Toen ik stopte met roken

Lin Yutang (essay)

Lin Yutang

Iedere roker heeft op een ondoordacht moment weleens het nobele voornemen opgevat om voor eens en voor altijd met roken te stoppen. Een tijdlang weet hij de strijd met de tabaksduivel vol te houden, maar na een dag of tien, twee weken op zijn hoogst, komt hij uiteindelijk toch weer bij zinnen. Ook ik ben ooit op dat dwaalspoor beland, vol goede moed gaf ik de sigaret eraan en het duurde wel drie weken voordat mijn geweten begon te knagen en ik vol berouw tot inkeer kwam. Krachtig zwoer ik nooit meer zo lamlendig en lichtvaardig te zijn, en voortaan als een vrome roker door het leven te gaan, tot mijn laatste snik. Afijn, misschien dat ik vlak voor die tijd alsnog zal bezwijken voor de ketterij van de gehaaide tantes van de Geheelonthoudersbond bij de YMCA, want op die leeftijd is men geestelijk zo afgetakeld en aan anderen overgeleverd dat men nog nauwelijks verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen daden. Maar zolang ik wilsbekwaam ben en nog enig besef heb van goed en kwaad, zal ik mij nooit meer in verzoeking laten leiden. Ik heb mijn lesje geleerd, na deze ervaring weet ik dat stoppen met roken en jezelf beroven van dat geestelijke genot simpelweg een onheilzame, ja immorele handeling is waarmee je jezelf beslist tekort doet. Volgens de beroemde Engelse biochemicus Haldane is roken historisch gezien een van de vier meest invloedrijke uitvindingen van de mens. Van de andere drie herinner ik me alleen een verjongingskuur op basis van apenklieren. Maar daarover een andere keer.

Het is werkelijk een beschamende geschiedenis: hoe dwaas en zwak ben ik die drie weken wel niet geweest dat ik, als geen ander bekend met de weldadige uitwerking die één enkel sigaretje kan hebben op lichaam en geest, toch de moed niet heb gehad er eentje op te steken. Als ik er nu op terugkijk, nu alles achter de rug is, kan ik nog altijd niet verklaren hoe ik zo lang in die dwaasheid heb kunnen volharden. Als ik in detail zou moeten navertellen wat ik die drie weken psychisch heb doorgemaakt, zouden de rollen papier niet aan te slepen zijn. In de eerste plaats is het hele idee om met roken te stoppen natuurlijk al amper te begrijpen. Waarom zou je in hemelsnaam stoppen? Op die vraag weet ik zelfs nu nog geen antwoord. Maar ja, menselijk gedrag is wel vaker niet te doorgronden, soms doet een mens expres iets wat hij niet zou moeten doen, soms stelt hij zichzelf, uit verveling wellicht, voor grote uitdagingen, kwelt hij zichzelf, hongert hij zich uit, peigert hij zich af of gaat hij af en toe eens flink tegen zijn aard in, al was het maar om te bewijzen dat hij een echte man is. Buiten die reden kan ik me niet voorstellen waarom ik destijds met dat verachtelijke idee op de proppen kwam. Het lijkt een beetje op Tao Kan die elke dag met stenen heen en weer zeulde om zijn krachten op peil te houden, of op de gymnastiekoefeningen die de moderne mens tegenwoordig pleegt te doen – een geleerde heeft geen hout om te hakken, geen water om te putten en geen kar om te trekken, zijn armen hangen er voor niets bij, bewegen louter om het bewegen, hij levert geen enkele bijdrage aan de industriële productie van het land. Stoppen met roken is waarschijnlijk niet meer dan geestelijke gymnastiek voor wijze heren.

Natuurlijk kreeg ik de eerste drie dagen een irritant, jeukachtig gevoel in mijn keel, en zelfs boven in mijn luchtpijp. Maar daar viel gemakkelijk wat aan te doen. Ik at pepermuntjes, dronk woeloengthee, zoog op eersteklas Franse keelpastilles van Valda, en binnen drie dagen was ik van die vreemde jeuk af. Dat is de eerste fase van het stoppen met roken, een zuiver fysieke strijd, niets om over naar huis te schrijven. Iedereen die denkt dat het werk hiermee gedaan is, vergeet dat roken ook een geestelijke kant heeft; wie dat niet begrijpt, kan er maar beter zijn mond over houden. Na die drie dagen ging ik de tweede fase in, de spirituele strijd. Op dat moment realiseerde ik me voor het eerst dat er in feite twee soorten rokers bestaan – een openbaring. De ene soort doet eigenlijk maar alsof, dat zijn de zogenaamde sociale rokers. Zij kennen de tweede fase van het stoppen niet eens, voor hen is stoppen een fluitje van een cent. Het schijnt dat ze kunnen stoppen wanneer ze willen, ze worden nota bene geroemd om hun ‘wilskracht’, maar zijn het ooit wel echte rokers geweest? Als je een liefhebberij even makkelijk kunt opgeven als je oude kleren weggooit, dan had je om te beginnen nooit een echte liefhebber mogen heten. Voor dit soort mensen is roken een puur lichamelijke bezigheid, net zoiets als tanden poetsen of je gezicht wassen; tanden poetsen doe je niet uit innerlijke noodzaak, je kunt het ook laten; wat is de geestelijke betekenis van tanden poetsen? Waarschijnlijk hebben deze mensen behalve wassen, eten en voor de kinderen zorgen toch al weinig andere geestelijke behoeften: ’s avonds lezen ze samen met hun vrouwen van de Geheelonthoudersbond uit de fabels van Aesopus en daarna slapen ze tevreden in. De poëzie van Xin Jiqi of Wang Wei, de muziek van Beethoven of Wang Shifu, het zegt hun allemaal niets. De waterval van de berg Lu? Gewoon een stroom water die naar beneden stort. Ik vraag u: Wang Wei’s poëzie lezen en niet roken, is dat überhaupt mogelijk?

Voor echte rokers is stoppen een probleem dat de dames en heren van de Geheelonthoudersbond zich niet eens kunnen voorstellen. Wij, rokers van de echte stempel, zien al na drie dagen de zinloosheid van deze zelfkwelling onder ogen. Onze ratio en ons gezond verstand stellen ons de vraag: waarom, om welke politieke, sociale, morele, fysiologische of psychologische reden zouden wij niet mogen roken, waarom zouden wij willens en wetens tegen onze natuur en ons geweten in moeten gaan, als we ons daarmee alleen maar van een ontspannen, zorgeloze gemoedstoestand beroven? Iedereen weet dat een schrijver moet bruisen van vitaliteit, vrij van geest moet zijn – ‘een onbevangen hart, een onbevangen stijl’ – wil er echt iets goeds uit zijn pen vloeien. En ook lezers moeten voor het echte leeswerk in een ontvankelijke toestand komen, zonder innerlijke weerstand, hun geest moet de ruimte krijgen om te kunnen dwalen. Hoe kun je zonder te roken ooit een dergelijke staat bereiken? Op momenten van grote inspiratie lijkt een sigaret opsteken ons dan ook het enige juiste om te doen; een kauwgom in je mond stoppen zou in onze ogen het toppunt van vulgariteit zijn. Ik heb voorbeelden te over van dat soort momenten, maar laat ik het hier bij een of twee houden.

Mijn vriend B kwam van Beiping naar Shanghai, we hadden elkaar drie jaar niet gezien. In Beiping brachten we vaak hele dagen met elkaar door, en vooral ’s avonds praatten we onder het genot van een sigaret over literatuur, filosofie, moderne kunst en over hoe we mens en maatschappij konden veranderen. Die keer zaten we bij de haard herinneringen op te halen. We hadden het over vrienden van vroeger en over de toestand in de wereld, wat anders? Bij elk treffend punt greep ik in gedachten naar een sigaret, maar uiterlijk stond ik alleen eventjes op of ging verzitten. Mijn vriend B pafte op zijn gemak door, zo te zien gelukkiger dan ooit. Ik had hem al verteld dat ik gestopt was en schaamde me om in zijn bijzijn te zondigen. Toch voelde ik me ergens niet lekker, een beetje bedrukt, alsof er iets miste. Ik was buitengewoon helder, alles waar B het zo bevlogen over had kon ik met een volmondig ‘ja’ beamen, maar eigenlijk barstte ik van verlangen om net zo opgewonden mijn hart uit te storten als hij. Zo ging ons eenzijdige gesprek nog een paar uur door, ik viel niet voor de verleiding, en uiteindelijk nam mijn vriend afscheid. Wat ‘wilskracht’ en ‘doorzettingsvermogen’ betreft had ik een grote zege geboekt, maar diep van binnen viel die overwinning me maar zuur. Een paar dagen later schreef mijn vriend me. Ik was de oude niet meer, zei hij, ik was niet meer zo begeesterd, zo openhartig als vroeger, en mijn conversatie was ook niet meer wat het geweest was. Misschien lag het aan de vuile lucht in Shanghai, dacht hij. Tot op de dag van vandaag heb ik spijt dat ik die dag geen sigaret heb opgestoken.

