Cao Xueqin Memorial Hall

Wel, hier schreef hij hem, De droom van de rode kamer, ook wel Het verhaal van de steen genoemd, de grootste klassieke roman uit China. De laatste jaren van zijn leven zou Cao Xueqin, sterk verarmd, in de Westelijke Bergen buiten Peking hebben geleefd – vanaf wanneer precies is niet bekend, maar hij stierf er in 1763. Op de plek is tegenwoordig, naast de botanische tuinen van de Geurige Bergen, nog zijn ‘voormalige woonhuis’ te bezichtigen: een charmant klein museum, waar ik deze kiekjes schoot. Meer over het boek hier.

De eerste zin van Qian Zhongshu

Uit Belegerde vesting – een toelichting op verzoek

红海早过了,船在印度洋面上开驶着,但是太阳依然不饶人地迟落早起,侵占去大部分的夜。

Het schip had de Rode Zee al achter zich gelaten en doorkruiste inmiddels de Indische Oceaan, maar de zon ging nog altijd onverbiddelijk laat onder en onverbiddelijk vroeg op, bijna volledig bezit nemend van de nacht.

Het is een bijna traditionele romanopening, maar wel een met een randje. De zon die bezit neemt van de nacht, dat staat er niet zomaar, zoals de tweede zin laat zien:

De nacht die half doorschijnend leek, als in olie gedrenkt papier: ze werd omhelsd door de zon, innig, stevig, en misschien zelfs wel bedwelmd, want ook na het wegkwijnen van de avondschemer behield de hemel nog steeds een rode blos.

De zon als een zwoele maar hardhandige minnaar – een speels beeld, maar bij een schrijver als Qian Zhongshu (1910-1998), China’s grootste boekenwurm en polyglot, die lustig met citaten en taalgrapjes strooide, mag je bij zulke luchtigheid beslist op je hoede zijn – ook als vertaler.

Het is geen onbekend procedé om in de eerste zinnen een hint naar het grondthema van de roman te verwerken, en in het Chinees kan dat vaak subtiel door een spel met woorden. Het duurde even voordat ik het zag, maar ‘bezit nemen’ door te ‘omhelzen’ roept toch onmiskenbaar associaties op met de titel van de roman, Belegerde vesting – zeker als je weet dat die op het huwelijk slaat. Al snel in het boek halen de personages, jonge Chinese intellectuelen die we op het bovenstaande, uit Frankrijk afkomstige schip leren kennen, een Frans gezegde aan: ‘het huwelijk is een belegerde vesting, een forteresse assiégée, zij die buiten staan willen naar binnen, zij die erin zitten willen eruit.’ De guitige beeldspraak zou je dus als een mooie opmaat voor een huwelijkssatire kunnen zien, al blijven het natuurlijk ondertonen.

Maar ondertonen genoeg in deze openingspassage: ook de meer militaire connotaties van de titel vinden we erin terug. Verderop in de alinea lezen we namelijk dat de scène zich afspeelt in de zomer van 1937 en dat het schip op weg is naar China, waar de zomerhitte op dat moment als een ‘voorteken van wapengekletter’ wordt beschouwd. Chinese lezers weten dan onmiddellijk dat hier het begin van de oorlog tegen Japan wordt bedoeld, die uiteindelijk zou opgaan in de Tweede Wereldoorlog. En veel van hen weten nu ook waarom de zon aan het begin als een overweldiger werd neergezet. In het Chinees klinkt de letterlijke betekenis van de landsnaam ‘Japan’ nu eenmaal wat sterker door: ‘land van de rijzende zon’. Japan zou vanaf die zomer grootscheeps China binnenvallen en flinke delen van het land ‘in bezit nemen’.

Voor dat ‘bezit nemen van’ in de eerste zin gebruikt Qian Zhongshu eigenlijk een woord waarin het militaire karakter nog iets meer naar voren komt: ‘bezetten’, of preciezer gezegd ‘innemen’. Hij speelt met de dubbele betekenis van die termen: de dagen op de Indische Oceaan zijn zo lang dat de zon het grootste deel van het etmaal ‘inneemt’ en dus als het ware een stuk van de nacht ‘bezet’, je zou zelfs kunnen zeggen ‘terrein verovert’ op de nacht. In mijn Nederlandse vertaling koos ik ‘bezit nemen van’ omdat dat beter aansloot op de amoureuze connotaties van de tweede zin: ‘omhelzen’, ‘bedwelmen’, ‘blos’… Iets met ‘veroveren’, alle amoureuze connotaties ten spijt, was helaas te veel van het goede geweest – te nadrukkelijk vergeleken met het Chinees. Misschien ook wel omdat de westerse lezer de Chinees-Japanse oorlog natuurlijk niet zo op zijn netvlies heeft.

Bovendien is het de bedoeling dat die toespeling op de oorlog alleen maar ‘meeklinkt’ – zoals de oorlog ook slechts het decor vormt van de roman. Qian Zhongshu werd bij verschijning van zijn boek in 1947 nota bene verweten dat hij zich wel erg afzijdig had gehouden van ‘de wereld’ en het in die ontwrichtende tijden bestaan had om zoiets banaals als het huwelijk onder de loep te nemen. Al te lang moet er dus niet bij stilgestaan worden; sterker nog, meteen in de tweede alinea duiken we al in de even concrete als kluchtige liefdesperikelen van de scheepspassagiers…

Qian Zhongshu’s zinnen bevatten heus niet altijd van die dubbele bodems, zoals gezegd wilde hij wat van zijn openingszinnen maken. Toch is er op elke pagina wel een woordgrapje of een verrassende vergelijking te vinden, die me naast de nodige gniffelbuien ook aardig wat hoofdbrekens hebben bezorgd. Zo bezien zette deze openingspassage ook voor de vertaler direct de toon.

Lees meer over Belegerde vesting in In de kantlijn van het leven

Oorspronkelijk verschenen in de rubriek ‘Eerste zinnen’ van Boekhandel Athenaeum

In de kantlijn van het leven

Qian Zhongshu (1910-1998) staat bekend als misschien wel de grootste twintigste-eeuwse literator van China, en tegelijkertijd als de grootste bespotter van het moderne Chinese literatendom. Hij was een ware ‘omgevallen boekenkast’, die zijn verbluffende belezenheid – in zowel het klassiek Chinees, Grieks en Latijn als het Frans, Duits, Engels, Spaans en Italiaans – wist te koppelen aan een luchtig en soms venijnig gevoel voor humor. Het beste voorbeeld daarvan blijft zijn grote satirische roman Belegerde vesting uit 1947, een boek dat elke Chinees kent.

De boekenliefde zat er al jong in bij Qian. Hij werd geboren in een oud geleerden-geslacht te Wuxi, een stadje nabij Shanghai. Zijn vader was een literair historicus van de oude, confucianistische stempel, die hem van kleins af een strenge opvoeding in de klassieken gaf. Maar misschien was de liefde wel aangeboren, getuige de vaak aangehaalde overlevering van zijn eerste verjaardag. Tijdens het traditionele Chinese ‘grijpspelletje’, waarbij een aantal verschillende spulletjes voor de eenjarige wordt uitgestald om zijn karakter te bepalen, greep de kleine Qian spontaan naar een boek. Prompt kreeg hij als nieuwe roepnaam Zhongshu, wat letterlijk ‘die boeken koestert’ betekent.

Qian (de familienaam komt in het Chinees vooraan) groeide op in de vroege jaren van de Chinese Republiek, gesticht na de val van het keizerrijk in 1911. In die tijd van toenemende westerse invloed was het niet vreemd dat hij, vanwege zijn vroeg ontdekte talenknobbel, op zijn veertiende naar een Engelssprekende missieschool werd gestuurd. Spoedig daarna maakte hij als veelbelovend student vreemde talen zijn opwachting aan de beroemde Tsinghua Universiteit in Peking. Op Tsinghua, waar hij allengs de reputatie van een wat eenzelvige, zelfs ongenaakbare boekenwurm en citatenverzamelaar verwierf, ontmoette hij zijn toekomstige vrouw Yang Jiang, die zich later zou ontwikkelen tot een bekend schrijfster en vertaalster, onder andere van Plato en Don Quichot. Samen met haar vertrok hij in 1935 voor twee jaar naar Oxford, waar hij met een studiebeurs zijn B.Litt. behaalde, ook al las hij er naar eigen zeggen vooral detectives. Qian heeft een reeks aan literair-wetenschappelijke artikelen in het Engels nagelaten (vaak onder zijn verengelste naam C.S. Ch’ien), maar toch beweren bronnen dat zijn veeltalige boekenkennis in Oxford niet zozeer imponeerde als wel een wat gedateerde indruk maakte.

Na nog een jaartje in Parijs keerde het jonge stel, met inmiddels een dochter, in 1938 terug naar China, waar net een jaar eerder de tweede oorlog tegen Japan was uitgebroken, die uiteindelijk zou opgaan in de Tweede Wereldoorlog. Het Japanse imperialisme had in 1894-95 al tot een eerste oorlog met China geleid, en na verspreide gevechten gedurende de jaren dertig van de twintigste eeuw viel Japan in de zomer van 1937 wederom grootscheeps China binnen. Al snel werden grote delen van het noorden en de oostkust bezet en kwam er een vlucht naar het binnenland op gang, zowel van burgers als van overheidsinstanties. Het was ook in die vrije zone dat Qian aanvankelijk werk vond, als docent aan de daar opgerichte Verenigde Zuidwestelijke Universiteit, een provisorisch samenwerkingsverband van drie grote noordelijke universiteiten. Het zou later model komen te staan voor de Driebondsuniversiteit in Belegerde vesting.

