De maatschappij en ‘ik’

Gesprekken met en tussen Chinese schrijvers[1]

Tussen het olympische jaar 2008 en het wereldexpojaar 2010, was 2009 het literaire jaar van China. Met een imposante delegatie presenteerde China zich die herfst als gastland op de Frankfurter Buchmesse, de grootste boekenbeurs ter wereld, waarna individuele schrijvers en dichters de daaropvolgende maanden deelnamen aan Europalia, het tweejaarlijkse culturele festival van Brussel, dat deze keer een kolossaal China-programma voerde.

Dit essay verscheen in het speciale, door uw dienaar samengestelde China-nummer van Armada – tijdschrift voor wereldliteratuur (2011)

Natuurlijk was er, zoals bij elke editie van de Buchmesse, driftig vertaald in het Duits – boeken die op de beursvloer werden gepresenteerd in het bijzijn van hun auteurs, ruim twintig in totaal. Maar over die boeken en auteurs las of hoorde je niet zo veel in de media. Daarin ging het vooral over de vrijheid van meningsuiting in China, de censuur en de mensenrechtensituatie, in het bijzonder in Tibet. Aan het woord kwamen dan ook meestal de zogenoemde dissidente schrijvers, vaak eerder met een journalistieke of activistische inslag dan een literaire.

‘Het leek wel of je als Chinees auteur alleen meetelde als je je openlijk over dergelijke zaken uitsprak,’ merkte Su Tong (1963), bekend van De rode lantaarn en Rijst, sarcastisch op toen ik hem kort na de beurs in Brussel interviewde over zijn writer-in-residenceschap bij Passa Porta. Zijn al even gevierde collega Mo Yan (1956), schrijver van Het rode korenveld, die ik dezelfde oktobermaand interviewde in het Brusselse Paleis voor de Schone Kunsten, verzuchtte dat hij het liever had gehad over werkelijk literaire dingen als compositie, karaktertekening, vertelexperimenten.

Toch hoopte Mo Yan dat de officiële Chinese organisatie op de beurs in ieder geval weer iets beter had geleerd zich in het buitenland te presenteren – hoe om te gaan, bijvoorbeeld, met kritische vragen van de pers. Sommige officiële delegatieleden hadden in Duitse kranten wat verbouwereerd te kennen gegeven zich soms niet echt welkom te hebben gevoeld door al die felle, politieke kritiek. Mo Yan, die al jaren de wereld rondreist, wist natuurlijk wel dat de westerse pers nu eenmaal kritisch is, ‘niet alleen jegens China, maar net zo goed jegens de Amerikaanse of Duitse regering’. Voor vertrek hadden de schrijvers, zo tekende Amerikaans vertaler Eric Abrahamsen op, van ambtenaren hulp aangeboden gekregen om op alle mogelijke vragen voorbereid te zijn – waarvoor ze vriendelijk hadden bedankt. ‘Maar dat is vooruitgang, hoor,’ voegde een schrijver die anoniem wenste te blijven daaraan toe, ‘tien jaar eerder was het een gebod geweest, geen aanbod.’[2]

Op de Buchmesse kon je een groot contrast zien tussen de naar het buitenland uitgeweken schrijvers en de schrijvers die in hun thuisland tot het kruim behoren. Deze laatsten traden onder andere op tijdens een Chinese Literature Night in het Frankfurtse Literaturhaus, waar binnen een mum van tijd alleen nog staanplaatsen beschikbaar waren voor het voornamelijk Chinese publiek, dat het begin van de show nog een uurlang ophield door een wilde jacht op foto’s en handtekeningen.

Daarnaast had je bijvoorbeeld het tweegesprek tussen de vrijwillige ballingen Gao Xingjian (1940) en Yang Lian (1955), waarvoor het meer westers-Chinees gemengde publiek zich in stille afwachting tussen de beursstands wrong. Voormalig ‘duistere dichter’ Yang Lian verkoos na het Tian’anmen-incident van 1989 de ballingschap en woont tegenwoordig in Londen; Nobelprijswinnaar Gao Xingjian besloot om dezelfde reden niet meer weg te gaan uit Parijs, de stad waar hij zich een paar jaar eerder als schrijver en schilder had gevestigd. Gao oogstte een grimmig applausje toen hij zijn bekende opvatting van ‘koude literatuur’ nog eens uiteenzette: een schrijver dient volgens hem niet te schrijven voor de politiek of de markt maar louter voor zichzelf, een vrijheid die hij in zijn geval alleen buiten China vond. Maar verder verloren de twee zichtbaar de aandacht van de toeschouwers door hun wel erg abstracte bespiegelingen over het individu, het Zelf en de Ander. In feite was het een herhaling van hun eerder in het Duits verschenen schriftelijke dialoog Was hat uns das Exil gebracht? uit 2001: een bevlogen discussie over vorm en inhoud, techniek en taal – waarover straks meer –, maar iets te zwaar voor op een drukke beursvloer.[3]

Neem dan de avond in het Literaturhaus: daar trad een tiental auteurs op, waaronder een panel met Su Tong en Yu Hua, de derde grote Chinese romancier van dit moment. Wat zij te bieden hadden was een even gemoedelijke als geroutineerde voorstelling vol charme en humor, met als hoogtepunt misschien wel schrijver Liu Zhenyun, die droogkomisch vertelde hoe hij, uitgerekend gekomen om zijn roman Taschendiebe te promoten, al op de eerste dag van de beurs van zijn tas werd beroofd. Al ging het dan niet alleen over hun werk maar ook over de verschillen tussen Chinese en Duitse restaurants (snellere bediening tegenover te veel zout in het eten), eens te meer kon je in de zaal voelen hoezeer de Chinese literatuur leeft – onder Chinezen.

De Chinese Literature Night in het Literaturhaus, met v.l.n.r. Liu Zhenyun, Su Tong, Yu Hua en A Lai

Over censuur of Tibet ging het die avond niet; een paar opmerkingen in die richting, afkomstig van Duitse sinologen, werden met dezelfde charme en humor gepareerd. Maar hoe ernstig Gao Xingjian en Yang Lian ook bij hen afstaken, ook die twee tot dissident bestempelde schrijvers hadden kennelijk geen zin om enkel over politiek te praten. En zo haalden geen van allen de krant. De pers toonde meer interesse voor de hoge Chinese cultuurambtenaren, aan wie ze op al te naïeve wijze een onthullende uitspraak trachtte te ontlokken, dan dat ze oor had voor wat de auteurs nu zelf bewoog.

Mo Yan

Die inhoudelijke aandacht had het lezerspubliek tijdens Europalia wel – al was dat publiek, zoals in het algemeen, dan wat minder groot. Gevraagd naar zijn verwachtingen omtrent de Frankfurter Buchmesse, had Mo Yan in een interview vooraf gezegd dat hij vooral hoopte dat westerse lezers zijn romans nu eens als literatuur zouden lezen, en ze niet altijd alleen maar zouden gebruiken als een middel om meer te weten te komen over de politieke en economische toestand van zijn land. Dat is een veelgehoorde grief onder Chinese auteurs. Zo zei Yu Hua in Frankfurt blij te zijn dat de Engelse vertaling van zijn laatste roman nu eindelijk eens bij een grote literaire uitgeverij kon verschijnen en niet meer bij een universiteitsuitgever; zo nemen ze je tenminste serieus, klonk het brommend.

Toch gaat het in westerse recensies van hun werk bijna altijd over China, en je kunt je afvragen of hun romans daar ook geen aanleiding toe geven. In zijn voorlaatste opus, in het Engels Life and Death Are Wearing Me Out geheten (2006), bestrijkt Mo Yan aan de hand van een in verschillende dieren reïncarnerende landeigenaar de plattelandshervormingen van de jaren 1950 tot 2000; en in zijn laatste roman, Kikkers (2009), bespiegelt hij de eenkindpolitiek gedurende diezelfde periode. Yu Hua laat in Leven! (1992) zien hoe de gemiddelde Chinees tijdens alle revolutionaire campagnes zijn hoofd boven water hield, en in Broers (2006) zet hij de gekte van de Culturele Revolutie af tegen de waanzin van de huidige consumptiemaatschappij.

Ik besloot het Mo Yan in het Paleis voor Schone Kunsten eens voor te leggen. Engagement is een constante in de Chinese literatuur, al eeuwenlang; de mainstream roman is in China een maatschappijkritische. Dan is het toch niet zo gek dat westerse lezers dat eruit pikken? ‘Vroeger op school was ik altijd al de slechtste van de klas als het om het vak politiek ging,’ begon Mo Yan. ‘Ik gaf altijd de verkeerde antwoorden, flapte er altijd gevoelige dingen uit. Mijn pseudoniem mo yan, ‘niet spreken!’, is vast toen al ontstaan, omdat mijn moeder me telkens de mond wilde snoeren.’

De aankondiging van Mo Yans interview voor Bozar

‘Politiek bedrijven is ook nooit de bedoeling als ik een geëngageerde roman schrijf. Met De knoflookliederen(1988), waarschijnlijk mijn geëngageerdste roman, had ik niet de illusie iets te kunnen veranderen in de ellendige situatie van de boeren in het Paradijsgewest. Dat waren hardwerkende lui vlak bij mijn geboortedorp, die door wanbeleid van de overheid met onverkoopbare hopen stinkende knoflook bleven zitten. Ik wilde simpelweg mijn gevoelens uitdrukken, gevoelens die naar mijn idee dezelfde waren als die van de boeren. Alleen, ik kon ze ook uitdrukken.’ De overwegend beheerste Mo Yan was duidelijk nog steeds geroerd, aangedaan, toen hij dit op het podium van de intiem uitgelichte concertzaal van Bozar vertelde. Naar verluidt schreef hij het boek in dertig dagen, in een vlaag van opwinding.