Een andere avond was ik op een wekelijkse bijeenkomst waar na het eten altijd iemand een spreekbeurt gaf, gevolgd door discussie – normaliter één groot rookfestijn. Die week was het de beurt aan C, zijn onderwerp was religie en revolutie, en algauw had hij de lachers op zijn hand. Ik weet nog dat hij vertelde dat krijgsheer Feng Yuxiang bij de noordelijke methodistenkerk was gegaan, terwijl Chiang Kai-shek voor de zuidelijke methodisten had gekozen – waarop iemand zei dat krijgsheer Wu Peifu daarom binnen de kortste keren wel een westelijke methodist zou worden. Bij dat soort opmerkingen werd de rook in de ruimte alsmaar dikker, het was zoals in die klassieke verzen: ‘vluchtige geuren’ wekten ‘ongrijpbare gedachten’. Dichter H zat in het midden, achterover in zijn stoel, en probeerde rookkringetjes uit te blazen. Ongetwijfeld steeg zijn inspiratie met elk kringetje dat hij de lucht in zond. Hij verkeerde in sferen waarover hij na terugkeer met niemand zou kunnen spreken. Ik was de enige die niet rookte en voelde me een verschoppeling, iemand die uit de beschaving was verbannen. Stoppen met roken kwam me op dat moment hoe langer hoe zinlozer voor, ik besefte nu pas echt hoe dwaas ik was geweest. Koortsachtig zocht ik mijn geheugen af naar de redenen voor mijn nobele voornemen van weleer, maar ik kon er geen enkele vinden.

Vanaf die dag liet mijn geweten me niet meer met rust. Het ware denken bestond bij de gratie van plotselinge invallen, bedacht ik, maar hoe kon een niet-rokende geest daar ooit voor open staan? Een middag ging ik bij een westerse vrouw op bezoek. Ze zat aan tafel, met een sigaret in de ene hand en met haar andere hand op haar knie. Ze helde iets naar voren en was een en al charme. Ik voelde dat het moment van mijn ontwaken daar was. Ze hield haar pakje sigaretten op en bood me er een aan. Langzaam maar zelfverzekerd nam ik er een uit het pakje, en ik wist dat ik met die stap weer op het rechte pad zat.

Thuis liet ik de bediende meteen een pakje Capstan kopen. Rechts op mijn bureau zat een brandplek, daar legde ik mijn brandende sigaret altijd neer. Omdat ik continu rookte had ik naast die plek een inscriptie gekerfd: ‘Holte van de vliedende tijd’. Ik had ooit uitgerekend dat het me zo’n zeven, acht jaar zou kosten om helemaal door het twee duim dikke tafelblad heen te branden; toen ik zo vastberaden stopte met roken, deed het me pijn dat die ‘Holte van de vliedende tijd’ maar een halve centimeter diep zou blijven. Het was daarom met groot genoegen dat ik mijn sigaret er opnieuw neerlegde; al had ik nog een lange weg te gaan, ik kon hem nu weer onvermoeibaar voortzetten. Toen ik later verhuisde en een kleinere studeerkamer kreeg, heb ik mijn bureau helaas moeten verkopen, waardoor ik ook mijn ‘Holte van de vliedende tijd’ verloor. Misschien is dat wel het grootste verdriet van mijn leven.

(Vertaling Mark Leenhouts)

De Chinees Lin Yutang (1895-1976) was een tweetalige auteur, die in het westen bekend werd met Engelstalige boeken als My Country and My People en The Importance of Living, waarin hij op een prettige, licht ironische manier essayeerde over ‘Chinese levenswijsheid’, van het genieten van thee, roken en conversatie tot de kunst van het in bed liggen. Daarnaast vertaalde hij veel Chinese klassieken. Van 1937 tot 1954 doorliep hij een academische carrière in Amerika (Harvard) en Duitsland (doctorsgraad in Leipzig), waarna hij doceerde in Singapore, Taiwan en Hongkong. Het bijgaande essay schreef Lin in 1932 in het Chinees, waarna hij het in 1937 in gewijzigde, Engelse vorm opnam in The Importance of Living, dat in 1949 in het Nederlands verscheen als Levenswijsheid met een glimlach.

Oorspronkelijk verschenen in De tweede ronde, ‘Roken is dodelijk-nummer’, herfst 2006

Lees ook: Lezen op het toilet

In ons koninkrijk

Pai Hsien-yung (romanfragment)

In ons koninkrijk zijn geen dagen, alleen nachten. Zodra het licht wordt verdwijnt ons rijk, want wij zijn een uiterst illegale staat: wij hebben geen regering, geen grondwet, wij worden niet erkend of gerespecteerd, wij zijn niet meer dan een bonte troep burgers. Soms kiezen we een leider – iemand met een lange staat van dienst, een goed voorkomen, allure, een zekere populariteit – die we vervolgens weer even gemakkelijk, even willekeurig ten val brengen, want we zijn nu eenmaal een grillig, onhandelbaar volk. Wat ons grondgebied betreft, dat is in feite bedroevend klein, hooguit twee-, driehonderd meter lang en een goede honderd breed: niet meer dan een klein lapje grond rondom de rechthoekige lotusvijver in het Nieuwe Park aan de Guanqianstraat in Taipei. Om de grenzen van ons land groeien alle mogelijke soorten tropische bomen, kriskras door elkaar: potloodbomen, broodbomen, oude kokosbomen, dor en kaal, en niet te vergeten de rij hoge koningspalmen langs de weg, die hoofdschuddend en zuchtend hun dagen slijten. Als een dichte haag onttrekken ze ons koninkrijk aan het zicht, sluiten ze ons tijdelijk van de buitenwereld af. Toch zijn de dreigingen van die grote buitenwereld geen moment ver weg, altijd voelbaar. Via de schetterende luidsprekers van het radiostation achter de bosjes krijgen we geregeld allerlei geruchtmakende nieuwsberichten binnen. Op indringende toon meldt de CBC-omroepster met haar feilloze standaardaccent: Amerikaanse astronauten hebben voet gezet op de maan! Een internationale drugssmokkelbende uit Hongkong en Taiwan is vanochtend opgerold! Het proces in de corruptiezaak bij Compostbeheer gaat morgen van start!

Allemaal spitsen we onze oren; als een troep schichtige herten in een bos vol wolven zijn we extra op onze hoede. Elk blaadje dat ritselt in de wind, het minste geluid is voor ons een waarschuwing. Zodra de beslagen laarzen van de politie opklinken en plotsklaps, door de palmbomen, ons territorium komen binnenvallen, stuift iedereen als opgejaagd wild uiteen. Sommigen rennen halsoverkop naar het radiostation en mengen zich onder de mensen, anderen schieten de toiletten in en doen alsof ze nodig moeten, staand of hurkend; weer anderen vluchten de trappen op van het klassieke, mausoleumachtige museum bij de ingang van het park en verdwijnen in de schaduwen tussen de zuilen, waar ze weer even kunnen ademhalen. Ons anarchistische koninkrijk kan ons geen enkele bescherming bieden, we zijn aangewezen op onze dierlijke instincten, dwalend in het duister, op zoek naar overleving.

De geschiedenis van ons rijk is in nevelen gehuld, we weten niet wie de stichters zijn of wanneer het is ontstaan; toch heeft ons verborgen, illegale ministaatje door de jaren heen de nodige heroïek en tragiek gekend, een turbulente geschiedenis waarvan buitenstaanders nooit zullen horen. Als onze aartsvaders, die paar nog levende grijsaards, dat kleurrijke verleden voor ons ophalen, verzuchten ze altijd met veel pathos en niet zonder enige trots: ‘Ach, zulke tijden zullen jullie nooit meer beleven…’

Jaren geleden scheen de lotusvijver in het park vol te hebben gestaan met rode waterlelies. In de zomer kwamen ze een voor een uit en dreven ze op het water als stralende lampionnen. Maar later heeft de gemeente ze er om de een of andere reden allemaal uit laten trekken. Midden in de vijver werd een achthoekige kiosk neergezet, en rond de vijver nog een aantal paviljoentjes met rode zuilen en groene daken, waardoor ons eerst zo woeste, ongerepte land een schijn van antieke beschaving kreeg en vreemd afstak bij de alledaagse omgeving. Als onze aartsvaders hierover vertellen, zuchten ze altijd vol droeve nostalgie: ‘Die felrode waterlelies, och, zo onbeschrijflijk mooi!’

