De tienduizend dingen 

Natuurlijk was het de titel die me aantrok. De tienduizend dingen, de romanklassieker van de Nederlands-Indische Maria Dermoût (1888-1962), beloofde een zekere affiniteit met het Chinese – en ik kwam niet bedrogen uit.  

‘De tienduizend dingen’ staat in de Chinese levensbeschouwing voor ‘alle dingen’, het al, de natuur, de schepping. Al zullen Chinezen niet zo gauw spreken van ‘schepping’: de natuur heeft altijd bestaan en bestaat uit zichzelf, zoals het Chinese woord voor ‘natuurlijk’, of ‘natuurlijkheid’, als staat die ook de mens kan aspireren, ziran, zich ook letterlijk laat vertalen: ‘van-zichzelf-zo-zijn’. 

Juist die notie komt prachtig terug in Maria Demoûts van de natuur wemelende roman, waarin een van oorsprong Nederlandse vrouw zich op een Indisch eiland tot de ‘tienduizend dingen’ leert te verhouden, haar plaats als mens daarin probeert te aanvaarden. Dermoût ontleende haar titel aan een Chinees citaat, dat ze ook als motto aan het in 1955 verschenen boek toevoegde: 

Wanneer de ‘tienduizend dingen’ gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn. 

– Ts’ên Shên

In een artikel voor de Haagsche Post legde ze uit wat deze ‘woorden van de Chinese, Oosterse wijsgeer’ voor haar betekenden: ‘De mens dus niet als het middelpunt van de schepping, maar als een deel van de overweldigende – goede en wrede – schone en niet schone – eeuwig bewegende, eeuwig in rust zijnde veelheid die wij de Schepping noemen. Hij is niet meer, ook niet minder dan de boom of de bloem aan zijn zijde, een vogel of een kwalletje (mooi als een juweel); ja zelfs niet minder of meer dan wat wij als niet levend, niet bezield hebben leren beschouwen: een leeg schelpje zonder zijn bewoner, een kristal, een steentje.’ Het mooie van Dermoûts roman is dat ze geen zweverig exotisme bedrijft, verre van, maar een stemmig, bij vlagen donker, psychologisch onderzoek deelt. 

Achter de auteur van het citaat, Ts’ên Shên, moeten we, in tegenstelling tot wat velen aanvankelijk dachten, niet de achtste-eeuwse Tangdichter Cen Shen zoeken, zoals hij in de inmiddels gangbare internationale transcriptie heet. Dermoûts spellingsverhaspeling heeft literatuurvorsers lang op een dwaalspoor gestuurd, maar uiteindelijk werd duidelijk dat de schrijfster het citaat uit Aldous Huxley’s The  Perennial Philosophy had gehaald, een in 1944 verschenen bloemlezing van wijsheden uit alle wereldbeschouwingen. Losse spreuken en korte passages zijn het, summier door Huxley toegelicht.

‘When the ten thousand things have been seen in their unity, we return to the beginning and remain where we have always been’, lezen we daar, met als bron: Sen T’sen. Dermoût had de lettergrepen als het ware omgekeerd – op gezag van een Chinese student, schreef ze in een brief aan haar Duitse vertaalster – en verbloemde zo lange tijd dat het hier in feite ging om Sengcan (in de huidige spelling), oftewel: Jianzhi Sengcan, de derde Chinese patriarch van het zenboeddisme, die leefde in de zesde en zevende eeuw.

Zenpatriarch Sengcan

Aan deze zenpatriarch wordt het lange gedicht ‘Inscriptie van het vertrouwen in de geest’ (Xinxin ming) toegeschreven, dat op vele aan het (zen)boeddhisme gewijde websites in allerlei vertalingen te lezen valt. Het is een tekst ter oefening van de geest, een oefening in gelijkmoedigheid in de omgang met de wereld. In het vijftigste van de in totaal drieënzeventig verzenparen kunnen we Huxley’s quote herkennen, zij het dat het er heel wat korter en strakker uitziet, in acht luttele lettergrepen, één per karakter:

万法齐观, 

归复自然。 

Wanfa qiguan, 

guifu ziran. 

Met inachtneming van vorm en rijm zou dat het onderstaande kunnen betekenen – waarbij ik van ‘de tienduizend dingen’, zoals het er wel degelijk staat in het Chinees, ‘de dingen’ heb gemaakt, in een poging het idee meer thuis te brengen in het Nederlands:

Bezie de dingen zonder onderscheid, 

hervind in alles de natuurlijkheid. 

Waar Huxley de dingen ‘in hun eenheid zien’ heeft, heb ik voor ‘zonder onderscheid’ gekozen, aangezien het Chinese woord hier, 齐 qi, eerder ‘in hun gelijkheid’ betekent: niet per se de dingen als één zien dus, maar vooral als gelijk. De taoïst Zhuangzi gebruikt hetzelfde woord in zijn begrip ‘de gelijkheid der dingen’ (letterlijk ook ‘de tienduizend dingen’) en aangezien het zenboeddhisme het door het taoïsme gevoede boeddhisme is, mogen we deze link beslist leggen.1 In ‘Over de gelijkheid der dingen’, het tweede hoofdstuk van zijn boek, hekelt Zhuangzi de menselijke eigenschap om altijd maar onderscheid te maken tussen de dingen, altijd alles maar in te delen in groot en klein, nuttig en nutteloos, etcetera. Een hebbelijkheid waarmee de arme mens zich hopeloos en nodeloos verwijdert van de natuur, waarin die indelingen, die tegenstellingen niet zo gelden, eerder op lijken te lossen in de Weg, het oerprincipe dat zich weinig van ‘onze’ oordelen aantrekt.

Houd je dus op met de dingen zo ‘menselijk’ te zien, zouden we met het citaat kunnen zeggen, dan zie je ze weer in hun natuurlijkheid, of: dan keer je terug naar een natuurlijk ‘zijn’. ‘Terugkeren’ is wat er letterlijk in het citaat staat, alleen niet naar ‘het begin’, zoals Huxley heeft; zijn ‘blijven waar wij altijd geweest zijn’ is evenmin in het Chinees terug te vinden, tenzij het enigszins verbasterd naar het ‘van-zichzelf-zo-zijn’ van hierboven zou verwijzen. Want je zou het citaat wel in zijn geheel iets letterlijker kunnen vertalen, met opoffering van metrum en klankspel:

Zie de dingen in hun gelijkheid, 

keer terug naar het vanzelf zo-zijn. 

Het is interessant dat Maria Dermoût taoïst Zhuangzi beter bleek te kennen dan zenpatriarch Sengcan. In de genoemde brief aan haar Duitse vertaalster (Irma Silzer) zegt ze over Ts’ên Shên alias Sen T’sen: ‘ik had nooit van hem gehoord, wel van Tsang Zu! die zo enig is’. Tsang Zu is Zhuangzi, heeft men uitgezocht, en het lijkt er ook op dat die haar denken beslissender heeft beïnvloed. Niet alleen omdat ze in haar dagboek ergens spreekt van ‘de 10.000 dingen in hun gelijkheid’, maar ook omdat het denken in tegengestelden een voorname rol in haar roman speelt. Sterker nog: waar zij ‘de 10.000 dingen in hun gelijkheid’ in dat dagboek kort aanhaalt als iets wat ‘Westerlingen’ maar moeilijk kunnen aanvaarden, laat zij in haar roman uitvoerig zien hoe die worsteling eruit zou kunnen zien.

