Volwassen worden met Frans Kellendonk
Toen ik na maandenlange afwezigheid weer eens bij mijn ouders op bezoek was, iets waaraan een zelfstandig student op kamers natuurlijk maar bij hoge uitzondering mocht toegeven, zag ik de schrijver voor het eerst. Ik dwaalde door het huis, waar ik mijn plek niet meer meende te kunnen vinden, tot ik vanuit de keuken de woonkamer inkwam en plotseling stilstond voor de tv. Op het scherm prijkte een onduidelijke zwart-witfoto van een donker kijkende man; ongemakkelijke houding, onwillig geportretteerd. Van het onderschrift zag ik alleen de jaartallen, 1951-1990, de naam van de schrijver ging verloren in de bestudeerd-gedragen toon die nieuwslezers plegen aan te slaan bij het overlijden van een bekend persoon uit de wereld van kunst en cultuur.
Het was eigenlijk een eerste kennismaking met een oude bekende. Ik had altijd al veel gelezen, maar als puber ging ik er recalcitrant vanuit dat ik niet moest lezen wat men voorschreef; niet de grote namen, niet de canon, ik vond mijn eigen weg wel door de bibliotheek. Misschien lag het ook aan de leraren op school. Op de vraag waarom we De aanslag moesten lezen, luidde het mompelend dat dat boek ‘gewoon goed in elkaar zat’. Op de vraag waarom Wir Kinder vom Bahnhof Zoo van Christiane F niet mocht, reageerde de leraar Duits met enkel een diepe, hoofdschuddende zucht. De leraren Engels deden het wat dat betreft beter, die lieten ons, zestienjarigen, onbevangen door de niet bepaald uitnodigende wereld van Joyce’s Dubliners stappen; een onvergetelijke ontdekkingstocht langs zompige tuinen en besneeuwde dodenakkers.
Ook Frans Kellendonk had ik in feite op mijn eigen houtje ontdekt. Ik zag hem dan wel voor het eerst op het NOS-journaal, maar besefte direct dat ik door de jaren heen zeker een boek of drie, vier van hem in mijn toen nog zeer bescheiden kast had verzameld. Aangezien ik niet wist wie hij was – namen en oeuvres waren per slot van rekening uit den boze – had zijn werk me dus blijkbaar echt aangesproken. Natuurlijk sloeg ik aan het herlezen, en algauw bleek dat het allemaal begonnen was met Bouwval, zijn vanaf de eerste zin overrompelende debuutnovelle uit 1977: ‘Een paar maanden nadat zijn ouders hadden besloten om oud te zijn en beiden tegelijk hun tanden hadden laten trekken zag de kroonprins het schilderij voor het eerst.’ Misschien had ik het boek in eerste instantie opgepakt vanwege de dungelijnde zwart-wittekening van William D. Kuik op het omslag. Een bouwwerk stelde het voor, maar het beeld was zo onaf en oningevuld dat je je verbeelding erbij kon inschakelen; er viel nog heel wat te ontdekken.
Bouwval lijkt eenvoudig samen te vatten: de tienjarige Ernst, die in zijn fantasieën de ‘kroonprins’ is van een illuster geslacht van kathedralenbouwers, komt er op een familiebezoek tijdens Allerzielen achter dat al zijn verwachtingen op niets zijn gebaseerd. Zijn voorvaderen, zo blijkt uit opa’s exposé tijdens de thee, waren hooguit bekrompen, mislukte aannemers, en zijn eigen vader, die amper een schilderij kan ophangen, is opgelucht als het familiebedrijf verkocht wordt en hij het niet meer hoeft te erven. Kortom: een jongen die zijn eerste grote illusie te verwerken krijgt en dus een beetje volwassen wordt.
Maar zo simpel is het niet, het mooie is juist dat er vanaf het begin al een kleine volwassene in de kroonprins schuilt. Met de ironie die zijn handelsmerk zou worden laat Kellendonk de kroonprins voortdurend over zichzelf denken zoals hij dat op zijn leeftijd nooit zou kunnen. ‘Van de tien jaar die hij al leefde had de kroonprins er tien verwacht, maar nog altijd was hij plomp en vormeloos en die doelgerichte, vastomlijnde staat, die hij bij zichzelf volwassenheid noemde, was hij nog geen stap genaderd.’ Als Ernst achter in de auto wacht op zijn ouders, om bij opa op visite te gaan, staat er metaforisch: ‘Hij ging zwaar gebukt onder zijn leeftijd. Hij kon niets anders doen dan wrokkend wachten op de om onnaspeurbare redenen zo noodzakelijke volwassenheid.’ Geen wonder dat hij zich zo ergert aan zijn zusje Aapje, dat zich met behulp van moeders make-up en eigengereide bijdragen aan de conversatie juist opzichtig probeert voor te doen als een groot mens.