Vervolgens noemen ze onder elkaar allerlei namen waarvan wij nog nooit hebben gehoord en rakelen ze allerlei hartverscheurende oude verhalen op, waarin de hoofdrollen zijn weggelegd voor grote helden die allemaal langgeleden onze nationaliteit hebben opgezegd en de wijde wereld zijn ingetrokken. Sommigen zijn spoorloos, al tijden zonder bericht; anderen stierven jong, hun graven overwoekerd met onkruid. Maar er zijn er ook die na vijf, tien, twintig jaar op een diepdonkere nacht plotseling bij de lotusvijver opduiken, terug thuis in ons duistere koninkrijk; rusteloos, gejaagd lopen ze rondjes rond de vijver, alsof ze op zoek zijn naar hun jaren geleden verloren ziel. Dan knikken onze eerwaardige grijsaards, en met halfgesloten ogen en meewarige gezichten concluderen ze wijs en geëmotioneerd: ‘Zo gaat het altijd. Jullie denken dat de wereld groot is, maar er komt een dag, er komt altijd een dag, dat jullie weer als brave kinderen terugvliegen naar je oude nest, ons nest.’

(Vertaling Mark Leenhouts)

Uit: Pai Hsien-yung, Jongens van glas, De Geus 2006

Zie ook: Blue Boy

Beschaving met een lintje

Toen begin september 2005 in Peking de derde druk van de Bloemlezing moderne Nederlandse poëzie in Chinese vertaling ten doop werd gehouden, maakte NRC Handelsblad voornamelijk melding van de vormgeving van het boek. De rood-wit-blauwe lintjes aan de cassette, de oranje kleur, het molentje en de foto’s: het deed ‘een beetje knullig en wel heel stereotype Hollands aan.’ Nog afgezien van het feit dat de gemiddelde Nederlandse vertaling van een Chinees boek nogal eens de kleuren geel en rood, lukraak gekozen Chinese karakters of gepenseelde, verticaal gezette westerse letters op het omslag heeft, leek de journalist er vooral aan voorbij te gaan dat daar toch zomaar zestig Nederlandse dichters, van Hendrik Marsman tot Gerrit Krol, voor het Chinese publiek beschikbaar waren gemaakt.

Bovendien waren veertig van hen de rest al vooruitgereisd. In 1988 bracht vertaler Maghiel van Crevel, samen met dichter Ma Gaoming een eerste bloemlezing in de Chinese Volkrepubliek uit, die net als alle vertaalde literatuur in die tijd binnen de kortste keren was uitverkocht. In 2001 volgde een uitgebreide druk in Taiwan, in samenwerking met Gu Biling. De nieuwe, door Zhang Xiaohong herziene ‘vastelandversie’ verscheen met steun van het Nederlands Literair Produktie en Vertalingen Fonds, als startschot voor zijn eerste deelname aan de Beijing Book Fair, waar de bundel werd gepresenteerd in bijzijn van staatssecretaris Medy van der Laan en een twintigkoppige cultuurdelegatie. In een land waar tot nog toe maar mondjesmaat Nederlandse literatuur doordringt, mag dat een bijzondere publicatie heten. En in tegenstelling tot wat NRC schreef wordt buitenlandse literatuur ook wel degelijk gelezen: in zijn praatje bij de boekpresentatie in Peking sprak de dichter Xi Chuan, een van China’s huidige kopstukken, over Vroman en Campert alsof hij ze dagelijks las. Te oordelen naar het beduimelde, volgekladde exemplaar van de eerste druk dat hij omhooghield was dat ook werkelijk zo.

Lees verder op de site van Filter, tijdschrift over vertalen

De evolutie van de man

Lu Xun (essay)

Het paren van dieren liefde noemen is haast profaan, ik geef het toe. Toch valt niet te ontkennen dat ook dieren een seksleven hebben. Als mannetjes en wijfjes elkaar in de bronsttijd tegenkomen is het gekir en gekoos niet van de lucht. Ook zal het wijfje met haar gebruikelijke maniertjes en koketterie soms een paar passen wegspringen, weer omkijken, nog eens roepen, totdat de ‘cohabiterende liefde’ een feit is. Al zijn er vele soorten dieren en zijn hun manieren van ‘liefhebben’ complex, één ding staat vast: het mannetje heeft het meestal niet voor het zeggen.

De mens is de heer der schepping, dat is in de eerste plaats te danken aan de vermogens van de man. In de oertijd rommelde iedereen natuurlijk maar wat aan, maar gezien het feit dat men, in Confucius’ woorden, ‘wel zijn moeder maar niet zijn vader kende’, moet het zwakke geslacht toch een tijdlang ‘de touwtjes in handen’ hebben gehad; de matriarch boezemde toen waarschijnlijk meer ontzag in dan de latere stamhoofden. Daarna, het is niet duidelijk waarom, keerde het tij voor de vrouwen: om hals, armen en voeten kregen zij kettingen, banden en ringen geslagen – en hoewel die kettingen en ringen in de duizenden jaren die volgden grotendeels in goud en zilver veranderden, en ingelegd werden met paarlen en juwelen, blijven die snoeren en braceletten tot op de dag van vandaag een teken van vrouwelijke onderwerping. Nu vrouwen eenmaal slaven waren, hoefden mannen geen toestemming meer te vragen om hen ‘lief te hebben’. Bij de stammenoorlogen uit het verleden werden krijgsgevangenen immers tot slaven gemaakt en vrouwelijke krijgsgevangenen verkracht. Inmiddels was de bronst waarschijnlijk al ‘afgeschaft’ en konden mannen altijd en overal vrouwelijke krijgsgevangenen, vrouwelijke onderworpenen, verkrachten. De schurken en aanranders van vandaag die vrouwen niet als hun gelijke bejegenen, handelen dus eigenlijk in de nobele geest van de krijgers en krijgsheren van weleer.

Maar al was de mens met zijn vermogen tot verkrachting een stap verder ‘geëvolueerd’ dan het dier, uiteindelijk kon je dat toch maar een halve beschaving noemen. Denkt u zich eens in, die huilende, jammerende vrouwen, aan handen en voeten geboeid, zou dat nu echt stimulerend hebben gewerkt? Toen het zaligmakende geld zijn intrede deed, nam de evolutie van de man pas echt een grote vlucht. Alles onder de zon kon verhandeld worden, seks was daarop natuurlijk geen uitzondering. In ruil voor een paar losse centen kon de man voortaan krijgen wat hij van een vrouw verlangde. En hij kon haar voorhouden: ik verkracht je niet, jij doet dit geheel uit eigen vrije wil, als je wat geld wilt verdienen, doe dan wat ik zeg, wees braaf en gedwee, dit is eerlijke handel tegen een eerlijke prijs! Na aldus haar eer te hebben vertrappeld, verwachtte hij bovendien nog een ‘dank u, meneer’. Kunnen dieren hieraan tippen? Hoerenlopen vertegenwoordigt duidelijk al een betrekkelijk hoog stadium in de mannelijke evolutie.

Tegelijkertijd was het traditionele huwelijk, bepaald door de ouders en bekonkeld door koppelaars, een zo mogelijk nog ingenieuzere vondst dan hoerenlopen. Onder dit systeem verwierf de man een levende have van permanente, levenslange duur. Vanaf het moment dat de bruid bij de bruidegom in bed belandde, had ze alleen nog maar plichten, zelfs het recht om over de prijs te praten had ze niet meer, laat staan dat op liefde. Of ze nu van hem hield of niet, in naam van de Hertog van Zhou en de wijze Confucius werd zij geacht haar man eeuwige trouw te zweren en verder haar kuisheid te bewaren. De man kon naar believen gebruik van haar maken, terwijl zij de zedenleer der wijze vaderen moest betrachten; ‘zo wie slechts in zijn hart begeert, die heeft alrede overspel gedaan’. Als een mannetjeshond er ten aanzien van een teefje zulke slinkse, grimmige praktijken op nahield, zou het teefje ongetwijfeld binnen de kortste keren in wanhoop ‘van de muur springen’. De mens, van zijn kant, springt hooguit in een put, om te kunnen sterven als een zedige, eerbare vrouw en een martelares voor de kuisheid. De evolutionaire betekenis van het zedelijk huwelijk behoeft geen nader betoog.

Het feit, ten slotte, dat de man met de ‘meest wetenschappelijke’ theorieën in de hand de vrouw zonder een beroep op enige zedenleer toch heeft kunnen bewegen hem bereidwillig tot in den dood trouw te blijven en haar ervan heeft weten te overtuigen dat seksuele lust alleen maar ‘dierlijke lust’ is en niet opgevat moet worden als een voorwaarde voor liefde – die uitvinding van de ‘wetenschappelijk verantwoorde kuisheid’ is uiteraard het toppunt van beschaving en vooruitgang.

Ach, daarin onderscheidt de mens – de man – zich dan toch ten enenmale van het dier!

Let wel: dit is een stukje van een verstokte zedenpreker.

1933

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in De tweede ronde, ‘Chinees nummer’, lente 2006 – zie ook hier

Het verhaal van de wateroever

De Wereldbibliotheek en de honderdacht Chinese rovers

‘Ei, vervloekt, die is raak!’ liet de weerloze ontsnappen. Hij poogde te vergeefs recht te scharrelen, de bijl was hem uit de hand getuimeld.