Vanaf 1941, na de Japanse aanval op Pearl Harbour, kwam Qian door het oorlogsgeweld vast te zitten in Shanghai, waar de buitenlandse concessiewijken een onbezet eilandje vormden. Er volgden sobere oorlogsjaren, waarin Yang en Qian beiden hun literaire debuut maakten, zij vooral als toneelschrijfster, hij in eerste instantie als essayist. Hij baarde opzien met een serie korte essays waarin hij, kwistig citerend uit de wereldliteratuur, speelse filosofietjes opzette over bijvoorbeeld de betekenis van ramen ten opzichte van deuren (zie Het trage vuur 46, juli 2009), maar zich ook vrolijk maakte over de modieuze, ‘pasklare’ ideeën van zijn tijd, met stukjes over thema’s als ‘literatuurblindheid’ of de nutteloosheid van schrijvers (zie Armada 63/64, augustus 2011). Deze essays verzamelde hij uiteindelijk in een kleine bundel met de veelzeggende titel In de kantlijn van het leven (1941). De zaken waar hij zich mee bezig wenste te houden, zei hij tongue-in-cheek, waren immers maar banaal in de ontwrichtende tijden waarin China verkeerde.

Toch bedoelde hij dat laatste wel iets serieuzer dan het klonk: Qian plaatste zich welbewust in de marge, samen met een kleine minderheid van ‘onafhankelijke’ schrijvers die niets zagen in het steeds sterker wordende politieke engagement in linkse literaire kringen. Een engagement dat zich na de capitulatie van Japan alleen maar uitbreidde, gevoed als het werd door de zich nog jarenlang voortslepende burgeroorlog tussen de communisten en de nationalisten. Het is niet dat de maatschappij Qian niets deed, hij vond alleen dat schrijvers hun rol daarin niet moesten overschatten. Iets wat hij illustreerde door met smaak het ijdele karakter van veel van zijn beroepsgenoten te fileren, bijvoorbeeld in zijn beroemde satirische verhaal ‘Inspiratie’ uit de bundel Mensen, beesten, geesten (1946), waarin een Chinese schrijver zijn werk in het Esperanto laat vertalen om zo meer kans te maken op de Nobelprijs.

De eerste druk van Belegerde vesting uit 1947

Nog duidelijker komt dat satirisch vermogen naar voren in Belegerde vesting, dat Qian in diezelfde jaren schreef – jaren, zoals hij in zijn voorwoord zegt, waarin ‘de wereld hem wee deed’. De roman verscheen in 1946 als feuilleton in een literair tijdschrift en in 1947 als boek. De oorlog is in de roman slechts op de achtergrond aanwezig, maar als Qian iets aantoont is het dat zijn jonge, verwesterde generatiegenoten zich er totaal geen raad mee weten en zich eerder druk lijken te maken om hun carrière en hun huwelijk. Zou de titel ‘belegerde vesting’ in eerste instantie nog kunnen slaan op het belegerde Shanghai, waar de roman zich grotendeels afspeelt, algauw laat Qian zijn personages het Franse gezegde over het huwelijk aanhalen: ‘het huwelijk is een belegerde vesting, zij die buiten staan willen naar binnen, zij die erin zitten willen eruit’. Het grote conflict van de roman is dan ook dat tussen de beknellende banden van het traditionele, gearrangeerde huwelijk en de zelfbeschikkingsdrang van de moderne, hoogopgeleide jongere. Maar onder Qians ironische pen is dat geen simpel gevecht tussen goed en kwaad, geen aanklacht tegen het een of een pleidooi voor het ander. De uit het buitenland teruggekeerde jongere wordt door Qian even belachelijk gemaakt als het bekrompen Shanghainese milieu dat hem binnenhaalt als een grote belofte – en een goede huwelijkspartij. Hoofdpersoon Fang Hongjian, de gesjeesde doctor, is duidelijk geen van beide: hij is een charmante nietsnut die het leven maar niet naar zijn hand kan zetten, en als een cynisch, schopenhaueriaans stekelvarken zijn eenzame pad afsukkelt.

De roman werd indertijd dan ook ontvangen als een opvallend apolitiek boek. Men prees het vooral om zijn compositie en psychologie, die het voor velen een van de meest voldragen romans van de toen nog jonge moderne Chinese literatuur maakten. Meer geëngageerde critici vonden het echter maar een simpel verhaal met simpele personages, waarin alles enkel in dienst stond van Qians vrolijke vertoon van eruditie. Toch betogen latere commentaren dat Qians tomeloze citeerdrift en cross-culturele grapjes wel degelijk een functie hebben in de Vesting, aangezien ze het conflict tussen traditie en moderniteit breder trekken en de huwelijksperikelen laten overstijgen. De eerste westerse studies wijzen er bovendien op dat Qian door een subtiele omgang met zijn hoofdpersoon een geslaagd evenwicht tussen maatschappelijke satire en meer invoelende karaktertekening creëert. Daarbij spelen ook de vele terugkerende motieven een rol, zoals de bootreis aan het begin en bijna-einde van het boek, waarvan duidelijk een spiegelend effect uitgaat.

Na drie herdrukken in twee jaar, wat wijst op een aanzienlijke populariteit, verdween de Vesting, samen met zijn auteur, pardoes van de radar. Toen Mao Zedong in 1949 de Volksrepubliek China uitriep en de letteren per decreet ondergeschikt maakte aan de politiek, trok Qian zich, net als menig ander schrijver, geheel terug uit het literaire leven; hij bedankte voor de eer om als schrijver de publieke zaak te dienen en besloot zich voortaan te wijden aan de wetenschap. In 1953 trad hij aan als onderzoeker klassieke poëzie aan de prestigieuze Chinese Academy of Social Sciences te Peking – al werd hij daar, vanwege zijn talenkennis, ook een tijdlang tot voorzitter benoemd van een vertaalteam voor de geschriften van Mao. Gedurende decennia werd er nauwelijks meer iets van hem vernomen; tijdens de Culturele Revolutie circuleerden er zelfs geruchten dat hij zou zijn overleden. Toen hij eind jaren zeventig, na de dood van Mao, weer boven water kwam, werd duidelijk dat hij en zijn vrouw, zoals veel intellectuelen, menige publieke vernedering hadden ondergaan. Samen hadden ze zelfs drie jaar in een ‘kaderschool’ oftewel heropvoedingsinstituut doorgebracht, ervaringen die zijn vrouw later te boek zou stellen in het nuchtere Six Chapters of My Life ‘Downunder’, zoals de titel van de Engelse vertaling uit 1983 luidt. Toen het echtpaar in 1972 uit de kaderschool kwam was de ellende overigens nog niet voorbij: hun appartement bleek door anderen bezet, waardoor zij nog eens drie jaar in Qians kantoor aan de Academy moesten bivakkeren.

Qian Zhongshu en Yang Jiang

Qians terugkomst in het openbare leven, gemarkeerd door een korte buitenlandse tournee in 1979, sloeg in als een bom, niet in de laatste plaats omdat bleek dat hij zich tijdens de Culturele Revolutie heimelijk gewijd had aan zijn grote levenswerk: een weldra in meerdere banden uitgegeven verzameling erudiete essays over allerhande literair-historische onderwerpen, geheel gesteld in het klassiek Chinees – een taal die qua status vergelijkbaar is met het Latijn in het Westen. Hij gaf dit wederom van citaten aan elkaar hangende geheel een voor hem karakteristieke titel mee, Met bamboe en els, naar een beroemde vergelijking uit het taoïstische boek Zhuangzi, waarin het hebben van een ‘beperkt denkraam’, aldus sinoloog W.L. Idema, wordt vergeleken met ‘turen door een bamboebuis om de hemel te doorgronden’ of ‘de dikte van de aarde willen meten met een els’ (een kleine priem). Voor de vertaalde bloemlezing die in 1998 bij Harvard University Press verscheen, bedacht Qian zelf de Engelse titel: Limited Views. Natuurlijk zette hij zich daarmee weer vol zelfspot neer als de stoffige kamergeleerde die zich ver van de grote, boze buitenwereld ophoudt, maar commentatoren wijzen erop dat er in zijn aandacht voor het detail en de nuance dezelfde indirecte waarschuwing tegen oppervlakkigheid en politieke willekeur schuilt als in zijn debuutbundel In de kantlijn van het leven – alleen moest dat onder Mao in veel bedekter termen. Hét grote verschil met die vroege essays, waarin nog een baldadige dertiger spreekt, is de encyclopedische ernst van het latere werk.

Maar ook Qians humor was terug, want in 1980 werd voor het eerst zijn Belegerde vesting weer uitgegeven – om algauw in alle grote talen te worden vertaald en, mede door een populaire tv-serie uit 1990, uit te groeien tot een van de klassiekers van de moderne Chinese literatuur. Tegenwoordig kent elke Chinese scholier de mooie prater Fang Hongjian en zijn pittige echtgenote Sun Roujia, die met haar bescheiden voorkomen maar sterke, ‘heerszuchtige’ wil wel eens een zeer rake typering van de Chinese vrouw is genoemd. Ook het fictieve ‘Clayton University’, waar de arme Fang zijn valse bul van kocht, is in China een gevleugelde uitdrukking geworden.

De schrijver zelf bleef tamelijk stoïcijns onder het succes en weigerde over het algemeen alle interviews of bezoekjes van bewonderaars – een enkele vertaler daargelaten. ‘Als je het ei lekker vond, moet je dan per se de kip leren kennen?’ was zijn reactie op dergelijke verzoeken. Dat de vraag naar de mens achter het werk niettemin erg groot was, blijkt wel uit het feit dat zijn vrouw Yang Jiang voor de herziene editie van de Vesting uit 1985 een lang nawoord schreef, waarin ze niet alleen een aanzet gaf tot Qians biografie, maar ook in detail aantoonde waar het boek, ondanks alle schijnbare overeenkomsten, van het leven verschilde. Bij bijna alle personages wordt een vermeende pastiche op bestaande personen ontzenuwd, en ook laat ze fijntjes weten dat Qian en zij weliswaar net als in het boek op een Franse mailboot uit Europa waren teruggekeerd, maar ‘helaas’ niet in 1937 – en natuurlijk heette die boot ook niet de Vicomte de Bragelonne, want dat is de titel van een roman van Alexandre Dumas.

