De eerste zin van Victor Segalen

Uit Brieven uit China, vertaald door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts

Marseille, une heure, 24 avril 1909

Mavone bien aimée tu as été hier plus belle que tu ne pouvais raisonnablement l’être.

Marseille, één uur, 24 april 1909

Mijn liefste Mavone je was gisteren mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn. 

Ongelofelijk: een briefwisseling tussen man en vrouw, zij in Frankrijk, hij in China – dat in die tijd nog heel wat verder weg lag dan tegenwoordig – en dan zo beginnen. Maar het is werkelijk de allereerste zin van de allereerste brief die Victor Segalen na vertrek aan zijn Yvonne schreef. De dag ervoor, op 23 april, hadden ze afscheid genomen in Parijs, vanwaar Victor de trein naar Marseille nam om daar de volgende dag aan boord te gaan van de mailboot naar Shanghai – een overtocht die alleen al een maand zou duren. Er volgden nog 64 brieven, totdat Yvonne zich bijna een jaar later, in april 1910, bij hem voegde in Peking.

De zin maakt meteen duidelijk dat de Brieven uit China liefdesbrieven zijn, die direct en indirect een levendig beeld geven van de amoureuze en intellectuele verhouding tussen de twee. Zeker, de brieven laten zich lezen als een reisverslag en bieden tevens een kijkje in Segalens literaire keuken; onvermoeibaar noteert hij zijn invallen voor boeken, als het uitkomt zelfs te paard, op de grote trektocht die hij later door het destijds tamelijk onverkende binnenland van China onderneemt. Maar het voornaamste is dat hij dat alles in eerste instantie deelt met zijn ‘Mavone’.

Er zit ook al meteen een typisch segalenniaanse wending in de eerste zin: wat doet dat ‘redelijkerwijs’ daar, in ‘mooier dan je redelijkerwijs had kunnen zijn’? De tweede en derde zin bieden uitkomst:

Je t’aurais pardonné toutes les defaillances. J’aime infiniment que tu ne les aies pas eues.

Ik zou je alle zwakheden hebben vergeven. Maar je was sterk, en dat doet me oneindig goed.

‘Onder de omstandigheden’, had een ander daar misschien geschreven, maar Segalen is een eigenwijs stilist, die het liever wat korter en beslister zegt.

Lastig te vertalen is Segalen om die eigenzinnigheid zeker, al valt het in deze openingszinnen nog wel mee. De eerste zin rolde er net zo natuurlijk uit als Segalen hem ‘onder de omstandigheden’ had kunnen neerpennen. Misschien dat er in een eerste versie nog ‘Mavone mijn liefste’ aan het begin stond, maar dat ‘bien aimée’ staat er in het Frans altijd achter, en in het Nederlands klinkt het ook te gedragen.

De tweede zin: geen probleem. Maar de derde, tja, daarin zou ‘het deed me oneindig goed dat je er geen hebt gehad’, of iets dergelijks, toch echt geen goed Nederlands zijn geweest. Op zoek dus naar iets even korts en beslists – net als bij ‘redelijkerwijs’. Het resultaat, ‘maar je was sterk’, wijkt woordelijk misschien wat af, maar volgens Maarten Elzinga en mij is het Segalen ten voeten uit.

Lees ook: Brieven uit China (incl. fragmenten)

Oorspronkelijk verschenen in de rubriek ‘Eerste zinnen’ van Boekhandel Athenaeum

De schepper van rechter Tie

‘Een man van drie levens’ was hij, Robert van Gulik: diplomaat, sinoloog en schrijver. Al dekt die titel van zijn biografie uit 1993 de lading, het blijft slechts een poging om vat te krijgen op een man die volledig schuil lijkt te gaan achter zijn uiteenlopende belangstellingen. Ook het zojuist verschenen gedenkboek voor zijn honderdste geboortedag wil, volgens samensteller Marco Huysmans, recht doen aan de veelzijdigheid van deze ongrijpbare schepper van de befaamde Rechter Tie-romans.

Natuurlijk was het China dat Van Guliks drie levens verbond – maar niet alleen als object van zijn fascinatie. Het gedenkboek, een bonte, kwalitatief nogal wisselende bundel bijdragen, laat eens te meer zien hoezeer Van Gulik zich identificeerde met het klassieke ideaal van de Chinese ambtenaar-literaat, zoals dat in zijn geliefde Ming-dynastie in zwang was.

Niet alleen verluchtigde Van Gulik zijn Rechter Tie-mysteries met op Ming-platen gebaseerde tekeningen, die hij zelf maakte in zijn met Ming-meubels ingerichte werkkamer, hij wist ook drommels goed dat Ming-ambtenaren zich onderscheidden door hun bedrevenheid in de kunsten. Zij kalligrafeerden, dichtten en schilderden als amateur in de oorspronkelijke, positieve betekenis van het woord: beoefenaar niet-om-den-brode.

Het lijkt perfect van toepassing op al Van Guliks hoedanigheden. Als diplomaat ging hij geheel zijn eigen gang en epateerde zijn collega’s met informatie die hij bij kunstvrienden of in het nachtleven opdeed. Maar een van de bijdragen in het gedenkboek, een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken, toont aan dat hij vaak zozeer in cultuur geïnteresseerd was, dat hij op politiek vlak weleens van naïviteit getuigde – kritiek die ook de Ming-ambtenaren ten deel viel.

Als wetenschapper is hij eveneens een eigenzinnige liefhebber te noemen. Waar heeft hij niet over geschreven? De Chinese luit, de gibbon, erotische kunst; het gedenkboek neemt zelfs opstellen op die hij als negentienjarige bolleboos schreef over bijvoorbeeld het Chinese schrift. Als er een rode lijn in zit, is het zijn algemene, menselijke invalshoek, zijn bewondering voor de Chinese way of life.

Met dezelfde blik bezag hij ten slotte ook de literatuur. Die moest vooral leerzaam en historisch verantwoord zijn, blijkens een interview in het boek. En als het geen verhalen ‘met kop en staart’ waren, ‘vermorste’ hij zijn tijd er maar mee. Als een ware dilettant verdedigde hij de detective; van de ‘echte’ literatuur ging alleen Couperus nog: ‘Van oude mensen. Is dat geen thriller?’

Of het gedenkboek Van Gulik grijpbaarder maakt, weet ik niet, maar gewoon genieten van het rijke beeldmateriaal mag ook.

Zie ook: www.rechtertie.nl

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 25 september 2010

Het rijk der lichten

Vertaald door Remco Breuker en Imke van Gardingen

Waar heeft Het rijk der lichten van de Koreaanse romancier Kim Young-ha die exotische cover toch voor nodig? Daarop staat een hemel vol rode lampions afgebeeld, terwijl uit het boek blijkt dat Kim (1968) de schilderijenreeks ‘Het rijk der lichten’ van surrealist Magritte bedoelt: verwarrende landschappen waarop onder een stralende, zonnige hemel de aarde in nacht is gehuld.