‘Wat, gij schoft, gij uitzuiger, hebt lust om een hooge borst op te zetten?’ schreeuwde Loe Ta en deelde hem, tusschen de oogen, een tweeden vuistslag toe die den naad der binnenste ooghoeken deed bersten en maakte dat de getroffene zich in een winkel van bonte stoffen verplaatst voelde, zóó zwart en rood en groen werd het hem voor de oogen.

Aan het woord, of liever aan slag, is een van de hoofdpersonen uit Het verhaal van de wateroever, het zestiende-eeuwse bandietenepos dat tot een van de hoogtepunten van de Chinese literatuur wordt gerekend. De gij’s en ei’s zijn beslist geen poging het klassieke Chinees te benaderen, maar komen uit de eerste Nederlandse vertaling, uitgebracht door de Wereldbibliotheek in 1936 en ’37, in twee delen: De roovers van het Liang Schan Moer en Soeng doolt naar de roovers.

Als je de twee bescheiden ogende, zij het met houtsneden verluchte boekjes ziet, zou je niet denken dat je een van de vier Chinese klassieke romans in handen hebt. Het betreft dan ook een verkorte bewerking, uit het Duits vertaald bovendien, door de Vlaming A. Demaeckere. Toch is dit, samen met de in 1953 verschenen navertelling door China-kenner Boutsen, alles wat we hebben om ons in het Nederlands een voorstelling te maken van een roman die in China, en Japan, tot op de dag van vandaag immens populair is gebleven, in boek- of stripvorm, bij echte boeven, in politieke debatten of als computerspelletje.

Het verhaal van de wateroever gaat terug op volksverhalen met een historische kern: er moet in de twaalfde eeuw een bende nobele bandieten van het Liangshan-moeras hebben bestaan onder leiding van ene Song Jiang – de ‘Soeng’ van het ‘Liang Schan Moer’ uit de titels van de Wereldbibliotheek. Al dateren de vroegste bewaard gebleven edities van de zestiende eeuw, het werk is vermoedelijk ouder. Een mogelijke auteur is Luo Guanzhong uit de veertiende eeuw, die nog een andere klassieker op zijn naam heeft staan, maar het zou ook Shi Naian kunnen zijn, over wie nauwelijks iets bekend is. Nobelprijswinnares Pearl Buck, die De wateroever in 1933 vertaalde als All Men Are Brothers, wilde graag geloven dat de roman werkelijk ‘uit het volk was ontstaan’, maar uit alles blijkt dat het uiteindelijke boek meer is dan zomaar het werk van een eeuwenlange reeks volksvertellers.

Er is alleen al de constructie van de enorme roman. In de langste versie, van 120 hoofdstukken, worden de 108 rovers (105 mannen en 3 vrouwen) een voor een ten tonele gevoerd, totdat ze op de helft van het boek allemaal tezamen komen onder aanvoering van Song Jiang. In de tweede helft zien we de rovers weer een voor een verdwijnen, omdat ze op verschillende manieren omkomen bij hun gezamenlijke activiteiten. Een kortere versie van 70 hoofdstukken, bewerkt door Jin Shengtan uit de zeventiende eeuw, eindigt op het moment dat de bandieten allemaal bijeen zijn; de bewerker verzon een nieuwe slotscène, waarin de hoofdman Song Jiang droomt dat alle helden worden terechtgesteld.

Deze laatste, lang in zwang gebleven versie lag ten grondslag aan de Wereldbibliotheekuitgave, en voor velen is het eerste deel van het boek ook het aantrekkelijkst. Niet alleen vanwege de afwisselende verhalen van de afzonderlijke bendeleden, van wie bijna elke Chinees zijn favoriet kan opnoemen, maar ook omdat de kern van het boek, het karakter van de nobele bandiet, er het sterkst in naar voren komt. De personages komen uit diverse lagen van de maatschappij en van allemaal wordt beschreven hoe ze, slachtoffer van aangedaan onrecht of van de corrupte overheid, hun normale, respectabele betrekkingen verlaten en min of meer tegen wil en dank buiten de wet komen te staan.

Een typisch voorbeeld is de legercommandant Loe Ta, in de huidige spelling Lu Da, uit het fragment hierboven. Al schuwt hij het geweld duidelijk niet, hij komt in die scène wel op voor de jonge vrouw en haar oude vader, die door een slager worden uitgebuit. Lu Da kent zijn eigen krachten niet, vermoordt de slager en duikt onder in een boeddhistisch klooster, waar hij zijn beroemd geworden monnikennaam Zhishen krijgt: Diepe Wijsheid, of ‘Diepgeest’ in de Wereldbibliotheekvertaling. Maar vanwege zijn opvliegende karakter, en omdat hij te veel houdt van ‘vroolijk drinken en aangenaam gekout’, zeker als er ook nog eens ‘versche visch en malsch kippenvleesch’ op tafel komt, maakt hij zich daar onmogelijk. Toch is ‘Diepgeest’ niet zomaar een ironische naam voor een zondige wildebras: de abt moet hem uit hoofde van zijn functie op straat zetten, maar helpt hem op persoonlijke titel, omdat hij ook wel inziet dat Lu Da eigenlijk een ruwe bolster met een blanke pit is. Dat laatste blijkt al direct in zijn volgende avontuur onderweg, waar hij een jonge bruid uit een gedwongen huwelijk redt door haar plaats in te nemen in het bed en de bruidegom te verrassen…

Wu Song doodt de tijger met zijn blote handen

Lu Da is nog een milde onder de legendarisch geworden vechtersbazen en drinkebroers. Li Kui, de IJzeren Buffel, neemt het merendeel van de talloze bloedige slachtingen in het boek voor rekening, terwijl Wu Song iedereen onder de tafel drinkt en vervolgens met zijn blote vuisten nog een tijger velt – een van de bekendste passages uit De wateroever. Maar de mildste van allen is ongetwijfeld Song Jiang, die niet voor niets uitgroeit tot de leider, en tot de hoofdpersoon van de roman. Song Jiang was nota bene rakker op het gerechtskantoor voordat hij struikrover werd. Zijn karakteristieke hulpvaardigheid, uitgedrukt in zijn bijnaam Welkome Regen, wordt hem noodlottig als een vriend die hij in het geniep voor vervolging heeft behoed, hem beloont met goudbaren. Wanneer het arme zangeresje dat Song Jiang uit medeleven in huis heeft genomen hem met dat belastende materiaal chanteert, beneemt hij haar in een vlaag van woede het leven, en moet vluchten.

Er is iets tragisch, of in ieder geval treurigs aan Song Jiang, die gedurende zijn hele bandietencarrière zijn morele twijfels blijft houden, onder meer doordat hij zich zeer gevoelig betoont voor de Chinese kinderlijke piëteit en zijn vader wil blijven gehoorzamen. Hij wordt bijna de verpersoonlijking van het traditionele Chinese dilemma tussen trouw aan de publieke zaak en vriendschap voor zijn bloedbroeders. Hij is degene die uiteindelijk ingaat op het pardon dat de keizer de rovers aanbiedt om hen te winnen voor een gezamenlijke strijd tegen rebellen die het rijk teisteren, een strijd waarin veel van zijn boevenbroeders om het leven komen, zelfs door zijn eigen toedoen. Al zegeviert dus ten slotte Song Jiangs ambtelijke trouw, voor de duur van de roman loopt de scheidslijn tussen goed en kwaad in ieder geval niet eenvoudigweg tussen regering en geboefte. Het recht dienen heeft meer te maken met je karakter dan je officiële positie, een diep geworteld besef vanwaaruit de Chinezen tot op de dag van vandaag de leiders van hun land bezien. De manier waarop bestsellerauteur Jung Chang in haar recente biografie van Mao Zedong alle misstanden onder het communistische regime volledig op het conto van Mao’s persoonlijkheid schrijft, is daar een extreem voorbeeld van.

Er wordt wel gezegd dat de roman met Song Jiangs overgave moest eindigen om hem gepubliceerd te krijgen. Van de zeventiende tot de negentiende eeuw heeft de Chinese regering het boek herhaaldelijk verboden omdat men de verheerlijking van het banditisme een gevaar vond voor de maatschappij. Daar was reden toe: er zijn verscheidene gevallen bekend van echte boeven die hun bijnamen aan De wateroever ontleenden en de roman zelfs gebruikten als een handboek voor hun roverstactieken. Ook zijn er verbanden gelegd tussen De wateroever en opstanden van sekten en geheime genootschappen, zoals bijvoorbeeld die van de Boksers, een nationalistische beweging die zich rond 1900 met steun van de keizerin-weduwe Cixi tegen in de China aanwezige buitenlandse mogendheden keerde, en dan ook door de westerse geallieerde troepen moest worden verslagen.