In de loop van de jaren negentig raakte Qian Zhongshu ernstig verzwakt door kanker, een ziekte die tot overmaat van ramp ook zijn geliefde enige dochter trof. Zij stierf een jaar vóór hem, in 1997. Yang Jiang overleefde hen beide en publiceerde over dat dubbele verlies de bitterzoete gezinsbiografie Wij drie (2003), die haar op hoge leeftijd nog een veelgelezen auteur maakte. Op het moment van dit schrijven 101 jaar oud, houdt zij de herinnering aan haar man nog op vele manieren levend.

Oorspronkelijk verschenen als nawoord bij mijn vertaling van Belegerde vesting, Athenaeum – Polak & Van Gennep 2013, ook gepubliceerd op Schwob.nl

Lees hier een waarderende recensie van Belegerde vesting

Lees ook: De eerste zin van Qian Zhongshu

En hier meer over Qians tijdgenoot Shen Congwen

China’s geschiedenis als slapstick

In het nawoord bij zijn grote succesroman Broers schrijft Yu Hua, een van China’s bekendste auteurs van nu, dat het boek is voortgekomen uit een ‘ontmoeting tussen twee tijdperken’. Enerzijds de Culturele Revolutie, een tijdperk van fanatisme en onderdrukking ‘dat vergeleken kan worden met de Middeleeuwen in Europa’; anderzijds het heden, een tijdperk van morele ontwrichting en hedonisme, ‘en dit nog extremer dan in het Europa van vandaag’. Kortom: een westerling ‘zou vier eeuwen moeten leven’ om te ervaren wat een Chinees in veertig jaar heeft doorgemaakt.

Vertaald door Jan De Meyer

Of die westerling kan Yu Hua’s roman lezen, waarin twee halfbroers die veertig jaar doorlopen – vanwege hun tegengestelde karakters elk op een andere manier. Ze groeien op, net als Yu Hua, tijdens de Culturele Revolutie, om in de jaren van de economische opmars langzaam van elkaar te vervreemden, en niet alleen omdat ze dezelfde vrouw begeren. Terwijl de brave arbeider Song Gang ten onder gaat in de nieuwe maatschappij, weet het boefje Kaalkop zich handig op het werken tot een van de rijksten van het land – zo rijk dat hij zich zelfs een ruimtereisje kan veroorloven.

Uit dat laatste blijkt al dat Yu, om het contrast van vier eeuwen te schetsen, het rücksichtslos in de overdrijving zoekt, zoals ook zijn vakbroeder Mo Yan dat graag doet. De waanzin van Mao’s klassenstrijd, in het eerste deel, is nog niet zo verrassend voor wie Yu’s eerdere werk kent. Klinische beschrijvingen van gruwelijk geweld vond je ook in de romans Leven! (1992, verfilmd door Zhang Yimou) en De bloedverkoper (1996), en het argeloze kinderpersectief maakt een en ander ook nog wel aannemelijk. Het is de waanzin van de consumptiemaatschappij in het tweede, tweemaal zo lange deel, die tot werkelijk groteske toestanden leidt.

Ten eerste is er de veelbetekenende manier waarop Kaalkop zijn geld verdient. Geholpen door gehandicapten uit een kansloze sociale werkplaats, bouwt hij zijn imperium uitgerekend op basis van afvalverwerking. Dan is er wat hij met zijn geld doet, naast het opkopen van zowat het hele stadje waar de roman zich afspeelt. Gluurde hij tijdens de puriteinse Culturele Revolutie nog in stinkende latrines naar vrouwenkonten, als tycoon slaapt hij met ontelbare vrouwen, onder wie de finalisten van een grote Miss Maagdelijkheidsverkiezing, een absurd festijn waarbij alle deelneemsters toch al rustig met de jury naar bed gaan, aangezien de handel in kunstmatige maagdenvliezen welig tiert.

Zijn sullige, bijna seksloze broer, intussen, probeert na zijn ontslag uit de staatsfabriek zijn kostje te verdienen met de verkoop van borstvergrotende crème, waarvoor hij zich chirurgisch, als levende reclame, een paar borsten aan laat meten. Yu Hua schrijft dit allemaal uiterst droog en laconiek op, in groot detail, zonder metaforen en zonder commentaar. De roman is mede zo dik, met 850 pagina’s misschien wel iets te dik, doordat Yu voor alle scènes ruim de tijd neemt, telkens weer beeld op beeld stapelt en alles alleen maar gekker maakt. Het trieste einde van de sullige broer wordt daar wel wat moeilijk invoelbaar door, hoeveel tranen Kaalkop ook om hem plengt. Het is alsof Yu na alle overdrijving ook emoties alleen maar kan presenteren als vet sentiment.

Nu is sentiment geen vies woord in de Chinese literatuur, en ook het laten spreken van de beelden is er gebruikelijker dan een beschouwende, onderzoekende inslag. Toch zul je van Yu Hua niet eens het begin van een antwoord krijgen op de vraag waar alle waanzin in het boek vandaan komt. Zijn personages schijnen zich die vraag ook niet te stellen. Yu duidt ze vaak aan als ‘de massa’s’, met een ironische knipoog naar het maoïsme, of anders wel als ‘de smid’ of ‘de tandentrekker’; het zijn kortom welbewuste karikaturen, grof omlijnde types die net als in zijn eerdere romans enkel bezig lijken te zijn met overleven, niet verder kijkend dan het ‘gestoomde broodje’ van de volgende dag.

Yu Hua

Dat politieke beperkingen Yu Hua van zo’n onderzoek afhouden, vooral waar het de Culturele Revolutie betreft, is maar ten dele waar. Hij is weliswaar een prominent lid van de Schrijversbond – en dus niet echt de doorn in het oog van het regime, zoals de cover blurb roept – maar in het buitenland wil hij de laatste jaren weleens zijn mond opendoen. In zijn essaybundel China in Ten Words (Vintage 2012), die hij bewust niet in China uitbracht, gaat hij bijvoorbeeld expliciet in op een politiek taboe als het Tiananmen-incident van 1989, dat hij in Broers slechts indirect kan laten voorkomen. Maar ook daar: enkel impressies, geen zucht naar antwoorden.

In Broers is het alsof hij de antwoorden gewoon niet heeft. De verteller ratelt maar door, in een vaak rauwe stijl vol herhalingen en stoplappen; bij alle personages parelt het zweet op dezelfde manier en alle smeden en tandentrekkers vloeken op dezelfde manier. De verteller lijkt daardoor net zo waanzinnig als de wereld om hem heen. Sterker nog, hij heeft het telkens over ‘ons stadje’ – hij zit er dus letterlijk middenin, hij beschrijft het alsof het hem allemaal ook maar overkomt, en het nog steeds niet kan geloven. Dat was dan ook vast wat Yu Hua in zijn nawoord bedoelde: misschien moet de westerling die het ambitieuze Broers oppakt zijn ongeduldige vragen maar even wegstoppen en het allemaal eerst maar eens domweg ervaren.

Lees ook: Bloedverkopen om te overleven

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 16 maart 2013

Chinees blogfenomeen

Als Han Han, het immens populaire blogfenomeen uit China, vroeger op school een opstel moest schrijven, ging hij altijd even na welke politieke leuzen er in zwang waren. Liep er een overheidscampagne tegen spugen op straat, dan beschreef hij hoe hij met blote hand een fluim van een voorbijganger had opgevangen en kon hij, met een afsluitend woordje van lof voor ‘onze grootse natie’, geheid rekenen op een goed cijfer.

De opmerking is tekenend voor Han Han, en niet alleen als je weet dat hij op zijn zeventiende van school ging en met een roman over een slimme, gevatte schoolverlater prompt alle bestsellerrecords brak. Nee, ook om de conclusie die hij eraan verbindt: het Chinese onderwijs dwingt jongeren te veel in een keurslijf, een authentieke mening is in een schoolopstel niet gewenst, waardoor je mensen kweekt die denken dat ze alles aan de hogere machthebbers te danken hebben, niets aan hun eigen talent.

De bundel werd in 2013 (uit het Chinees) in het Nederlands vertaald door Annelous Stiggelbout en Mathilda Banfield

Het is de rode draad in de Engelstalige bundeling blogs This Generation, uitstekend samengesteld door vertaler Allan Barr uit Han Hans al dan niet door de censuur verwijderde postings van 2006 tot 2012. Eenzelfde gebrek aan ‘individuele flair’ verwijt de inmiddels dertigjarige sterschrijver-annex-rallycoureur het Chinese voetbalteam: ‘Zelfs mijn moeder kan al zien waar de passes heengaan, laat staan de tegenstander.’ Maar vaker is zijn eigen generatie het mikpunt van spot, vooral vanwege hun enge nationalisme – ook een product van het onderwijs.

Han Han kan zich erg vrolijk maken over de sullige protesten die op internet worden aangetekend tegen bijvoorbeeld het beeld van China dat in westerse films als Mission: Impossible wordt getoond. Was die aan balkons te drogen hangt? Dat zijn Indiase taferelen, een volstrekte belediging van China! Als een CNN-reporter met een handgranaat naar China zou komen en een stel mensen zou opblazen, grapt hij, zou er minder verontwaardiging klinken dan als die reporter alleen een denigrerende opmerking over het Chinese volk had gemaakt. Dit alles plaatst de felle anti-Japanse protesten naar aanleiding van de bekende betwiste eilandengroep in een ontluisterend perspectief: ook daar toont Han Han fijntjes aan dat dat patriottisme niet zozeer diepgeworteld is als wel ‘aangeleerd’.