‘Je moet de zaken ook niet omdraaien,’ vervolgde hij ‘Al neem je een maatschappelijk onderwerp, bij het schrijven van een roman gaat het er uiteindelijk altijd om een personage neer te zetten.’ Zoiets had Mo Yan me al eens eerder verteld, in een interview voor de Volkskrant naar aanleiding van zijn roman Grote borsten, brede heupen (1996). Daarin draait het om een personage met een obsessie voor de moederborst, een ruggengraatloze jongeman die tot in de puberteit op moedermelk leeft en een speelbal wordt van de Chinese geschiedenis. Maar Mo Yan legde destijds uit dat hij de historische achtergrond alleen had gebruikt om de symboliek van het basisgegeven extra kracht bij te zetten. De obsessie van zijn hoofdpersonage kon zo namelijk komen te staan voor tal van andere obsessies; sommige critici zagen er bijvoorbeeld een portret in van de zwakke, karakterloze Chinese intellectueel. Het gaf het boek meerdere lagen, vond Mo Yan, kritiek op de Chinese politiek was er daar maar één van.

Zijn er dan soms creatieve mechanismes aan de gang die westerse lezers minder makkelijk opmerken, en verklaart dat hun fixatie op de Chinese politieke geschiedenis? Juist wat het creëren van personages betreft, uit de westerling nogal eens het bezwaar dat Chinese schrijvers mensen zo van buitenaf beschrijven, met weinig aandacht voor hun innerlijke motieven.

‘Dat is waar,’ zei Mo Yan in Brussel, ‘psychologie is traditioneel gezien niet de sterkste kant van de Chinese roman.’ En hij haalde beroemde klassieke werken aan als het roversepos De wateroever en de familieroman De droom van de rode kamer, uit respectievelijk de zestiende en de achttiende eeuw. ‘Die hebben wel honderden personages, veel te veel natuurlijk voor een westerse lezer! Maar toch, als we het in China over De droom van de rode kamer hebben, toch de grootste Chinese roman, nietwaar, dan zeggen we niet voor niets: iedereen kent in zijn eigen leven wel een Lin Daiyu of een Xue Baochai, het zwakke, neerslachtige meisje, of het sterke, opgewekte. Die personages zijn dus kennelijk wel overtuigend genoeg geschetst.’

En hier speelde Mo Yans gemoed opnieuw zichtbaar op. ‘Natuurlijk vind ik het ook knap hoe in de westerse literatuur de psychologie prachtig en verfijnd wordt weergegeven, maar let eens op hoe Cao Xueqin het in De droom van de rode kamer doet: hij geeft zijn personages niet van binnenuit vorm, maar via de dialoog, via de manier waarop ze spreken. De beroemde, bijdehante Wang Xifeng bijvoorbeeld, die het hele huishouden bestiert, komt helemaal tot leven door haar eigen typische toontje en uitdrukkingen. Dat is toch ook groots, moet je toegeven.’

Het werd me duidelijk dat Mo Yan met zijn boerenportretten in De knoflookliederen en met zijn moedermelkverslaafde hoofdpersoon van Grote borsten, brede heupen eerder streefde naar meer algemene, typische rollen als in de klassieke Chinese romans dan dat hij op de westerse manier het hoogst individuele, eenmalige trachtte uit te diepen. Niet omdat hij dat laatste niet zo goed zou kunnen als een schrijver uit de westerse traditie, maar omdat hij de dingen simpelweg anders ziet. Zijn blik is, zoals bij veel Chinese schrijvers, nu eenmaal meer naar buiten gericht, naar de wereld, niet naar binnen. Daaruit moet ook die maatschappelijke sympathie in zijn werk voortkomen: dat was voor hem immers, zei hij, geen kwestie van verheven morele verantwoordelijkheid – de schrijver als wereldverbeteraar. Nee, het leek veeleer een gevoel van compassie, dat kennelijk heel diep zit. Waarom zou hij zich anders op precies die twee momenten in het interview zo persoonlijk getroffen hebben getoond?

Su Tong

Su Tong is een auteur die op het eerste gezicht mijlenver van Mo Yan afstaat. Al houdt hij ook van geschiedenis, hij gebruikt die eerder als een impressionistisch decor voor zijn meer introspectieve thema’s. Hij schrijft vaak over eenlingen, in zichzelf gekeerde personages die zich niet op hun plaats voelen in een bedreigende omgeving. Dat was zo in De rode lantaarn (beter bekend van Zhang Yimou’s verfilming Raise the Red Lantern), waarin een jonge concubine in de jaren 1930 tenondergaat door het gekonkel van alle vrouwen en bijvrouwen van een rijke heer; en dat was zo in zijn roman Mijn leven als keizer (1992), die, toen hij een paar jaar terug in het Frans, Duits, Engels en Nederlands verscheen, met enige verwarring werd onthaald.

Su Tong voert in Mijn leven als keizer een kindkeizertje aan een imaginair Chinees hof op, dat het slachtoffer wordt van machtspelletjes. Vooral de complotten die de oude keizerin-weduwe achter de schermen smeedt maken de kleine Duanbai angstig en onzeker. Als hij uiteindelijk wordt afgezet en veroordeeld tot een leven als burger, ervaart hij dat dan ook als een grote bevrijding. De contrasten tussen het eerste en tweede deel van het boek zijn groot: als achterdochtige keizer verordent Duanbai de meest roekeloze wreedheden, zoals het laten uitrukken van de tongen van opgesloten concubines die hem met hun gehuil uit zijn slaap houden. De zinderende vlucht die hij na zijn verbanning van het hof door zijn land moet ondernemen, wordt eigenlijk één lange louteringstocht. De voormalige keizer heeft nog maar één ambitie: koorddanser worden, om zo dicht mogelijk de vrijheid van de vogels te benaderen. Terwijl zijn land te gronde wordt gericht door zijn opvolgers, trekt hij zegevierend rond met zijn eigen circus, als de Keizer van het Koord.

Het interview van uw dienaar met Su Tong in Passaporta, Brussel 2009 (foto HoedGekruid)

De paradox tussen de machtige maar onvrije keizer en de machteloze maar vrije burger bleek ook gevolgen te hebben voor de leeservaring. Niet alleen hadden bijna alle lezers moeite met het schijnbaar achteloos opgesomde geweld in het eerste deel, ook ervoeren velen dat de roman pas vaart kreeg in het tweede deel. Silvia Marijnissen schreef in NRC Handelsblad dat Duanbai op de troon haast een passieve toeschouwer lijkt van alle gruwelijkheden: ‘Dat is vaak frustrerend voor de lezer, maar het past goed bij het perspectief van een naïeve keizer.’ John Updike bekende in zijn bespreking voor The New Yorker dat hij aanvankelijk maar moeilijk ‘in het verhaal kwam’, totdat hij in het laatste deel tot zijn genoegen opeens ‘een hoofdpersoon in de westerse zin van het woord’ ontwaarde, iemand die dingen ‘najaagt, bevecht en ontdekt’. Peter Swanborn borduurde daar in de Volkskrant op voort: ‘Psychologie is niet het sterkste punt van deze roman’, en hij vond het dan ook eerder een ‘spannend, exotisch sprookje voor volwassenen’.

Ik vraag me vaak af of de onbekendheid van de Chinese literatuur in het Westen niet te maken heeft met dat gebrek aan psychologie – het feit dat de westerse lezer zich kennelijk beter identificeert met een zich ontplooiend individu dan met een niet-handelend personage als het keizertje in het begin van de roman. Omdat je – zie het gesprek met Mo Yan – dat wel vaker in de Chinese literatuur ziet, raak ik er hoe langer hoe meer van overtuigd dat hier domweg een verschil in literaire traditie aan ten gronde ligt. In die mening werd ik wederom gesterkt toen ik Su Tong bij Passa Porta interviewde. Het contrast tussen de beide delen van Mijn leven als keizer bleek hij namelijk op een heel andere wijze te zien. Voor hem was het geen overgang van stagnatie naar beweging, van een passief naar een actief personage, maar een evenwichtige spiegeling van de grotere thema’s ‘macht’ en ‘vrijheid’.

‘In het eerste deel wilde ik de persoonlijke, negatieve kanten van de macht laten zien,’ lichtte hij toe, ‘en in het tweede deel de problemen, de verantwoordelijkheden die bij de vrijheid horen.’ Inderdaad, Duanbai verovert die vrijheid niet zomaar; in een onverwacht stemmige passage zien we bijvoorbeeld hoe de voormalige dwingeland zijn bij de burgeroorlog omgekomen circuspersoneel moet begraven; een groot contrast met het willekeurige uitrukken van concubinetongen, dat hij uiteraard aan zijn ondergeschikten overliet. Geen eenzijdige bevrijding van een onvrij personage dus, maar, zoals Su Tong het zei: ‘Twee zijden van een probleem, die elkaar wat mij betreft in balans houden.’

Je kunt dat met gemak terugvoeren op eeuwenoude opvattingen in de Chinese kunst, waar een gevoel van eenheid vooral wordt bewerkstelligd door het spiegelen van tegengestelden, door het denken in termen van contrasterende paren. Aan de compositie van een kunstwerk liggen vaak de welbekende principes van yin en yang ten grondslag, het actieve en het passieve, het mannelijke en het vrouwelijke, die elkaar complementeren. Op het bekende ronde symbool zie je niet voor niets een klein stipje yang in de yin-helft en een stipje yin in de yang-helft: er is onmacht in macht en onvrijheid in vrijheid.