Ook in de moderne tijd deed de roman zijn invloed in de werkelijke wereld nog gelden. In 1975, tegen het einde van de Culturele Revolutie, gebruikte de oude Mao het boek in een van zijn politieke campagnes. Mao wierp de vraag op of Song Jiang met het accepteren van het keizerlijk pardon niet eigenlijk had gecapituleerd en daardoor als revisionist moest worden aangemerkt. Zijn kritiek op De wateroever, een van zijn favoriete romans, was in feite gericht tegen de capitulationisten en revisionisten binnen de Partij, waar dan ook verwoed getracht werd de allusies in het boek te duiden. Het resulteerde zelfs in maandenlange publicaties van krantenartikelen en propagandaposters die opriepen de traditionele roman opnieuw te bestuderen – voor menig gewoon burger was dat misschien de eerste kennismaking met De wateroever, in een tijd waarin immers de meeste boeken waren verboden.

Suikoden, manga

Tegenwoordig is de invloed van de roman vooral merkbaar in de alomtegenwoordige Chinese kungfuromans, al voeren die vaak regelrechte moraalridders op in een eenzijdige strijd tussen goed en kwaad, en concentreren ze zich vanzelfsprekend op de spectaculaire vechtscènes. Dat laatste geldt ook voor de stripboeken die er nog altijd van verschijnen. Een ware cult is er ontstaan in Japan, niet alleen in de manga (strips) en anime (tekenfilms), maar sinds de jaren negentig ook in de wereld van de computerspelletjes, onder de Japanse naam Suikoden. Sony Playstation is al toe aan Suikoden IV, waarin je als speler alle 108 ‘Stars of Destiny’ kunt ontmoeten, en al is de actie voor de vierde editie verplaatst van het moeras naar de zee, het speelt zich nog altijd af aan de wateroever.

In Nederland is dit canonieke en tegelijkertijd zo populaire werk een nagenoeg vergeten en alleen nog antiquarisch verkrijgbaar boek geworden. Betreurenswaardig misschien, maar niet onverklaarbaar. In feite ondergingen de alle traditionele Chinese romans hetzelfde lot. Aanvankelijk leek de Wereldbibliotheek eind jaren dertig een trend in gang te hebben gezet: na De wateroever verschenen ook de andere drie van de vier klassieken in het Nederlands, vertaald uit het Duits of Engels. Uitgeverij Bruna kwam in 1943 met De eed in de perzikgaarde, een beknopte bewerking van De roman van de Drie Staten (veertiende eeuw), Kruseman in 1946 met De droom in de roode kamer (achttiende eeuw) en Contact in 1950 met Monkie, een Chinese legende, een korte versie van De reis naar het westen (zestiende eeuw). Maar alleen van die laatste, de internationaal bekende parabel van Koning Aap, verschenen door de jaren heen nieuwe (gedeeltelijke) vertalingen, onlangs nog bij de Wereldbibliotheek, zij het in een navertelling door de Amerikaanse kinderboekenschrijver David Kherdian uit 2002. Ook het erotische Jin Ping Mei, soms de vijfde klassieke roman genoemd, werd na zijn eerste, driedelige verschijning bij Bruna in 1940-41 nog weleens herdrukt, maar dat had ongetwijfeld vooral met de inhoud te maken, getuige ook de heruitgaven die andere erotische klassieker: You Poe Toean of Het lustgebed.

De boeken die overleven doen dat dus niet in de eerste plaats vanwege hun literaire merites. Daarvan is ook moeilijk een beeld te krijgen in verkorte bewerkingen uit een tussentaal. Zeker in dit geval: alle bovenstaande titels zijn op één na het werk van de Duitse vertaler Franz Kuhn (1884-1961), die bekend stond om zijn enorme productiviteit maar ook om zijn zeer vrije manier van vertalen. Kuhn, die lange tijd in China woonde en leefde van het vertalen van Chinese literatuur, zag zijn rol voornamelijk in het introduceren van een vreemde cultuur bij een groot publiek en schrok er niet voor terug om de teksten drastisch naar zijn hand te zetten.

Dat geldt ook voor zijn versie van De wateroeverDie Räuber vom Liang Schan Moor. Hij kortte in, vatte samen, gooide om en liet weg, zodat de Wereldbibliotheek in de inleiding bij de Nederlandse vertaling in feite terecht sprak van ‘kleurig in het Duitsch naverteld door Dr. Franz Kuhn’. Zo sneuvelde er veel van wat de roman de roman maakt. In het origineel wordt de lezer voortdurend toegesproken en bij de hand genomen, in de trant van: ‘Wilt u weten hoe het afloopt, lees dan het volgende hoofdstuk’ of: ‘Op dit punt splitst het verhaal zich in twee, we volgen eerst dat van…’ Dergelijke beroepsvertellersfrasen verraden de orale oorsprong van het werk, maar worden in de latere romanversie uitgebreid en uitgebuit voor het geven van commentaar, hier en daar met een knipoog. Een soortgelijke functie hebben de gerijmde coupletten, die op strategische punten de handeling iets meer diepte geven door met name het karakter van de personages te belichten. Als Song Jiang op het punt staat afgeperst te worden door het zwakke meisje en haar moeder, die hij eerst zo voorbeeldig had geholpen, staat er:

Hier wordt de lafaard een waaghals

En de goedzak wreed en vals.

Kuhn heeft precies al die frasen en coupletten weggelaten, zodat het geheel, hoe ‘kleurig’ ook, aan levendigheid inboet, en je op zijn best een avonturenboek vol liederlijke personages overhoudt, maar niet de indruk hebt een literair meesterwerk te lezen.

Integrale, directe vertalingen zijn uiteraard een kostbare zaak, alleen al gezien de omvang van de traditionele Chinese romans; de relatieve onbekendheid in het westen maakt het uitgeven nog riskanter. In het Frans en Engels bestaan (bijna) complete vertalingen, maar die voorbeelden laten zien dat om de negatieve spiraal van ontoegankelijkheid en onbekendheid te doorbreken ook de presentatie nauw luistert.

In Frankrijk verscheen De wateroever in de Pléiade van uitgeverij Gallimard, de befaamde klassiekenreeks, zorgvuldig bezorgd op bijbelpapier in luxe band. Toen Au bord de l’eau, vertaald door sinoloog-schrijver Jaqcues Dars, in 1978 werd uitgebracht, voorzien van een honderd-paginalange inleiding en een uitgebreid notenapparaat, waren de commerciële verwachtingen niet hoog. Maar de twee delen van samen 2500 pagina’s bleken een kritisch én een publiek succes, waarna spoedig ook de andere Chinese klassieken volgden. Het prestige van de reeks droeg daar zeker aan bij, al was een groot deel van de kopers vast meer verzamelaar dan lezer. Toch bracht de uitgave een zekere erkenning, die in het Engelse taalgebied moeilijker ligt. Daar verschenen twee nagenoeg volledige vertalingen bij Chinese uitgevers: die van Sidney Shapiro, Outlaws of the Marsh (1980), bij de Foreign Language Press onder auspiciën van het Chinese ministerie van cultuur, en het recente monsterproject van de gebroeders Dent-Young, The Marshes of Mount Liang (1994-2002), bij de Chinese University Press in Hongkong. Hoe waardevol en onmisbaar ook, in die vormen blijft de roman toch meer een exotisch werk voor kenners dan een klassiek werk voor iedereen – in tegenstelling tot een Chinese klassieker als De droom van de rode kamer, die in de stijlvolle pockets van Penguin Classics beter tegen de vergetelheid bestand lijkt. Dat is misschien een van de redenen waarom Pearl Bucks Amerikaanse vertaling uit de jaren dertig nog altijd wordt herdrukt.

Nederland mag wat Chinese literatuur betreft een jongere vertaaltraditie en minder vertalers hebben dan Frankrijk, Engeland of Duitsland, toch waren het in die gevallen ook telkens maar een of twee bezielden die het enorme karwei klaarden. Uit de al verschenen vertalingen van klassieke poëzie en kort proza, en uit de eerste hoofdstukken van traditionele romans die het tijdschrift Het trage vuur af en toe opneemt, blijkt bovendien dat die vertalers er wel degelijk zijn. Men hoeft er maar een paar bereid te vinden en in de gelegenheid te stellen om zich jarenlang aan die monnikentaak te wijden – zolang ze niet zo vaak ‘leutig voortbekeren’ in een ‘allerliefste wijnkroeg’ als Diepgeest Lu Da, zullen ze die kloosterdiscipline wel kunnen opbrengen.