Maar niet alleen de jeugd, ook de overheid mist volgens hem opvoeding. Keer op keer hoont hij het knullige optreden van ambtenaren, waarmee de overheid steeds verder haar gezag onder de bevolking verliest. Hij fileert de beschamende toestanden bij rampenbestrijding (aardbeving in Sichuan, ongeluk hogesnelheidstrein) en ook het staatstoezicht op internet moet eraan geloven. Zo maakte de provincie Gansu ooit overijverig bekend dat ze ‘650 internetcommentatoren’ ging inzetten om de publieke opinie daar ‘in goede banen te leiden’. Natuurlijk hadden die ‘mollen’ geheim moeten blijven, met als gevolg dat de overheid zijn eigen provinciale staf moest gaan censureren om het nieuws te blokkeren! Ja, wat censuur betreft is Han Han op zijn vileinst: de brand in het gebouw van de Chinese staatstelevisie roept bij hem enkel leedvermaak op, het is de climax van de ‘lange loopbaan in zelfverbranding’ waarop dat ‘nieuws-vertekenende’ instituut zich kan beroemen.

Niet voor niets geeft Han Han zijn stukjes over ambtenaren titels mee als ‘Cursus overheidsfunctionaris, les één’ – telkens weer laat hij met een knipoog zien dat men in China niet zelf leert denken. En als er iets is wat hij door zijn teksten zelf doet, is het de miljoenen jonge lezers die hij heeft porren om dat juist wel te doen. Porren, want belerend is hij niet: hij gaat altijd van zichzelf uit, en zelfspot is hem ook niet vreemd.

Han Han als rallycoureur

Buitenlandse commentatoren ‘verwijten’ Han Han weleens dat hij zich er vaak maar met een grapje vanaf maakt en nooit eens de stap naar het echte dissidentschap waagt. Maar na lezing van de zestig column-achtige stukken in This Generation kun je alleen maar concluderen dat Han Han daar domweg het type niet voor is. Hij blijft onafhankelijk en heeft geen program, niet eens uit voorzichtigheid, eerder uit overtuiging.

In de recentste stukken vertelt hij hoe hij na veel mopperen op het systeem en koppig blootleggen van onrecht tot het besef is gekomen dat het anders moet. Al te grote idealisten dreigen volgens hem de realiteit uit het oog te verliezen en kunnen soms net zo dictatoriaal worden als de machthebbers waartegen ze zich verzetten. Een schrijver moet daarom bereid zijn niet alleen de machthebbers maar ook het volk aan te pakken. De Partij is bovendien zo groot dat ze bijna één is met het volk, dus als je het volk verandert, verander je alles. Democratie, stelt hij, komt er vroeg of laat toch, maar daarvoor zijn eerst een beter rechtssysteem, onderwijs en cultuur nodig.

Deze ‘nieuwe mildheid’ kwam hem op kritiek te staan, maar eigenlijk doet hij op zijn eigen manier wat veel dissidenten zeggen. Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo, bijvoorbeeld, schrijft in zijn bundel Ik heb geen vijanden, ik ken geen haat (De Geus 2012) dat een ‘drastische regimewijziging’ niet aan de orde is en het te volgen pad voorlopig ligt in ‘hervorming van onderaf’ en het creëren van een ‘zelfbewust volk’. Wel, bewustmaking is bij uitstek Han Hans ding, en hij spreekt ook nog eens de taal van het volk: ‘Pas als Chinezen in de auto leren hun grootlicht te doven bij tegenliggers, zijn ze rijp voor democratie’.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 februari 2013

Scherpe en groteske contrasten

In 2002 kwam Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë op bezoek bij Mo Yan in zijn nu wereldberoemde geboortedorpje Gaomi, en ontmoette daar diens tante: een gepensioneerd verloskundige die in haar leven niet alleen vele kinderlevens had gered, maar er vanwege de éénkindpolitiek ook vele had moeten voorkomen. Daar moest Mo Yan eens een boek over schrijven, zei Oë, en zo geschiedde. In 2009 verscheen Kikkers, waarin aspirant-schrijver Kikkervisje in vier lange brieven en een toneelstuk het verhaal van zijn Tante aan de gevierde Japanse auteur Sugitani vertelt – een klein eerbetoon van Mo Yan aan meester Oë, met wie hij inmiddels de Nobeleer deelt.

Vertaald door Silvia Marijnissen

Al is Tante het uitgangspunt, Kikkervisje toont zich een echte Chinese schrijver door haar niet zozeer centraal te stellen als wel spontaan, natuurlijk, naar voren te laten komen uit een bonte lappendeken van verhalen. Uit een bonte stoet van personages ook, met kleurrijke namen als Neus, Wenkbrauw of Onderlip, aangezien ze volgens de plaatselijke gewoonte naar lichaamsdelen zijn vernoemd.

Kikkervisjes verhalen stromen maar voort, het ene opmerkelijk, het andere banaal, en daartussendoor zie je Tante, een doortastend en zelfs grofgebekt type, haar ‘verloskunde nieuwe stijl’ praktiseren. Bijna ongemerkt doet in de jaren zeventig de gezinsplanning zijn intrede, eerst mag twee kinderen nog wel, dan moet het echt blijven bij één – en bijna plotseling zie je Tante, in de tweede brief van het boek, als een meedogenloze overheidsfunctionaris een vrouw achtervolgen om haar te dwingen tot abortus.

Hoe schokkend de transformatie ook is, het lijkt niet Mo Yans opzet om te verklaren hoe die zich in Tantes hoofd heeft voltrokken. Hij presenteert geen lineaire ontwikkeling, maar een contrast: in zijn eerste brief schonk Tante continu het leven aan kinderen, in de tweede is ze de boodschapper van de dood. Dat denken in contrasten, zonder duidelijk de verbanden aan te geven, is eigen aan de Chinese kunst, van poëzie tot film, maar bij Mo Yan is het altijd een graadje scherper en grotesker.

Ga je op die contrasten letten, dan valt er algauw nog een op. In de tweede helft van het boek zijn we in het heden beland, en is de gezinsplanning met de tijd meegegaan. In het plattelandsdorpje is een luxe, Sino-Amerikaanse kraamkliniek voor de rijken gekomen. En waar ‘illegaal zwangere’ vrouwen zich vroeger moesten verstoppen, vluchtend als ‘guerrillatroepen’, zoals ze ironisch werden genoemd, kan men nu illegaal een draagmoeder huren, eventueel ‘inclusief seksuele relatie’. Het cynisme spat ervan af, en is typisch Mo Yan – maar opnieuw ondergaan de personages de veranderingen tamelijk onverstoorbaar.

De Chinese cover van Kikkers

En misschien is er ook wel niet zoveel veranderd, ga je vanzelf denken: de waanzin van deze commerciële decadentie verschilt eigenlijk niet zoveel van de waanzin waarmee de geboortebeperking eerder werd uitgevoerd, met de wilde klopjachten die Mo Yan zo plastisch beschrijft. En Tante, is zij eigenlijk wel zo veranderd? Met haar sterke, koppige karakter heeft ze altijd even fervent het overheidsbeleid uitgevoerd: zij bleef hetzelfde, het beleid veranderde. Is ze slachtoffer? Medeverantwoordelijk? Allebei? Eén ding is zeker: op het eind van haar leven zit ze met een immens schuldgevoel, verbeeld door haar panische angst voor kikkers – een woord dat in het Chinees net zo klinkt als ‘kinderen’: wa.

Dat is het engagement van Mo Yan. Hij schildert alles in forse streken, maar de lezer mag het denkwerk doen. Zo pakte hij het ook aan in zijn Nobelspeech: op het einde vertelde hij drie verhaaltjes, alledrie over schuld, maar zonder commentaar – leest u ze maar na op www.nobelprize.org.

Bij alle felle debatten over de politieke betekenis van zijn Nobelprijs, koos Mo Yan afgelopen maandag in Stockholm voor een verweer via de literatuur. In zijn aanvaardingsspeech zei hij dat hij een verhalenverteller is en de prijs heeft gekregen om zijn verhalen. ‘Een schrijver spreekt het beste door te schrijven. Alles wat ik te zeggen heb, staat in mijn werk. Het gesproken woord vervliegt, het geschreven woord blijft. Ik hoop dat u de tijd kunt vinden om mijn boeken te lezen.’

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 december 2012

Zie ook: Ruimtelijk en meervoudig

De niet-spreker

Met dit boek wil ik eerbiedig de gekrenkte geesten oproepen van de helden die door de oneindige, dieprode korenvelden van mijn geboorteplaats dolen. Ik, uw onwaardige zoon, ben bereid om mijn hart uit mijn lijf te snijden, het in een marinade van sojasaus te leggen, het fijn te hakken en het over drie kommen te verdelen en die als offerande in het rode korenveld te plaatsen. Dat u het in goede gezondheid moge nuttigen!

Uit Het rode korenveld, vertaald uit het Engels door Peer Nijmeijer, Bert Bakker 1994

Mo Yan tijdens de Nobelceremonie met de Zweedse koning, december 2012

Vanaf de eerste zinnen van zijn eerste roman, hierboven afgedrukt, was het er al, het ‘hallucinerende realisme’ waarmee Mo Yan volgens het Nobelcomité ‘volksverhalen, geschiedenis en het heden vermengt’. In Het rode korenveld uit 1986, mede bekend geworden door de verfilming van Zhang Yimou, bezingt een ‘onwaardige zoon’ zijn heldhaftige voorouders, die zich in de jaren dertig met hart en ziel tegen de Japanse bezetter verzetten. Hun bovenmenselijke dapperheid schildert Mo Yan letterlijk in geuren en kleuren: de rauwe zwarte aarde en vooral het schitterende rode koren waaraan de oude generatie zijn vitaliteit lijkt te ontlenen – op een bijvoeglijk naamwoord heeft Mo Yan nooit gekeken. Maar voortdurend heen en weer bewegend tussen heden en verleden wordt steeds sterker het contrast duidelijk tussen de hedendaagse, slappe nietsnut en de pure, bijna dierlijke plattelanders. De vitaliteit is in het tegenwoordige China dan ook verloren gegaan: ‘Het koren dat op een zee van bloed lijkt, waar ik keer op keer de lof van heb gezongen, is in de kolkende stroom van de revolutie verdronken.’