En daarmee komen we op het tweede Chinese element van de roman, in mijn ogen althans: de vorm en opbouw ervan, die critici en lezers door de jaren heen opvallend heeft beziggehouden. Is het wel een roman, vroegen velen zich namelijk af, en niet eerder een verhalencyclus, of zelfs verhalenbundel?  

Zes delen kent het boek, waarvan het eerste en laatste als een soort raamvertelling om de andere vier heen staan. In het openings- en slotdeel staat de oude vrouw Felicia centraal, telg van een Nederlands geslacht dat al generaties in Indië aanwezig is, actief in de ‘specerijentuinen’ op een eiland gemodelleerd naar het Molukse Ambon, waar Dermoût zelf, aan het begin van de 20ste eeuw, een tijd gewoond heeft. In het begin maakt deze Felicia zich op voor haar persoonlijke dodenherdenking, met Allerzielen, een ritueel dat zij aan het einde zal uitvoeren. Maar in de tussenliggende delen is zij niet de hoofdfiguur: in het terugblikkende deel twee zijn het haar grootmoeder en zoon, en speelt zij nog wel een rol, maar deel drie, vier en vijf zijn op het eerste oog haast los te lezen verhalen over anderen op het eiland; Felicia duikt er hooguit even kort in op.

Als een roman een duidelijke verhaallijn moet kennen en duidelijk bij een hoofdpersonage moet blijven, dan is De tienduizend dingen wellicht geen roman in de klassieke, westerse in van het woord. Maar al ‘praat’ Dermoût de diverse delen inderdaad niet ‘aan elkaar’ en zijn de overgangen abrupt, toch zou een Chinese lezer daar minder onthand door zijn. Hij zou de delen vrij natuurlijk met elkaar in verband brengen, simpelweg door ze eerder thematisch te vergelijken dan lineair ‘aan elkaar te plakken’, gewend als hij is aan een traditionele maar nog altijd levende manier van vertellen die ik in een eerder stuk, zie hier, al eens omschreven heb als meer ‘ruimtelijk’ dan gericht op een spanningsboog – meer weghebbend van een mozaïek, een collage, zo je wil.

En zo zou die Chinese lezer eenvoudig zien dat de delen allemaal gaan over gestorvenen, vermoorden om precies te zijn. Dat is iets wat Nederlandse critici altijd wel concludeerden aan de hand van het slotdeel, getiteld ‘Allerzielen’, waarin alles, of beter gezegd: iedereen, bij elkaar komt. Maar misschien dat de Chinese lezer dat al beter door had gehad in het eerste deel, getiteld ‘Het eiland’, waarin Dermoût de natuur van die plek, de tienduizend dingen van baai en specerijentuin, al onmiskenbaar als van de dood doordrenkt beschrijft.

En hoe. Dermoûts stijl is indringend, bezwerend, met veel herhalingen en hernemingen, ze schrijft hortend, aarzelend, nadenkend; haar zinnen eindigen niet zelden met een gedachtenstreepje. Ze beschrijft de hele omgeving van Felicia in detail, met daadwerkelijk aandacht voor alle ‘tienduizend dingen’, van schelpjes en slakjes tot parels en plantjes. Mens en natuur laat ze ook mooi samenkomen in ‘de drie golfjes’ waarmee het water van de baai steevast op de oever slaat: voor de animistisch denkende eilandbewoners staan die golfjes namelijk voor de vader, de moeder en het kind. Maar er is ook verval in dat alles te bespeuren, deels gekleurd door de blik van de eenzame Felicia, die zich de laatste bewoner van haar specerijentuin weet, verlaten als ze is door haar man, maar vooral na het verlies van haar enige zoon, die omkwam als militair. Gesneuveld – of is hij toch vermoord? 

Maria Dermoût (Larry Burrows)

Dermoûtbiograaf Kester Freriks, die over het algemeen een ‘Aziatische’, lossere verteltraditie in de roman ziet, stelt dat de schrijfster in de opening niettemin het westerse procedé van de vooruitwijzing hanteert. Toch zijn het geen echte plotaanwijzingen die Dermoût daarin geeft, behalve dat ze Felicia’s dodenherdenking erin aankondigt. Het zijn eerder indirecte verwijzingen, kleine motieven, thematische zaken. Er is bijvoorbeeld sprake van drie door een ‘mooie slavin’ vergiftigde meisjes op het eiland, althans, dat wordt gefluisterd: drie dochtertjes van de eerste Nederlandse generatie aldaar, die er nog altijd rondspoken. Op het thema van vervloeking wordt gehint, dat een cruciale rol in het boek zal spelen – en dat ook telkens een spanning tussen de westerse en de oorspronkelijke bevolking laat zien. Maar dat alles komt op en verdwijnt weer, voor even, het zijn geen stevige verhaallijnen, alles is deel van de tienduizend dingen, ‘eeuwig bewegend, eeuwig in rust zijnd’.

Dat web van motieven gaat samen met een spel van spiegelingen – ook een pregnant onderdeel van de Chinese vertelkunst. In de andere doden op het eiland, een posthouder en een professor, een meid en een matroos, zien we steeds personen, verhoudingen of obsessies terug uit het leven van Felicia. Als je goed leest tenminste, Dermoût legt het niet uit, legt die verhalen alleen naast elkaar, om te vergelijken. Een voorbeeld van zo’n motief- en spiegelvermenging is het personage van de Schotse professor, in wie alle critici en onderzoekers de zeventiende-eeuwse Duitse geleerde Rumphius terugzien: zijn botanische boeken, die Felicia zo liefheeft, komen telkens in de roman voorbij. De werkelijk bestaande Rumphius bestudeerde als eerste systematisch de plaatselijke flora, legde minutieus de kleinste scheppingen vast, op een manier die ook Dermoût geïnspireerd moet hebben. En zo zie je dat er, op verschillende niveaus, een enorm vertakt netwerk van verwijzingen in de roman aanwezig blijkt, verfijnd maar natuurlijk, zoals al is blootgelegd door onderzoekers Guus Houtzager, zie hier, en Leo Vissers, in zijn studie De harpe amoret.

In de ‘finale’ gedenkt Felicia de doden, de vermoorden, niet alleen haar zoon, ook alle andere op het eiland. Ze ziet ze voor zich, praat met ze. Het is hier dat ‘de tienduizend dingen’ voor haar echt betekenis beginnen te krijgen. Volgens een plaatselijk geloof moeten van elke dode de ‘honderd dingen’ van zijn leven opgenoemd worden, als bezweringsritueel – maar Felicia ziet opeens ‘veel meer dan honderd dingen’ om zich heen, wel ‘honderd keer “honderd dingen”, naast elkaar, los van elkaar, elkaar rakende, hier en daar in elkaar vervloeiende, zonder ergens enige binding, en tegelijkertijd voor altijd met elkaar verbonden…’

Ze ziet de eenheid uit het motto van de roman, kortom, maar ze denkt ook taoïstisch na over de gelijkheid van de dingen. Is haar zoon nu gesneuveld of vermoord, vraagt ze zich nogmaals af. Het is ‘het-een-én-het-ander’, antwoordt hij haar zelf, haar zachtjes aansporend om daarin te berusten. Tegenstellingen lossen op… Felicia komt er zo zelfs toe om de vermoorden en de moordenaars samen te zien, als het ware aan elkaar gelijk te stellen. Ook die laatsten, de moordenaars, gedenkt ze uiteindelijk, in wat misschien wel de opperste gelijkmoedigheid mag heten. Toch is het niet allemaal zo vredig en eenvoudig als dat hier zou kunnen lijken: de oude vrouw komt moeizaam en geleidelijk tot dit inzicht, ‘geholpen’ door haar zoon. En de roman laat bovendien open of zij ook werkelijk in alles zál berusten, want Maria Dermoût besluit ermee, in de laatste zin, dat Felicia van de baai weer naar huis, naar binnen loopt, ‘om opnieuw proberen verder te leven’.