Dat beeld past geheel bij de roman, waarin niets is wat het lijkt. De gezapige veertiger Kiyong, die op zijn 21e als spion van Noord- naar Zuid-Korea werd gestuurd, leidt al jaren een volstrekt geassimileerd undercoverleventje met vrouw en kind, als hij tot zijn schrik wordt teruggeroepen.

Kiyong waande zich een ‘vergeten spion’ en had ook nooit iets spectaculairs hoeven doen, enkel informatie vergaren over het gewone Zuid-Koreaanse leven, bedoeld voor het opleiden van nieuwe spionnen in het communistische P’yongyang. Zelf was hij daar ook opgeleid, op een soort filmset waar het straatleven van kapitalistisch Seoul was nagebootst, om te wennen aan de andere omgangsvormen. Was er ooit iets ‘echt’ aan zijn leven, vraagt hij zich plots af.

Magritte’s Rijk der lichten uit 1954

In de laatste 24 uur die hij krijgt om zijn koffers te pakken, trekt dat leven aan zijn ogen voorbij. Flashbacks, laatste gesprekken en onverwachte ontmaskeringen tonen niet alleen zijn eigen identiteitscrisis, maar ook die van zijn opgedeelde land.

Kim Young-ha gaat een stapje verder dan zijn oudere collega Hwang Sok-yong (1943), die met Mijnheer Han (Arbeiderspers 2005) de klassieke roman over de Koreaanse opdeling schreef. Dat is het afstandelijke relaas van een noordelijke vluchteling die in het zuiden voor spion wordt aangezien en maatschappelijk uitgesloten raakt. Zijn tragische lot wekt woede, maar dat van Kims held is beklemmender: met zijn modale bestaan lijkt op het eerste gezicht niks mis, maar in zijn hoofd staat alles op losse schroeven.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 4 september 2010

Volmaakt geluk betekent: vrij van geluk

De Tao is leeg.

Zo leeg dat wat je er ook in doet,

hij toch niet vol raakt.

Zo bodemloos diep

dat daar zich de heilige plaats wel lijkt te bevinden

waar heel de schepping vandaan zou kunnen komen.

Hoe leeg en diep ook, de Tao in de woorden van Lao Zi, hier geciteerd uit de nieuwste vertaling van Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, zal opnieuw bij veel Nederlanders een snaar weten te raken. De vertalingen van de andere twee taoïstische meesters, Zhuang Zi en Lie Zi (Augustus, 2007 en 2008), beleefden herdruk na herdruk, terwijl van de eerste zelfs een luisterboek verscheen (bij Rubinstein), voorgelezen door de aanzwengelaar van deze populariteit, sinoloog en vertaler Kristofer Schipper.

Bijna had op de 12 cd’s de stem van Freek de Jonge geklonken, van wie het idee kwam voor deze orale overdracht. Verrassend? Misschien minder dan het lijkt. Niet alleen omdat Zhuang Zi nog altijd even grappig en snedig klinkt als hij 2500 jaar geleden moet hebben gedaan, maar ook omdat er nog iets anders is wat De Jonge met Schipper verbindt, namelijk het feit dat beiden domineeszoon zijn, zo bleek tijdens een radiouitzending van De avonden.

Het is niet toevallig dat Schipper de wereldwijde verbreiding van Het boek van de Tao, een ontoombaar ‘natuurlijk fenomeen’, in zijn voorwoord kenschetst met de knipoog: ‘Er is geen religieuze organisatie die zich inzet om het boek te propageren door het, bijvoorbeeld, in de nachtkastjes van hotelkamers te leggen.’ De Chinese ‘leer zonder dogma’s’ was in de jaren zestig voor menigeen het antwoord op de verstikkende kerkelijke moraal, zoals hij tegenwoordig misschien de spirituele leemte sinds de ontkerkelijking opvult.

Een leemte opvullen met een leer waarin alles draait om leegte? Ja, dat kan, als je leegte opvat zoals de taoïsten – wat niet altijd gemakkelijk is. Deze passage is bijvoorbeeld nogal eens verkeerd begrepen: ‘De Wijze, wanneer hij bestuurt/ leegt hij de harten,/ vult de buiken,/ verzwakt de verlangens,/ versterkt de botten’. Een pleidooi voor het dom houden van het volk door het materieel te verzadigen? Met het keizerlijke China in het achterhoofd, heeft menig vertaler deze interpretatie aangehangen.

Maar het ‘legen van het hart’ betekent eigenlijk het ‘vasten van het hart’, oftewel het uitbannen van menselijke gedachten en verlangens, om in die geestelijke stilte één te kunnen worden met de Tao, het onkenbare, alleen intuïtief benaderbare oerprincipe dat de natuur regeert en waarvan de mens hopeloos is afgedwaald.

De mythische aartsvader Lao Zi deelt ons deze ‘natuurfilosofie’ mee in aforismen, waarvan er vele beroemd zijn geworden: ‘om de wereld te kennen, hoef je de deur niet uit’, of: ‘wie weet spreekt niet, wie spreekt weet niet’. Schipper heeft ze telkens op de rechterpagina geplaatst en er aan de linkerkant zijn commentaar bijgezet – een elegante oplossing om het vaak duistere origineel toe te lichten, waarbij hij overigens voortdurend de anekdotes van Zhuang Zi gebruikt, Lao Zi’s vroegste commentator tenslotte.

Met name verhelderend is het wanneer Schipper laat zien hoe het taoïsme zich afzette tegen de rigide levensleer van het confucianisme. Waar Lao Zi uitroept: ‘Hou op met leren, dan leef je onbezorgd!’, reageert hij speels op Confucius’ donderpreek: ‘Leert! Dan weet gij pas hoeveel gij tekortschiet!’ Je kunt je voorstellen wat een Nederlandse domineeszoon daarin hoort weerklinken…

Alle onmisbare uitleg ten spijt, is het jammer dat Schipper in zijn afsluitende essay eigenlijk nalaat wat hij zich aan het begin ervan wel voorneemt, namelijk iets te zeggen over ‘de plaats [van het taoïsme] binnen de menselijke cultuur in het algemeen’. Maar daarin voorziet het essayboek Leyuan, de tuin van het geluk door Jan De Meyer, die voor Augustus eerder al Lie Zi vertaalde.

De Vlaamse sinoloog verzamelde Chinese filosofische teksten over levensgeluk – niet om een ‘newage-zelfhulpboek met instantgeluks-recepten’ te schrijven, maar omdat de Chinese wijsbegeerte nu eenmaal altijd die praktische inslag van levenskunst heeft gehad. Al presenteert De Meyer zich spottend als een ‘veredelde ceremoniemeester’, zijn voorkeur voor het taoïsme steekt hij niet onder stoelen of banken.

De confucianisten schreven niet zoveel over geluk, hooguit enigszins belerend: dat je het ook in armoede kon vinden; weest matig! Voor de taoïsten, niet verrassend, school de essentie in de leegte van het hart: wie niet meer hecht aan welstand, is vrij van zorgen om zijn bezit, leren loslaten in het leven betekent geen angst meer voor de dood. Niet najagen, dat geluk, zegt Zhuang Zi daarom, volg je spontane aard en aanvaard wat er op je afkomt, ‘het volmaakte geluk is vrij van geluk’.