Als je luistert naar Su Tong lijkt de nadruk die Updike op het verhaal en de karakterontwikkeling legt voor hem zelf dus maar bijzaak, en is wat Swanborn een sprookje noemt voor Su Tong een complexere reflectie op iets groters dan persoonlijke psychologie. Net als bij Mo Yan staat zijn personage in dienst van een algemener doel – waarover Su Tong ten slotte ook nog iets zei wat me verraste. Toen ik hem vroeg of hij het ermee eens was dat zijn werk over het algemeen minder maatschappelijk betrokken is dan dat van de meeste Chinese schrijvers, ontkende hij dat stellig en zei met een ietwat enigmatische glimlach: ‘De verantwoordelijkheid waarmee de keizer in zijn burgerleven te maken krijgt, is ook die van mij als schrijver!’ Juist ja, zo kon je de roman ook nog lezen, op een symbolisch niveau – de keizer werd niet voor niets kunstenaar.

Gao en Yang

Alweer bleek dus dat het engagement van de Chinese schrijver veel verder gaat dan strijden tegen onrecht; het is een dieper gevoelde verbondenheid met de maatschappij in het algemeen. Opvallend genoeg is dat een duidelijke parallel met het gesprek tussen Gao Xingjian en Yang Lian in hun boek Was hat uns das Exil gebracht? – zij het misschien in omgekeerde zin. Zij geven daarin namelijk duidelijk aan dat ze niet de ballingschap hebben verkozen om eng politieke redenen, maar meer in het algemeen om, zoals Gao het zegt, te ‘schrijven zonder ergens rekening mee te houden’. Waarmee hij wil zeggen: geen druk van de maatschappij te voelen, noch van de markt: ‘niet schrijven wat er van me verwacht wordt’, ‘niet schrijven om te publiceren’. En, voegt Yang eraan toe: om nog beter op zoek te kunnen gaan naar je eigen taal en daar dan zelf ‘de verantwoordelijkheid voor te dragen’. Dat laatste is bijna een echo van Su Tongs opmerking over zijn verbannen keizer.

Yang Lian (l) en Gao Xingjian op de Frankfurter Buchmesse (foto auteur)

Kennelijk lukt Gao en Yang dat alleen door zich drastisch los te rukken uit de Chinese maatschappij – zoals klassieke kluizenaars al eeuwenlang de barbaarse randen van het keizerrijk opzochten. Gao had het in zijn Nobelprijsspeech al gezegd: door de eeuwen heen hebben Chinese schrijvers die hun waardigheid wilden behouden altijd gekozen tussen zwijgen of vluchten. Die houding is goed te begrijpen tegen de achtergrond van de zeer maatschappijgerichte levensbeschouwing van het confucianisme, de staatsleer die een grote nadruk op de menselijke relaties en de sociale hiërarchie daarin legt. Niet toevallig staat de Chinese kluizenaarstraditie bij uitstek in het teken van die andere, kleinere maar complementaire levensleer van het taoïsme, dat juist cultivering van het innerlijk vooropstelt – een spirituele dimensie die doorgaans overigens grotere aansluiting vindt bij het westerse denken.

In dat licht is het niet verbazingwekkend dat Yang en Gao bij het op zoek gaan naar hun eigen taal direct stuiten op het probleem van het ‘ik’. Yang vraagt zich in hun dialoog af of de Chinese taal zich wel ‘voldoende kan vernieuwen om de conditio humana van de hedendaagse mens uit te drukken’. Immers, zegt hij: ‘De westerse logica en de analytische westerse talen hebben het ik en de innerlijke lagen van het ik tot in de verste uithoeken ontleed. Wat kan de Chinese auteur voor eigens toevoegen aan het mensbeeld dat al ruimschoots door de contemporaine wereldliteratuur en filosofie is getekend?’

Klopt, zegt Gao, en hij verwijst naar Proust, Joyce en Woolf; bij het schrijven van zijn roman Berg van de ziel (1990) was zijn uitgangspunt: zo’n beschrijving van de psyche tot in het kleinste detail, kan dat ook in het Chinees? ‘In het Chinees wordt alleen het resultaat van de handeling beschreven,’ zegt hij, ‘bijvoorbeeld: “Zij schonk hem een betoverend lachje.” De complexe psychische toestand achter dat lachje voltrekt zich buiten de taal.’ Yang valt hem bij en verzucht dat Chinese romans in zijn ogen vaak ‘van die willekeurig in elkaar geflanste plots’ hebben, waarin ‘alle mogelijke moeilijkheden worden doorstaan, zonder dat we het sidderen en beven van de ziel voelen’. Gao noemt het een van de oorzaken voor ‘de zwakheid van de moderne Chinese literatuur’ – waarmee beiden exact dezelfde bezwaren uiten die je in de westerse kritiek vaak hoort.

De oplossing zoeken zij evenwel niet in de ‘europeanisering’ van het Chinees maar in een groter ‘zelfbewustzijn’ van de eigen taal. Van Gao is bekend dat hij in plaats van de westerse ‘bewustzijnsstroom’ (stream of consciousness) liever spreekt van een ‘taalstroom’, een woordenvloed waarin zo min mogelijk wordt geduid. Hij maakt daarin gebruik van het ontbreken van werkwoordstijden en verbuigingen in het Chinees, maar ook van boeddhistische opvattingen over de illusie van de individualiteit, die zich uiten in een omcirkelend spel met de persoonlijke voornaamwoorden ‘ik’, ‘jij’ en ‘hij’. Iets wat je tegelijk traditioneel oosters en westers modernistisch zou kunnen noemen.

Het kan zijn dat dat zelfbewustzijn zich bij Gao en Yang scherper heeft ontwikkeld in het buitenland, waar zij meer op zichzelf werden teruggeworpen – al wijst alles erop dat taal ook in China al hun belangstelling had. Mo Yan en Su Tong kiezen wellicht een minder analytische, meer indirecte benadering, maar dat zij op hun manier iets eigens toevoegen aan het mensbeeld in de hedendaagse literatuur lijkt mij na deze gesprekken toch wel buiten kijf te staan.


[1] Deze tekst is gebaseerd op een aantal blogs uit 2009 op China@BOZAR, een site die inmiddels offline is.

[2] Zie ‘Political Fictions’ in The National (Abu Dhabi) van 30-10-2009.

[3 Was hat uns das Exil gebracht? Ein Gespräch zwischen Gao Xingjian und Yang Lian über chinesischen Literatur verscheen in 2001 in de vertaling van Peter Hoffmann bij DAAD, Berlijn.

Oorspronkelijk verschenen in Armada – tijdschrift voor wereldliteratuur nr 64 ‘De nieuwe Chinese literatuur’

Shi Tiesheng, China

China staat in het Westen niet bekend als een land van literatuur. Toch heeft het een van de langste, ononderbroken literaire tradities ter wereld. Een ingrijpende periode van dertig jaar maoïstische cultuurpolitiek heeft drieduizend jaar rijkdom bijna geheel aan het zicht onttrokken. Meerdere generaties westerse lezers zijn opgegroeid met een beeld van Chinese literatuur dat bestaat uit het rode boekje van Mao en rauwe getuigenissen van de Culturele Revolutie door uitgeweken dissidenten. En heel misschien een oude wijsgeer of drankzuchtig dichter.

De grootscheepse veranderingen in het China van de jaren 1980 en 1990, die het schrijvers mogelijk maakten de draad van het verleden weer op te pakken, hebben dat beeld kennelijk amper kunnen bijstellen. Een wereldster als de Japanse Murakami is in China nog niet opgestaan, en ook Gao Xingjian, die in 2000 als eerste Chinees de Nobelprijs voor literatuur won, blijft voor de meesten niet meer dan een moeilijk uitspreekbare naam. En dat terwijl in China de boekhandels uitpuilen, niet alleen van de 200.000 titels die er jaarlijks verschijnen, maar ook van de jongeren die er, staand en hurkend, de boeken letterlijk stuk lezen.

Waarom dringt daarvan zo weinig door naar buiten? Velen wijzen op de nog altijd aanwezige politieke censuur, die een werkelijk bloeiende en boeiende literatuur alleen maar in de weg kan staan. Toch spitst die censuur zich in werkelijkheid hoe langer hoe meer toe op enkele zeer specifieke terreinen, en vormen maatschappijkritische boeken juist de onbetwiste mainstream in China, waar engagement van oudsher het hoogste literaire goed is. De grootste bestsellers op de inmiddels sterk gecommercialiseerde boekenmarkt handelen over corruptie of bieden panorama’s van de woelige recente geschiedenis.

Maar daarin schuilt misschien wel het eerste grote probleem: de Chinese schrijver is erg gericht op China, stelt sociale misstanden aan de kaak die een lezer van buiten weinig zeggen of op zijn best niet zo urgent voorkomen. Bovendien: veel Chinese schrijvers lezen wel buitenlandse literatuur, die enorm veel vertaald wordt, maar spreken nauwelijks vreemde talen – ook de grootste auteurs niet – waardoor ze zich op het internationale vlak niet als publiek intellectueel of culturele persoonlijkheid doen gelden.

Mede daardoor is de Chinese literatuur lang een zaak van academische belangstelling gebleven, niet van het grote publiek. Pas de laatste jaren, met China’s onstuimige opkomst als economische wereldmacht, lijkt daarin verandering te komen. Meesurfend op de golf van China-belangstelling rondom de Olympische Spelen van Beijing, werken grote Angelsaksische uitgevers als Penguin en HarperCollins inmiddels serieus aan reeksen moderne klassiekers en gedroomde bestsellers van het moment.

Dat gaat alleen niet van een leien dakje. Penguins verwoede zoektocht naar een roman met een ‘universeel thema’ leidde voorlopig slechts tot het wereldwijd teleurstellend ontvangen Wolventotem, een romantisch epos over wolven op de Binnen-Mongoolse steppen. In China scoorde het astronomische verkoopcijfers, maar voornamelijk vanwege de vele spin-offboeken als ‘wolvenspirit voor managers’ en bewerkingen voor kinderen. Toen een vooraanstaand Chinees literair criticus gevraagd werd of hij Penguins keuze kon plaatsen en niet ook dacht dat westerlingen een boek over wolven wellicht beter zouden kunnen begrijpen, antwoordde hij ironisch: ‘Zouden ze een boek over mensen niet nóg beter kunnen begrijpen?’