Je zou haast kunnen zeggen dat de ruim tien kloeke romans en de meer dan honderd verhalen die hij sindsdien aan de lopende band zou schrijven, als het ware allemaal om deze daverende opening en om zijn gemythologiseerde geboortedorpje Gaomi, waar het koren staat, heen zouden blijven cirkelen, almaar uitdijend, in dikkere en dunnere jaarringen. Hij zou de hele 20e-eeuwse geschiedenis induiken: vaak keerde hij terug naar de periode voor de communistische Volksrepubliek, de tijd van de Chinees-Japanse oorlog en de burgeroorlog tussen de Communisten en de Nationalisten. Bij zijn roman Grote borsten, brede heupen (1995) kwam hem dat bij wijze van uitzondering op een tijdelijk uitgeefverbod te staan: hij zou de communisten niet heroïsch genoeg geportretteerd hebben. Maar voor Mo Yan was het niets dan de realiteit: ‘Zo heb ik het van de oude mensen bij mij op het platteland gehoord’, zei hij in de Volkskrant in januari 2004.

Het rode korenveld werd in 2015 direct uit het Chinees vertaald door Jan De Meyer

Vaker nog doorloopt Mo Yan de turbulente decennia van communistisch China, van 1949 tot het heden, zoals in het nog niet in het Nederlands vertaalde Life and death are wearing me out (2006), waarin een grootgrondbezitter, reïncarnerend in achtereenvolgens een ezel, os, varken, hond en aap alle politieke campagnes en sociale omwentelingen meemaakt. Soms maakt hij zich echter ook kwaad over een bepaalde misstand en ramt hij er in luttele weken een fel j’accuse uit, zoals De knoflookliederen (1988), waarin een groep boeren door wanbeleid van de overheid met enorme bergen onverkoopbare knoflook komt te zitten – de geur dampt van de bladzijden, want laat dat maar aan Mo Yan over. Zijn weelderige, barokke stijl zou altijd herkenbaar blijven, en het is ook niet voor niets dat hij zich spottend het pseudoniem mo yan aanmat, dat ‘niet spreken’ betekent – als om zijn woordenvloed in te dammen. In De wijnrepubliek (1992) parodieerde hij zijn eigen stijl zelfs door zichzelf op te voeren in een hard-boiled detectiveverhaal dat zich afspeelt in het fictieve stadje Alcoholica, dat bekend staat om zowel zijn overvloedige wijnconsumptie als zijn decadente banketten, waarbij naar verluidt – de inzet van de intrige – mensenbaby’s worden geserveerd. Mo Yan, die daar gefêteerd wordt om zijn literaire verdiensten, verdwijnt er lallend in de goot…

Om die stijl en om zijn grote productiviteit wordt Mo Yan weleens gemakzucht verweten: hij schrijft zijn boeken te snel en door de telkens weer wijd uitwaaierende beschrijvingen gaan sommigen twijfelen of hij nog wel iets te zeggen heeft. Toch is hij qua compositie ook best eens wat ambitieuzer en giet hij een boek als De sandelhoutstraf (nog onvertaald in het Nederlands) bijvoorbeeld in de vorm van een lokale opera. En zijn laatste roman, Kikkers (2009), die later dit jaar in het Nederlands verschijnt (voor het eerst direct uit het Chinees vertaald), kent een brievenvorm, met als slothoofdstuk een toneelstuk. Bovendien snijdt hij hierin een gevoelig politiek onderwerp aan: China’s eenkindpolitiek – een onderwerp dat hij naar eigen zeggen allang in de pen had, maar waarvoor hij de juiste gelegenheid, lees: het juiste klimaat, afwachtte.

De wijnrepubliek werd in 2014 direct uit het Chinees vertaald door Yves Menheere

Dat laatste kenmerkt Mo Yan eveneens: als schrijver die in China woont, werkt en publiceert, weet hij heel goed waar de grenzen van het politiek toelaatbare liggen. En ook weet hij dat de ruimte die het Chinese regime zijn schrijvers laat de laatste jaren steeds groter wordt – het feit dat zijn aanvankelijk verboden boek Grote borsten na zes jaar in 2003 alsnog werd gepubliceerd laat dat goed zien. Toch wordt Mo Yan in China weleens als te onkritisch, te meegaand weggezet, al is dat eigenlijk een recente ontwikkeling. Mo Yan gold altijd als een vrij eigengereid schrijver, iemand die niet echt bij een clubje of bij het establishment hoorde, en ook weleens afgaf op een institutie als de Chinese Schrijversbond, die schrijvers salaris en woningen geeft en er, in zijn ogen, dorre, woordentellende ambtenaren van maakt. Maar ruwweg sinds de Frankfurter Buchmesse van 2009, waar China gastland was, is diezelfde Schrijversbond duidelijk begonnen Mo Yan naar voren te schuiven als de officiële ‘kandidaat uit Peking’, waarschijnlijk inspelend op zijn in het buitenland steeds hoger ingeschatte kansen voor het winnen van de Nobelprijs voor de literatuur.

Enerzijds is dat niet verwonderlijk: als je Mo Yan naast de andere bekende Chinese schrijvers van nu zet, zoals Yu Hua of Su Tong, voldoet hij, met zijn maatschappelijke begaanheid en met name zijn diepe en veel gelaagde historische besef, het beste aan het Nobelprofiel. En dat hij wat voorzichtig is in zijn politieke stellingname heeft er ook toe geleid dat hij, in elk geval in China, een grote lezersschare heeft. Maar toch is het vriend en vijand opgevallen dat hij, na Frankfurt, wel vaker door de Schrijversbond werd opgetrommeld. Wat de afgelopen weken op het Chinese internet opspeelde was ook het feit dat Mo Yan eerder dit jaar, samen met 99 andere schrijvers en kunstenaars, inging op het verzoek om Mao Zedongs beroemde toespraken over kunst en literatuur met de hand over te schrijven voor een speciale herdenkingsuitgave. Deze Toespraken (zie een recent artikel in tijdschrift De Gids 2012/6) staan symbool voor Mao’s grimmige cultuurpolitiek die tot vele schrijversvervolgingen heeft geleid. Voor sommige deelnemers aan de verhitte internetdiscussies diskwalificeerde Mo Yan zich hiermee ten enenmale als schrijver – en als Nobelprijskandidaat.

Hoe Mo Yan hier over denkt weten we nog niet – hij sloot zich na alle geruchten deze weken op in zijn dorpje Gaomi. Maar het zal zeker interessant worden om te zien hoe de discussie zich ontwikkelt: wat gaat officieel China zeggen, nadat zij bij de Nobelprijzen voor de vrijwillige balling Gao Xingjian (literatuur, 2000) en burgerrechtenactivist Liu Xiaobo (vrede, 2010) had verklaard dat het comité volstrekt onjuiste, politiek gekleurde criteria hanteerde? En wat gaat Mo Yan, de niet-spreker, zeggen als hij in Zweden zijn prijs gaat ophalen en door journalisten ongetwijfeld over Liu’s ‘lege stoel’ zal worden bevraagd?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 12 oktober 2012

‘Het leven is politiek; het is erdoor gebrandmerkt’

Mo Yan woont nog altijd in een legercompound in Peking, niet ver van de Verboden Stad, ook al is hij niet meer verbonden aan de Kunstopleiding van het Bevrijdingsleger. ‘Dat instituut is een erfenis van het revolutionaire verleden,’ zegt hij, ‘toen kunstenaars, van musici tot dansers, ook als militairen werden gezien, die moesten meevechten om de Volksrepubliek te stichten. Maar een leger dat nu, in vredestijd, nog acrobaten opleidt, dat is toch eigenlijk absurd! De schrijvers schrijven ook al lang niet meer over het leger, zoals ze geacht worden te doen.’ Dat Mo Yan in 1997 na twintig jaar afzwaaide, heeft alles te maken met zijn roman Grote borsten, brede heupen.

‘Het boek verscheen eind 1995 en won begin 1996 direct een prijs. Maar liefst 100.000 yuan (10.000 euro), destijds veel geld, zeker voor de gemiddelde Chinees. Daarna werd ik meteen aangevallen in de pers: ik zou met de titel alleen op sensatie uit zijn, met seks de verkoop willen aanwakkeren! Afijn, de kritiek nam toe, en de spanningen liepen op omdat ik bij het leger en dus bij de overheid zat. Op een gegeven moment werd er in allerijl een politieke onderzoekscommissie ingesteld, bestaande uit de collega’s van mijn eenheid, die het boek in één avond van commentaar moesten voorzien. Ieder kreeg een hoofdstuk te lezen, waarna de bevindingen bij elkaar werden gelegd. Ik moest een zelfkritiek schrijven. Maar die werd netjes voor mij opgesteld en ik hoefde hem alleen maar te ondertekenen. Goed, zei ik, ik teken wel, dan kunnen jullie tenminste gaan slapen.

‘Niet lang daarna ben ik uit mijn functie gestapt. De materiële omstandigheden waren goed, mijn salaris hoog, maar dat wilde ik graag opgeven voor mijn creatieve vrijheid. Dat er in China geen echte romans van betekenis verschijnen, heeft veel te maken met instellingen als deze, en ook de Schrijversbond, die je in alle communistische landen hebt. Iedereen die ook maar een beetje kan schrijven, krijgt van de Bond een salaris en een woning. Vervolgens maakt het niet uit of je een dag niet schrijft, of helemaal niet meer schrijft, je bent gewoon een ambtenaar geworden. Met dat systeem kweek je geen onafhankelijke geesten. Als je het mij vraagt heeft het zijn langste tijd gehad.