Het sterkste verschilpunt tussen de twee stromingen ligt in de rol die zij het individu toebedelen. Dat is voor de confucianisten uiteindelijk altijd die van het ‘radertje in de maatschappij’: iedereen dient zijn eigen persoon te cultiveren, ja, maar enkel om zijn ouders en zijn heerser te dienen. De taoïsten daarentegen zochten zelfcultivering eerder in het zich terugtrekken uit de maatschappij.

Met liefde weidt De Meyer uit over het kluizenaarschap, wat in China geen ascetisch bestaan in een berggrot hoefde te zijn, maar eerder een zaak van de geest was. Wat zij in hun gedichten ook schreven, Chinese kluizenaars leefden gerust in riante buitenverblijven, louter om aan de eisen van het openbare leven te ontsnappen en hun ‘ik’ te laten opgaan in de lege, diepe Tao.

Op dezelfde manier was dronkenschap, ook veelvuldig bezongen in de Chinese poëzie, dikwijls slechts een retorische figuur voor het leegmaken van de geest, niet het bedwelmen ervan. Het doel was een ‘van emoties ontdane gelukzaligheid’, zoals in het utopische Dronkenland uit een weemoedig reisverhaal van klassiek dichter Wang Ji: ‘De mensen laten zich er leiden door puurheid en kennen geen liefde of haat, geen vreugde of boosheid.’

Of de westerse lezer tot een zo grote gelijkmoedigheid in staat is, valt te bezien, maar net als De Meyer zal hij zeker rust vinden in de tevredenheid die uitgaat van ‘een leeggemaakte geest en een volle kruik wijn’.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 27 mei 2010

Lees ook: Weten en vergeten

De honden van Hellebosch

Su Tong

In het najaar van 2009 was Su Tong schrijver in residentie bij Passa Porta, België

Su Tong met Quibus (foto Alexandra Cool)

Toen ik aankwam op de luchthaven van Brussel, zag ik het platform met de vliegtuigen nat glanzen in het avonddonker. Regen. Sinds het begin van de herfst was het in Nanjing kurkdroog geweest, pas in België trof ik de eerste regen van het najaar, wat me op de een of andere manier blij stemde. Volgens een Chinees gezegde is voorjaarsregen zo kostbaar als olie, maar ik heb altijd van herfstregen gehouden, ik weet niet waarom.

Eenmaal aangekomen bij Villa Hellebosch was het al diep in de nacht. Moe van de reis opende ik voor het slapengaan nog even het raam om naar buiten te kijken. De lucht was fris en vochtig, het bos pikdonker, al wat ik hoorde was de regen. Her en der flakkerde er een lichtpuntje op in het bladerdek – dan viel er een regendruppel precies op een blad dat al vol water stond.

De landelijke villa lag diep verborgen in het bos, één met de regen, één met de nacht – en één met de ochtend na de regen.

Die ochtend werd ik vroeg wakker, hielp mezelf aan een provisorisch ontbijt in de keuken en opende de achterdeur naar de tuin. Onmiddellijk stond ik oog in oog met een rij grote bomen, geen gewone grote bomen, maar echt bomen die tot in de hemel reikten, minstens vijftig meter hoog. Behalve in het oerbos van Xishuangbanna, kon ik me niet herinneren ooit eerder zulke hoge bomen te hebben gezien. Terwijl ik met mijn hoofd in mijn nek die bomen opnam, had ik niet in de gaten dat ik op mijn beurt ook werd opgenomen. Met een ruk keek ik opzij en zag de drie honden van de villa op me af komen stormen. Vanwege hun onstuimige onthaal – we zagen elkaar voor het eerst, kenden elkaar nog niet – sloot ik behoedzaam de deur en dook een beetje weg. Van achter het glas observeerde het drietal hun nieuwe gast, ze leken zelfs even onderling te overleggen, maar alsof ze niet wisten wat ze van me moesten maken dropen ze uiteindelijk teleurgesteld af. Misschien waren ze door mijn uiterlijk en huidskleur van streek gebracht, misschien waren ze verbaasd over mijn verbazing. Wat kon ik er ook aan doen dat ik de eerste Chinese bezoeker van Villa Hellebosch was?

De vredigheid van de villa had ik verwacht, maar de schoonheid ervan overtrof al mijn verwachtingen. Vandaar dat ik de eerste dag niet als een schrijver maar als een toerist rond de villa struinde om mijn fotografeerlust bot te vieren. Even later ontdekte ik de boomgaard die aan de tuin grensde. De beregende perebomen, de takken vol zware, rijpe vruchten: ik moet bekennen dat het water me in de mond liep en ik zonder erbij na te denken de mooiste peer in het vizier nam – maar ik had de tak nog niet beet of er gebeurde iets volkomen onverwachts: sneller dan je het ooit beschrijven kunt voelde ik iets zachts tegen mijn been stoten en zonder enige waarschuwing werd ik zomaar bij mijn arm gegrepen. Bijgekomen van de eerste schrik zag ik dat het geen mens was maar opnieuw een hond – en wel de hond van de villa die naar de naam Quibus luisterde. Dit keer kreeg ik het echt benauwd, want voor iemand van mijn leeftijd, en een gast van de villa nog wel, was het natuurlijk volstrekt ongehoord – moreel, rationeel, laat staan wettelijk gezien – om zich te vergrijpen aan de peren van de villa! Gepakt worden door de hond was mijn verdiende loon.

Onzeker over hoe de hond me zou straffen, dwong ik mezelf tot kalmte en probeerde met het dier aan te pappen. Ik had de peer niet eens kunnen plukken, het enige wat ik in mijn hand hield was mijn fotocamera, die ik voortdurend voor hem in de lucht hield, om maar duidelijk te maken dat de diefstal verijdeld was. Van lieverlee werd de camera het brandpunt van onze strijd, ik zag dat Quibus inmiddels recht overeind stond, zijn kop tegen mijn hand drukte en me zo, ferm en autoritair, elke beweging onmogelijk maakte. Toen begreep ik opeens dat ik mezelf in de nesten had gewerkt: de cognitieve functies van een hond zijn nu eenmaal beperkt, kon het niet zijn dat hij de digitale camera aanzag voor een peer en me dwong de camera terug in de boom te hangen? In paniek begon ik te roepen: dit is geen peer, dit is mijn camera! Ik stopte het toestel in mijn zak en maakte me met de moed der wanhoop op voor een gevecht van man tot hond. Maar het verwachte gevaar bleef uit, Quibus ging plotseling zitten; in zijn ogen zag ik genadigheid, in zijn houding vergiffenis. Dat gaf me opeens de durf om te zeggen: naar huis, kom, schiet op! En het wonder geschiedde, Quibus luisterde naar me en liep met me mee terug naar de villa. Bij de achterdeur bleef hij staan en wachtte tot ik naar binnen ging. Ik weet niet of hier nu zijn hondenfatsoen of zijn honden-IQ een rol speelde. Hij leek me te zeggen: vooruit, je bent een gast, dus voor deze keer laat ik het hierbij, maar wee je gebeente als je nog eens peren steelt.