Gek genoeg is dat nu juist het tweede grote probleem: uit de buitenlandse reacties bleek dat men het exotische decor van Wolventotem nog wel kon waarderen, maar dat men zich op geen enkele manier kon inleven in de hoofdpersonen. Dat lag niet aan de thematiek, die met een pleidooi voor landelijk leven en natuurbehoud – de toenemende erosie van de steppen – zonder meer aan Westerse gevoeligheden raakte. Nee, het is simpelweg een veelgehoord bezwaar dat personages in Chinese romans altijd zo vlak blijven, dat ze te veel van buitenaf worden beschreven.

De wortels daarvan liggen diep in de Chinese beschaving. Het heeft te maken met de typisch Chinese kijk op de wereld, die het maatschappelijke al eeuwenlang boven het individuele heeft gesteld. Traditionele romans presenteerden niet voor niets vaak een hele stoet aan personages, om eerder de sociale verhoudingen dan het innerlijke leven te schetsen. Maar ook in hedendaagse romans zit je als lezer zelden een boeklang opgesloten in het hoofd van één enkel personage, wiens eigen, problematische verhouding tot de werkelijkheid centraal staat – iets wat we in het westerse modernisme sinds jaar en dag gewoon zijn.

Een en ander maakt dat zelfs de romans van de huidige ‘grote drie’ van China – Mo Yan, Su Tong en Yu Hua – buiten de grenzen vooral als informatieve boeken over China worden gelezen. Hun vaak caleidoscopische maatschappijromans geven daar ook aanleiding toe: Mo Yan bestrijkt in zijn laatste opus, De afmattende cyclus van leven en dood (2006), de plattelandshervormingen van de jaren 1950 tot 2000, en Yu Hua zet in Broers (2006) de gekte van de Culturele Revolutie af tegen de waanzin van de huidige consumptiemaatschappij.

Aan die minimale nieuwsgierigheid naar het land beantwoordt hun werk dus wel, het wordt immers regelmatig genoeg vertaald, maar literaire nieuwsgierigheid wekt het nauwelijks. De losse, episodische structuur botst zelfs geregeld met de westerse nadruk op de eenheid van het kunstwerk. Kennelijk zijn westerse opvattingen over compositie en individualiteit zo dominant dat uitheemse vormen van schrijven in Europa en Amerika weinig kans maken.

Al lijkt soms ook het omgekeerde waar. De westerse behoefte aan documentaire-literatuur is zo groot – zie alleen al de boekenstroom die Jung Changs Wilde zwanen uit 1991 op gang heeft gebracht – dat Chinese auteurs die anders schrijven over het hoofd worden gezien. Neem nu Shi Tiesheng, die in China unaniem tot de beste schrijvers van de hedendaagse periode wordt gerekend, terwijl er maar mondjesmaat vertalingen van hem zijn verschenen, in het Nederlands tot nog toe enkel losse bijdragen in tijdschriften.

Shi Tiesheng, op oudejaarsdag 2010 op negenenvijftigjarige leeftijd overleden, was door zijn rolstoelbestaan en een ernstige nieraandoening bijna levenslang aan zijn huis gekluisterd. En of het nu daardoor komt of niet, het is een feit dat hij als schrijver een meer introspectieve blik heeft dan een maatschappelijke. Ook zijn filosofische inslag zou hem dichter bij de westerse traditie moeten brengen, ware het niet dat zijn bekendste roman, zijn magnum opus Notities van een theoreticus uit 1996, door velen als moeilijk en experimenteel wordt ervaren.

Shi (de familienaam staat in China voorop) zei ooit over zichzelf: “Ik ben geen schrijver die zegt: luister, ik vertel je een verhaal, maar probeer eerder een intiem gesprek met de lezer aan te gaan.” En dat is precies wat hij doet in deze roman, die zoals de titel al aangeeft een vrij los geheel van korte notities is; 237 stuks om precies te zijn, verdeeld over tweeëntwintig hoofdstukken. Vanaf de eerste bladzijde is Shi zelf aanwezig, de stille denker, de ‘theoreticus’ die zich in zijn ‘schrijversnachten’ afvraagt wie hij is, of hij zichzelf wel kan kennen. Wat maakt mij ‘ik’? Zijn het mijn herinneringen? En hoe betrouwbaar zijn die dan? Bijgaande fragmenten uit het begin van het boek geven een mooi beeld van zijn aftastende stijl.

Het boek bestaat vervolgens uit die herinneringen, herinneringen aan anderen, opvallend genoeg: een handjevol mensen dat ‘zijn leven heeft gekruist’ en aan wie hij zich spiegelt, alsof hij zichzelf zo beter zal kunnen begrijpen. Wat langzaam aan ontstaat is een symfonie van gefnuikte levens. De grote gemene deler van al die mensen is namelijk dat zij allemaal op een bepaalde manier door het noodlot getroffen zijn. Zo ziet de een, de jonge Z, zijn dromen gedwarsboomd door zijn ‘foute’ klassenachtergrond tijdens de maoïstische jaren, de ander, gehandicapte C, door zijn verlamde benen, en een derde, dokter F, door zijn angst voor de ware liefde, enzovoort.

Vrij en associatief springt Shi van personage tot personage, en al lijkt dat soms een beproeving – een sterke, alles verbindende plot is er niet – toch wordt hierdoor direct al duidelijk dat Shi het leven niet eenzijdig reduceert tot politiek, zoals dat in die zo veel gelezen getuigenisliteratuur sinds Jung Chang meestal het geval is. Shi wil juist laten zien dat het lot allerlei vormen kan aannemen, van ‘een zwellinkje in een ruggenwervel’ tot een politieke campagne, dat levens gebroken kunnen worden door al wat menselijk is.

Hij lijkt zelfs zo naarstig op zoek naar dat algemeen menselijke dat hij zijn personages enkel met een letter, een initiaal aanduidt – het zijn alleen hun ervaringen die hij nodig heeft voor zijn nachtelijke ‘getheoretiseer’, zoals hij het zelf spottend noemt. Toch is het resultaat er niet minder ontroerend om. De korte, vertederende of schrijnende passages zijn binnen het meer beschouwelijke kader vaak juist extra intens. Soms kan Shi zijn lotgenoten zelfs met een enkel beeld neerzetten, zoals dat van de emotioneel verlamde dokter F, hersenchirurg, die zich telkens als hij in hoofden van mensen kijkt onwillekeurig afvraagt hoe er in die witte kwabben en vertakkende zenuwen gevoelens van verdriet en geluk worden opgewekt.

Het knappe van Shi is dat je op die momenten beseft dat hij het niet nodig heeft om, op de manier van de westerse roman, zijn eigen ziel bloot te leggen. Hij bereikt immers minstens zo veel door, net als een traditioneel Chinees schrijver, de levens van een hele rits personages naast elkaar te leggen, soms zelfs over elkaar heen te schuiven, zodat uit de contrasten en schakeringen nieuwe inzichten ontstaan.

Dat hij zich aan het einde van zijn roman nog altijd afvraagt of hij zijn eigen ik wel kan kennen, ‘waar hij nu eigenlijk staat’ tussen al die anderen, doet daar natuurlijk niets aan af. In de westerse traditie omcirkelt men die vraag ook al op velerlei wijzen; Shi doet niets anders, hij stelt hem weer op een andere manier, maakt hem weer in andere vormen aanschouwelijk. En is dat niet de waarde van elke vertaling uit een andere literatuur? Of domweg van alle literatuur?

Oorspronkelijk verschenen op Schwob.nl, oktober 2009 (aangepast 2011)

Lees hier de opening van Shi Tieshengs Notities van een theoreticus en beluister hier een podcast over de roman bij Grensgeluiden

Zie ook: Tieshengiana

College van Gele Draak en juffrouw Jade

De kwaliteit van een mens wordt afgemeten aan de hoeveelheid tranen die hij heeft vergoten, zegt Liu E, eigenzinnige homo universalis in de nadagen van het Chinese keizerrijk. Er zijn echter mensen wier gehuil zich niet uit in tranen, maar in gedichten en romans, en ‘dan gaat er een grote kracht van uit, die ver kan reiken’.

Het is de traditionele Chinese literatuuropvatting in een notendop: schrijven is niet alleen het verwoorden van emoties, maar vervolgens ook het beïnvloeden van de wereld daarmee. En dat is precies wat Liu E (1857-1909), filoloog, ondernemer en specialist in de geneeskunde en de waterbeheersing, voor ogen stond met zijn enige roman, de klassiek geworden Reizen van Oud Afval.

Vertaald door Jan De Meyer

Oud Afval is een rondreizend geneesheer, die overal waar hij komt getroffen wordt door alle leed en onrecht onder het volk. En daarvan was er nogal wat toen Liu E zijn boek schreef, tussen 1904 en ’07, vlak voor het wankelende rijk in 1911 definitief instortte. In de openingspassage droomt onze bezorgde held niet voor niets van een zinkend schip met ruziënde bemanning, die hij vergeefs een kompas aanbiedt – een beroemd geworden allegorie op het oude China dat de redding voorbij is.

Je zou Oud Afval een dolende ridder willen noemen, ware het niet dat hij aarzelt om zelf hulp te bieden; zijn boeddhistische bijnaam past ook eerder bij iemand die zich uit de wereld terugtrekt. Een ambtelijke carrière ambieert hij sowieso niet, al was het maar omdat hij weinig vertrouwen heeft in de kwaliteit van de ambtenaar als mens.

