man en vrouw. Deze godin verandert in de loop van het verhaal in een ware demon, die iedereen naar haar hand zet, met een fatale afloop. De meesterzet van Tanizaki is dat hij dit alles optekent uit de mond van Sonoko, een jonge vrouw die even onbevangen als hulpeloos in een lesbische relatie met Mitsuko verwikkeld raakt; het is deze Sonoko die de hele roman aan het woord is, zich rechtstreeks richtend tot ‘meneer Tanizaki’.

De zo gecreëerde dubbele bodem buit Tanizaki volleerd uit: hij onthoudt zich van commentaar en laat de lezer tot het einde toe in het ongewisse over de ware toedracht van de bijna kluchtige relatieperikelen tussen de burgerlijke Sonoko, haar voorbeeldige echtgenoot, de duivelse Mitsuko en de mysterieuze androgyne figuur Watanuki. Tanizaki mag volgens de vertaler geput hebben uit een rijke Japanse prozatraditie waarin de grenzen tussen werkelijkheid en verbeelding met liefde worden vervaagd, de ironie is ook voor niet-ingewijden voelbaar. En bij alle amoureuze complotten en bedriegerij is geen woord Japans.

Bovendien, en misschien nog wel belangrijker, ontleent het boek uiteindelijk zijn kracht aan het levendige kwebbeltoontje van Sonoko. Het Japanse Kansai-dialect dat ze in het origineel bezigt is door de vertaler treffend omgezet in een even oever- als tijdloos Nederlands gebabbel, waardoor Kruisende lijnen in vorm én inhoud volstrekt bij de tijd is gebleven.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 september 2006

Toen ik stopte met roken

Lin Yutang (essay)

Lin Yutang

Iedere roker heeft op een ondoordacht moment weleens het nobele voornemen opgevat om voor eens en voor altijd met roken te stoppen. Een tijdlang weet hij de strijd met de tabaksduivel vol te houden, maar na een dag of tien, twee weken op zijn hoogst, komt hij uiteindelijk toch weer bij zinnen. Ook ik ben ooit op dat dwaalspoor beland, vol goede moed gaf ik de sigaret eraan en het duurde wel drie weken voordat mijn geweten begon te knagen en ik vol berouw tot inkeer kwam. Krachtig zwoer ik nooit meer zo lamlendig en lichtvaardig te zijn, en voortaan als een vrome roker door het leven te gaan, tot mijn laatste snik. Afijn, misschien dat ik vlak voor die tijd alsnog zal bezwijken voor de ketterij van de gehaaide tantes van de Geheelonthoudersbond bij de YMCA, want op die leeftijd is men geestelijk zo afgetakeld en aan anderen overgeleverd dat men nog nauwelijks verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen daden. Maar zolang ik wilsbekwaam ben en nog enig besef heb van goed en kwaad, zal ik mij nooit meer in verzoeking laten leiden. Ik heb mijn lesje geleerd, na deze ervaring weet ik dat stoppen met roken en jezelf beroven van dat geestelijke genot simpelweg een onheilzame, ja immorele handeling is waarmee je jezelf beslist tekort doet. Volgens de beroemde Engelse biochemicus Haldane is roken historisch gezien een van de vier meest invloedrijke uitvindingen van de mens. Van de andere drie herinner ik me alleen een verjongingskuur op basis van apenklieren. Maar daarover een andere keer.

Het is werkelijk een beschamende geschiedenis: hoe dwaas en zwak ben ik die drie weken wel niet geweest dat ik, als geen ander bekend met de weldadige uitwerking die één enkel sigaretje kan hebben op lichaam en geest, toch de moed niet heb gehad er eentje op te steken. Als ik er nu op terugkijk, nu alles achter de rug is, kan ik nog altijd niet verklaren hoe ik zo lang in die dwaasheid heb kunnen volharden. Als ik in detail zou moeten navertellen wat ik die drie weken psychisch heb doorgemaakt, zouden de rollen papier niet aan te slepen zijn. In de eerste plaats is het hele idee om met roken te stoppen natuurlijk al amper te begrijpen. Waarom zou je in hemelsnaam stoppen? Op die vraag weet ik zelfs nu nog geen antwoord. Maar ja, menselijk gedrag is wel vaker niet te doorgronden, soms doet een mens expres iets wat hij niet zou moeten doen, soms stelt hij zichzelf, uit verveling wellicht, voor grote uitdagingen, kwelt hij zichzelf, hongert hij zich uit, peigert hij zich af of gaat hij af en toe eens flink tegen zijn aard in, al was het maar om te bewijzen dat hij een echte man is. Buiten die reden kan ik me niet voorstellen waarom ik destijds met dat verachtelijke idee op de proppen kwam. Het lijkt een beetje op Tao Kan die elke dag met stenen heen en weer zeulde om zijn krachten op peil te houden, of op de gymnastiekoefeningen die de moderne mens tegenwoordig pleegt te doen – een geleerde heeft geen hout om te hakken, geen water om te putten en geen kar om te trekken, zijn armen hangen er voor niets bij, bewegen louter om het bewegen, hij levert geen enkele bijdrage aan de industriële productie van het land. Stoppen met roken is waarschijnlijk niet meer dan geestelijke gymnastiek voor wijze heren.