Het spijt me dat ik mijn verhaal over Villa Hellebosch aan een hond heb gewijd, het komt gewoon doordat Quibus zo’n lief dier was. Elke ochtend als ik de deur opendeed zag ik Quibus en zijn makkers weer. Hij beschouwde me als een oude vriend en had zijn eigen manier van groeten: eerst rende hij op me af en snuffelde aan me, bij wijze van goedemorgen, waarna hij zijn niet-aflatende belangstelling voor me toonde door meermalen langs me heen naar binnen te schieten om een kijkje te nemen in mijn kamer. Zei ik ‘nee’, dan likte hij even over mijn voet – één zacht likje – en ging er weer vandoor.

Mijn Engels is niet zo goed, waardoor ik met de anderen in de villa niet zo makkelijk kon communiceren; nooit gedacht dat een hond genaamd Quibus er mijn eerste vriend zou worden. Vooraf had ik me niet kunnen voorstellen dat het residenceschap in de villa mijn leven zo zou veranderen, zonder dat ik er ook maar iets van mijn werk zou afmaken. Ik voelde nooit zoveel voor honden, maar dat is nu vast voorbij, misschien neem ik ook nog weleens een hond, zo een als Quibus.

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in de Standaard der Letteren, 29 januari 2010

Een soort Europa, maar dan beter

Eerste Nederlandstalige geschiedenis van China

Chinezen zijn trots op hun geschiedenis, en nationalisme is in China geen vies woord. Nu China zich in snel tempo van ontwikkelingsland tot supermacht ontpopt, jaagt de zelfverzekerdheid van deze ‘adolescent op steroïden’, zoals een Amerikaanse wetenschapper het typeerde, de westerse wereld weleens angst aan. Of er echt sprake is van een nieuw ‘geel gevaar’ valt echter te bezien, voorlopig lijkt die westerse angst een klassiek geval van projectie, want aan expansiedrift hebben de gewezen koloniale machten zich eerder schuldig gemaakt dan China.

Die indruk, inclusief die prettige relativering van ons westerse wereldbeeld, houd je over aan lezing van Het Hemels Mandaat, de eerste Nederlandstalige geschiedenis van het Chinese keizerrijk, geschreven door Leids hoogleraar Barend ter Haar.

China mag dan steeds assertiever worden op het wereldtoneel, Chinees nationalisme is in feite iets betrekkelijk nieuws. Tot ver in de 19e eeuw zag China zichzelf niet als een natie onder de naties, maar als het ‘rijk van het midden’, zoals haar naam zich letterlijk vertaalt. Nu heeft elk groot rijk, van het Romeinse tot het Amerikaanse, zich als het middelpunt van de wereld beschouwd, maar het verschil is dat het voor China nooit een etnische of geo-politieke kwestie was. De opeenvolgende keizerlijke dynastieën waren simpelweg het middelpunt van de beschaving, omringd door ‘barbaren’.

De keizers regeerden er in naam van de Hemel, van wie zij de taak – het mandaat – hadden gekregen om het Al-onder-de-hemel, oftewel: de hun bekende wereld, te ordenen. Daarbij telde niet zozeer het grondgebied. Hoewel in alle geschiedenisboekjes staat dat de Eerste Keizer in 221 v.Chr. China voor het eerst verenigde, is China de eerste 1200 jaar daarna slechts 3 à 4 eeuwen echt een eenheid geweest, noteert Ter Haar fijntjes. Hij stelt dan ook voor China niet als ‘een land’ te beschouwen, maar als een soort Europa – zij het dan ‘een stuk succesvoller’ wat het eenwordingsproces betreft, voegt hij er met een typische kwinkslag aan toe.

Meestal streden meerdere rijken rond de grote Chinese rivieren, de Gele en de Yangtze, om het Hemels Mandaat, maar het konden ook gerust buitenlanders zijn. De grote Tang-dynastie was half-Turks, de Yuan was een Mongoolse veroveraarsdynastie, en vanaf de 17e eeuw werd China driehonderd jaar geregeerd door Mantsjoes. Al deze vreemde volkeren konden aanspraak maken op het Hemels Mandaat door de kwaliteit van hun bestuur, dat zij doorgaans zelfs op Chinese leest stoelden. Het is dan ook op hun morele gezag dat Chinese historiografen hun leiders beoordeelden – een van de valkuilen voor de moderne historiograaf op zoek naar feiten.

De westerlingen, in casu de Britse handelsdelegaties uit de 19e eeuw, stelden zich in Chinese ogen niet respectvol open voor de ‘beschavende uitstraling’ van de keizer. Zij beschouwden de wereld als louter afzetgebied en ergerden zich aan China’s soevereine onverschilligheid. Zonder enig benul van het Hemels Mandaat, maakten ze er domweg een einde aan; de door hen verklaarde Opiumoorlogen liepen binnen enkele decennia uit op de ondergang van het keizerrijk in 1911.

Hoe de confrontatie met het Westen, aanvankelijk nog een vrolijke parade van misverstanden, zulke fatale gevolgen kon hebben, is iets waarbij Ter Haar uitvoerig stilstaat. Zijn overwegend zakelijke overzicht, dat als vanzelf boeit door de indrukwekkende kennis van zaken, lijkt haast naar een dramatische ontknoping toe te werken.

Enerzijds is het een onvermijdelijke clash tussen de twee wereldmachten van toen: het Britse rijk met zijn koloniën, en het Chinese, dat tijdens de Song-dynastie (10e-12e eeuw) al het stabielste rijk ter wereld was, onder de Mongolen (13e-14e eeuw) het grootste en tijdens de Ming (14e-17eeuw) het rijkste. Maar voor China’s plotselinge val naar de status van ‘zieke man van Azië’ zijn meerdere oorzaken aan te wijzen, waarbij Ter Haar zich deels baseert op nieuwe inzichten.

Zo had China vóór de komst van de Britten al te maken met natuurrampen en malthusiaanse spanningen als gevolg van hoge bevolkingsgroei, zaken die het elk land moeilijk hadden gemaakt. Maar het zijn vooral de schaduwkanten van het Hemels Mandaat die de Chinezen opbreken. Een vergelijking met Japan, dat in dezelfde tijd succesvol moderniseerde, maakt dat duidelijk. In technologisch opzicht deed China niet voor Japan onder, maar het faalde op organisatorisch vlak.

Door de grote nadruk op moreel bestuur heeft China tot in de late 19e eeuw nauwelijks een onafhankelijke elite gekend. Het examensysteem, dat opleidde tot het hoogste ambt, dat van dienaar des keizers, testte minder op bestuurlijke competentie dan op ideologische integriteit, door middel van kennis van de klassieke geschriften. De eerste Qing-keizers waren zelfs een soort superliteraten, die handel en praktisch vernuft als bijzaken beschouwden. Met een loyale ambtenarij en zonder werkelijk politiek debat, bleven veel hervormingen steken in desinteresse en corruptie op overheidsniveau.