Terwijl Liu E’s tijdgenoten vaak afgaven op corrupte ambtenaren, waarschuwde hij zelf juist voor de ‘onomkoopbare ambtenaar’, die door zijn puritanisme en hooghartigheid soms meer kwaad aanricht. In de roman wordt dit fenomeen belichaamd door rechter Gang Bi, die een onterecht van moord en overspel betichte vrouw laat martelen omdat haar radeloze familie hem volgens de normale gebruiken probeert om te kopen, wat hij voor erkenning van schuld aanziet. Verblind door zijn eigen ‘imago van onkreukbaarheid’ meent hij zich de grootste wreedheden te kunnen permitteren.

Het is op dit punt dat Oud Afvals woede hem pas echt tot ingrijpen noopt; hij stapt letterlijk de rechtszaal binnen en ontpopt zich als een ware detective om de zaak recht te zetten; iemand vergelijkt hem zelfs met Sherlock Holmes, die rond 1900 zeer populair was in China.

Toch kun je je afvragen of de kleine steentjes die Oud Afval bijdraagt wel iets uithalen. Na deze vrouw redt hij er nog een, een hoertje dat hij vrijkoopt door met haar te trouwen, maar Liu E laat hem ook treurig bedenken dat er ondertussen weer duizenden mensen sterven door de zoveelste overstroming van de Gele Rivier, waarbij diezelfde ambtenarij de andere kant op kijkt.

Liu E heeft dan ook een grotere visie: midden in de roman heeft hij een lange passage verwerkt, waarin een helper van Oud Afval diep in de bergen te horen krijgt over een utopische gemeenschap waar de mensen leven volgens een alternatieve variant op het confucianisme, die Liu E ook werkelijk aanhing. Dit onverhulde college van meester Gele Draak en juffrouw Jade dwingt vertaler Jan De Meyer tot vele voetnoten en is misschien wat achterhaald, hoewel de leer zijn tijd ver vooruit was wat betreft de rol van de vrouw.

Toch pleit het voor de roman dat die zo onverstoorbaar alles in zich wil verenigen: van politiek vertoog, donquichotterie en speurdersplot tot verstilde natuurbeschrijvingen – de bevroren Gele Rivier! – en levendige, volkse dialoog. In die zin was Liu E duidelijk een wegbereider voor de moderne roman van de jaren 1920 en ’30. Sterker nog, is het toeval dat Lu Xun, de latere vader van de moderne Chinese literatuur, rond de tijd van Oud Afvals reizen nota bene zijn studie geneeskunde opgaf om voortaan met de pen iets voor zijn land te betekenen?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 8 januari 2011

De eerste zin van Victor Segalen

Uit Brieven uit China, vertaald door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts

Marseille, une heure, 24 avril 1909

Mavone bien aimée tu as été hier plus belle que tu ne pouvais raisonnablement l’être.

Marseille, één uur, 24 april 1909

Mijn liefste Mavone je was gisteren mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn. 

Ongelofelijk: een briefwisseling tussen man en vrouw, zij in Frankrijk, hij in China – dat in die tijd nog heel wat verder weg lag dan tegenwoordig – en dan zo beginnen. Maar het is werkelijk de allereerste zin van de allereerste brief die Victor Segalen na vertrek aan zijn Yvonne schreef. De dag ervoor, op 23 april, hadden ze afscheid genomen in Parijs, vanwaar Victor de trein naar Marseille nam om daar de volgende dag aan boord te gaan van de mailboot naar Shanghai – een overtocht die alleen al een maand zou duren. Er volgden nog 64 brieven, totdat Yvonne zich bijna een jaar later, in april 1910, bij hem voegde in Peking.

De zin maakt meteen duidelijk dat de Brieven uit China liefdesbrieven zijn, die direct en indirect een levendig beeld geven van de amoureuze en intellectuele verhouding tussen de twee. Zeker, de brieven laten zich lezen als een reisverslag en bieden tevens een kijkje in Segalens literaire keuken; onvermoeibaar noteert hij zijn invallen voor boeken, als het uitkomt zelfs te paard, op de grote trektocht die hij later door het destijds tamelijk onverkende binnenland van China onderneemt. Maar het voornaamste is dat hij dat alles in eerste instantie deelt met zijn ‘Mavone’.

Er zit ook al meteen een typisch segalenniaanse wending in de eerste zin: wat doet dat ‘redelijkerwijs’ daar, in ‘mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn’? De tweede en derde zin bieden uitkomst:

Je t’aurais pardonné toutes les defaillances. J’aime infiniment que tu ne les aies pas eues.

Ik zou je alle zwakheden hebben vergeven. Maar je was sterk, en dat doet me oneindig goed.

‘Onder de omstandigheden’, had een ander daar misschien geschreven, maar Segalen is een eigenwijs stilist, die het liever wat korter en beslister zegt.

Lastig te vertalen is Segalen om die eigenzinnigheid zeker, al valt het in deze openingszinnen nog wel mee. De eerste zin rolde er net zo natuurlijk uit als Segalen hem ‘onder de omstandigheden’ had kunnen neerpennen. Misschien dat er in een eerste versie nog ‘Mavone mijn liefste’ aan het begin stond, maar dat ‘bien aimée’ staat er in het Frans altijd achter, en in het Nederlands klinkt het ook te gedragen.

De tweede zin: geen probleem. Maar de derde, tja, daarin zou ‘het deed me oneindig goed dat je er geen hebt gehad’, of iets dergelijks, toch echt geen goed Nederlands zijn geweest. Op zoek dus naar iets even korts en beslists – net als bij ‘redelijkerwijs’. Het resultaat, ‘maar je was sterk’, wijkt woordelijk misschien wat af, maar volgens Maarten Elzinga en mij is het Segalen ten voeten uit.

Lees ook: Brieven uit China (incl. fragmenten)

Oorspronkelijk verschenen in de rubriek ‘Eerste zinnen’ van Boekhandel Athenaeum

De schepper van rechter Tie

‘Een man van drie levens’ was hij, Robert van Gulik: diplomaat, sinoloog en schrijver. Al dekt die titel van zijn biografie uit 1993 de lading, het blijft slechts een poging om vat te krijgen op een man die volledig schuil lijkt te gaan achter zijn uiteenlopende belangstellingen. Ook het zojuist verschenen gedenkboek voor zijn honderdste geboortedag wil, volgens samensteller Marco Huysmans, recht doen aan de veelzijdigheid van deze ongrijpbare schepper van de befaamde Rechter Tie-romans.

Natuurlijk was het China dat Van Guliks drie levens verbond – maar niet alleen als object van zijn fascinatie. Het gedenkboek, een bonte, kwalitatief nogal wisselende bundel bijdragen, laat eens te meer zien hoezeer Van Gulik zich identificeerde met het klassieke ideaal van de Chinese ambtenaar-literaat, zoals dat in zijn geliefde Ming-dynastie in zwang was.

Niet alleen verluchtigde Van Gulik zijn Rechter Tie-mysteries met op Ming-platen gebaseerde tekeningen, die hij zelf maakte in zijn met Ming-meubels ingerichte werkkamer, hij wist ook drommels goed dat Ming-ambtenaren zich onderscheidden door hun bedrevenheid in de kunsten. Zij kalligrafeerden, dichtten en schilderden als amateur in de oorspronkelijke, positieve betekenis van het woord: beoefenaar niet-om-den-brode.

Het lijkt perfect van toepassing op al Van Guliks hoedanigheden. Als diplomaat ging hij geheel zijn eigen gang en epateerde zijn collega’s met informatie die hij bij kunstvrienden of in het nachtleven opdeed. Maar een van de bijdragen in het gedenkboek, een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken, toont aan dat hij vaak zozeer in cultuur geïnteresseerd was, dat hij op politiek vlak weleens van naïviteit getuigde – kritiek die ook de Ming-ambtenaren ten deel viel.

Als wetenschapper is hij eveneens een eigenzinnige liefhebber te noemen. Waar heeft hij niet over geschreven? De Chinese luit, de gibbon, erotische kunst; het gedenkboek neemt zelfs opstellen op die hij als negentienjarige bolleboos schreef over bijvoorbeeld het Chinese schrift. Als er een rode lijn in zit, is het zijn algemene, menselijke invalshoek, zijn bewondering voor de Chinese way of life.

Met dezelfde blik bezag hij ten slotte ook de literatuur. Die moest vooral leerzaam en historisch verantwoord zijn, blijkens een interview in het boek. En als het geen verhalen ‘met kop en staart’ waren, ‘vermorste’ hij zijn tijd er maar mee. Als een ware dilettant verdedigde hij de detective; van de ‘echte’ literatuur ging alleen Couperus nog: ‘Van oude mensen. Is dat geen thriller?’

Of het gedenkboek Van Gulik grijpbaarder maakt, weet ik niet, maar gewoon genieten van het rijke beeldmateriaal mag ook.

Zie ook: www.rechtertie.nl

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 25 september 2010

Het rijk der lichten

Vertaald door Remco Breuker en Imke van Gardingen

Waar heeft Het rijk der lichten van de Koreaanse romancier Kim Young-ha die exotische cover toch voor nodig? Daarop staat een hemel vol rode lampions afgebeeld, terwijl uit het boek blijkt dat Kim (1968) de schilderijenreeks ‘Het rijk der lichten’ van surrealist Magritte bedoelt: verwarrende landschappen waarop onder een stralende, zonnige hemel de aarde in nacht is gehuld.

Dat beeld past geheel bij de roman, waarin niets is wat het lijkt. De gezapige veertiger Kiyong, die op zijn 21e als spion van Noord- naar Zuid-Korea werd gestuurd, leidt al jaren een volstrekt geassimileerd undercoverleventje met vrouw en kind, als hij tot zijn schrik wordt teruggeroepen.