Oorspronkelijk verschenen in Armada – tijdschrift voor wereldliteratuur nr 41 (Honderd jaar Wereldbibliotheek, 1905-2005), december 2005

Lees hier meer over het vertalen van die andere Chinese klassieker, De droom van de rode kamer: Weten en vergeten

En meer vertaalgeschiedenis in: ‘Voor het beschaafde, lezende publiek’

Zie ook: De krijgskunst volgens meester Sun

‘Schrijven pak ik aan op z’n Chinees’

Zijn eerste schrijfervaring in het Frans had Dai Sijie toen hij midden jaren tachtig, net met een studiebeurs aangekomen uit China, iets op papier moest zetten om aangenomen te worden op de filmacademie IDHEC in Parijs. ‘Het was een ramp. Ik kreeg het voordeel van de twijfel omdat er zich maar zelden Chinese studenten aanmeldden.’

Maar toen hij bijna vijftien later jaar de pen weer oppakte, had hij in één klap meer succes dan hij ooit met zijn drie films uit de tussenliggende periode had gekend. Van zijn Franstalige roman Balzac en het Chinese naaistertje (2000) werden wereldwijd, in ruim dertig landen, meer dan een miljoen exemplaren verkocht. In dat deels autobiografische werk vertelt hij, niet zonder humor, hoe twee op het platteland tewerkgestelde jongens tijdens de Culturele Revolutie via verboden buitenlandse boeken het leven en de liefde ontdekken. Het plaatselijke naaistertje dat ze inwijden in de westerse literatuur, besluit op een dag, geïnspireerd door Balzac, de wijde wereld in te trekken.

In 2003 volgde de onlangs in het Nederlands vertaalde roman Het complex van Di, waarin een Chinese aanhanger van Freud vanuit Parijs terugkeert naar China om er de allereerste psychoanalyticus te worden, een op de fiets rondtrekkende droomuitlegger. Zijn tocht is in feite één grote poging om zijn geliefde uit de gevangenis te redden: de ridderlijke antiheld dient daartoe namelijk een zekere rechter Di, even gevreesd als corrupt, in plaats van de gebruikelijke steekpenningen een maagd te bezorgen – en dat terwijl hij zelf nog maagd is.

Freud was eigenlijk Dai Sijie’s eerste boekidee, niet Balzac. ‘Een vriend en ik hadden tijdens onze tewerkstelling Freuds Traumdeutung in handen gekregen, toen nog clandestien. We grapten dat we daarmee de boeren moesten gaan helpen, door hun dromen uit te leggen, maar dat hebben we uiteindelijk nooit gedaan. Later heb ik mijn tweede roman gebaseerd op een studiegenoot in Parijs, een echte freudiaan die net als mijn personage nog maagd was.

‘Maar toen ik voor het eerst in het Frans ging schrijven, vond ik dat ik het beter kon houden bij wat ik zelf had meegemaakt, verhalen die ik al jaren aan iedereen vertelde. En het plattelandsmeisje dat we in China kenden hield nu eenmaal echt van Balzac. Dat meisje was overigens geen naaister en het liefdesverhaal met mijn vriend verliep ook niet zo romantisch als in het boek. Het meisje vertrok niet zomaar van de ene op de andere dag naar de stad: ze ging, kwam weer terug, en ging weer, dat alles onder veel gekibbel met mijn vriend. Ik heb het natuurlijk allemaal bewerkt.’

Als student in Chengdu, West-China, had Dai alleen wat korte verhalen geschreven. ‘Ik begon eigenlijk in het Frans te schrijven om te kijken of ik, na al die jaren, Frans kon worden. Ik had al wel scenario’s in het Frans geschreven; zo had ik de smaak te pakken gekregen. Maar ik beschouw mezelf nog steeds niet als een echt Frans schrijver. Ik heb altijd het juiste excuus, moet je maar denken: in het ene geval kan ik zeggen dat ik cineast ben, in het andere dat ik eigenlijk Chinees ben. Ik val overal een beetje buiten.’

Voelt hij zich misschien horen bij de groeiende groep van schrijvers tussen twee culturen, zoals François Cheng in Frankrijk en Ha Jin in Amerika?

‘Ik denk dat we allemaal anders zijn. Misschien hebben schrijvers het in Amerika ook iets makkelijker, in die meer open cultuur. Wat ik bij mezelf wel merk is dat ik het schrijven op zijn Chinees aanpak. Een van de grote verschillen tussen de Chinese en westerse literatuur is dat de Chinese roman, van oudsher, meer weg heeft een feitelijk relaas, anders dan de diverse westerse romanvormen. Daarbij komt dat ik vrij natuurlijk in episoden begon te vertellen, dat is ook heel traditioneel. De Chinese klassieken zijn zelden één verhaal, maar kennen bijvoorbeeld een eenheid op thematisch niveau. Zo begin ik Balzac en het Chinese naaistertje met een scène over Mozart en een viool op het Chinese platteland. Dat is een op zichzelf staand verhaaltje, maar het sluit aan bij het grote thema van het boek: de confrontatie tussen twee culturen.

‘Mijn tweede boek is nog episodischer dan het eerste, het is langer, maar ook vrijer. Ik heb er met meer vertelvormen geëxperimenteerd, zoals krantenstuk, brief en dagboek; misschien is dat westerse invloed. Maar ik heb me vooral op de taal geconcentreerd: anderhalf jaar heb ik eraan aan gewerkt, met mijn neus continu in de Larousse en andere woordenboeken.’

In 2003 werd Balzac en het Chinese naaistertje vertaald in het Chinees. Hoe werd er in China gereageerd op het thema van de cultuurconfrontatie?

‘Tot mijn verrassing werd het boek gepubliceerd met een nawoord van de vertaler, Yu Zhongxian, een beroemdheid, waarin hij het boek bekritiseert met precies de bezwaren van overheidswege: dat ik alleen maar de ijdelheid van de Fransen had gestreeld en China te achterlijk had afgeschilderd. Ik begreep wel dat die vertaler dat had gedaan als een compromis, om het boek gepubliceerd te krijgen. De Culturele Revolutie was het probleem niet, daarover schrijven is heus niet verboden, anderen gaan er veel verder in dan ik. De kritiek was gewoon erg nationalistisch – “slaafse aanbidding van het Westen”, heb ik zelfs ergens in een recensie gelezen.’

Met soortgelijke problemen kreeg Dai te maken toen hij zijn eigen boek in China wilde verfilmen. ‘Mijn eerste film, Chine, ma douleur, had ik in 1989 in de Pyreneeën geschoten. Daar hadden we een Chinees decor nagebootst en dat vond ik toen prima. Maar voor deze film wilde ik echt naar de plaats waar het verhaal zich had afgespeeld; ook de streektaal wilde ik erin horen. Je kunt het je misschien niet voorstellen, maar er werd door de censoren een speciale bijeenkomst belegd om over mijn project te discussiëren. Ik heb wat concessies gedaan. Een cruciale seksscène moest kuiser, die hebben we verplaatst van onder een boom naar in het water, zodat je minder zag. Vervolgens werd er nog precies afgesproken tot hoever de acteurs onder water moesten. Ik ging er maar mee akkoord, ik wist eigenlijk toch niet zo goed waar ik de camera bij die boom precies had moeten neerzetten.’

Er kwam zelfs de vraag of hij van Balzac niet een klassieke Chinese auteur kon maken – die schreven toch ook over de liefde? Dat weigerde Dai uiteraard. ‘Maar een ander einde, waarin China er positiever op kwam te staan, daar heb ik wel iets op gevonden: een scène die meer droomachtig en symbolisch was, en dus voor meerdere uitleg vatbaar. Natuurlijk had ik eenmaal terug in Frankrijk al die alternatieve stukken weer weg kunnen gooien, maar ik was er uiteindelijk best tevreden mee. Bovendien zou het toch mooi zijn, dacht ik, als de film ook inderdaad in China vertoond kon gaan worden.’

Volgens Dai reflecteren deze moeilijkheden in feite een grote frustratie van zijn generatie. ‘Allemaal proberen we dingen die we in het Westen geleerd hebben mee terug te nemen naar China, om de samenleving daar te veranderen. Maar makkelijk is het niet.’

Als je Dai’s boeken naast elkaar legt, zou je kunnen concluderen dat Balzac wel het leven van een boerenmeisje heeft kunnen veranderen, terwijl Freud in China duidelijk minder succes heeft. Dai schildert zijn ambulante psychoanalyticus in ieder geval af als een ware donquichot, wiens droomuitleggingen ofwel grote hilariteit opwekken ofwel worden afgedaan als waarzeggerij. Ligt het aan Freud, of aan zijn wat onbeholpen bezorger? Is het boek een vorm van zelfspot?

‘Ik moet toegeven’, zegt de overwegend montere Dai opeens wat stemmiger, ‘dat wij over het algemeen inderdaad hebben gefaald.’

Of is het misschien ook een kwestie van de veranderende tijden? Het verhaal van Balzac speelt in de jaren zeventig, dat van Freud in het heden. Hoewel beide boeken met Dai’s typische lichtvoetigheid en gevoel voor komedie zijn geschreven, tekent hij de samenleving anno 2000 veel zwarter.