Tianming, oftewel ‘hemels mandaat’

De parallellen met het tegenwoordige China springen hier in het oog. Al is de meer hervormingsgezinde overheid sinds de Culturele Revolutie wel geïnteresseerd in westers ‘praktisch vernuft’, nog altijd tracht zij het te importeren zonder de eigen ideologie te laten aantasten door het gedachtegoed dat ermee naar binnen sijpelt, denk aan democratie. En wat de handel betreft: de openstelling van de markt die de WTO verlangt, ligt sinds het 19e-eeuwse optreden van de Britten nog altijd gevoelig.

De twintigste eeuw behandelt Ter Haar in een relatief kort slothoofdstuk, dat enkel aanknopingspunten wil bieden voor verder onderzoek naar hoe de traditie doorwerkt in de moderne tijd. Hij noemt bijvoorbeeld de blijvende invloed van de Chinese geneeskunde, maar er valt ook te denken aan een term als ‘cultureel China’ die in het Chinese denken opgang doet.

Daarmee wordt verwezen naar de gedeelde Chinese waarden over de politieke grenzen heen, van de Volksrepubliek tot Taiwan en alle Chinese gemeenschappen overzee. Dat culturele gevoel is sterk aanwezig: elders in de wereld, of het nu Nederland of Canada is, plegen Chinezen, ook zij die er geboren en getogen zijn, de autochtone bevolking nog altijd ‘buitenlanders’ te noemen, alsof ze hun ‘rijk van het midden’ gewoon overal met zich meedragen. Is zo’n eenheidsideaal zonder notie van grondgebied geen eigentijds uitvloeisel van het aloude Hemels Mandaat?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 januari 2010

Op naar de binnenkant

Chinese schrijvers zijn te gast op de grootste boekenbeurs ter wereld

‘De Chinese literatuur van nu is troep!’ Dat zei vertaler en éminence grise van de Duitse sinologie Wolfgang Kubin drie jaar geleden in een interview met een Chinese krant. Blijkbaar raakte hij een gevoelige snaar, want in China hebben ze het er nu nog over.

Met de poëzie ging het nog, volgens Kubin, maar Chinese romans stelden internationaal niets voor. Ten eerste omdat Chinese schrijvers geen vreemde talen kenden en niet in dialoog traden met buitenlandse collega’s, ten tweede omdat ze hun hoofd te veel naar de markt hingen, ten derde omdat ze ‘zo laf waren’ hun eigen werk al samen met de uitgever te censureren voordat de politiek eraan te pas kwam.

Wel, al die dingen zijn tot op zekere hoogte waar. Er zijn snelle ondernemers die unverfroren fortuin maken met geprefabriceerde liefdesromannetjes voor China’s talrijke tieners, op maat geleverd voor mobieltje of twitter. En menig auteur schrapt gewillig een gevoelige passage voor de binnenlandse markt, terwijl hij zijn buitenlandse literair agent de ongekuiste versie doorspeelt.

Maar of dat alles verklaart? Een diepere oorzaak is waarschijnlijk dat de Chinese schrijver, met of zonder talenkennis, nu eenmaal sterk gericht is op de eigen traditie en, omdat hij engagement van oudsher hoog in het vaandel houdt, op de eigen maatschappelijke problemen. Zo blijft de Chinese literatuur een eigen eilandje op de wereld vormen – iets waar de Frankfurter Buchmesse, die volgende week met Schwerpunkt China van start gaat, misschien verandering in kan brengen.

Van Xu Zechen verscheen in 2016 een Nederlandstalige verzameling novellen, onder redactie van Anne Sytske Keijser. Het hier besproken Rennend door Zhongguancun werd vertaald door Annelous Stiggelbout, die ook een nawoord verzorgde.

De grootste boekenbeurs ter wereld zorgt altijd voor een stoot nieuwe vertalingen uit het gastland. Duitsland heeft die kans vooral aangegrepen om zijn lacunes in het Chinese aanbod te vullen, want gek genoeg verscheen er in deze grote taal veel minder eigentijds werk dan in het Engels of Frans, zelfs waar het grootheden als Mo Yan of Yu Hua betreft. Maar gelukkig poogt de Buchmesse meteen een inhaalslag door zich op de jongere generatie schrijvers te richten, dertigers die elders nog amper vertaald zijn.

Piepen zij anders dan de ouden zongen? De als veelbelovend getipte Xu Zechen, geboren in 1978, belicht in zijn werk graag de zelfkant van de maatschappij. Zijn mondiale debuut, Im Laufschritt durch Peking, is een korte roman over een verkoper van illegale dvd’s die de straten van de hoofdstad afstruint. Iedere Chinese lezer kent dit fenomeen: de gepirateerde schijfjes zijn vaak de enige manier om, zeg, een Truffaut of Tarantino te zien, want in de bioscoop komen die films niet.

De buitenlandse lezer mist die achtergrond, maar geen nood: Xu toont uitgebreid hoe het allemaal in zijn werk gaat. We volgen onze kruimelcrimineel vanaf het moment dat hij uit de gevangenis komt, zien hoe hij aan zijn waar komt, zijn centen telt en een broos bestaan probeert op te bouwen met een vriendinnetje dat in valse papieren handelt.

Maar dat is het ook zo’n beetje. Xu zegt dat hij in deze randfiguren geïnteresseerd is omdat het ‘echte mensen’ zijn, taaie overlevers die ondanks alles trouw blijven aan zichzelf. Alleen laat hij ons dat ‘zelf’ van zijn personages niet echt zien. Zijn laconieke held raakt bijvoorbeeld benieuwd naar de films die hij verkoopt en gaat ze zelf bekijken, maar we lezen niets over wat die films, met toch toepasselijke titels als Lola rennt of Fietsendieven, met hem doen.

Het is een vaak gehoord westers bezwaar jegens Chinese literatuur: de mensen worden te veel van buitenaf beschreven. Dat heeft te maken met de Chinese traditie, die eerder de sociale verhoudingen benadrukt dan het innerlijk uitdiept. Kennelijk is de jongste lichting schrijvers wat dat betreft nog steeds typisch Chinees – trouw aan zichzelf dus.

Een iets genuanceerdere indruk krijg je bij lezing van de verhalenbundel Unterwegs, samengesteld door Jing Bartz, leidster van het informatiecentrum van de Frankfurter Buchmesse in Peking, en de Chinese literatuurpaus Li Jingze, die vooral naam heeft gemaakt als ontdekker van jong talent.

Ook hier veel aandacht voor de kleine man of vrouw. Er is een cynisch verhaal over bouwvakkers die hun leven riskeren op een hoge brug en een larmoyant portret van een fabrieksarbeider. Vette ironie vind je bij de veelgeloofde Lu Min (1973), die beschrijft hoe een radiopresentator van een praatprogramma, totaal afgestompt door de problemen van alle bellers, opeens geconfronteerd wordt met de dood van een mooie taxichauffeuse, voor wie zijn nachtshow een lichtpunt in haar leven was.

Subtieler is het verhaal van Jin Renshun (1970), waarin een eenvoudige studente hoffelijk verleid wordt door een oudere man, die haar zo bedelft onder de cadeaus dat ze langzaam in de war raakt over luxe en liefde. Ook hierin is maatschappelijk commentaar te lezen, op de rol van het geld in booming China, maar de twijfels van de studente worden van binnenuit beschreven en sluiten een al te simpele veroordeling uit.