‘Vervolgens is het boek verboden, zeven jaar lang. Alhoewel, het is eigenlijk nooit echt verboden geweest. Het hing af van mijn ‘opstelling’, zeiden de autoriteiten. Hoe moet ik me dan opstellen? vroeg ik. Het kwam erop neer dat ik zelf een brief moest schrijven aan de uitgever om hem af te raden het boek uit te geven. Uiteindelijk heb ik het begin 2003 stilletjes laten uitbrengen. Als we er geen publiciteit aan geven, zei ik tegen een uitgever die het inmiddels wel aandurfde, kraait er vast geen haan naar. En inderdaad, het ligt nu gewoon in de winkels. China is erg veranderd: als dit twintig, dertig jaar geleden was gebeurd, dan had ik hier nu niet gezeten.’

Wat voor een boek is Grote borsten, brede heupen dan wel? De hoofdpersoon is Shangguan Jintong, die tot in zijn puberteit enkel op moedermelk leeft en sindsdien kampt met een obsessie voor borsten. Zijn daaruit voortvloeiende kinderlijke onschuld maakt hem zijn leven lang een speelbal van de moderne Chinese geschiedenis. Het boek loopt van zijn geboorte tijdens de Chinees-Japanse oorlog, via de burgeroorlog van de jaren veertig en het Maoïstische tijdperk, waarvan Jintong een groot gedeelte in een werkkamp doorbrengt, tot aan de commercialistische jaren tachtig en negentig, wanneer hij uiteindelijk in de lingeriehandel terechtkomt.

‘Mijn oorspronkelijke idee was iets te schrijven over de relatie tussen moeder en kind. Op een dag zag ik bij een metro-uitgang een arme plattelandsvrouw zitten met een tweeling, een kind aan iedere borst. Er viel een bepaald zonlicht op en ik voelde dat het een krachtig beeld was: een van de meest basale dingen in het leven. Maar alleen de moederliefde bezingen leek me geen onderwerp voor een roman, ik wilde iets doen met de symboliek ervan. Toen bedacht ik de obsessie van het personage Jintong, die symbool zou kunnen staan voor allerlei soorten obsessies. Al nadenkend kwam ik erop om dat gegeven tegen een bredere, historische achtergrond te plaatsen, zodat het aan overtuigingskracht zou kunnen winnen. Door Jintong alle gebeurtenissen uit de recente geschiedenis te laten overkomen, staat hij voor China en is het boek dus beslist een kritiek op de Chinese politiek.’

De allegorische interpretaties van de roman bleven inderdaad niet uit. Mo Yan: ‘Iemand vergeleek Jintongs ziekelijke fixatie met de manier waarop communistische kaderleden afhankelijk zijn van de Partij, die hen hun leven lang voedt, kleedt en huist, waardoor ze niet meer zelfstandig kunnen leven. Volgens een Japanse professor stond Jintong voor de Chinese intelligentsia, die zich aan de nationale traditie vastklampt en zich angstvallig afsluit voor alle nieuwe of buitenlandse dingen. Ik zie wel wat in die lezingen. Ik ben er zelfs blij mee. Een roman die je op meerdere manieren kunt uitleggen, is voor mij een geslaagde roman. Maar tijdens het schrijven denk ik niet aan al die mogelijkheden, dan laat ik me leiden, meeslepen zelfs, door de personages.’

Mo Yan lijkt zich doorgaans inderdaad graag te verliezen in zeer uitgesponnen beschrijvingen van zijn personages en hun omgeving, die hij letterlijk in geuren en kleuren weergeeft. Een verhaallijn lijkt van ondergeschikt belang: in Grote borsten volstaat de chronologie van de geschiedenis. Veel Chinese romans, zowel klassieke als hedendaagse, ontberen een dwingende plot en bestaan eerder uit een lange reeks episoden waarin bepaalde motieven telkens terugkeren. Verschilt de Chinese romantraditie op dat punt misschien wezenlijk van de Westerse?

‘Dat zou kunnen, maar ik kan alleen maar voor mezelf spreken. Ik wil het leven in al zijn volheid aan de lezer overbrengen. Stel dat ik wil vertellen hoe ik naar het warenhuis hier verderop ga om boodschappen te doen. Ik ben dan het type dat onderweg in alle winkeltjes kijkt en allerlei dingen koopt die hij van tevoren niet op zijn lijstje had staan. Misschien dat een ander recht op zijn doel afgaat, maar ik ben ondertussen wel een hoop ervaringen rijker geworden, bij de bakker, de kleermaker, enzovoort.’

Vlak voor hij het manuscript van Grote borsten inleverde, vond Mo Yan zelfs dat hij bepaalde dingen nog niet voldoende had beschreven: hij voegde een extra deel toe met zeven ‘Aanvullingen’, die ook als op zichzelf staande korte verhalen kunnen worden gelezen. Dat deel zullen de Nederlandse lezers moeten missen, omdat het in de Engelse vertaling, die haastig in het Nederlands werd omgezet, is weggelaten.

‘Ik krijg wel vaker de kritiek dat ik te lang van stof ben. Al vinden anderen het juist mijn fort. De Amerikaanse vertaler Howard Goldblatt en zijn uitgever hebben me bij eerdere boeken ook al voorstellen gedaan om iets in te korten, of om het einde te herschrijven. Zo ook ditmaal. En niet alleen wat dat slotdeel betreft, ook in andere hoofdstukken is gesneden. Ik beschouw het maar als een tegemoetkoming aan de Amerikaanse lezer. De Franse en de Italiaanse versie zijn wel integraal.’

De herziene, aangevulde versie van Grote borsten, brede heupen uit 2003

Wat de compositie aangaat blijft er in de korte versie toch iets vitaals overeind. Aangekomen in de jaren negentig laat Mo Yan Jintong op zijn tweeënvijftigste achter, en in wat nu het laatste deel is beschrijft hij wat er vóór Jintongs geboorte met zijn moeder gebeurde.

‘Klopt, daarin vertel ik hoe zijn zeven oudere zussen ter wereld kwamen. Dat werpt een ander licht op de traditionele rol van goede, sterke moeder die ze voor hem vervult, en dus eigenlijk op het hele boek. Ik laat namelijk zien hoe de moeder, de vrouw, onder het feodale systeem van de ‘oude maatschappij’ wordt vernederd, en daarin schuilt een scherpe kritiek die veel critici niet hebben gezien.’

Het boek bevat ook kritiek die wel degelijk werd opgemerkt, met name in de verhalen van Jintongs zussen en hun mannen, die uitgroeien tot meer dan zomaar bijfiguren. Orthodoxe critici namen vooral aanstoot aan het soms negatieve portret van de communisten tijdens de burgeroorlog in de jaren veertig, die even wreed en gewelddadig worden afgeschilderd als hun tegenstanders, de nationalisten.

‘Dat noem ik niet negatief maar objectief. Zo heb ik het van de oude mensen bij mij op het platteland gehoord. De communisten voorstellen als louter helden, dat is de officiële geschiedschrijving. Daar moet een schrijver niet aan meedoen. Een schrijver kan bij uitstek laten zien dat het met goed en kwaad niet zo simpel gesteld is als in de theorie van de klassenstrijd. Volgens sommigen heb ik met mijn roman Het rode korenveld in de jaren tachtig een begin gemaakt met het ‘herschrijven’ van de geschiedenis. Daarin belicht ik de oorlog tegen Japan ook vanuit het perspectief van het gewone volk. Hun visie vind ik soms betrouwbaarder.

‘Uiteindelijk was dat ‘herschrijven’ ook het belangrijkste onderdeel van de ‘officiële’ kritiek op Grote borsten: niet de seks – ook wel, hoor – maar vooral mijn ‘historisch subjectivisme’, zoals ze dat noemden. Mijn vorige roman, De wijnrepubliek, was een niet mis te verstane satire op de decadentie in het huidige China en bevatte veel passages over drank en seks. Dat boek is ook fel bekritiseerd, maar het werd lang niet zo hard aangepakt als dit boek – vanwege de politieke kant.

‘Schrijvers hebben een lastige verhouding met de politiek: ze willen er steeds van wegkomen, maar kunnen er gewoon niet aan ontsnappen. Het leven is erdoor gebrandmerkt, het leven ís politiek. In de bijna vijftig jaar van mijn leven heb ik ondervonden dat alle facetten van het leven nu eenmaal te maken hebben met de politiek, met de Communistische Partij. Maar in romans moet je ook weer niet domweg de Partij gaan aanklagen. Dat is niet de taak van een schrijver. Die moet te allen tijde bij zijn personages blijven; in de beschrijving van hun karakters komt tot uiting wat hij te zeggen heeft.’

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 23 januari 2004, online hernomen in 2012

Met een gestold gemoed

Zo staat het in alle geschiedenisboekjes: in 1949, het jaar van de communistische machtsovername in China, legde Shen Congwen, een van de grootste schrijvers van zijn tijd, na een poging tot zelfmoord de pen neer. Hij was beslist niet de enige die er de brui aan gaf toen de politiek definitief de literatuur in zijn greep kreeg, voor veel Chinese schrijvers was dat jaar een keerpunt. Toch blijft Shens verhaal als geen ander het Chinese hart beroeren, niet alleen omdat het keerpunt bij hem als het ware is samengestold tot één dramatisch moment, maar ook om de opvallende eerlijkheid waarmee hij van zijn jarenlange innerlijke worsteling verslag heeft gedaan, in brief, polemiek en dagboek.

Shen Congwen

Peking, maandag 28 maart 1949. Zelf heeft Shen met geen woord meer over zijn daad van die ochtend gerept. Geen krant ook die er melding van maakte, zelfs niet de muurkrant van de universiteit waar hij die periode werkte. Het werd alleen rondgefluisterd in de kantines en slaapzalen, wist een vriend van de familie te melden – in een artikel dat pas in 1957 verscheen in Taiwan, het eiland waarnaar velen na Mao’s machtsgreep de wijk zochten. Lang was dit artikel de enige bron voor het gebeurde, totdat Shens jongste zoon Huchu wat meer details prijsgaf, in een herdenkingsstuk voor zijn vader uit 1988, het jaar van zijn dood.