Eerste druk

Ja, het is tot op grote hoogte een Chinese roman, De tienduizend dingen, in thema en compositie. Maar het is ook een roman van spanning tussen die Chinese zaken en de Nederlandse afkomst, of het westerse denken, van de hoofdpersoon – en hoogstwaarschijnlijk de schrijfster zelf. Een verslag van een worsteling, een ‘proberen’, proberen het anders te zien, proberen daarmee verder te leven. En in dat proberen zit het levende, het niet verouderende van deze klassieker.

Maar misschien uiteindelijk toch een westerse klassieker, waarin het inzicht van de gelijkheid der dingen eerder bevochten wordt dan met een zekere monterheid wordt ondergaan. De monterheid waarmee Felicia’s zoon het zijn moeder ‘bijbrengt’, de jongen die wellicht meer dan zij met één been in de oosterse wereld stond, wiens naam Willem niet voor niets verruild werd voor de lokale verbastering Himpies. Al spreekt hij natuurlijk wel in haar hoofd. Of vanuit de geestenwereld? Vanop een ontnuchterende afstand tot de geplaagde mens?


1 Sinisanten hebben ongetwijfeld opgemerkt dat zenpatriarch Sangcen (鉴智僧璨) de term 万法 wanfa gebruikt, terwijl 万物 wanwu de algemenere Chinese uitdrukking voor ‘de tienduizend dingen’ is, die Zhuangzi ook gebruikt. Sangcens meer boeddhistische term wordt ook wel vertaald als ‘de tienduizend verschijnselen’.

Zie ook: Westers plantje in Chinese bodem

De vonk in het kruitvat

‘De Hollandse koopmansgeest – geen reden tot feest’, was een leus die je in 2002 kon horen toen het 400-jarig jubileum van de VOC werd gevierd. Die kritische houding tegenover de handelsonderneming, om haar gebruik van geweld en haar rol in de kolonisatie, is inmiddels gemeengoed geworden en krijgt nu, met Leonard Blussés even afgewogen als lezenswaardige studie naar de ‘Chinezenmoord’ uit 1740, wellicht wat extra brandstof uit onverwachte hoek.

Vanaf het moment dat Jan Pietersz. Coen in 1619 de handelsstad Batavia stichtte op Java, was duidelijk dat de VOC in Zuidoost-Azië niet zonder de Chinezen kon, die er de zeehandel beheersten. Sterker nog, op de vraag wat er van het hele Nederlandse koloniale project terecht zou zijn gekomen zonder de Chinezen, antwoordt Blussé al in zijn inleiding onomwonden: ‘Bijster weinig.’

Een goede relatie met de Chinezen, die bekendstonden als ‘een industrieus, naarstig en ongewapend volk’, was dus belangrijk voor Coen c.s. Maar andersom gold hetzelfde, want de Chinezen, die in feite vrije vogels waren en niet namens hun land opereerden, waren gewend zich overal in de archipel aan te passen aan de lokale machthebbers, gewoon ‘om het goed te hebben’. Onder de Mingkeizers was destijds een algeheel zeevaartverbod van kracht, waardoor wie toch uitvoer de facto op zichzelf kwam te staan en geen rijksbescherming meer genoot.

Bijna honderd jaar lang was de Sino-Hollandse relatie ook goed, vooral onder de latere gouverneur-generaal Joan van Hoorn, die op zijn 13de al met zijn vader mee op diplomatieke missie naar het Chinese hof was geweest en sindsdien zijn hart aan China had verpand. Toen hij in 1709 moest vertrekken, schijnt de Chinese gemeenschap van Batavia dat blijkens Blussés bronnen zeer te hebben betreurd.

In de jaren daarna ging het mis, en dat is de centrale vraag van het boek: hoe kon dit alles uitlopen op de wrede afslachting van bijna tienduizend Chinezen in en om Batavia, een bloedblad dat door de eeuwen heen maar mondjesmaat is onderzocht? Blussé ziet een combinatie van factoren, waarbij ten eerste een economische terugval door toenemende concurrentie in de wereldhandel een rol speelde, vervolgens een vele jaren voortwoekerende epidemie en tot slot een steeds grotere migratie van Chinezen naar Batavia, die er vaak geen werk meer vonden.

Maar er lag ook een bestuurscrisis aan ten grondslag. Het besluit van de Heren XVII om ook de Ommelanden rond de handelshaven te gaan ontginnen, het feitelijke begin van de kolonisatie, vroeg gaandeweg waarschijnlijk te veel van de handelsmaatschappij – en van de grond, trouwens, met ecologische misstanden tot gevolg. Dat raakte weer vaak de Chinezen, die ook in de lucratieve suikerrietbouw onmisbaar waren.

Een machtsstrijd tussen nieuwe bestuurders die wat minder diplomatiek waren tegenover de Chinese gemeenschap zette de zaken verder op scherp. Blussé citeert met smaak uit de raadsverslagen en correspondenties om te laten zien hoe de hoge Hollandse heren vaak vooral met zichzelf bezig waren. Uitgebreid tekent hij ze, de ambitieuze en uiteindelijk bijna megalomane Van Imhoff en de weifelachtige, op den duur bijna paranoïde Valckenier, onder wiens bewind het ‘massacre’ ten slotte zou plaatsvinden.

Beeld Floor Rieder

Een overtrokken reactie op een aantal naar verhouding kleine incidenten met Chinese ‘delinquenten’ moet de vonk in het kruitvat zijn geweest. Een opstand onder de groeiend ontevreden Chinezen brak uit, die de Nederlanders totaal verraste. Blussé wijst hier op de historische betekenis van boerenopstanden in China, die door de eeuwen heen wel vaker voor grote omwentelingen hebben gezorgd – maar daarvan hadden de koloniale bestuurders geen weet. Het dagenlange bloedbad waarmee ze de opstand neersloegen is in Blussés beschrijving domweg gruwelijk, het lijkt wel of er totale gekte uitbrak. Een ooggetuigeverslag van een Duitse VOC-soldaat is wat dat betreft tekenend: ‘Nadat ik twee of drie Chinezen had omgelegd, was ik daar zo aan gewend, dat het me niet meer uitmaakte of ik een Chinees of een hond doodde.’

Al is het gebeurde nagenoeg in de vergetelheid geraakt, Blussé registreert uitvoerig de onmiddellijke nasleep, die bestaat uit jarenlange rechtshandelingen, verontwaardiging vanuit het vaderland en angstig geschuif met schuld. Dat hierbij de Nederlandse kant meer belicht wordt, is een simpel gevolg van de beschikbaarheid van bronnen, die aan de Chinese kant beperkt blijkt. Toch weet Blussé, aan de hand van onder andere de Chinese Annalen van Batavia, wel de lastige positie van kapitein Ni Hoekong te schetsen, de schrandere Chinese vertegenwoordiger in het koloniale bestuur, die als het ware tussen twee vuren stond.

Met een ironisch schimpscheutje hier en daar biedt Blussé bovendien wat tegenwicht aan de vanzelfsprekendheid van de koloniale praktijk die uit de Nederlandse documenten spreekt en die een 21ste-eeuwse lezer geregeld zal bevreemden. Want in zijn geheel is het juist de winst van het boek dat het de bronnen laat spreken, levendig en wel, zonder vooropgestelde veroordeling, met voldoende ruimte om je zelf een oordeel te vormen.