Dat laatste geldt helemaal voor de bijdrage van Huang Tulu (1970), van oorsprong dichter, die zich op veel subversievere wijze verplaatst in een ambtenaar die door steekpenningen in opspraak raakt en op de vlucht slaat. Corruptie is een enorm thema in de Chinese literatuur, maar zelden werd de ontreddering van ‘de dader’ zo beklemmend geschetst. Zijn schuldgevoel neemt haast mythische trekken aan, en op zijn tocht door het buitenland trekt zijn hele grauwe leven aan zijn geest voorbij, met een freudiaanse hoofdrol voor zijn moeder.

Criticus Li Jingze pleit in het voorwoord terecht voor het korte verhaal, dat in China een voorname traditie kent. Kennelijk gaat sociale begaanheid daarin goed samen met enige relativerende introspectie. Dat is alvast een mooie, kleine uitkomst van deze Buchmesse; goed om te onthouden bij alle symposia die zij gaat houden over beeldvorming tussen oost en west, persvrijheid en economische groei – grote thema’s die de zaken meestal wat simpeler voorstellen dan ze zijn.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 oktober 2009

Zie ook: Tien liefdes

De keurige Yiyun Li

Yiyun Li, in 1973 in China geboren en sinds 1996 woonachtig in de Verenigde Staten, gruwt ervan om als vertegenwoordigster van haar land te worden gezien, want ‘dat zou niemand van een Amerikaans schrijver vragen’.

Vertaald door Sjaak de Jong

Toch bleek dat van meet af haar lot, ook al won ze met haar debuutbundel Een heel leven later uit 2005 een plaatsje op de Granta-lijst van veelbelovende jonge Amerikaanse auteurs. NRC Handelsblad vond haar verhalen ‘een tikje keurig’, maar prees de beschrijvingen van het ‘intieme leven’ van ‘individuele Chinezen’, dat krantencorrespondenten niet dichterbij konden brengen.

In sommige verhalen ontstijgt Li die rol beslist, zoals in het invoelende portret van een ‘overbodig geworden’ bejaarde Chinese vrouw. Ook mooi is de manier waarop een oude Chinese man in Amerika contact krijgt met een Iraanse immigrante, met wie hij door hun taalprobleem nauwelijks kan spreken.

Maar in andere stukken lijkt Li wat al te gekunsteld Chinese problematiek te verwerken: het is nogal ongeloofwaardig dat een Chinese homo-zoon, met een greencard op zak terug in Peking, al direct op het vliegveld in een discussie over communisme en Culturele Revolutie verwikkeld raakt met zijn christelijke moeder.

Vertaald door Gerda Baardman en Lidwien Biekmann

In Verschoppelingen, haar romandebuut uit 2008, draait alles om een losjes op ware feiten gebaseerde executie van een jonge contra-revolutionaire vrouw in 1979. Het verhaal speelt zich af in een verzonnen Chinees provinciestadje, waar Li afwisselend inzoomt op een ruime reeks personages die allemaal iets te maken hebben met de veroordeelde. Zo legt ze de reacties bloot van een kleine gemeenschap op de gewelddadige uitwassen van de maoïstische politiek uit die tijd, die zij ook in gruwelijk detail beschrijft.

De onverschilligheid, angst, verraad en schuldgevoelens zijn ruimschoots bekend van eerdere boeken uit en over China, maar net als in haar beste verhalen weet Li overtuigend in alle verschillende hoofden door te dringen. Hoewel ze onmiskenbaar Chinees is in de losse, meanderende vorm haar roman, vindt ze door die aandacht voor het individu directer aansluiting bij een westers publiek.

Maar of dat haar van haar China-imago afhelpt? Misschien moet ze daar wat minder keurig voor worden.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 oktober 2009

Ramen

Qian Zhongshu (essay)

Het is lente, de ramen kunnen weer open. En komt de lente eenmaal via het raam naar binnen, dan houden we het in onze huizen niet meer uit en vliegen we door de deur naar buiten. Maar wat is die lente daar buiten toch vreselijk ordinair! Overal schijnt de zon, maar nergens zo mooi en helder als het licht dat een somber vertrek doorklieft; overal die lome, zonverwarmde wind, nergens die frisse, opwekkende stroom die een bedompte kamer eens lekker omwoelt. Zelfs het vogelgekwetter klinkt er flets en banaal – dat heeft eigenlijk de stilte van binnen nodig om goed tot zijn recht te komen. Algauw wordt het ons duidelijk: de lente moet je ingekaderd door een raam bekijken, net als een schilderij in een lijst.

Tegelijkertijd doet ons dit beseffen dat een raam iets heel anders is dan een deur. Deuren zijn uiteraard gemaakt om door naar binnen en naar buiten te gaan. Maar dat kan door een raam ook, denk maar aan dieven, of aan geliefden in romans, die voor hun geheime afspraakjes om de haverklap door vensters klauteren. Daarin zit hem dus niet het wezenlijke verschil. Als je nog eens naar ons voorbeeld van de lente kijkt, zou je het misschien zo kunnen zeggen: dankzij onze deuren kunnen we naar buiten, maar dankzij onze ramen hoeven we niet naar buiten. Ramen brengen de natuur bij de mens, lokken de wind en de zon het huis binnen en houden zo een stukje lente voor ons vast, waar we dan in alle rust van kunnen genieten, zonder de deur uit te moeten. Klassieke dichters als Tao Yuanming voelden de essentie van het raam haarfijn aan. In zijn Lied van de terugkeer staan deze verzen: ‘Trots sta ik voor het zuiderraam, gerieflijk in mijn kleine stulp’. Wat kan hij anders bedoelen dan: met een mooi uitzicht is zelfs de krapste behuizing leefbaar? Ook heeft hij ooit geschreven: ‘In de rust van de zomer, in het ruisen van de wind, lig ik lui bij ’t noorderraam, en voel mij de koning te rijk’. Waarmee hij maar wil zeggen: met een raam voor wat frisse lucht kan een schamel hutje nog een paradijs zijn; hij hoefde niet eens de heuvels in voor verkoeling, al had hij daar in Chaisang het Lugebergte om de hoek.