Toch zijn er zonder dat hij het weet al heel wat dingen die Ernst als een volwassene ervaart. ‘Hij hield van het gevoel van snelheid. Snelheid ontnam de dingen langs de weg hun concrete hardheid zodat ze even innerlijk konden worden als gevoelens en gedachten. Veilig in de auto zitten en de hele wereld aan hem voorbij laten gaan zonder aan de hardheid van de dingen te hoeven lijden, o! wat hield hij daarvan.’ Maar zijn belangrijkste ervaring is natuurlijk de ontmoeting met zijn demon: de ingelijste krijttekening van ‘Langueur’ die bij hem thuis boven de trap hangt. Een portret van een slungelige, onderuitgezakte jongeman in slordig jacquet, die door de krijtstrepen van de tekenaar ‘zo belachelijk altijddurend aan het vallen was’. In dat schilderij, gemaakt door de overleden broer van zijn opa, ziet Ernst zijn eigen onheil, een soort oudere versie van zichzelf. Hij begrijpt met een schok wat ‘doemenis’ is en begint te voelen dat hij ‘aan de geest van zijn familie onderworpen was. Hij werd somberder.’
Ik zal niet zeggen dat ik me nou zo in Ernst herkende, al heeft iedereen die opgroeit deze ‘familielast’ ongetwijfeld ervaren. Het moet de ironische toon van Kellendonk zijn geweest, de dubbele bodem, die me indirect iets over dat opgroeien vertelde, liet voelen. Ook Kellendonks latere stokpaarden, die zich in Bouwval al aandienden, gingen bij eerste lezing grotendeels aan me voorbij. De afbrokkelende zuilen van het geloof, de oprukkende invloed van het geld, het uiteenvallen van traditie en gemeenschap – Kellendonk was bijna een generatie ouder dan ik en hij klonk wat die zaken betreft eerder als een oudere broer.
Ik voelde me eigenlijk pas echt een plompe, vormeloze kroonprins toen ik op mijn beurt in mijn ouderlijk huis voor een portret kwam te staan. Nu ik de schrijver via het tv-journaal had herkend, was ik immers ook een illusie armer – als lezer welteverstaan. Het versmaden van de canon had weinig zin meer, ik kreeg vanaf dat moment juist wél oog voor namen en begon actief schrijvers te volgen en verzamelen. En niet voor niets: Bas Heijne toonde in ‘Alle vrees is als glas’ al overtuigend aan hoezeer Kellendonks romans en verhalen samenhangen, een klein maar hecht oeuvre vormen. Al was het maar om te zien hoe Ernst uit Bouwval opgroeit tot Frits in De nietsnut en tot Broer in Mystiek lichaam – waarin ook Aapje tot Prul is geëvolueerd.
Toen ik later vol goede moed promotieonderzoek ging doen naar de moderne Chinese letterkunde, ontdekte ik verrast dat mijn aanvankelijke, onvolwassen leeshouding in de literatuurwetenschap juist tamelijk wijdverbreid was. Barthes’ bekende leuze ‘de dood van de auteur’ was daar een geheel eigen leven gaan leiden, dat wil zeggen: die werd er wel heel simplistisch opgevat. Zeker, ook ik vind dat alles begint en eindigt bij de tekst zelf, en ook ik hoef niets van de bedoelingen of het leven van de auteur te weten om de tekst te kunnen lezen en waarderen. Kellendonks eigen opvatting daarover is overigens genoegzaam bekend. Van biografische verklaringen moest hij niets hebben: ben je aldoor bezig geweest om van je leven kunst te maken, gaat een ander dat weer allemaal ontrafelen, moet hij ooit zo ongeveer hebben gezegd. Maar in de westerse bestudering van de Chinese literatuur sloeg men zo ver door dat oeuvres van hedendaagse
Chinese schrijvers, die toch al zo moeilijk te ontsluiten zijn door barrières van taal en cultuur, geheel dreigden onder te sneeuwen. Er werd bijna alleen nog gepraat over theoretische kaders en historische vergezichten – als het literaire werk niet simpelweg werd gebruikt voor sociologisch onderzoek naar de Chinese maatschappij, werd opgeknipt en uitgesmeerd over thema’s als de politiek, de vrouw en de homo. Is het een wonder dat haast niemand buiten China een Chinese schrijver kan opnoemen? Dat er zo weinig vertaald wordt dat niemand al grasduinend op een rijke literaire traditie kan stuiten?
Aan een dergelijke literatuurbestudering had ook Kellendonk duidelijk een broertje dood, getuige zijn niet malse kritiek op de Nederlandse anglistiek, waarin hij was gepromoveerd. Een Amerikaanse literatuurgeschiedenis van twee ‘Utrechtse doctores’ karakteriseerde hij als volgt: ‘Schrijvers “wijzen vooruit” of “grijpen terug”, ze zijn “representatief”, zetten tendensen voort of kappen met tradities, alsof ze geen romans en gedichten maar literatuurgeschiedenis hebben geschreven.’
Ik kan goed begrijpen dat Kellendonk eveneens vertaler was – een intiemere omgang met een literaire tekst is haast ondenkbaar. Voor mij was dat in ieder geval een belangrijke reden om de wetenschap uiteindelijk te verruilen voor het vertalen. Al ben ik er nu een paar jaar uit, toch volg ik de literaire sinologie nog wel op een lager pitje. En zo las ik laatst tot mijn genoegen dat daar soms weer voorzichtig gepleit wordt voor een ‘terugkeer’ naar de ‘klassieke’ author study. Mooi zo, dacht ik als een neuswijze Ernst, worden ze daar ook eindelijk eens volwassen.
Oorspronkelijk verschenen in Arrmada – tijdschrift voor wereldliteratuur nr 50 ‘Wereldliteratuur!’