Kiyong waande zich een ‘vergeten spion’ en had ook nooit iets spectaculairs hoeven doen, enkel informatie vergaren over het gewone Zuid-Koreaanse leven, bedoeld voor het opleiden van nieuwe spionnen in het communistische P’yongyang. Zelf was hij daar ook opgeleid, op een soort filmset waar het straatleven van kapitalistisch Seoul was nagebootst, om te wennen aan de andere omgangsvormen. Was er ooit iets ‘echt’ aan zijn leven, vraagt hij zich plots af.

Magritte’s Rijk der lichten uit 1954

In de laatste 24 uur die hij krijgt om zijn koffers te pakken, trekt dat leven aan zijn ogen voorbij. Flashbacks, laatste gesprekken en onverwachte ontmaskeringen tonen niet alleen zijn eigen identiteitscrisis, maar ook die van zijn opgedeelde land.

Kim Young-ha gaat een stapje verder dan zijn oudere collega Hwang Sok-yong (1943), die met Mijnheer Han (Arbeiderspers 2005) de klassieke roman over de Koreaanse opdeling schreef. Dat is het afstandelijke relaas van een noordelijke vluchteling die in het zuiden voor spion wordt aangezien en maatschappelijk uitgesloten raakt. Zijn tragische lot wekt woede, maar dat van Kims held is beklemmender: met zijn modale bestaan lijkt op het eerste gezicht niks mis, maar in zijn hoofd staat alles op losse schroeven.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 4 september 2010

Volmaakt geluk betekent: vrij van geluk

De Tao is leeg.

Zo leeg dat wat je er ook in doet,

hij toch niet vol raakt.

Zo bodemloos diep

dat daar zich de heilige plaats wel lijkt te bevinden

waar heel de schepping vandaan zou kunnen komen.

Hoe leeg en diep ook, de Tao in de woorden van Lao Zi, hier geciteerd uit de nieuwste vertaling van Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, zal opnieuw bij veel Nederlanders een snaar weten te raken. De vertalingen van de andere twee taoïstische meesters, Zhuang Zi en Lie Zi (Augustus, 2007 en 2008), beleefden herdruk na herdruk, terwijl van de eerste zelfs een luisterboek verscheen (bij Rubinstein), voorgelezen door de aanzwengelaar van deze populariteit, sinoloog en vertaler Kristofer Schipper.

Bijna had op de 12 cd’s de stem van Freek de Jonge geklonken, van wie het idee kwam voor deze orale overdracht. Verrassend? Misschien minder dan het lijkt. Niet alleen omdat Zhuang Zi nog altijd even grappig en snedig klinkt als hij 2500 jaar geleden moet hebben gedaan, maar ook omdat er nog iets anders is wat De Jonge met Schipper verbindt, namelijk het feit dat beiden domineeszoon zijn, zo bleek tijdens een radiouitzending van De avonden.

Het is niet toevallig dat Schipper de wereldwijde verbreiding van Het boek van de Tao, een ontoombaar ‘natuurlijk fenomeen’, in zijn voorwoord kenschetst met de knipoog: ‘Er is geen religieuze organisatie die zich inzet om het boek te propageren door het, bijvoorbeeld, in de nachtkastjes van hotelkamers te leggen.’ De Chinese ‘leer zonder dogma’s’ was in de jaren zestig voor menigeen het antwoord op de verstikkende kerkelijke moraal, zoals hij tegenwoordig misschien de spirituele leemte sinds de ontkerkelijking opvult.

Een leemte opvullen met een leer waarin alles draait om leegte? Ja, dat kan, als je leegte opvat zoals de taoïsten – wat niet altijd gemakkelijk is. Deze passage is bijvoorbeeld nogal eens verkeerd begrepen: ‘De Wijze, wanneer hij bestuurt/ leegt hij de harten,/ vult de buiken,/ verzwakt de verlangens,/ versterkt de botten’. Een pleidooi voor het dom houden van het volk door het materieel te verzadigen? Met het keizerlijke China in het achterhoofd, heeft menig vertaler deze interpretatie aangehangen.

Maar het ‘legen van het hart’ betekent eigenlijk het ‘vasten van het hart’, oftewel het uitbannen van menselijke gedachten en verlangens, om in die geestelijke stilte één te kunnen worden met de Tao, het onkenbare, alleen intuïtief benaderbare oerprincipe dat de natuur regeert en waarvan de mens hopeloos is afgedwaald.

De mythische aartsvader Lao Zi deelt ons deze ‘natuurfilosofie’ mee in aforismen, waarvan er vele beroemd zijn geworden: ‘om de wereld te kennen, hoef je de deur niet uit’, of: ‘wie weet spreekt niet, wie spreekt weet niet’. Schipper heeft ze telkens op de rechterpagina geplaatst en er aan de linkerkant zijn commentaar bijgezet – een elegante oplossing om het vaak duistere origineel toe te lichten, waarbij hij overigens voortdurend de anekdotes van Zhuang Zi gebruikt, Lao Zi’s vroegste commentator tenslotte.

Met name verhelderend is het wanneer Schipper laat zien hoe het taoïsme zich afzette tegen de rigide levensleer van het confucianisme. Waar Lao Zi uitroept: ‘Hou op met leren, dan leef je onbezorgd!’, reageert hij speels op Confucius’ donderpreek: ‘Leert! Dan weet gij pas hoeveel gij tekortschiet!’ Je kunt je voorstellen wat een Nederlandse domineeszoon daarin hoort weerklinken…

Alle onmisbare uitleg ten spijt, is het jammer dat Schipper in zijn afsluitende essay eigenlijk nalaat wat hij zich aan het begin ervan wel voorneemt, namelijk iets te zeggen over ‘de plaats [van het taoïsme] binnen de menselijke cultuur in het algemeen’. Maar daarin voorziet het essayboek Leyuan, de tuin van het geluk door Jan De Meyer, die voor Augustus eerder al Lie Zi vertaalde.

De Vlaamse sinoloog verzamelde Chinese filosofische teksten over levensgeluk – niet om een ‘newage-zelfhulpboek met instantgeluks-recepten’ te schrijven, maar omdat de Chinese wijsbegeerte nu eenmaal altijd die praktische inslag van levenskunst heeft gehad. Al presenteert De Meyer zich spottend als een ‘veredelde ceremoniemeester’, zijn voorkeur voor het taoïsme steekt hij niet onder stoelen of banken.

De confucianisten schreven niet zoveel over geluk, hooguit enigszins belerend: dat je het ook in armoede kon vinden; weest matig! Voor de taoïsten, niet verrassend, school de essentie in de leegte van het hart: wie niet meer hecht aan welstand, is vrij van zorgen om zijn bezit, leren loslaten in het leven betekent geen angst meer voor de dood. Niet najagen, dat geluk, zegt Zhuang Zi daarom, volg je spontane aard en aanvaard wat er op je afkomt, ‘het volmaakte geluk is vrij van geluk’.

Het sterkste verschilpunt tussen de twee stromingen ligt in de rol die zij het individu toebedelen. Dat is voor de confucianisten uiteindelijk altijd die van het ‘radertje in de maatschappij’: iedereen dient zijn eigen persoon te cultiveren, ja, maar enkel om zijn ouders en zijn heerser te dienen. De taoïsten daarentegen zochten zelfcultivering eerder in het zich terugtrekken uit de maatschappij.

Met liefde weidt De Meyer uit over het kluizenaarschap, wat in China geen ascetisch bestaan in een berggrot hoefde te zijn, maar eerder een zaak van de geest was. Wat zij in hun gedichten ook schreven, Chinese kluizenaars leefden gerust in riante buitenverblijven, louter om aan de eisen van het openbare leven te ontsnappen en hun ‘ik’ te laten opgaan in de lege, diepe Tao.

Op dezelfde manier was dronkenschap, ook veelvuldig bezongen in de Chinese poëzie, dikwijls slechts een retorische figuur voor het leegmaken van de geest, niet het bedwelmen ervan. Het doel was een ‘van emoties ontdane gelukzaligheid’, zoals in het utopische Dronkenland uit een weemoedig reisverhaal van klassiek dichter Wang Ji: ‘De mensen laten zich er leiden door puurheid en kennen geen liefde of haat, geen vreugde of boosheid.’

Of de westerse lezer tot een zo grote gelijkmoedigheid in staat is, valt te bezien, maar net als De Meyer zal hij zeker rust vinden in de tevredenheid die uitgaat van ‘een leeggemaakte geest en een volle kruik wijn’.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 27 mei 2010

Lees ook: Weten en vergeten

De honden van Hellebosch

Su Tong

In het najaar van 2009 was Su Tong schrijver in residentie bij Passa Porta, België

Su Tong met Quibus (foto Alexandra Cool)

Toen ik aankwam op de luchthaven van Brussel, zag ik het platform met de vliegtuigen nat glanzen in het avonddonker. Regen. Sinds het begin van de herfst was het in Nanjing kurkdroog geweest, pas in België trof ik de eerste regen van het najaar, wat me op de een of andere manier blij stemde. Volgens een Chinees gezegde is voorjaarsregen zo kostbaar als olie, maar ik heb altijd van herfstregen gehouden, ik weet niet waarom.

Eenmaal aangekomen bij Villa Hellebosch was het al diep in de nacht. Moe van de reis opende ik voor het slapengaan nog even het raam om naar buiten te kijken. De lucht was fris en vochtig, het bos pikdonker, al wat ik hoorde was de regen. Her en der flakkerde er een lichtpuntje op in het bladerdek – dan viel er een regendruppel precies op een blad dat al vol water stond.

De landelijke villa lag diep verborgen in het bos, één met de regen, één met de nacht – en één met de ochtend na de regen.