Oorsponkelijk verschenen in de Volkskrant, 20 april 2023

Lees ook: Staten van verwarring

Het paviljoen van de vergeten concubines

Veel Chinaromans kent de Nederlandse literatuur niet, maar naast Slauerhoff, Christine D’haen en Allard Schröder, schreef ook Pim Wiersinga, in zijn debuut Honingvogels, al over China. Nu keert hij er terug met een historische roman die als verrassend uitgangspunt De droom van de rode kamer heeft: de grote achttiende-eeuwse romanklassieker van Cao Xueqin. Wiersinga voert een keizerlijke tolk op, Vrouwe Cao, die ooit de minnares was van de schrijver en model zou hebben gestaan voor de heldin van de Droom. Wiersinga weet goed dat zulke verbanden tussen ware personen en romanpersonages Chinese lezers tot op heden bezighouden, en ook de manier waarop hij het boek verbindt met maatschappij en politiek is beslist Chinees te noemen. Westerser, en vrijer, is hij in de interculturele dimensie die hij toevoegt: van de botsing met het Britse rijk tot een liefdesintrige met de Nederlandse VOC-er Titsingh – inclusief een onverbloemde hartekreet over het belang van vertalingen! Veel misschien, maar Wiersinga is soeverein in zijn stijl, de knap aangehouden gedragen toon van deze ‘achttiende-eeuwse’ briefroman.

Recensie NBD | Biblion

Lees hier meer over De droom van de rode kamer

De eerste zin van Victor Segalen

Uit Brieven uit China, vertaald door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts

Marseille, une heure, 24 avril 1909

Mavone bien aimée tu as été hier plus belle que tu ne pouvais raisonnablement l’être.

Marseille, één uur, 24 april 1909

Mijn liefste Mavone je was gisteren mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn. 

Ongelofelijk: een briefwisseling tussen man en vrouw, zij in Frankrijk, hij in China – dat in die tijd nog heel wat verder weg lag dan tegenwoordig – en dan zo beginnen. Maar het is werkelijk de allereerste zin van de allereerste brief die Victor Segalen na vertrek aan zijn Yvonne schreef. De dag ervoor, op 23 april, hadden ze afscheid genomen in Parijs, vanwaar Victor de trein naar Marseille nam om daar de volgende dag aan boord te gaan van de mailboot naar Shanghai – een overtocht die alleen al een maand zou duren. Er volgden nog 64 brieven, totdat Yvonne zich bijna een jaar later, in april 1910, bij hem voegde in Peking.

De zin maakt meteen duidelijk dat de Brieven uit China liefdesbrieven zijn, die direct en indirect een levendig beeld geven van de amoureuze en intellectuele verhouding tussen de twee. Zeker, de brieven laten zich lezen als een reisverslag en bieden tevens een kijkje in Segalens literaire keuken; onvermoeibaar noteert hij zijn invallen voor boeken, als het uitkomt zelfs te paard, op de grote trektocht die hij later door het destijds tamelijk onverkende binnenland van China onderneemt. Maar het voornaamste is dat hij dat alles in eerste instantie deelt met zijn ‘Mavone’.

Er zit ook al meteen een typisch segalenniaanse wending in de eerste zin: wat doet dat ‘redelijkerwijs’ daar, in ‘mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn’? De tweede en derde zin bieden uitkomst:

Je t’aurais pardonné toutes les defaillances. J’aime infiniment que tu ne les aies pas eues.

Ik zou je alle zwakheden hebben vergeven. Maar je was sterk, en dat doet me oneindig goed.

‘Onder de omstandigheden’, had een ander daar misschien geschreven, maar Segalen is een eigenwijs stilist, die het liever wat korter en beslister zegt.

Lastig te vertalen is Segalen om die eigenzinnigheid zeker, al valt het in deze openingszinnen nog wel mee. De eerste zin rolde er net zo natuurlijk uit als Segalen hem ‘onder de omstandigheden’ had kunnen neerpennen. Misschien dat er in een eerste versie nog ‘Mavone mijn liefste’ aan het begin stond, maar dat ‘bien aimée’ staat er in het Frans altijd achter, en in het Nederlands klinkt het ook te gedragen.

De tweede zin: geen probleem. Maar de derde, tja, daarin zou ‘het deed me oneindig goed dat je er geen hebt gehad’, of iets dergelijks, toch echt geen goed Nederlands zijn geweest. Op zoek dus naar iets even korts en beslists – net als bij ‘redelijkerwijs’. Het resultaat, ‘maar je was sterk’, wijkt woordelijk misschien wat af, maar volgens Maarten Elzinga en mij is het Segalen ten voeten uit.

Lees ook: Brieven uit China (incl. fragmenten)

Oorspronkelijk verschenen in de rubriek ‘Eerste zinnen’ van Boekhandel Athenaeum

De schepper van rechter Tie

‘Een man van drie levens’ was hij, Robert van Gulik: diplomaat, sinoloog en schrijver. Al dekt die titel van zijn biografie uit 1993 de lading, het blijft slechts een poging om vat te krijgen op een man die volledig schuil lijkt te gaan achter zijn uiteenlopende belangstellingen. Ook het zojuist verschenen gedenkboek voor zijn honderdste geboortedag wil, volgens samensteller Marco Huysmans, recht doen aan de veelzijdigheid van deze ongrijpbare schepper van de befaamde Rechter Tie-romans.

Natuurlijk was het China dat Van Guliks drie levens verbond – maar niet alleen als object van zijn fascinatie. Het gedenkboek, een bonte, kwalitatief nogal wisselende bundel bijdragen, laat eens te meer zien hoezeer Van Gulik zich identificeerde met het klassieke ideaal van de Chinese ambtenaar-literaat, zoals dat in zijn geliefde Ming-dynastie in zwang was.

Niet alleen verluchtigde Van Gulik zijn Rechter Tie-mysteries met op Ming-platen gebaseerde tekeningen, die hij zelf maakte in zijn met Ming-meubels ingerichte werkkamer, hij wist ook drommels goed dat Ming-ambtenaren zich onderscheidden door hun bedrevenheid in de kunsten. Zij kalligrafeerden, dichtten en schilderden als amateur in de oorspronkelijke, positieve betekenis van het woord: beoefenaar niet-om-den-brode.

Het lijkt perfect van toepassing op al Van Guliks hoedanigheden. Als diplomaat ging hij geheel zijn eigen gang en epateerde zijn collega’s met informatie die hij bij kunstvrienden of in het nachtleven opdeed. Maar een van de bijdragen in het gedenkboek, een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken, toont aan dat hij vaak zozeer in cultuur geïnteresseerd was, dat hij op politiek vlak weleens van naïviteit getuigde – kritiek die ook de Ming-ambtenaren ten deel viel.

Als wetenschapper is hij eveneens een eigenzinnige liefhebber te noemen. Waar heeft hij niet over geschreven? De Chinese luit, de gibbon, erotische kunst; het gedenkboek neemt zelfs opstellen op die hij als negentienjarige bolleboos schreef over bijvoorbeeld het Chinese schrift. Als er een rode lijn in zit, is het zijn algemene, menselijke invalshoek, zijn bewondering voor de Chinese way of life.

Met dezelfde blik bezag hij ten slotte ook de literatuur. Die moest vooral leerzaam en historisch verantwoord zijn, blijkens een interview in het boek. En als het geen verhalen ‘met kop en staart’ waren, ‘vermorste’ hij zijn tijd er maar mee. Als een ware dilettant verdedigde hij de detective; van de ‘echte’ literatuur ging alleen Couperus nog: ‘Van oude mensen. Is dat geen thriller?’