‘Dat is misschien wel opvallend, ja. De Culturele Revolutie is natuurlijk in veel opzichten een donkerder periode, maar de mensen waren naïever, ontvankelijker. Buitenlandse literatuur kon nog wat teweegbrengen. In het huidige China is er veel meer onverschilligheid. En China is nu eenmaal echt een land geteisterd door corruptie –rechter Di die om een maagd vraagt, daarmee overdrijf ik het natuurlijk, maar corruptie is iets waar alle Chinezen aan meedoen.’

Dai’s liefde voor de lach lijdt er in ieder geval niet onder. Hij loopt al jaren rond met het plan voor een heuse filmkomedie, die zich moet afspelen in de Chinese wijk van Parijs, waar een Fransman zich verliest in het taoïsme.

Maar op het moment legt hij nog de laatste hand aan een drama, Les filles du botaniste chinois – weer een project dat hem de nodige problemen bezorgde. Hij kon niet filmen in China en moest deze zomer uitwijken naar Vietnam. Het waargebeurde, noodlottige verhaal over de liefde tussen twee Chinese vrouwen lag niet alleen gevoelig bij de autoriteiten, ook de Chinese actrices stonden niet voor de rollen in de rij. Meerdere sterren zouden hebben geweigerd uit angst om met homoseksualiteit geassocieerd te worden. Een van de vrouwen wordt nu gespeeld door een Française met een Chinese vader – alleen spreekt ze helaas geen Chinees.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 4 november 2005

Gevangen in een shopping mall

Chinese literatuur en de markt

In China verrijzen overal boekhandels zo groot als warenhuizen, waarvan alle verdiepingen vol zitten met jongeren die deze ‘boekensteden’ of ‘boekentorens’ staand en hurkend gebruiken als bibliotheek. Je moet bijna altijd iemand onder het lezen storen als je een boek uit het schap wilt pakken. Massaconsumptie ja, maar dan wel van het geschreven woord.

Het Beijing Book Building

Er is bijna een exacte datum vast te stellen waarop de moderne consumptiemaatschappij haar intrede deed in de Volksrepubliek China: 4 juni 1989 – de bloedige onderdrukking van de protestbeweging rond het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, die vorige week voor de zestiende keer werd herdacht.

De daaraan voorafgaande jaren tachtig waren een periode van bevlogen discussie over ideeën, kunst en cultuur, bijna ongekend voor het moderne China, maar misschien ook wel voor de westerse wereld, waar hippies en vrijdenkers zich in die jaren juist bekeerden tot de economie en het ondernemerschap.

De dood van Mao Zedong in 1976 maakte een einde aan drie decennia van culturele kaalslag en isolationisme; Deng Xiaopings opendeurpolitiek bracht niet alleen materiële maar ook geestelijke verrijking. Het betekende tegelijk het begin van de hedendaagse Chinese literatuur, mede dankzij de introductie van westerse boeken in vertaling, nu niet meer ondergronds in kleine kringen, maar over de toonbank in miljoenen exemplaren.

Het waren koortsachtige tijden. Niet alleen Faulkner, Kafka, Borges en Agatha Christie werden ontdekt, maar ook, deels in reactie daarop, de eigen literaire traditie, waarvan de wortels ergens diep onder Mao’s barre laag ideologie waren komen te liggen. Koorts heerste er door enthousiasme maar ook door onzekerheid: de westerse invloed was algauw zo dominant dat men zich afvroeg of er iets mis was met de Chinese cultuur. Toen Gabriel García Márquez in 1982 met een voor sommige Chinezen gedroomde mengeling van Europese en inheemse tradities de Nobelprijs won waren de reacties veelzeggend.

Chinezen lezen in een Pekingse boekhandel

‘En wij maar denken dat die Colombianen alleen maar konden voetballen,’ klonk het met enige zelfspot. Mo Yan (Het rode korenveld), licht gepikeerd om steeds met de Latijns-Amerikaanse magisch-realist te worden vergeleken, hield het erop dat Márquez hem gewoon te snel was afgeweest. Schrijver Han Shaogong (Woordenboek van MaqiaoSchoenenobsessie) diagnosticeerde dat er niets mis was met de Chinese cultuur maar wel met de Chinese creativiteit. Hij zag voorlopig meer oppervlakkige navolging dan werkelijke invloed van het Westen, meer connoisseurs dan scheppers: als de Culturele Revolutie iets kapot had gemaakt, was dat de creativiteit.

Men praatte niet alleen over cultuur omdat de politiek het weer toestond, maar ook omdat het een manier was om indirect over politiek te praten. De mens zien tegen de achtergrond van een rijke, veelkleurige cultuur was – voor de goede verstaander – hem wegtrekken uit een enge klassenachtergrond. Als het écht over politiek ging, greep de overheid nog altijd in. De laatste keer dat dat pijnlijk duidelijk werd was bij de openlijke demonstraties om democratie, die uitmondden in de traumatische les van 4 juni 1989.

Na een korte stilte werden de debatten over mens en maatschappij overstemd door discussies over de consumptiemaatschappij. Praten over geld, daar had de regering inmiddels weinig meer tegen.

Voor sommige intellectuelen lag dat anders: tot hun schrik merkten zij dat hun eens zo vooraanstaande rol door de opkomst van de populaire cultuur werd gemarginaliseerd. In de jaren tachtig had het geleken alsof het woord ‘elitair’ niet bestond, maar nu kregen zij dat etiket opgeplakt. Tot op heden gaan er geregeld verontwaardigde stemmen op dat de economie weleens een even geduchte vorm van censuur met zich mee kan brengen als de politiek, wanneer kungfu-romans en popmuziek de dienst uit gaan maken. Gao Xingjians in het Westen soms als naïef ervaren Nobelrede over het schrijven van een literatuur die zich onttrekt aan de politiek én aan de markt, is in dit licht beter te begrijpen.

Of het nu door Vier Juni kwam of niet, verschillende schrijvers die tevoren naam hadden gemaakt als experimentele avant-gardisten, aanbidders van Calvino en Robbe-Grillet die het de lezer graag moeilijk maakten, kwamen in de jaren negentig met meer conventionele romans. Su Tong (Rijst) groeide uit tot een bestsellerauteur, mede dankzij de internationaal succesvolle verfilming Raise the red lantern. Yu Hua’s Leven!, hoewel toegankelijker dan zijn vorige werk, werd juist lange tijd verboden omdat de vermaarde cineast Zhang Yimou er een veel politieker werk van had gemaakt dan de schrijver zelf.

Bladzijde uit Jia Pingwa’s Vervallen stad, met blanco blokjes gevolgd door de tekst: ‘hier heeft de auteur zo-en-zoveel karakters geschrapt’.

Soms lijkt de censuur vaker in te grijpen nu door de marktwerking een groter publiek wordt bereikt; een kort experimenteel verhaal leest ‘het gewone volk’ toch niet, zei Su Tong ooit schouderophalend. In zijn geval was zelfs een keer alleen de film de pineut: de adaptatie van zijn roman Rijst bleef jaren lang in de blikken vanwege te veel bloot – maar doet het tegenwoordig goed op dvd.

Seks is wel meer het probleem: Jia Pingwa’s (hier onvertaalde maar met de Franse Prix Fémina bekroonde) roman Vervallen stad uit 1993 was om die reden de eerste grote literaire rel van de jaren negentig, ook al had de auteur alle erotische scènes opzettelijk weggelaten: blanco regels als treiterige zelfcensuur.

Een heikeler punt is de politiek, zoals Mo Yan in 1997 ervoer. Zijn roman Grote borsten brede heupen doet zijn titel eer aan, maar werd uit de winkels geweerd vanwege zijn verdraaide weergave van de revolutionaire geschiedenis. In de strijd tussen de nationalisten en de communisten, waaruit per slot van rekening de huidige Chinese staat ontstond, dienen de laatsten nog altijd als helden te worden afgeschilderd. Zo kreeg een andere auteur in 1995 een belangrijke literaire staatsprijs alleen op voorwaarde dat hij enkele passages over die oorlog herzag.

Maar de boeken van Mo Yan en Yu Hua konden in de 21ste eeuw weer verschijnen. Dergelijke stormen gaan ook steeds sneller liggen. Na de ophef over seks, drugs en rock-’n-roll die Mian Mian in 2000 met Candy veroorzaakte, werd haar nieuwe boek Pandaseks dit jaar besproken in de Engelstalige partijkrant China Daily. De schrijfster was ‘volwassen geworden’, luidde het oordeel – misschien omdat de redactie wist dat pandaberen het maar twee keer per jaar doen.

Directe politieke kritiek blijft uit den boze. Onlangs werd in een roman Mao’s leus ‘Dien het volk’ in verband gebracht met het seksueel bedienen van een hoge legerpief, waarbij ook foto’s van de voormalige Leider werden verscheurd en beplast. Het verbod liet niet op zich wachten, maar de verschijning als zodanig laat zien dat het patent op een kritische of opstandige geest niet berust bij naar het Westen uitgeweken Chinezen, zoals sommigen van die laatsten weleens willen doen geloven.