Die ochtend werd ik vroeg wakker, hielp mezelf aan een provisorisch ontbijt in de keuken en opende de achterdeur naar de tuin. Onmiddellijk stond ik oog in oog met een rij grote bomen, geen gewone grote bomen, maar echt bomen die tot in de hemel reikten, minstens vijftig meter hoog. Behalve in het oerbos van Xishuangbanna, kon ik me niet herinneren ooit eerder zulke hoge bomen te hebben gezien. Terwijl ik met mijn hoofd in mijn nek die bomen opnam, had ik niet in de gaten dat ik op mijn beurt ook werd opgenomen. Met een ruk keek ik opzij en zag de drie honden van de villa op me af komen stormen. Vanwege hun onstuimige onthaal – we zagen elkaar voor het eerst, kenden elkaar nog niet – sloot ik behoedzaam de deur en dook een beetje weg. Van achter het glas observeerde het drietal hun nieuwe gast, ze leken zelfs even onderling te overleggen, maar alsof ze niet wisten wat ze van me moesten maken dropen ze uiteindelijk teleurgesteld af. Misschien waren ze door mijn uiterlijk en huidskleur van streek gebracht, misschien waren ze verbaasd over mijn verbazing. Wat kon ik er ook aan doen dat ik de eerste Chinese bezoeker van Villa Hellebosch was?

De vredigheid van de villa had ik verwacht, maar de schoonheid ervan overtrof al mijn verwachtingen. Vandaar dat ik de eerste dag niet als een schrijver maar als een toerist rond de villa struinde om mijn fotografeerlust bot te vieren. Even later ontdekte ik de boomgaard die aan de tuin grensde. De beregende perebomen, de takken vol zware, rijpe vruchten: ik moet bekennen dat het water me in de mond liep en ik zonder erbij na te denken de mooiste peer in het vizier nam – maar ik had de tak nog niet beet of er gebeurde iets volkomen onverwachts: sneller dan je het ooit beschrijven kunt voelde ik iets zachts tegen mijn been stoten en zonder enige waarschuwing werd ik zomaar bij mijn arm gegrepen. Bijgekomen van de eerste schrik zag ik dat het geen mens was maar opnieuw een hond – en wel de hond van de villa die naar de naam Quibus luisterde. Dit keer kreeg ik het echt benauwd, want voor iemand van mijn leeftijd, en een gast van de villa nog wel, was het natuurlijk volstrekt ongehoord – moreel, rationeel, laat staan wettelijk gezien – om zich te vergrijpen aan de peren van de villa! Gepakt worden door de hond was mijn verdiende loon.

Onzeker over hoe de hond me zou straffen, dwong ik mezelf tot kalmte en probeerde met het dier aan te pappen. Ik had de peer niet eens kunnen plukken, het enige wat ik in mijn hand hield was mijn fotocamera, die ik voortdurend voor hem in de lucht hield, om maar duidelijk te maken dat de diefstal verijdeld was. Van lieverlee werd de camera het brandpunt van onze strijd, ik zag dat Quibus inmiddels recht overeind stond, zijn kop tegen mijn hand drukte en me zo, ferm en autoritair, elke beweging onmogelijk maakte. Toen begreep ik opeens dat ik mezelf in de nesten had gewerkt: de cognitieve functies van een hond zijn nu eenmaal beperkt, kon het niet zijn dat hij de digitale camera aanzag voor een peer en me dwong de camera terug in de boom te hangen? In paniek begon ik te roepen: dit is geen peer, dit is mijn camera! Ik stopte het toestel in mijn zak en maakte me met de moed der wanhoop op voor een gevecht van man tot hond. Maar het verwachte gevaar bleef uit, Quibus ging plotseling zitten; in zijn ogen zag ik genadigheid, in zijn houding vergiffenis. Dat gaf me opeens de durf om te zeggen: naar huis, kom, schiet op! En het wonder geschiedde, Quibus luisterde naar me en liep met me mee terug naar de villa. Bij de achterdeur bleef hij staan en wachtte tot ik naar binnen ging. Ik weet niet of hier nu zijn hondenfatsoen of zijn honden-IQ een rol speelde. Hij leek me te zeggen: vooruit, je bent een gast, dus voor deze keer laat ik het hierbij, maar wee je gebeente als je nog eens peren steelt.

Het spijt me dat ik mijn verhaal over Villa Hellebosch aan een hond heb gewijd, het komt gewoon doordat Quibus zo’n lief dier was. Elke ochtend als ik de deur opendeed zag ik Quibus en zijn makkers weer. Hij beschouwde me als een oude vriend en had zijn eigen manier van groeten: eerst rende hij op me af en snuffelde aan me, bij wijze van goedemorgen, waarna hij zijn niet-aflatende belangstelling voor me toonde door meermalen langs me heen naar binnen te schieten om een kijkje te nemen in mijn kamer. Zei ik ‘nee’, dan likte hij even over mijn voet – één zacht likje – en ging er weer vandoor.

Mijn Engels is niet zo goed, waardoor ik met de anderen in de villa niet zo makkelijk kon communiceren; nooit gedacht dat een hond genaamd Quibus er mijn eerste vriend zou worden. Vooraf had ik me niet kunnen voorstellen dat het residenceschap in de villa mijn leven zo zou veranderen, zonder dat ik er ook maar iets van mijn werk zou afmaken. Ik voelde nooit zoveel voor honden, maar dat is nu vast voorbij, misschien neem ik ook nog weleens een hond, zo een als Quibus.

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in de Standaard der Letteren, 29 januari 2010

Een soort Europa, maar dan beter

Eerste Nederlandstalige geschiedenis van China

Chinezen zijn trots op hun geschiedenis, en nationalisme is in China geen vies woord. Nu China zich in snel tempo van ontwikkelingsland tot supermacht ontpopt, jaagt de zelfverzekerdheid van deze ‘adolescent op steroïden’, zoals een Amerikaanse wetenschapper het typeerde, de westerse wereld weleens angst aan. Of er echt sprake is van een nieuw ‘geel gevaar’ valt echter te bezien, voorlopig lijkt die westerse angst een klassiek geval van projectie, want aan expansiedrift hebben de gewezen koloniale machten zich eerder schuldig gemaakt dan China.

Die indruk, inclusief die prettige relativering van ons westerse wereldbeeld, houd je over aan lezing van Het Hemels Mandaat, de eerste Nederlandstalige geschiedenis van het Chinese keizerrijk, geschreven door Leids hoogleraar Barend ter Haar.

China mag dan steeds assertiever worden op het wereldtoneel, Chinees nationalisme is in feite iets betrekkelijk nieuws. Tot ver in de 19e eeuw zag China zichzelf niet als een natie onder de naties, maar als het ‘rijk van het midden’, zoals haar naam zich letterlijk vertaalt. Nu heeft elk groot rijk, van het Romeinse tot het Amerikaanse, zich als het middelpunt van de wereld beschouwd, maar het verschil is dat het voor China nooit een etnische of geo-politieke kwestie was. De opeenvolgende keizerlijke dynastieën waren simpelweg het middelpunt van de beschaving, omringd door ‘barbaren’.

De keizers regeerden er in naam van de Hemel, van wie zij de taak – het mandaat – hadden gekregen om het Al-onder-de-hemel, oftewel: de hun bekende wereld, te ordenen. Daarbij telde niet zozeer het grondgebied. Hoewel in alle geschiedenisboekjes staat dat de Eerste Keizer in 221 v.Chr. China voor het eerst verenigde, is China de eerste 1200 jaar daarna slechts 3 à 4 eeuwen echt een eenheid geweest, noteert Ter Haar fijntjes. Hij stelt dan ook voor China niet als ‘een land’ te beschouwen, maar als een soort Europa – zij het dan ‘een stuk succesvoller’ wat het eenwordingsproces betreft, voegt hij er met een typische kwinkslag aan toe.

Meestal streden meerdere rijken rond de grote Chinese rivieren, de Gele en de Yangtze, om het Hemels Mandaat, maar het konden ook gerust buitenlanders zijn. De grote Tang-dynastie was half-Turks, de Yuan was een Mongoolse veroveraarsdynastie, en vanaf de 17e eeuw werd China driehonderd jaar geregeerd door Mantsjoes. Al deze vreemde volkeren konden aanspraak maken op het Hemels Mandaat door de kwaliteit van hun bestuur, dat zij doorgaans zelfs op Chinese leest stoelden. Het is dan ook op hun morele gezag dat Chinese historiografen hun leiders beoordeelden – een van de valkuilen voor de moderne historiograaf op zoek naar feiten.

De westerlingen, in casu de Britse handelsdelegaties uit de 19e eeuw, stelden zich in Chinese ogen niet respectvol open voor de ‘beschavende uitstraling’ van de keizer. Zij beschouwden de wereld als louter afzetgebied en ergerden zich aan China’s soevereine onverschilligheid. Zonder enig benul van het Hemels Mandaat, maakten ze er domweg een einde aan; de door hen verklaarde Opiumoorlogen liepen binnen enkele decennia uit op de ondergang van het keizerrijk in 1911.

Hoe de confrontatie met het Westen, aanvankelijk nog een vrolijke parade van misverstanden, zulke fatale gevolgen kon hebben, is iets waarbij Ter Haar uitvoerig stilstaat. Zijn overwegend zakelijke overzicht, dat als vanzelf boeit door de indrukwekkende kennis van zaken, lijkt haast naar een dramatische ontknoping toe te werken.

Enerzijds is het een onvermijdelijke clash tussen de twee wereldmachten van toen: het Britse rijk met zijn koloniën, en het Chinese, dat tijdens de Song-dynastie (10e-12e eeuw) al het stabielste rijk ter wereld was, onder de Mongolen (13e-14e eeuw) het grootste en tijdens de Ming (14e-17eeuw) het rijkste. Maar voor China’s plotselinge val naar de status van ‘zieke man van Azië’ zijn meerdere oorzaken aan te wijzen, waarbij Ter Haar zich deels baseert op nieuwe inzichten.