Of het gedenkboek Van Gulik grijpbaarder maakt, weet ik niet, maar gewoon genieten van het rijke beeldmateriaal mag ook.

Zie ook: www.rechtertie.nl

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 25 september 2010

Het rijk der lichten

Vertaald door Remco Breuker en Imke van Gardingen

Waar heeft Het rijk der lichten van de Koreaanse romancier Kim Young-ha die exotische cover toch voor nodig? Daarop staat een hemel vol rode lampions afgebeeld, terwijl uit het boek blijkt dat Kim (1968) de schilderijenreeks ‘Het rijk der lichten’ van surrealist Magritte bedoelt: verwarrende landschappen waarop onder een stralende, zonnige hemel de aarde in nacht is gehuld.

Dat beeld past geheel bij de roman, waarin niets is wat het lijkt. De gezapige veertiger Kiyong, die op zijn 21e als spion van Noord- naar Zuid-Korea werd gestuurd, leidt al jaren een volstrekt geassimileerd undercoverleventje met vrouw en kind, als hij tot zijn schrik wordt teruggeroepen.

Kiyong waande zich een ‘vergeten spion’ en had ook nooit iets spectaculairs hoeven doen, enkel informatie vergaren over het gewone Zuid-Koreaanse leven, bedoeld voor het opleiden van nieuwe spionnen in het communistische P’yongyang. Zelf was hij daar ook opgeleid, op een soort filmset waar het straatleven van kapitalistisch Seoul was nagebootst, om te wennen aan de andere omgangsvormen. Was er ooit iets ‘echt’ aan zijn leven, vraagt hij zich plots af.

Magritte’s Rijk der lichten uit 1954

In de laatste 24 uur die hij krijgt om zijn koffers te pakken, trekt dat leven aan zijn ogen voorbij. Flashbacks, laatste gesprekken en onverwachte ontmaskeringen tonen niet alleen zijn eigen identiteitscrisis, maar ook die van zijn opgedeelde land.

Kim Young-ha gaat een stapje verder dan zijn oudere collega Hwang Sok-yong (1943), die met Mijnheer Han (Arbeiderspers 2005) de klassieke roman over de Koreaanse opdeling schreef. Dat is het afstandelijke relaas van een noordelijke vluchteling die in het zuiden voor spion wordt aangezien en maatschappelijk uitgesloten raakt. Zijn tragische lot wekt woede, maar dat van Kims held is beklemmender: met zijn modale bestaan lijkt op het eerste gezicht niks mis, maar in zijn hoofd staat alles op losse schroeven.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 4 september 2010

Een soort Europa, maar dan beter

Eerste Nederlandstalige geschiedenis van China

Chinezen zijn trots op hun geschiedenis, en nationalisme is in China geen vies woord. Nu China zich in snel tempo van ontwikkelingsland tot supermacht ontpopt, jaagt de zelfverzekerdheid van deze ‘adolescent op steroïden’, zoals een Amerikaanse wetenschapper het typeerde, de westerse wereld weleens angst aan. Of er echt sprake is van een nieuw ‘geel gevaar’ valt echter te bezien, voorlopig lijkt die westerse angst een klassiek geval van projectie, want aan expansiedrift hebben de gewezen koloniale machten zich eerder schuldig gemaakt dan China.

Die indruk, inclusief die prettige relativering van ons westerse wereldbeeld, houd je over aan lezing van Het Hemels Mandaat, de eerste Nederlandstalige geschiedenis van het Chinese keizerrijk, geschreven door Leids hoogleraar Barend ter Haar.

China mag dan steeds assertiever worden op het wereldtoneel, Chinees nationalisme is in feite iets betrekkelijk nieuws. Tot ver in de 19e eeuw zag China zichzelf niet als een natie onder de naties, maar als het ‘rijk van het midden’, zoals haar naam zich letterlijk vertaalt. Nu heeft elk groot rijk, van het Romeinse tot het Amerikaanse, zich als het middelpunt van de wereld beschouwd, maar het verschil is dat het voor China nooit een etnische of geo-politieke kwestie was. De opeenvolgende keizerlijke dynastieën waren simpelweg het middelpunt van de beschaving, omringd door ‘barbaren’.

De keizers regeerden er in naam van de Hemel, van wie zij de taak – het mandaat – hadden gekregen om het Al-onder-de-hemel, oftewel: de hun bekende wereld, te ordenen. Daarbij telde niet zozeer het grondgebied. Hoewel in alle geschiedenisboekjes staat dat de Eerste Keizer in 221 v.Chr. China voor het eerst verenigde, is China de eerste 1200 jaar daarna slechts 3 à 4 eeuwen echt een eenheid geweest, noteert Ter Haar fijntjes. Hij stelt dan ook voor China niet als ‘een land’ te beschouwen, maar als een soort Europa – zij het dan ‘een stuk succesvoller’ wat het eenwordingsproces betreft, voegt hij er met een typische kwinkslag aan toe.

Meestal streden meerdere rijken rond de grote Chinese rivieren, de Gele en de Yangtze, om het Hemels Mandaat, maar het konden ook gerust buitenlanders zijn. De grote Tang-dynastie was half-Turks, de Yuan was een Mongoolse veroveraarsdynastie, en vanaf de 17e eeuw werd China driehonderd jaar geregeerd door Mantsjoes. Al deze vreemde volkeren konden aanspraak maken op het Hemels Mandaat door de kwaliteit van hun bestuur, dat zij doorgaans zelfs op Chinese leest stoelden. Het is dan ook op hun morele gezag dat Chinese historiografen hun leiders beoordeelden – een van de valkuilen voor de moderne historiograaf op zoek naar feiten.

De westerlingen, in casu de Britse handelsdelegaties uit de 19e eeuw, stelden zich in Chinese ogen niet respectvol open voor de ‘beschavende uitstraling’ van de keizer. Zij beschouwden de wereld als louter afzetgebied en ergerden zich aan China’s soevereine onverschilligheid. Zonder enig benul van het Hemels Mandaat, maakten ze er domweg een einde aan; de door hen verklaarde Opiumoorlogen liepen binnen enkele decennia uit op de ondergang van het keizerrijk in 1911.

Hoe de confrontatie met het Westen, aanvankelijk nog een vrolijke parade van misverstanden, zulke fatale gevolgen kon hebben, is iets waarbij Ter Haar uitvoerig stilstaat. Zijn overwegend zakelijke overzicht, dat als vanzelf boeit door de indrukwekkende kennis van zaken, lijkt haast naar een dramatische ontknoping toe te werken.

Enerzijds is het een onvermijdelijke clash tussen de twee wereldmachten van toen: het Britse rijk met zijn koloniën, en het Chinese, dat tijdens de Song-dynastie (10e-12e eeuw) al het stabielste rijk ter wereld was, onder de Mongolen (13e-14e eeuw) het grootste en tijdens de Ming (14e-17eeuw) het rijkste. Maar voor China’s plotselinge val naar de status van ‘zieke man van Azië’ zijn meerdere oorzaken aan te wijzen, waarbij Ter Haar zich deels baseert op nieuwe inzichten.

Zo had China vóór de komst van de Britten al te maken met natuurrampen en malthusiaanse spanningen als gevolg van hoge bevolkingsgroei, zaken die het elk land moeilijk hadden gemaakt. Maar het zijn vooral de schaduwkanten van het Hemels Mandaat die de Chinezen opbreken. Een vergelijking met Japan, dat in dezelfde tijd succesvol moderniseerde, maakt dat duidelijk. In technologisch opzicht deed China niet voor Japan onder, maar het faalde op organisatorisch vlak.