Er verschijnen in China wel degelijk maatschappijkritische werken. De recentelijk opgekomen ‘bureaucratieroman’ is misschien nog de riskantste vorm daarvan. Daarin stellen auteurs de wijdverbreide corruptie in de publieke sector aan de kaak, wat hun naast politieke tegenwerking vooral hoge verkoopcijfers oplevert.

Datzelfde samengaan van kritiek en commercieel succes zie je bij twee zeventienjarige debutanten die zich verzetten tegen het rigide schoolsysteem. Beijing Doll van Chun Sue is ook in Nederland bekend, maar veel meer furore maakte Han Han met De drie poorten. Binnen twee jaar na uitgave in 2000 werden er een miljoen exemplaren van verkocht, in 45 drukken, terwijl een Chinese uitgever met 20.000 exemplaren al dik tevreden is. De jonge auteur werd een tieneridool, die zijn school niet afmaakte en rondreed in dure Japanse auto’s.

Hu Fangs experimentele
roman uit 2003

De consumptiemaatschappij zélf werd onderwerp van literair onderzoek. In Fucker van Yin Lichuan gaat een groepje outcasts in supermarkten stelen als een vorm van performance art: niet uit materiële behoefte, maar als kritiek op de consumptiemaatschappij. In Shopping Utopia beschrijft de multimediale artiest Hu Fang de vervreemding van enkele personages in een reusachtig winkelcentrum. Het boek is voorzien van een plattegrond en de hoofdstukken hebben als titels de codes van de verschillende verdiepingen en afdelingen: L3-C08, B2-A04… Ook van zijn hand is het eveneens geïllustreerde Zintuigelijke training, een roman in de vorm van een handboek dat China’s nieuwe middenklasse geestelijk welzijn moet bijbrengen in tijden van toenemende materiële welvaart.

Er zijn natuurlijk ook genoeg schrijvers die geen kritiek leveren, geen actuele thema’s agenderen. Maar hoe wars sommigen ook zijn van trends en tendensen, allemaal profiteren ze van de markt doordat hun boeken steeds mooier gedrukt worden en beter beschikbaar blijven. Kon je tien jaar geleden nog stad en land afzoeken naar een bepaald werk, tegenwoordig publiceren schrijvers hetzelfde boek zonder scrupules bij meerdere uitgevers tegelijk.

De grote boekenwarenhuizen zijn dan ook niet alleen gevuld met de vele gretige lezers die China van oudsher kent, maar bieden vooral ruimte aan de enorm uitdijende boekenmarkt. In 2004 verschenen er in China zo’n 170.000 titels, waarvan de helft educatief. Daar zaten zeker 1000 nieuwe Chinese romans bij, terwijl nog een veelvoud ervan verscheen op het internet, dat ondanks staatsfiltering een levendig alternatief circuit vormt, bijvoorbeeld voor homoliteratuur. Buitenlandse bedrijven azen op mogelijkheden – er is al een Chinese Bol.com, en Amazon heeft Joyo.com gekocht – al krijgen zij wel te maken met een gebrekkige auteurswet en de plaag van piratenuitgaven.

Economische groei alleen is niet zaligmakend, zelfs economen schijnen het tegenwoordig te beamen en veel Chinezen hoor je het verzuchten, misschien omdat ze de ontwikkelingen zo snel meemaken. Aan het eind van Shopping Utopia krijgt de hoofdpersoon ’s avonds in de hel verlichte shopping mall het beklemmende gevoel dat hij niet meer naar buiten durft, waar de enge, donkere werkelijkheid wacht. Zou hij zich in zo’n boekenwarenhuis beter voelen?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant op 10 juni 2005

Lofzang op de boereneenvoud

Pearl Bucks De goede aarde heruitgegeven

Er heerst in bepaalde Chinese kringen nog altijd het gerucht dat Pearl Buck in 1938 alleen maar de Nobelprijs kreeg om China te eren, aangezien de belangrijkste Chinese kandidaat, Lu Xun, de vader van de moderne Chinese literatuur, de Multatuli van China, net was overleden. Het mag een uiting zijn van gekrenkte nationale trots, toch zit er ook wel iets meer in die verontwaardiging.

Pearl Sydenstricker Buck (1892-1973), die als dochter van Amerikaanse zendelingen de eerste helft van haar tachtigjarige leven in China doorbracht, werd voornamelijk gelauwerd om haar ‘waarheidsgetrouwe beschrijving van het boerenleven in China’. In haar Nobelrede ging zij bovendien in op de Chinese romantraditie, waarvan de Westerse in haar ogen iets kon leren. Met kennis van zaken betoogde ze dat de Chinese roman eeuwenlang als volksvermaak en niet als serieuze literatuur was beschouwd. Maar haar rede liep uit op een vrij eenzijdige verdediging van de volksliteratuur, gepaard met een felle aanval op China’s moderne elite, die volgens haar te veel geïnteresseerd was in sociale kritiek en westers geïnspireerde vormexperimenten.

De voornaamste kenmerken van de klassieke Chinese roman zijn tot op zekere hoogte ook in haar eigen werk terug te vinden: een onopgesmukte stijl en een eenvoudige, chronologische plot, met meer actie dan introspectie en eerder typen dan ‘levende’ personages. Het draaide om herkenbaarheid, voegde zij eraan toe, de roman was een ‘product van het volk’.

De goede aarde (1931), Bucks grootste en eigenlijk enige succes, laat zien dat al die simpelheid nog niet zo simpel te bewerkstelligen is. Zeker, het verhaal beslaat simpelweg het leven van boer Wang Lung, van zijn trouwdag tot zijn dood, en volgt de cyclus van het land, met de seizoenen, de oogsten en de folklore. Dat sluit ook aan bij het thema van het boek: Wang Lung wordt van een arme pachter een grootgrondbezitter, krijgt te maken met de verleidingen van de rijkdom en worstelt met zijn boereneenvoud; maar zijn liefde voor ‘de goede aarde’ blijft altijd bestaan.

Op andere punten overtuigt Buck minder. Een geslaagd type kan beter zijn dan een mislukte karaktertekening, maar bij Buck zijn het regelrechte stereotypen: natuurlijk is Wang Lung een goedige boerensul en de rentmeester in de stad een gladjanus, natuurlijk is de plattelandsvrouw zwijgzaam en hardwerkend en het stadsjuffertje ijdel en kwebbelziek. Bovendien is het nogal ongeloofwaardig dat die ‘gewone Chinese mensen’ telkens hun dagelijkse gebruiken voor de Westerse lezer toelichten, en dat terwijl authenticiteit voor Buck, en voor het Nobelcomité, nu juist zo belangrijk was.

De vraag rijst waarom uitgeverij Atlas De goede aarde opnieuw heeft uitgebracht, in haar serie ‘De twintigste eeuw’. Als portret van China is het achterhaald: het land was tijdens Bucks leven al drastisch veranderd. Om Bucks schrijfkunst kan het ook niet echt zijn gegaan, anders presenteerde Atlas geen bewerking van Bep Zody’s Nederlandse vertaling uit de jaren dertig.

Het moet te maken hebben met de onverminderde populariteit van het boek in Amerika, waar het bijvoorbeeld op de lijst van Oprah’s Book Club staat. Oprah Winfrey waardeert Bucks pleidooi voor landelijke eenvoud en haar aandacht voor de positie van de vrouw, gruwelend om de praktijk van het voetbinden. Dezelfde onderwerpen vind je terug in curricula sinologie van Amerikaanse universiteiten, die het boek vanwege de bekendheid op de leeslijst handhaven, maar studenten wel aansporen om te onderzoeken in hoeverre The Good Earth nu eigenlijk een Amerikaans boek is, zijn ‘Chinese reputatie’ ten spijt.

Zo kan Bucks bijna moralistische nadruk op eenvoud weleens veel te maken hebben met haar christelijke, presbyteriaanse achtergrond, en in de laatste helft van haar leven werd Buck in Amerika vooral bekend als voorvechtster van vrouwenemancipatie. Vooral dat laatste vind je niet zo gauw terug in de Chinese volksliteratuur, maar eerder bij de door Buck zo verfoeide, westers georiënteerde schrijvers uit haar tijd, niet in de laatste plaats Lu Xun.

Het Nobelcomité heeft dus niet echt China geëerd, maar Pearl Bucks apple-pie virtues met een feministisch tintje, opgevoerd in een exotische setting; een beetje zoals in de verfilming uit 1937, waarin Hollywoodacteurs de hoofdrollen speelden, met Chinese figuranten. Je zou je bijna met de Chinese chauvinisten gaan afvragen: wat als Lu Xun destijds de Nobelprijs had gewonnen?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 13 mei 2005