Natuurlijk kreeg ik de eerste drie dagen een irritant, jeukachtig gevoel in mijn keel, en zelfs boven in mijn luchtpijp. Maar daar viel gemakkelijk wat aan te doen. Ik at pepermuntjes, dronk woeloengthee, zoog op eersteklas Franse keelpastilles van Valda, en binnen drie dagen was ik van die vreemde jeuk af. Dat is de eerste fase van het stoppen met roken, een zuiver fysieke strijd, niets om over naar huis te schrijven. Iedereen die denkt dat het werk hiermee gedaan is, vergeet dat roken ook een geestelijke kant heeft; wie dat niet begrijpt, kan er maar beter zijn mond over houden. Na die drie dagen ging ik de tweede fase in, de spirituele strijd. Op dat moment realiseerde ik me voor het eerst dat er in feite twee soorten rokers bestaan – een openbaring. De ene soort doet eigenlijk maar alsof, dat zijn de zogenaamde sociale rokers. Zij kennen de tweede fase van het stoppen niet eens, voor hen is stoppen een fluitje van een cent. Het schijnt dat ze kunnen stoppen wanneer ze willen, ze worden nota bene geroemd om hun ‘wilskracht’, maar zijn het ooit wel echte rokers geweest? Als je een liefhebberij even makkelijk kunt opgeven als je oude kleren weggooit, dan had je om te beginnen nooit een echte liefhebber mogen heten. Voor dit soort mensen is roken een puur lichamelijke bezigheid, net zoiets als tanden poetsen of je gezicht wassen; tanden poetsen doe je niet uit innerlijke noodzaak, je kunt het ook laten; wat is de geestelijke betekenis van tanden poetsen? Waarschijnlijk hebben deze mensen behalve wassen, eten en voor de kinderen zorgen toch al weinig andere geestelijke behoeften: ’s avonds lezen ze samen met hun vrouwen van de Geheelonthoudersbond uit de fabels van Aesopus en daarna slapen ze tevreden in. De poëzie van Xin Jiqi of Wang Wei, de muziek van Beethoven of Wang Shifu, het zegt hun allemaal niets. De waterval van de berg Lu? Gewoon een stroom water die naar beneden stort. Ik vraag u: Wang Wei’s poëzie lezen en niet roken, is dat überhaupt mogelijk?

Voor echte rokers is stoppen een probleem dat de dames en heren van de Geheelonthoudersbond zich niet eens kunnen voorstellen. Wij, rokers van de echte stempel, zien al na drie dagen de zinloosheid van deze zelfkwelling onder ogen. Onze ratio en ons gezond verstand stellen ons de vraag: waarom, om welke politieke, sociale, morele, fysiologische of psychologische reden zouden wij niet mogen roken, waarom zouden wij willens en wetens tegen onze natuur en ons geweten in moeten gaan, als we ons daarmee alleen maar van een ontspannen, zorgeloze gemoedstoestand beroven? Iedereen weet dat een schrijver moet bruisen van vitaliteit, vrij van geest moet zijn – ‘een onbevangen hart, een onbevangen stijl’ – wil er echt iets goeds uit zijn pen vloeien. En ook lezers moeten voor het echte leeswerk in een ontvankelijke toestand komen, zonder innerlijke weerstand, hun geest moet de ruimte krijgen om te kunnen dwalen. Hoe kun je zonder te roken ooit een dergelijke staat bereiken? Op momenten van grote inspiratie lijkt een sigaret opsteken ons dan ook het enige juiste om te doen; een kauwgom in je mond stoppen zou in onze ogen het toppunt van vulgariteit zijn. Ik heb voorbeelden te over van dat soort momenten, maar laat ik het hier bij een of twee houden.

Mijn vriend B kwam van Beiping naar Shanghai, we hadden elkaar drie jaar niet gezien. In Beiping brachten we vaak hele dagen met elkaar door, en vooral ’s avonds praatten we onder het genot van een sigaret over literatuur, filosofie, moderne kunst en over hoe we mens en maatschappij konden veranderen. Die keer zaten we bij de haard herinneringen op te halen. We hadden het over vrienden van vroeger en over de toestand in de wereld, wat anders? Bij elk treffend punt greep ik in gedachten naar een sigaret, maar uiterlijk stond ik alleen eventjes op of ging verzitten. Mijn vriend B pafte op zijn gemak door, zo te zien gelukkiger dan ooit. Ik had hem al verteld dat ik gestopt was en schaamde me om in zijn bijzijn te zondigen. Toch voelde ik me ergens niet lekker, een beetje bedrukt, alsof er iets miste. Ik was buitengewoon helder, alles waar B het zo bevlogen over had kon ik met een volmondig ‘ja’ beamen, maar eigenlijk barstte ik van verlangen om net zo opgewonden mijn hart uit te storten als hij. Zo ging ons eenzijdige gesprek nog een paar uur door, ik viel niet voor de verleiding, en uiteindelijk nam mijn vriend afscheid. Wat ‘wilskracht’ en ‘doorzettingsvermogen’ betreft had ik een grote zege geboekt, maar diep van binnen viel die overwinning me maar zuur. Een paar dagen later schreef mijn vriend me. Ik was de oude niet meer, zei hij, ik was niet meer zo begeesterd, zo openhartig als vroeger, en mijn conversatie was ook niet meer wat het geweest was. Misschien lag het aan de vuile lucht in Shanghai, dacht hij. Tot op de dag van vandaag heb ik spijt dat ik die dag geen sigaret heb opgestoken.