Door de grote nadruk op moreel bestuur heeft China tot in de late 19e eeuw nauwelijks een onafhankelijke elite gekend. Het examensysteem, dat opleidde tot het hoogste ambt, dat van dienaar des keizers, testte minder op bestuurlijke competentie dan op ideologische integriteit, door middel van kennis van de klassieke geschriften. De eerste Qing-keizers waren zelfs een soort superliteraten, die handel en praktisch vernuft als bijzaken beschouwden. Met een loyale ambtenarij en zonder werkelijk politiek debat, bleven veel hervormingen steken in desinteresse en corruptie op overheidsniveau.

Tianming, oftewel ‘hemels mandaat’

De parallellen met het tegenwoordige China springen hier in het oog. Al is de meer hervormingsgezinde overheid sinds de Culturele Revolutie wel geïnteresseerd in westers ‘praktisch vernuft’, nog altijd tracht zij het te importeren zonder de eigen ideologie te laten aantasten door het gedachtegoed dat ermee naar binnen sijpelt, denk aan democratie. En wat de handel betreft: de openstelling van de markt die de WTO verlangt, ligt sinds het 19e-eeuwse optreden van de Britten nog altijd gevoelig.

De twintigste eeuw behandelt Ter Haar in een relatief kort slothoofdstuk, dat enkel aanknopingspunten wil bieden voor verder onderzoek naar hoe de traditie doorwerkt in de moderne tijd. Hij noemt bijvoorbeeld de blijvende invloed van de Chinese geneeskunde, maar er valt ook te denken aan een term als ‘cultureel China’ die in het Chinese denken opgang doet.

Daarmee wordt verwezen naar de gedeelde Chinese waarden over de politieke grenzen heen, van de Volksrepubliek tot Taiwan en alle Chinese gemeenschappen overzee. Dat culturele gevoel is sterk aanwezig: elders in de wereld, of het nu Nederland of Canada is, plegen Chinezen, ook zij die er geboren en getogen zijn, de autochtone bevolking nog altijd ‘buitenlanders’ te noemen, alsof ze hun ‘rijk van het midden’ gewoon overal met zich meedragen. Is zo’n eenheidsideaal zonder notie van grondgebied geen eigentijds uitvloeisel van het aloude Hemels Mandaat?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 januari 2010

Kaartspeler, ook in het leven

Voor de kust van de Zuid-Chinese stad Amoy, tegenwoordig Xiamen geheten, ligt het eilandje dat Slauerhoff ooit het lente-eiland noemde, omdat je er het rumoer van Amoy-stad zo goed kon vergeten: ‘Het is hier eeuwige stilte. Het is hier eeuwig herfst. Of lente?’

Allard Schröder, in zijn nieuwe roman Amoy, noteert die stilte van het eiland ook, maar voegt er een donkerder visie aan toe. De stemmen in de verte en het geruis van de golven ‘waren bleke tekenen van leven, maar het organisme dat ze voortbracht was verre van dood, lag alleen maar slaperig en bewegingloos als een slang in de zon om daarna geruisloos de avond in te glijden.’

Schröders visie is vast gevoed door zijn eigen recente verblijf in de havenstad, want na decennia van grijs communisme is Slau’s wondereiland een spookeiland geworden, waar de ‘duizend villa’s’ in westerse stijl verwaarloosd leegstaan en ’s nachts opgloeien ‘als een smeulende berg sintels’. Vertrouwde Schröder-lezers weten intussen wel beter: plekken waar dood en leven samenkomen zijn het ideale decor voor de typische Schröder-held, of het nu burgerman Favonius is in Overlethe, suburbia aan de dodenrivier (Favonius, 2005), of de roeszoekende econome in haar Zuid-Duitse voorgeborchte (De econome, 2008).

Advocaat Seghers is ook zo iemand die levend dood is. In Batavia bracht hij zijn tijd door met bridgen, zeker nadat zijn vrouw hem met de Indische tennisleraar bedroog en vervolgens terugvluchtte naar Den Haag. In 1937, aan de vooravond van de Chinees-Japanse oorlog, neemt hij op goed geluk een opdracht aan in Amoy, waar een zekere zakenman Freyler spoorloos is verdwenen. De firma die hem op de boot zet heet Hermes – juist ja, de god die mensen naar de onderwereld begeleidt.

In Amoy komt hij terecht in het kleine, verstikkende wereldje van buitenlandse consulaten: Nederlanders, Amerikanen en Japanners die er in ‘splendid isolation’ van de Chinese maatschappij leven. Slauerhoff beschreef het al in zijn defaitistische verhaal ‘Such is life in China’, maar Schröder, dat kan hij als geen ander, tekent de sfeer nog genadelozer. Seghers’ onderzoek vlot niet, het eiland verlamt hem en de bewoners laten weinig los over de mysterieuze Freyler, behalve dan dat hij op hem lijkt. Uiterlijk tenminste, want verder moet Freyler juist alles zijn waar Seghers alleen maar van kan dromen: een krachtige man die de wereld naar zijn hand zet. Ook dat dubbelgangermotief kennen we van Schröder – Seghers spiegelt zich aan zijn macho alter ego, neemt zelfs zijn intrek in diens villa, gaat zijn smokings dragen, en valt voor de vrouw op wie Freyler aasde.

De vrouw, de Chinese Grace, maakt niet alleen door haar schoonheid veel in Seghers los. Ze leert hem iets over zijn lot. Als ze op een feestje dansen, wil ze door hem opgetild worden, want: ‘Degene door wie je wordt opgetild, neemt voor even je lot in handen. En dan ben je een moment vrij.’ Het doet Seghers beseffen dat hij een kaartspeler is, ‘ook in het leven’, iemand die ‘wacht tot er gedeeld is’ en zich vervolgens schikt naar de mogelijkheden.

Het is geen inzicht als dat waartoe de dolende wetenschapper Karsch komt in Schröders De hydrograaf (2002) – dat hij voorgoed een mens van de oude tijd is. Seghers weet van geen oude tijden, heeft amper een eigen verleden; hij is als de verveelde Deense telegrafist op het eiland, wiens geheugen dagelijks door de drank wordt gewist.

Wat moet er van zo’n man worden? Hij krijgt wat orakelachtige hulp van de Nederlandse consulsdochter, zo’n vroegwijs meisje dat soms de al even ‘lege’ hoofdpersonen vergezelt van Haruki Murakami, een door Schröder bewonderd schrijver. Maar onherroepelijk raakt hij verstrikt in Freylers louche zaakjes, want ook Chinese ongure types zien hem voor de ander aan. Is Grace zijn redding, of de oorlog, die alle buitenlanders noopt tot vertrek? Maar waar kan hij heen? Weer de zee op? Naar een volgend eiland?

Op elke pagina resoneren de hints naar Seghers’ eeuwige verdoemenis. Freyler klinkt als ‘vrij’, ‘leven’ echoot telkens met ‘leegte’, en de willoze Seghers citeert Nietzsche’s Wille zur Macht en Ewige Wiederkehr… Het heeft soms iets overdadigs, maar tegelijkertijd zijn het net muzikale variaties waarmee Schröder je knap weet te bezweren in deze kleine suite over zijn Chinese helle-eiland.