Huchu, destijds elf jaar, herinnert zich dat hij de bewuste dag uitgelaten uit school kwam, helemaal vol van de communistische rijstplantersdans die hij die dag voor het eerst had geleerd. Het contrast met de thuiskomst kon niet groter – hij noteert staccato: ‘De deur stond wagenwijd open, binnen was het een chaos. Een van de ramen was ingeslagen, een stuk opengereten hor stak naar buiten. Alleen grote broer was thuis. Papa heeft een ongeluk gehad!’ Hij begreep: die ochtend nadat hij naar school was gegaan, een halfuur eerder voor de dansoefeningen, had papa ‘op verschillende manieren geprobeerd om rust te vinden’, maar gelukkig had een oom hem gered en ‘was hij daar niet in geslaagd’.

Rust was iets waar zijn al maanden depressieve vader het vaak over had gehad; de kleine jongen wist dat zijn vader ‘ziek’ was, het hele gezin leed eronder. Wat de ‘verschillende manieren’ betreft, die zou zijn moeder kort daarna in een pas veel later gepubliceerde brief aan de familie kort en zakelijk beschrijven: haar man had zich met een scheermesje de keel en polsen doorgesneden en ook nog paar slokken petroleum gedronken. ‘Gelukkig was het overdag en waren de verwondingen niet ernstig.’ Uit weer een andere bron weten we dat de reddende oom per toeval langskwam en iemand hoorde kreunen. De deur zat op slot, hij sloeg een raam in en trof een bebloede Shen Congwen aan, die volgens zoon Huchu half bewusteloos lag te ijlen, alsmaar herhalend: ‘Ik kom uit Hunan… Ik kom uit Fenghuang…’

Fenghuang (letterlijk ‘Feniks’) is het dorpje in de zuidelijke provincie Hunan waar Shen in 1902 werd geboren – in de noordwestelijke hoek van die provincie, om precies te zijn, een van oudsher bijzonder gebied. De wat afgelegen regio staat bekend om zijn natuurschoon en de vele etnische minderheden die er wonen, met name de met veel folklore gezegende Miao. Ongereptheid en primitiviteit zijn de eerste associaties die bijna elke Chinees met die bevolkingsgroep heeft. Al eeuwen geleden werd West-Hunan bezongen door de beroemde dichter Tao Yuanming (ook wel Tao Qian geheten, de ‘verborgene’), die er bovendien zijn beroemde utopie de Perzikbloesembron in situeerde: China’s cocagne, het paradijselijke oord vol goede mensen dat na één bezoekje nooit meer teruggevonden kan worden. Die idylle, gecombineerd met de omsluitende bergen, leverde de streek in moderne tijden ook wel de benaming China’s Zwitserland op – een benaming die in Shens geval welhaast omineus mag heten.

Fenghuang

Shen vereenzelvigde zich met zijn geboortegrond. Hij stamde uit een familie van generaals die al generaties lang huwelijken aangingen met de plaatselijke Miao. Iets van hun wildheid is zodoende vast in zijn karakter terechtgekomen, want in plaats van naar school te gaan hing de kleine Shen het liefst rond in de natuur, met name bij de rivier, waar de schippers en de prostituees huisden die later zijn verhalen zouden bevolken. In zijn al vroeg gepubliceerde jeugdherinneringen heeft hij het liefdevol over de ‘grote school van het leven’, die hem zoveel meer boeide dan de ‘kleine school’ van de lesbanken en leerboeken. Die laatste school houdt hij dan ook niet lang vol, op zijn vijftiende gaat hij bij het leger, destijds ‘de enige uitweg’ voor een eenvoudige plattelandsjongen. Vijf jaar lang leert hij het nog grotere leven van de oorlog kennen: China was na de val van de laatste keizerlijke dynastie in 1911 ten prooi gevallen aan krijgsheren, die elkaar eindeloos bestreden in het hopeloos verdeelde land. Ook dat soldatenleven komt terug in zijn literaire werk.

Want soldaat of niet, en spijbelaar of niet, Shen bleek een leesgierig knaapje, dat in het leger onder meer een klerkenbaantje wist te versieren – een boekrijke omgeving waarin hij zowel klassiek Chinese als kersvers vertaalde westerse romans leert kennen: van de historische verhalen uit de Drie koninkrijken tot Dickens’ Oliver Twist. Het leidt ertoe dat hij alsnog wil gaan studeren, en in 1922 maakt hij de grote stap naar Peking, waar hij het nog binnen dat decennium van hongerlijdend student tot gevierd schrijver en – zonder enig diploma – docent literatuur aan de universiteit schopt. Zijn loopbaan is miraculeus, zijn productie niet minder: al in 1935 wordt zijn verzameld werk uitgeven, in vijfendertig delen.

Toch blijft hij een buitenbeentje, autodidact die hij is. Alleen al zijn levenswandel sprak tot de verbeelding: zijn eigenwijze schelmenjaren natuurlijk, maar vooral de geruchtmakende bohémienjaren waarin hij samen met de algauw ook beroemde schrijfster Ding Ling en haar man in een soort ménage à trois leeft, al schrijvend en tijdschriften redigerend – activiteiten die hij naderhand voortzet in het literaire mekka van die tijd: Shanghai. Maar ook de onderwerpen van zijn boeken waren ongewoon: het soms rauwe, soms liederlijke leven van de plattelanders uit zijn geboortestreek, dat hij zonder enig moreel oordeel, eerder met sympathie beschrijft.

Eerste druk van Grensplaats

In zijn beroemdste roman, het korte Grensplaats uit 1934, komt eigenlijk alles samen. Het opent als een ingetogen pastorale over de ontluikende seksualiteit van een vijftienjarig plattelandsmeisje, maar blijkt uiteindelijk een idylle met duistere ondertonen. Het meisje wordt opgevoed door haar grootvader, veerman van beroep, omdat haar beide ouders vanwege hun onmogelijke liefde zelfmoord hebben gepleegd. De oude man houdt haar hierover angstvallig in onwetendheid en probeert met aandoenlijke onbeholpenheid een echtgenoot voor haar te vinden. Twee broers dingen door middel van een traditioneel zangritueel naar haar hand, terwijl het pure meisje intussen door giechelende hoertjes in de haven glimpen van een ander leven oppikt. Maar voordat ze goed en wel begrijpt wat er gaande is, frustreert haar grootvader uit overbezorgdheid alle kansen, met nieuwe sterfgevallen tot gevolg. Shens toon zal sommigen misschien wat al te naïef zijn, maar de symboliek liegt er intussen niet om: het meisje wordt omringd door de dood, maar blijft zelf de onschuld in persoon. Ze blijft alleen met haar dromen, en zal, zo lijkt het, nooit een grens oversteken – alleen de rivier, telkens weer, op het veerpontje dat ze van opa overneemt. Om die donkere kant is Grensplaats meteen ook een overgangswerk: werden Shens personages voorheen vaak als nobele wilden gezien, voortaan slopen er diepere, complexere lagen in zijn portretten. Shen begon westerse modernisten te lezen en raakte geïnteresseerd in Freud. Maar eigenlijk heeft die ontwikkeling zich nooit goed door kunnen zetten – omdat de Geschiedenis ertussen kwam.

Hoe meer de burgeroorlogen tussen krijgsheren zich voortsleepten, hoe meer engagement bon ton werd in de letteren, zeker nadat in 1937 ook nog eens de oorlog tegen Japan uitbrak, die uiteindelijk zou opgaan in de Tweede Wereldoorlog. De in 1930 opgerichte Liga van Linkse Schrijvers won sterk aan invloed, en lang voordat Mao Zedong zijn opmars maakte, namen ligaleden met het karakteristieke jargon elke andersdenkende de maat. Al in 1937 kreeg Shen het verwijt dat hij niet ‘over de klassenstrijd’ schreef en ‘geen duidelijke haat- en liefdescheiding tussen de verschillende klassen aanbracht’. Shen was inderdaad een van de ‘onafhankelijke’ schrijvers, die zich liever afzijdig hielden van de politiek. De neutrale Shen, die zich noch bij de opkomende Communistische of de regerende Nationalistische Partij had aangesloten, vond domweg dat je politiek en literatuur goed uit elkaar moest houden, want hoewel literatuur natuurlijk best over politiek kon gaan, zei hij, draaide het er bij de linksen altijd op uit dat politiek de literatuur ging bepalen. Hij werd nogal eens versleten voor de estheet die enkel zijn onschuldige arcadië bezong en volkomen wars was van elk engagement, maar in feite, misschien wel door zijn ‘creoolse’ Miao-temperament, mengde hij zich juist geregeld in polemieken, en fel ook, al was het maar om zich te verdedigen tegen aantijgingen over zijn ‘libertaire’ of ‘onvaderlandse’ opstelling. Zijn vrouw Zhaohe, met wie hij in 1933 was getrouwd, zei hem meer dan eens dat hij moest ophouden met die essays, daar lag zijn talent niet: ‘Je snapt niets van politiek, waarom meng je je er dan in?’

Een alledaagse echtelijke berisping, toen nog, maar het is niet overdreven om te stellen dat Shens bevlogenheid hem later zou opbreken, toen na de capitulatie van Japan in 1945 de strijd tussen de Nationalisten en de Communisten in volle hevigheid losbarstte – de strijd om het landsbestuur waarin de laatsten allengs de overhand kregen.