Daarom zeg ik: deuren staan voor verlangen, ze laten ons dingen najagen; maar ramen staan voor genot, ze laten ons dingen veroveren, bezitten. En dat verschil geldt niet alleen voor wie binnen zit, maar soms ook voor bezoekers van buiten. Iemand die ergens aan de deur komt en netjes aanklopt met een verzoek of een vraag, blijft altijd een gast die zich maar te voegen heeft naar de gastheer. Maar iemand die door het raam naar binnen sluipt, of het nou een kruimeldief of een hartendief is, heeft bij voorbaat al de rol van gastheer van je opgeëist, zonder zich af te vragen of hij welkom is of niet. De Musset zegt het heel mooi in zijn blijspel Waar jonge meisjes van dromen (A quoi rèvent les jeunes filles): ‘Vader opent de deur voor de materiële gemaal (matériel époux), maar haar ideaal (l’idéal) komt altijd via het raam’. Met andere woorden: degene die door de voordeur komt is alleen de formele schoonzoon, bij de vader mag hij dan in de smaak vallen, het hart van de dochter moet hij nog maar zien te winnen. Degene die door het achterraam binnenkomt, dát is pas haar ware liefde, aan wie ze zich met lichaam en ziel zal overgeven. Kom je door de voordeur, dan moet je je eerst door de dienstbode laten aankondigen, wachten op de heer des huizes en vervolgens nog een praatje maken over het weer voordat je de reden van je komst te berde kunt brengen. Wat een gedoe, wat een tijdverspilling – zeker als je ziet hoe de raamganger rechtstreeks op zijn doel afgaat. Bij het studeren nemen we toch ook de korte weg naar de index, wie leest nou elk boek van voor tot achter? Enfin, natuurlijk geldt dit onderscheid alleen onder normale omstandigheden, in tijden van oorlog of andere maatschappelijke onrust is niemand zijn huis zeker, dus valt er überhaupt weinig binnen te dringen, door deur of raam!

Alle huizen ter wereld hebben deuren, maar huizen zonder ramen kom je ook nog weleens tegen. Daaraan kun je zien dat het raam een hoger stadium in de menselijke evolutie vertegenwoordigt dan de deur. Een deur in een huis is nodig, een raam is goedbeschouwd een luxe. Oorspronkelijk was een huis niet meer dan een plek om te overnachten, net als een vogelnest of dierenhol; met de deur op slot zat je veilig. Maar door ramen in de muur te maken en zonlicht en buitenlucht toe te laten, hoefden we overdag niet meer per se naar buiten toe en konden we ook achter gesloten deuren leven. Zo won het huis voor de mens aan betekenis, je sliep er niet alleen, je schuilde er niet alleen voor wind en regen, maar met meubels, boeken en schilderijen werd het een plek om van ’s ochtends tot ’s avonds te kunnen denken, werken en je te ontspannen, een toneel waarop zich alle tragedies en komedies van het leven konden afspelen. De mens kwam door de deur naar binnen, de natuur door het raam, zou je kunnen zeggen. Was het huis aanvankelijk opgetrokken tegen de gevaren van de woeste buitenwereld, nu werd een klein stukje van de natuur door het raam naar binnen gelokt en getemd voor menselijk gebruik, zoals we wilde paarden tot huisvee hebben gemaakt. Sindsdien konden we binnenshuis met de natuur verkeren, we hoefden niet meer op zoek naar licht en lucht – dat kwam gewoon naar ons toe. Dus van alle overwinningen van de mens op de natuur, is het raam er zeker één. Alleen heeft deze overwinning wel iets weg van die van een vrouw op een man: het lijkt een kleine concessie, de ramen openzetten om wat zon en wind te laten binnendringen, maar voor je het weet zijn de rollen omgedraaid en neemt het huis bezit van de binnendringer!

Ik zei al dat deuren een noodzaak zijn, en wat nodig is, daarover heeft de mens niets te zeggen: als je honger hebt, moet je eten; als je dorst hebt, moet je drinken. Dus als er op de deur wordt geklopt, moet je simpelweg opendoen. Misschien staat, zoals bij Ibsen, de jongere generatie wel voor de deur. Misschien is het, zoals in De Quincey’s Over de klop op de poort in Macbeth (On the Knocking at the Gate in Macbeth), de wereld van het daglicht die de wereld van duisternis en schuld komt verdringen. Of het is de verloren zoon die thuiskomt. Of iemand die geld komt lenen (of waarschijnlijker: terug komt vragen). Hoe groter je onzekerheid, hoe banger je bent om open te doen, maar hoe groter je nieuwsgierigheid, hoe meer je open wilt doen. Zelfs de postbode die dagelijks aanbelt vervult je van bange hoop, omdat je nooit weet wat voor nieuws hij brengt maar je ondertussen wel staat te popelen. Het openen van de deur heb je dus niet in eigen hand. Maar het raam? Als je ’s ochtends vroeg opstaat hoef je de gordijnen maar opzij te schuiven en je weet wat je buiten te wachten staat: sneeuw, mist, regen of juist zon. Daarna kun je rustig beslissen of je het raam opendoet of niet. Ramen zijn zoals gezegd een luxe, en luxe is nu juist iets waarvan de mens zelf uitmaakt hoeveel hij er op welk moment van wil hebben.

Ramen kun je wel de ogen van het huis noemen, denk ik vaak. Liu Xi’s Verklaring van namen uit de Handynastie gaf al aan: ‘Venster – verwant aan scherpzinnigheid; van binnen naar buiten kijken duidt op scherpzinnigheid.’[1] En de eerste verzen van Gottfried Kellers Avondlied (Abendlied) luiden: ‘Ogen, lieve vensters mijn (Fensterlein), trouw schenkt u mij de mooiste schijn’. Toch vertellen zij beiden maar het halve verhaal. Ogen zijn de vensters van de ziel, ze geven ons zicht op de buitenwereld maar tegelijkertijd geven ze ook prijs wat er in ons binnenste omgaat. Je blik volgt elke verandering in je hart, vandaar dat Mencius al zei: ‘Aan de ogen kent men de mens’. In een van Maeterlincks toneelstukken mag een geliefde tijdens een kus haar ogen niet sluiten, om de ander te laten zien hoeveel kussen er uit haar hart opstijgen naar haar lippen. Dat is net zoiets als wanneer we tegen iemand met een zonnebril praten en het gevoel hebben dat we nooit zijn ware intenties kunnen achterhalen, alsof hij een masker opheeft. Volgens een gesprek met Eckermann op 5 april 1830, had Goethe zelfs een hekel aan alle brildragers, omdat zij ‘elke rimpel op mijn oude gezicht’ kunnen zien, terwijl ‘de spiegel van hun ziel voor mij versluierd wordt door die verblindende brillenglazen’.

Inderdaad, door ramen kun je naar buiten kijken, maar anderen kunnen er ook door naar binnen kijken, vandaar dat mensen die aan drukke straten wonen gordijnen ophangen om hun privéleven af te schermen. Als je ’s avonds bij iemand langs gaat kun je aan het licht zien of hij thuis is, zonder dat je hoeft aan te kloppen om het te vragen – net als je soms aan iemands ogen al kunt zien wat hij denkt en niet hoeft af te wachten wat hij gaat zeggen. De ramen dichtdoen is net als je ogen sluiten. Er is veel moois tussen hemel en aarde dat je alleen met gesloten ogen kunt zien, in dromen bijvoorbeeld. Is het buiten te rumoerig en te chaotisch? Sluit je raam, dan kun je je geest vrijelijk laten dwalen en je aan stille mijmeringen overgeven. Soms liggen het sluiten van ramen en ogen in elkaars verlengde. Vind je de wereld maar zozo, kan ze je niet meer genoeg bekoren, verlang je terug naar je geboortedorp, naar je familie, vrienden die al lang niet meer hebt gezien? Dan hoef je maar te gaan slapen: sluit je ogen en reis af in een droom. Maar sta eerst op en sluit de ramen, want het is pas net lente, dus het lijkt me nog te kil om ze dag en nacht open te laten.