Gulangyu (het lente-eiland) voor de kust van Xiamen (Amoy)

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 januari 2009

Ergerlijkheden van duizend jaar geleden

Het is een tijdje stil geweest rond de Japanse literatuur, maar de laatste jaren doet de stroom vertalingen van Haruki Murakami de tijden van Tanizaki, Kawabata en Oe weer een beetje herleven. Aan de ene kant appelleert Murakami’s werk, van Norwegian Wood tot After Dark, aan het moderne, westerse levensgevoel, doordrongen van Kafka, Carver, jazz en whiskey. Aan de andere kant roepen zijn mysterieuze parallelle werelden en zijn ‘lege’ personages met hun terloopse, droge verteltrant ook vraagtekens op – en vermoedens naar traditioneel-Japanse invloeden.

Vraagtekens en vermoedens die iedereen voortaan te lijf kan gaan dankzij de monumentale bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van vertaler Jos Vos, die in één mooi verzorgde band literatuur uit elf eeuwen samenbrengt, van 700 tot 1850, rechtstreeks uit het Japans overgezet. Een unicum, en een schatkamer.

Murakami mag dan modern zijn, zijn voorgangers van duizend jaar geleden spreken ons soms net zo direct toe. Dat merk je het best aan twee inmiddels wereldwijd bekende hoogtepunten van de Japanse letterkunde, geschreven door hofdames uit de 10e en 11eeuw. Vos geeft een voorproefje van Het verhaal van Genji door vrouwe Murasaki, de allergrootste Japanse roman, die hij inmiddels in zijn geheel (ruim duizend bladzijden!) aan het vertalen is. Deze kleurrijke, caleidoscopische verbeelding van het oude hofleven, aan de hand van de amoureuze verwikkelingen van prins Genji, wordt wel de eerste roman ter wereld genoemd – of in ieder geval de eerste psychologische roman.

Jos Vos’ volledige vertaling van Het verhaal van Genji verscheen in 2013

Ook Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon, die op meer melancholieke wijze haar onzekerheden in de liefde te boek stelt, doet in zijn openhartigheid tijdloos aan. Al houdt zij het bij wat algemenere, soms wat koketterende verwoordingen van haar leed, toch spreekt haar eigenzinnigheid uit de bekende lijstjes die zij door haar memories heen strooit: ‘Ontstellende dingen’, ‘Ergerlijke dingen’, ‘Afschuwelijke dingen’, enzovoort.

Misschien kan deze vroege aandacht voor het individu verklaren waarom de Japanse literatuur aan het einde van de 19e eeuw zo snel westerse invloeden opzoog en een ‘absoluut modern’ gezicht liet zien. Dit in tegenstelling tot de Chinese literatuur bijvoorbeeld, die langer worstelde met de moderniteit, maar dan ook altijd meer sociaal begaan is geweest en het praktisch nut van literatuur vooropstelde. Schreven in China de ambtenaren, in Japan was het met name de aristocratie, en vanaf de 17e eeuw ook de burgerij.

Iets van die spectaculaire Japanse modernisering kun je proeven als je kijkt naar Akutagawa (1892-1927), een van de eerste moderne Japanse schrijvers. Van hem is bekend dat hij klassieke verhalen bewerkte – bijvoorbeeld in zijn Rashomon, later verfilmd door de befaamde Kurosawa en onlangs nog herdrukt in de serie L.J. Veen Klassiek. In Vos’ anthologie kunnen we die Verhalen van lang geleden uit de 11e en 12e eeuw nu eindelijk lezen, en dan zien we dat Akutagawa een eenvoudige vertelling over een roofoverval in het bos uiteenrafelt in vier elkaar tegensprekende bekentenissen, waarin de ware toedracht, de waarheid, volledig zoek raakt.

Jos Vos’ volledige vertaling van Het hoofdkussenboek verscheen in 2018

 De bekentenis is al sinds Het hoofdkussenboek, en ook het minder bekende Herfstdradendagboek, een vaste waarde in de Japanse literatuur, maar toch kun je het in de klassieke tijd nog geen psychologisch diepgravend genre noemen. Zo zijn Kaneyoshi’s Overpeinzingen in ledigheid uit 1330-1331 in weerwil van de titel eerder impressies en gevoelsuitingen dan filosofische mijmeringen zoals de westerse literatuur die kent.

De impressie bij uitstek vind je terug in de beroemde reisverslagen van Basho uit de 17e eeuw, een van Japans grootste dichters. De smalle weg naar het verre noorden, dat Vos al vertaalde voor de reeks Privédomein, lijkt ook nauwelijks diepgang te bevatten, het is bijna puur registrerend, een beetje zoals bij Murakami dus. Maar Basho’s poëzie en proza getuigen wel van een haast obsessief reizen, een hartstochtelijk onderweg zijn, met name door de vele natuurlijke hindernissen die hij zo onverstoorbaar noteert. Misschien is dat wat Cees Nooteboom zo in Basho aantrekt.

Tegelijkertijd bewerkstelligt die concrete, getuigende stijl juist de opvallende directheid van de Japanse literatuur – net als die van de Chinese overigens. Vos’ vertalingen dragen daaraan bij. Over het algemeen behouden die het ‘juiste midden’ tussen tijdloos en eigentijds Nederlands, al schiet hij weleens door naar een iets te modieuze uitdrukking. Architectuur zou een klassieke auteur niet zo gauw ‘spannend’ noemen, en ‘linke loetje’ detoneert toch wel wat. Aan andere kant krijgen de scabreuze teksten van Saikaku (17e eeuw) of Gennai (18e eeuw) er wel hun schwung door.

Aanmerkingen kun je natuurlijk altijd hebben. Vos’ inleiding, een gedegen historisch overzicht, zou misschien gewonnen hebben bij een meer algemene karakterisering van de Japanse literatuur. En een index was bij zo’n enorm aantal schrijvers en titels erg nuttig geweest. Maar je moet wel een heel grote kniesoor zijn om dit bewonderenswaardige opus daarom links te laten liggen!

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 5 september 2008

De zon schijnt niet op oost en west tegelijk

China’s opkomst als supermacht kan niemand ter wereld meer ontgaan. Een Chinese verzekeraar koopt belangen in Fortis Bank, de Italiaanse schoenenindustrie legt het af tegen ‘made in China’, en met miljoenen aan ontwikkelingshulp breidt Peking zijn invloed in Afrika uit. China zet de wereld op zijn kop, zo kopte een recente studie van James Kynge terecht (Nw A’dam, 2006).

Vanuit het Westen wordt begrijpelijkerwijs vaak ingezoomd op de internationale gevolgen van dat economische succes. Wat zijn de risico’s van een ondemocratische éénpartijstaat die wereldwijd zijn tentakels uitslaat? Kan China het zich blijven veroorloven de mensenrechten in het zich internationaal sterk profilerende Tibet met voeten te treden?

Minder vaak wordt stilgestaan bij wat er zich binnen China afspeelt, en als gevolg daarvan blijft er een wat abstract spookbeeld bestaan van een dreigende, naar binnen gekeerde communistische kolos – zoals ook wel blijkt bij de protesten in de aanloop naar de Olympische Spelen deze zomer.

Twee recente boeken nuanceren dat beeld – en wel doordat de auteurs besloten eens te gaan praten met Chinezen die niet zo vaak aan het woord komen. Floris-Jan van Luyn reisde mee met de boerenmigranten die als binnenlandse gastarbeiders de Chinese vooruitgang mogelijk maken. Mark Leonard zocht de Chinese intellectuelen op die aan universiteiten en in denktanks mede China’s gezicht van vandaag en morgen bepalen.