Een andere avond was ik op een wekelijkse bijeenkomst waar na het eten altijd iemand een spreekbeurt gaf, gevolgd door discussie – normaliter één groot rookfestijn. Die week was het de beurt aan C, zijn onderwerp was religie en revolutie, en algauw had hij de lachers op zijn hand. Ik weet nog dat hij vertelde dat krijgsheer Feng Yuxiang bij de noordelijke methodistenkerk was gegaan, terwijl Chiang Kai-shek voor de zuidelijke methodisten had gekozen – waarop iemand zei dat krijgsheer Wu Peifu daarom binnen de kortste keren wel een westelijke methodist zou worden. Bij dat soort opmerkingen werd de rook in de ruimte alsmaar dikker, het was zoals in die klassieke verzen: ‘vluchtige geuren’ wekten ‘ongrijpbare gedachten’. Dichter H zat in het midden, achterover in zijn stoel, en probeerde rookkringetjes uit te blazen. Ongetwijfeld steeg zijn inspiratie met elk kringetje dat hij de lucht in zond. Hij verkeerde in sferen waarover hij na terugkeer met niemand zou kunnen spreken. Ik was de enige die niet rookte en voelde me een verschoppeling, iemand die uit de beschaving was verbannen. Stoppen met roken kwam me op dat moment hoe langer hoe zinlozer voor, ik besefte nu pas echt hoe dwaas ik was geweest. Koortsachtig zocht ik mijn geheugen af naar de redenen voor mijn nobele voornemen van weleer, maar ik kon er geen enkele vinden.

Vanaf die dag liet mijn geweten me niet meer met rust. Het ware denken bestond bij de gratie van plotselinge invallen, bedacht ik, maar hoe kon een niet-rokende geest daar ooit voor open staan? Een middag ging ik bij een westerse vrouw op bezoek. Ze zat aan tafel, met een sigaret in de ene hand en met haar andere hand op haar knie. Ze helde iets naar voren en was een en al charme. Ik voelde dat het moment van mijn ontwaken daar was. Ze hield haar pakje sigaretten op en bood me er een aan. Langzaam maar zelfverzekerd nam ik er een uit het pakje, en ik wist dat ik met die stap weer op het rechte pad zat.

Thuis liet ik de bediende meteen een pakje Capstan kopen. Rechts op mijn bureau zat een brandplek, daar legde ik mijn brandende sigaret altijd neer. Omdat ik continu rookte had ik naast die plek een inscriptie gekerfd: ‘Holte van de vliedende tijd’. Ik had ooit uitgerekend dat het me zo’n zeven, acht jaar zou kosten om helemaal door het twee duim dikke tafelblad heen te branden; toen ik zo vastberaden stopte met roken, deed het me pijn dat die ‘Holte van de vliedende tijd’ maar een halve centimeter diep zou blijven. Het was daarom met groot genoegen dat ik mijn sigaret er opnieuw neerlegde; al had ik nog een lange weg te gaan, ik kon hem nu weer onvermoeibaar voortzetten. Toen ik later verhuisde en een kleinere studeerkamer kreeg, heb ik mijn bureau helaas moeten verkopen, waardoor ik ook mijn ‘Holte van de vliedende tijd’ verloor. Misschien is dat wel het grootste verdriet van mijn leven.

(Vertaling Mark Leenhouts)

De Chinees Lin Yutang (1895-1976) was een tweetalige auteur, die in het westen bekend werd met Engelstalige boeken als My Country and My People en The Importance of Living, waarin hij op een prettige, licht ironische manier essayeerde over ‘Chinese levenswijsheid’, van het genieten van thee, roken en conversatie tot de kunst van het in bed liggen. Daarnaast vertaalde hij veel Chinese klassieken. Van 1937 tot 1954 doorliep hij een academische carrière in Amerika (Harvard) en Duitsland (doctorsgraad in Leipzig), waarna hij doceerde in Singapore, Taiwan en Hongkong. Het bijgaande essay schreef Lin in 1932 in het Chinees, waarna hij het in 1937 in gewijzigde, Engelse vorm opnam in The Importance of Living, dat in 1949 in het Nederlands verscheen als Levenswijsheid met een glimlach.

Oorspronkelijk verschenen in De tweede ronde, ‘Roken is dodelijk-nummer’, herfst 2006

Lees ook: Lezen op het toilet