[1] Dit vermoedelijk uit de tweede eeuw daterende Chinese woordenboek geeft de semantische verwantschap van woorden op basis van overeenkomsten in klank en niet de vorm van de karakters. Destijds was deze fonologische benadering van woordbetekenissen wijdverbreid, maar mede door moeilijk traceerbare uitspraakveranderingen is de Verklaring van namen in onbruik geraakt – al klinken ‘venster’(chuang) en ‘scherpzinnig’ (cong) in het moderne Mandarijn in de verte nog enigszins hetzelfde.

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in Het trage vuur 46, juli 2009

Qian Zhongshu’s bundel In de kantlijn van het leven, waarin ‘Ramen’ in 1941 verscheen

De secretaris

Han Shaogong (zeer kort verhaal)

Communesecretaris X was een klein dikkertje met een bleke huid. Hoewel hij goed in het vlees zat en al over de veertig was, had hij nog altijd een fijn kinderstemmetje, hoger dan de helderste vrouwenstem in de wijde omtrek. Hij kreeg er van alle kanten zo veel complimentjes over, dat hij vaak trots aan mensen van buiten vroeg: ‘Wat vindt u van mijn timbre?’

Als de commune een revolutionaire rijstplantopera moest opvoeren, werd hij door de jongeren gniffelend opgepord om op een donker plekje achter de coulissen de partijen voor de acteurs op het toneel in te zingen. De man, de vrouw, de clown of de bruut, alle rollen nam hij voor zijn rekening; en of het nu de theeplukkersaria of de ‘overreding van de echtgenoot’ was, één blik op de tekst en hij hief aan. Na afloop van zo’n hele set vertoonde hij ook geen spoortje van vermoeidheid, zijn stem klonk nog altijd als een klok, even kristalhelder als aan het begin. De verraste bijval van het publiek maakte de secretaris nog voller van zichzelf; met een stralend gezicht liep hij dan zingend en wel naar huis.

Vergeleken met alle uitbundigheid van die avonden, maakte hij overdag maar een uitgebluste indruk. Tijdens vergaderingen zat hij met zijn hoofd op zijn armen tegen de muur te dommelen. Als een collega hem tegen zijn voet schopte en siste: ‘hé’, schrok hij met een ruk wakker, keek gejaagd om zich heen en vroeg: ‘Wat? Een aanslag op voorzitter Mao? Nee?’ Om dan gauw een zucht van verlichting te slaken, met getuite lippen van zijn thee te nippen en onverstoorbaar op te merken: ‘Nou, dan kan ik toch wel even een dutje doen?’ Waarmee hij de hele zaal weer aan het lachen kreeg en alle kritiek op zijn persoon als sneeuw voor de zon verdween.

Tijdens de vergadering mocht hij er dan niet helemaal bij zijn met zijn gedachten, de rapportage achteraf liep altijd van een leien dakje. Kwiek en vlot dreunde hij alles op: punt a, punt b, punt c – luid en duidelijk, en nagenoeg zonder fouten. Toch verzuchtte hij dikwijls dat zijn schriftelijke verslagen, vruchten van uren arbeid, zo bitter weinig succes oogstten. De wapenfeiten van de commune bereikten maar zelden de krant of de radio, en zijn directe baas reageerde er altijd maar lauwtjes op.

Kon het niet zijn, dacht hij op een gegeven moment bij zichzelf, dat zijn vakbroeders enkel hogere publicatiescores haalden omdat ze sneller opereerden en eerder met hun verslag op de proppen kwamen? Met een klap op zijn dij zag hij het licht: hij besloot het radicaal over een andere boeg te gooien en voortaan iedereen te snel af te zijn. Toevallig stond Vrouwendag voor de deur, en de commune had bepaald dat er in het kader van de ‘verwerping van oude zeden’ een collectief bruiloftsfeest voor jongeren moest worden gehouden. Secretaris X nam dit direct tot zijn onderwerp en beschreef vijf dagen van tevoren al in geuren en kleuren een groots huwelijksfestijn in een van de productiebridages: hoe de jongeren de gelofte aflegden, hoe diep geroerd de oude boeren waren, over de ‘gezamenlijke steun’ en de ‘gezamenlijke wensen’, enzovoort, enzovoort. Hij zorgde voor vijf afschriften, die hij stuk voor stuk van een officieel stempel voorzag en vol enthousiasme opstuurde naar de kranten, de radiostations en het districtsbestuur.

De eerste departementschef van het districtsbestuur wierp na lezing een blik op de kalender en vroeg zich met een donkere frons af waarom er al een verslag was terwijl de grote gebeurtenis nog niet eens had plaatsgevonden. Geen wonder dat de leiders het ‘doordringen in de realiteit’ opnieuw op de agenda wilden zetten, concludeerde hij, de houding van de pers moest inderdaad eens goed worden aangepakt! Met zijn geitenharen penseel schreef hij in zwierige karakters een officieel bescheid, waarin hij secretaris X opdroeg zich persoonlijk ter plaatse te begeven en opnieuw verslag van zijn bevindingen uit te brengen, dat vervolgens naast zijn eerdere verslag zou worden gehouden en zo uitstekend kon dienstdoen als lesmateriaal voor de ‘verbetering van werkhouding in het perswezen’.

Secretaris X brak het koude zweet uit toen hij die opdracht kreeg. Hij besefte dat hij met knoeien en sjoemelen uiteindelijk van kwaad tot erger zou vervallen, en een grote boetvaardigheid maakte zich van hem meester. Prompt zette hij zijn gevulde lichaam in beweging en zakte met grote, deinende passen af naar de brigade. Na zorgvuldig onderzoek van het bruiloftsfeest in al zijn facetten, bleken de feiten echter wonderwel overeen te stemmen met zijn oorspronkelijke verslag; de werkelijkheid bracht weinig nieuws. Dat men de juiste leuzen respecteerde, zoals ‘Later trouwen, leren van Dazhai’, was natuurlijk te verwachten, maar zelfs de geloften en de ontroering bleek hij achteraf tot in detail te hebben voorzien.[1] Met de pen in de hand nam hij zijn oude verslag nog drie keer door, maar hij vond het een pareltje en besloot er geen woord aan te veranderen.

De departementschef stond uiteindelijk dus met zijn mond vol tanden, wat de secretaris nog jarenlang naast zijn schoenen deed lopen. Voortaan maakte hij domweg maanden van tevoren een stapel rapporten klaar, systematisch gerangschikt op onderwerp, waardoor hij telkens bespaard bleef van een hoop haast- en vliegwerk op het laatste moment.

December 1985

(Vertaling Mark Leenhouts)

[1] Het plaatsje Dazhai werd in 1964 door Mao Zedong aangewezen als modelbridage, een nationaal voorbeeld voor zijn landbouwhervormingen. Hij deed dat onder meer met de befaamde leuze ‘Voor landbouw, leren van Dazhai’.

Oorspronkelijk verschenen in Het trage vuur 46, juli 2009