Volgens schattingen hebben zo’n 130 miljoen Chinese boeren (dat is 10% van de Chinese bevolking!) sinds de jaren ’90 het uitzichtloze platteland verlaten voor de stad, in de hoop op werk en een beter bestaan – als fabrieksarbeider, kok, kapster of prostituee. Hoewel hun bijdrage aan de economie inmiddels onmisbaar is, zijn zij letterlijk tweederangsburgers, toont Van Luyn aan in Een stad van boeren.

Omdat je volgens het Chinese bevolkingsregistratiesysteem als boer of als stedeling geboren wordt, zijn boerenmigranten in de stad per definitie rechteloos. Dat betekent dat een boerenbouwvakker op geen enkele verzekering of andersoortige steun hoeft te rekenen wanneer hij van de steigers langs een wolkenkrabber afvalt – als hij überhaupt al een arbeidscontract heeft gekregen.

Zo onthutsend als Van Luyns portretten zijn, zo indrukwekkend is zijn prestatie als verslaggever. Hij laat de boeren bijna continu aan het woord, en via de mooie foto’s geeft hij ze ook werkelijk een gezicht. En hoewel je aan alles merkt dat hij praktisch overal bij hen was en naast hen stond, zowel op de stinkende vuilnisbelt als in het arbeiderskot waar het riool barstte, is hij in het hele boek niet meer dan degene die waar nodig de achtergronden belicht.

Dat doet hij met oog voor het sprekende, schrijnende detail, maar nooit met een beroep op heilige verontwaardiging of vet sentiment. Misschien ook wel omdat de gelukzoekers en overlevers zelf zo taai en sterk zijn, niet opgeven, waardig blijven – iets wat wel een typisch Chinese eigenschap mag heten.

Boerenmigratie is maar één van de problemen waarmee de intellectuelen die Leonard in What Does China Think?ondervroeg te maken hebben. Als er één beeld uit Leonards korte essay naar voren komt, is dat het tegendeel van een monddode elite onder een repressief regime, zoals men dat uit Mao’s tijd mogelijk gewend was. De hoogleraren en onderzoekers in de economie en de politicologie overleggen regelmatig met de hoogste leiders en hebben paradoxalerwijs, door de afwezigheid van oppositiepartijen en vakbonden, en door het belang van persoonlijke contacten, misschien wel meer macht dan hun westerse tegenhangers.

De meesten zijn westers geschoold (Leonard spreekt in tegenstelling tot Van Luyn geen Chinees en is aangewezen op Engelssprekenden), maar kiezen ervoor het onvoorspelbare politieke klimaat thuis te trotseren om werkelijk iets in hun land te kunnen veranderen. Westers gedachtegoed koppelen zij daarbij creatief aan een Chinese kijk op de wereld.

Zo wordt de westerse roep om democratie en vrijheid van meningsuiting zelfs door de meer gematigde denkers van het zogenoemde ‘Nieuw Links’ niet zonder meer omarmd. Anders dan ‘Nieuw Rechts’, dat het harde kapitalisme voorstaat waarbij sommigen eerder rijk mogen worden dan anderen (‘als de zon opkomt schijnt hij ook eerst op het oosten, niet op oost en west tegelijk’), pleiten zij weliswaar voor experimenten met burgerinspraak op lokaal niveau, om de kloof tussen arm en rijk te helpen dichten. Maar over het algemeen wekt de wetenschap dat de Volksrepubliek in de afgelopen 30 jaar 300 miljoen mensen boven het bestaansminimum heeft weten uit te tillen, meer dan voldoende vertrouwen in het eigen ‘Yellow River Capitalism’, zoals Leonard het noemt.

Sterker nog, Leonard ziet deze vorm van ‘overleggend dictatorschap’, een ‘ommuurd’ politiek systeem met beperkte burgerparticipatie zoals je dat ongeveer in Singapore hebt, als het ‘China-model’ dat in andere ontwikkelingslanden weleens navolging zal kunnen krijgen. China is immers het levende bewijs dat kapitalisme mogelijk is zonder ingrijpende institutionele hervormingen, die bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie tot grote chaos hebben geleid. En anders dan vroeger gaat China bovendien regionale samenwerkingsverbanden aan, die de Amerikaanse wereldorde soms danig verstoren.

Leonards conclusies mogen dan niet altijd even verrassend zijn, en hij wijdt ook veel van zijn beperkte aantal pagina’s aan het schetsen van ruimschoots bekende ontwikkelingen, maar hij laat wel zien dat er een debat is onder Chinese intellectuelen, en dat de regering, schipperend tussen Nieuw Links en Nieuw Rechts, wel degelijk iets met hun ideeën doet – ook voor de miljoenen boerenmigranten.

Het grote probleem zit hem wellicht eerder in de uitvoering van die ideeën, daarover lijken Van Luyn en Leonard het eens, aangezien wijdverbreide corruptie op de lagere niveaus, juist daar waar zelfbeschikking voorzichtig vorm krijgt, veel initiatieven frustreert.

En daar blijkt opnieuw de kracht van Van Luyns boek, dat Leonards grote lijnen inkleurt met urgente verhalen over de gewone burger die van die wanpraktijken de dupe wordt. Compleet met een vertaald familiekasboekje laat Van Luyn zien hoe frauderende partijkaders domweg meer belasting vragen dan een gezin aan inkomsten binnenbrengt. En hoe een tot het uiterste gedwongen boer zijn protest moet bekopen met een afgesneden tong. Maar ook, dat moet gezegd, hoe plaatselijke advocaten en activisten, net zo onverstoorbaar strijdend als de rondtrekkende boerenbevolking, er steeds vaker in slagen hun recht te halen.

Wang en Wang

De 19-jarige bewaker Wang Sujun is een van de naar de stad getrokken boeren die Floris-Jan van Luyn, voormalig China-correspondent voor NRC Handelsblad, in zijn boek portretteert. Sujun staat zwijgend in de houding voor een districtskantoor in Peking en salueert de geblindeerde auto’s van het partijkader. Verder ‘bestudeert hij de voorbijgangers […] of fantaseert over zijn toekomst’. Een eigen garage is zijn grote wens. Zijn baan als bewaker ‘is maar voor even’. Hij voelt dat de mensen uit de stad op hem neerkijken, maar toch is er ‘geen stedeling die bereid is uren voor zo’n poort te gaan staan.’ Terug naar zijn dorp? Geen denken aan. ‘Dat betekent dat ik heb gefaald.’ Zijn ouders, de achterblijvers op het platteland die Van Luyn ook bezoekt, hebben er vrede mee. Hij is geen jongen die in zeven sloten tegelijk loopt, en ‘in de stad leert hij meer dan op het land.’

Mark Leonard, directeur van het European Council on Foreign Relations, was verrast toen hij Wang Hui (1959) ontmoette in het Pekingse Thinker’s Café. In zijn poloshirt en colbertje leek hij wel een Parijse intellectueel. Maar verrassender was Wangs ontwikkeling als prominent denker van Nieuw Links. Na het Tiananmen-incident van 1989 trok hij zich twee jaar terug in de bergen en zag dat de nieuwe markteconomie de gewone man geen goed deed. Terwijl het Westen de onderdrukte demonstraties zag als ‘een confrontatie tussen een onmenselijke, onhervormde communistische staat en een groep studenten die aansluiting wilde bij de kapitalistische wereld van liberale democratie’, schrijft Leonard, vroeg Wang aandacht voor de arbeiders die naar het plein kwamen uit woede over de inflatie en ongelijkheid waartoe de radicale hervormingen hadden geleid. Zonder partijlidmaatschap of officiële functie, zoekt Wang Hui vaak de media om misstanden aan de kaak te stellen.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 mei 2008