Zo had China vóór de komst van de Britten al te maken met natuurrampen en malthusiaanse spanningen als gevolg van hoge bevolkingsgroei, zaken die het elk land moeilijk hadden gemaakt. Maar het zijn vooral de schaduwkanten van het Hemels Mandaat die de Chinezen opbreken. Een vergelijking met Japan, dat in dezelfde tijd succesvol moderniseerde, maakt dat duidelijk. In technologisch opzicht deed China niet voor Japan onder, maar het faalde op organisatorisch vlak.

Door de grote nadruk op moreel bestuur heeft China tot in de late 19e eeuw nauwelijks een onafhankelijke elite gekend. Het examensysteem, dat opleidde tot het hoogste ambt, dat van dienaar des keizers, testte minder op bestuurlijke competentie dan op ideologische integriteit, door middel van kennis van de klassieke geschriften. De eerste Qing-keizers waren zelfs een soort superliteraten, die handel en praktisch vernuft als bijzaken beschouwden. Met een loyale ambtenarij en zonder werkelijk politiek debat, bleven veel hervormingen steken in desinteresse en corruptie op overheidsniveau.

Tianming, oftewel ‘hemels mandaat’

De parallellen met het tegenwoordige China springen hier in het oog. Al is de meer hervormingsgezinde overheid sinds de Culturele Revolutie wel geïnteresseerd in westers ‘praktisch vernuft’, nog altijd tracht zij het te importeren zonder de eigen ideologie te laten aantasten door het gedachtegoed dat ermee naar binnen sijpelt, denk aan democratie. En wat de handel betreft: de openstelling van de markt die de WTO verlangt, ligt sinds het 19e-eeuwse optreden van de Britten nog altijd gevoelig.

De twintigste eeuw behandelt Ter Haar in een relatief kort slothoofdstuk, dat enkel aanknopingspunten wil bieden voor verder onderzoek naar hoe de traditie doorwerkt in de moderne tijd. Hij noemt bijvoorbeeld de blijvende invloed van de Chinese geneeskunde, maar er valt ook te denken aan een term als ‘cultureel China’ die in het Chinese denken opgang doet.

Daarmee wordt verwezen naar de gedeelde Chinese waarden over de politieke grenzen heen, van de Volksrepubliek tot Taiwan en alle Chinese gemeenschappen overzee. Dat culturele gevoel is sterk aanwezig: elders in de wereld, of het nu Nederland of Canada is, plegen Chinezen, ook zij die er geboren en getogen zijn, de autochtone bevolking nog altijd ‘buitenlanders’ te noemen, alsof ze hun ‘rijk van het midden’ gewoon overal met zich meedragen. Is zo’n eenheidsideaal zonder notie van grondgebied geen eigentijds uitvloeisel van het aloude Hemels Mandaat?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 januari 2010

Op naar de binnenkant

Chinese schrijvers zijn te gast op de grootste boekenbeurs ter wereld

‘De Chinese literatuur van nu is troep!’ Dat zei vertaler en éminence grise van de Duitse sinologie Wolfgang Kubin drie jaar geleden in een interview met een Chinese krant. Blijkbaar raakte hij een gevoelige snaar, want in China hebben ze het er nu nog over.

Met de poëzie ging het nog, volgens Kubin, maar Chinese romans stelden internationaal niets voor. Ten eerste omdat Chinese schrijvers geen vreemde talen kenden en niet in dialoog traden met buitenlandse collega’s, ten tweede omdat ze hun hoofd te veel naar de markt hingen, ten derde omdat ze ‘zo laf waren’ hun eigen werk al samen met de uitgever te censureren voordat de politiek eraan te pas kwam.

Wel, al die dingen zijn tot op zekere hoogte waar. Er zijn snelle ondernemers die unverfroren fortuin maken met geprefabriceerde liefdesromannetjes voor China’s talrijke tieners, op maat geleverd voor mobieltje of twitter. En menig auteur schrapt gewillig een gevoelige passage voor de binnenlandse markt, terwijl hij zijn buitenlandse literair agent de ongekuiste versie doorspeelt.

Maar of dat alles verklaart? Een diepere oorzaak is waarschijnlijk dat de Chinese schrijver, met of zonder talenkennis, nu eenmaal sterk gericht is op de eigen traditie en, omdat hij engagement van oudsher hoog in het vaandel houdt, op de eigen maatschappelijke problemen. Zo blijft de Chinese literatuur een eigen eilandje op de wereld vormen – iets waar de Frankfurter Buchmesse, die volgende week met Schwerpunkt China van start gaat, misschien verandering in kan brengen.

Van Xu Zechen verscheen in 2016 een Nederlandstalige verzameling novellen, onder redactie van Anne Sytske Keijser. Het hier besproken Rennend door Zhongguancun werd vertaald door Annelous Stiggelbout, die ook een nawoord verzorgde.

De grootste boekenbeurs ter wereld zorgt altijd voor een stoot nieuwe vertalingen uit het gastland. Duitsland heeft die kans vooral aangegrepen om zijn lacunes in het Chinese aanbod te vullen, want gek genoeg verscheen er in deze grote taal veel minder eigentijds werk dan in het Engels of Frans, zelfs waar het grootheden als Mo Yan of Yu Hua betreft. Maar gelukkig poogt de Buchmesse meteen een inhaalslag door zich op de jongere generatie schrijvers te richten, dertigers die elders nog amper vertaald zijn.

Piepen zij anders dan de ouden zongen? De als veelbelovend getipte Xu Zechen, geboren in 1978, belicht in zijn werk graag de zelfkant van de maatschappij. Zijn mondiale debuut, Im Laufschritt durch Peking, is een korte roman over een verkoper van illegale dvd’s die de straten van de hoofdstad afstruint. Iedere Chinese lezer kent dit fenomeen: de gepirateerde schijfjes zijn vaak de enige manier om, zeg, een Truffaut of Tarantino te zien, want in de bioscoop komen die films niet.

De buitenlandse lezer mist die achtergrond, maar geen nood: Xu toont uitgebreid hoe het allemaal in zijn werk gaat. We volgen onze kruimelcrimineel vanaf het moment dat hij uit de gevangenis komt, zien hoe hij aan zijn waar komt, zijn centen telt en een broos bestaan probeert op te bouwen met een vriendinnetje dat in valse papieren handelt.

Maar dat is het ook zo’n beetje. Xu zegt dat hij in deze randfiguren geïnteresseerd is omdat het ‘echte mensen’ zijn, taaie overlevers die ondanks alles trouw blijven aan zichzelf. Alleen laat hij ons dat ‘zelf’ van zijn personages niet echt zien. Zijn laconieke held raakt bijvoorbeeld benieuwd naar de films die hij verkoopt en gaat ze zelf bekijken, maar we lezen niets over wat die films, met toch toepasselijke titels als Lola rennt of Fietsendieven, met hem doen.

Het is een vaak gehoord westers bezwaar jegens Chinese literatuur: de mensen worden te veel van buitenaf beschreven. Dat heeft te maken met de Chinese traditie, die eerder de sociale verhoudingen benadrukt dan het innerlijk uitdiept. Kennelijk is de jongste lichting schrijvers wat dat betreft nog steeds typisch Chinees – trouw aan zichzelf dus.

Een iets genuanceerdere indruk krijg je bij lezing van de verhalenbundel Unterwegs, samengesteld door Jing Bartz, leidster van het informatiecentrum van de Frankfurter Buchmesse in Peking, en de Chinese literatuurpaus Li Jingze, die vooral naam heeft gemaakt als ontdekker van jong talent.

Ook hier veel aandacht voor de kleine man of vrouw. Er is een cynisch verhaal over bouwvakkers die hun leven riskeren op een hoge brug en een larmoyant portret van een fabrieksarbeider. Vette ironie vind je bij de veelgeloofde Lu Min (1973), die beschrijft hoe een radiopresentator van een praatprogramma, totaal afgestompt door de problemen van alle bellers, opeens geconfronteerd wordt met de dood van een mooie taxichauffeuse, voor wie zijn nachtshow een lichtpunt in haar leven was.

Subtieler is het verhaal van Jin Renshun (1970), waarin een eenvoudige studente hoffelijk verleid wordt door een oudere man, die haar zo bedelft onder de cadeaus dat ze langzaam in de war raakt over luxe en liefde. Ook hierin is maatschappelijk commentaar te lezen, op de rol van het geld in booming China, maar de twijfels van de studente worden van binnenuit beschreven en sluiten een al te simpele veroordeling uit.

Dat laatste geldt helemaal voor de bijdrage van Huang Tulu (1970), van oorsprong dichter, die zich op veel subversievere wijze verplaatst in een ambtenaar die door steekpenningen in opspraak raakt en op de vlucht slaat. Corruptie is een enorm thema in de Chinese literatuur, maar zelden werd de ontreddering van ‘de dader’ zo beklemmend geschetst. Zijn schuldgevoel neemt haast mythische trekken aan, en op zijn tocht door het buitenland trekt zijn hele grauwe leven aan zijn geest voorbij, met een freudiaanse hoofdrol voor zijn moeder.

Criticus Li Jingze pleit in het voorwoord terecht voor het korte verhaal, dat in China een voorname traditie kent. Kennelijk gaat sociale begaanheid daarin goed samen met enige relativerende introspectie. Dat is alvast een mooie, kleine uitkomst van deze Buchmesse; goed om te onthouden bij alle symposia die zij gaat houden over beeldvorming tussen oost en west, persvrijheid en economische groei – grote thema’s die de zaken meestal wat simpeler voorstellen dan ze zijn.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 oktober 2009

Zie ook: Tien liefdes