De toestand wordt grimmiger wanneer begin 1948 de leider van de Linkse Liga, Guo Moruo, een invloedrijk intellectueel, hem in een artikel in een Hongkongs tijdschrift rechtstreeks bekritiseert als een reactionair en een ‘perzikroze’ schrijver, oftewel een pornograaf, die zijn lezers ‘vergiftigt’ en hun ‘strijdmentaliteit verzwakt’. Mogelijk is het een verlate tegenaanval of wraakactie, aangezien Shen in de jaren dertig Guo’s romans eens had gelaakt en hem ironisch had geprezen als politicus – waarom hield Guo zich eigenlijk niet direct met politiek bezig, als dat zijn doel was? Hoe het ook zij, wanneer Shen het communistische leger tegen het eind van datzelfde jaar ziet oprukken naar Peking, lijkt hij steeds gelatener zijn lot te aanvaarden. Uit een brief van begin december 1948:

Alles moet nu eenmaal veranderen, breed gezien gaat China een gloednieuw tijdperk tegemoet, dat lijdt geen enkele twijfel. Wie met de pen nog iets wil betekenen, van nut wil zijn, dient zijn traditionele schrijfopvattingen en maatschappelijke standpunten ernstig ter discussie te stellen, en keuzes te maken… Als middelbare man, met een al wat gestold gemoed en misschien ook wel een te introvert karakter, mis ik de sociale vermogens om me aan te passen; twintig, dertig jaar lang ben ik met mijn pen altijd van het woord ‘denken’ uitgegaan, nu moet ik opeens van het woord ‘geloven’ uitgaan; die omslag valt me zwaar. Over niet al te lang zal ik mijn pen wel moeten neerleggen, als ik er al niet toe gedwongen word. Dat is voor velen van mijn generatie de onvermijdelijke uitkomst.

Zhang Zhaohe en Shen Congwen

Al snel nadat hij in 1946 een aanstelling aan de Universiteit Peking kreeg, begon Shen te voelen dat de tijden nu echt aan het veranderen waren. Een paar jaar eerder had Mao, toen nog guerrillaleider in Yan’an, het communistisch bolwerk waar hij na de Lange Mars was neergestreken, zijn befaamde toespraken over kunst en literatuur gehouden. Die stelde hij voortaan ondubbelzinnig in dienst van de politiek, en steeds meer schrijvers gaven aan zijn oproep gehoor. Een literatuur van ‘arbeiders, boeren en soldaten’ moest het worden, groepen die Shen bij uitstek kende, maar Mao dacht daarbij eerder aan folklore waarin een duidelijke boodschap voor het volk verpakt kon worden. Met groeiende twijfel vroeg Shen zich af of er nog wel plaats was voor zijn manier van schrijven, in een brief aan een vriend zegt hij opvallend mat: ‘Ik kan nog wel mooie werken schrijven, maar geen grootse meer. Mijn werk is vervreemd van de huidige tijd, staat te veel op zichzelf, en dus houd ik me bezig met iets volkomen nutteloos.’

Dat ‘geloven’ had betrekking op discussies die hij voerde met schrijvers zoals de literaire reus Ba Jin, die hem voortdurend over de streep wilde trekken, hem aanspoorde vooral wel te blijven schrijven en zich dus wel ‘aan te passen’ aan de nieuwe maatschappij. Maar Shen vond dat zijn oude vriend ‘een leeg geloof’ predikte, te meer omdat het hem opviel dat Ba Jin, net als zijn oude vriendin Ding Ling, zelf juist hoe langer hoe minder schreef, en eigenlijk alleen nog politiek bedreef. Wat doet ze daar eigenlijk in kamp Yan’an, zei hij snerend over Ding Ling, ze heeft toch allang geen boeken meer?

Shen wordt steeds depressiever onder de continue druk die op hem wordt uitgeoefend, en als het communistische leger in januari 1949 echt voor de poorten van de stad staat, volgt er een ware zenuwinzinking. Het dagelijkse artillerievuur in de straten zorgt voor ‘explosies in papa’s hoofd’, schrijft zoon Huchu, die zijn vader nog voor het raam ziet staan, angstig mompelend: ‘De afrekening is begonnen.’ Volgens Huchu had hij het gevoel dat hij constant in de gaten werd gehouden, dat de buren meeluisterden en dat er ‘een net om hem heen werd getrokken’ om hem ‘te dwingen zichzelf te gronde te richten’. Hij lijkt gelijk te krijgen wanneer er terzelfdertijd muurkranten verschijnen op zijn universiteit, waarin hij opnieuw wordt belasterd als ‘perzikroze’ schrijver, die zich ‘prostitueert’ en zich ‘niet inzet voor het land’. De familie besluit hem uiteindelijk een tijdje naar de campus van de Tsinghua Universiteit te sturen, dertig kilometer buiten de stad, waar hij op adem kan komen. De brieven die hij van daar aan zijn vrouw stuurt tonen niets dan vertwijfeling:

Ik ben moe, ik heb rust nodig, alleen voor jou blijf ik worstelen, maar hoe lang ik het volhoud weet ik zelf niet. Ik moet alles opnieuw leren, mijn kansen afwachten. (29 januari)

Mijn wilskracht, wat is dat dan? Alles wat ik heb geschreven is slecht, dat zeggen anderen tenminste. Ik weet niet eens meer wat ik geschreven heb. […] Geef me rust, een pijnloze rust waaruit ik niet meer hoef te ontwaken. Niemand begrijpt nog wat ik zeg, geen van mijn vrienden wil of durft te zeggen dat ik niet gek ben. […] Je hoeft me niet meer te schrijven, wat doet het er nog toe of ik besta of niet, dit is het leven, meer is het niet. Ik voel me met niets meer verbonden. (31 januari)

Al vijftien jaar zit je met me opgescheept, en nu moet je ook nog eens deze crisis met me door, het vreet aan me. Het heeft niets met jou te maken, het is mijn eigen probleem. (2 februari)

Toespelingen op het zoeken naar definitieve rust zijn er genoeg, maar het blijft gissen naar wat hem uiteindelijk tot de daad heeft gedreven, kort na zijn terugkomst op de Universiteit Peking (die destijds nog midden in de stad lag). Er is het verhaal dat hij begin maart naar zijn oude vriendin Ding Ling is gestapt om uit te vinden of de Communistische Partij, waarin zij inmiddels flink was opgeklommen, nu echt van plan was te ageren op de muurkranten en hem zou komen oppakken. Haar kille houding, gecombineerd met het strakke legeruniform dat ze inmiddels droeg, zou zijn laatste hoop de grond in hebben geboord. Maar Ding Ling zelf heeft later ontkend dat ze die periode zelfs maar in Peking was; ze zou Shen pas in juni dat jaar een keer hebben ontmoet. Dan is er nog de anonieme brief met een getekende kogel die Shen omstreeks deze tijd moet hebben ontvangen, voorzien van de tekst: ‘De afrekening is nabij.’ Die bedreiging zou iets te maken kunnen hebben gehad met het summier overgeleverde voorval op 9 maart, waarbij zijn oudste zoon hem betrapte terwijl hij zijn hand uitstak naar het stopcontact. Ten slotte wijst men op onenigheden tussen hem en zijn vrouw Zhaohe. Hen beiden was al verscheidenen malen aangeraden om ‘marxistische lessen’ te gaan nemen aan de Revolutionaire Universiteit in het noordoosten van China, een soort heropvoeding om ‘voorbereid te zijn’ op de nieuwe maatschappij. Zhaohe voelde er wel voor, tot diep ongenoegen van Shen. Vlak voor de fatale ochtend van 28 maart 1949 had Zhaohe haar vertrek al min of meer geregeld, tot groot enthousiasme van de beide zoons, die haar wel in zo’n stoer maopak wilden zien. Misschien was dat de laatste druppel.

Brieven van Shen Congwen

Nadat hij gered was door de oom die de ruit had ingeslagen, werd hij direct overgebracht naar een nabij ziekenhuis, waar hij nog dagenlang half buiten kennis op bed lag. Telkens als hij bijkwam dacht hij dat hij in de gevangenis zat. Hij vroeg om pen en papier en verzocht zijn vrouw de decaan van de letterenfaculteit in te schakelen om hem vrij te krijgen. Op 2 april laat ze hem overbrengen naar een psychiatrische inrichting. Daar schrijft hij op 6 april een acht pagina’s lange aantekening in zijn dagboek, waarin zich, hoe verward ook, de eerste tekenen van een omslag aandienen. Hij begint om ‘7 uur ’s ochtends’:

Weer een nieuw begin van een dag. In dit ochtendlicht komt de wereld, de maatschappij, vanuit haar eeuwigheid en continuïteit weer in beweging en rolt voort. Maar ik sta nog altijd buiten dat alles. Ik begrijp nog altijd niet wat mijn plaats is. […] Vorig jaar leek ik nog te precies weten wat ik was, wat ik kon doen en wat ik aan de nieuwe maatschappij kon bijdragen. Nu is alles één grote warboel.

Hij zegt diepe schaamte te voelen als hij in het Volksdagblad, de partijkrant, van 2 april leest over de wapenfeiten van een communistische heldin, een ‘pure, gezonde plattelandse’. ‘Dat is pas een nieuwe mens van de nieuwe tijd!’ schrijft hij, daarbij vergeleken stellen die ‘stadse intellectuelen’ niets voor, precies zoals Mao al zei. ‘Ik moet mijn oude literatuuropvattingen wegdoen, geheel en al wegdoen. Stoppen met schrijven is onvermijdelijk, noodzakelijk.’ Maar na dat resolute voornemen komt de twijfel weer:

Wat jammer toch, zo’n nieuw land, zo’n nieuw tijdperk, en ik kan er niet aan meedoen. Mensen die veel slechter zijn dan ik krijgen het nieuwe leven wel, maar ik, objectief beperkt door de omstandigheden, door mijn karakter, moet in dat historische proces opgeofferd worden. Ik heb in twintig jaar artikelen veel te veel mensen beledigd. Geef me een kans op het nieuwe leven.

Om ‘8 uur’ schrijft hij opnieuw dat hij ‘zijn pen er wel aan moet geven’. Wat in deze tijd nodig is, vervolgt hij, is niet denken met het hoofd, maar werken met de handen, als een gewone plattelander opstaan zodra het licht wordt en meteen aan de arbeid. ‘Alleen dan heeft mijn leven weer een normaal doel.’ Cultureel werk moet hij voortaan maar overlaten aan mensen met een gezond en helder hoofd. ‘Alleen als een gewoon mens kan ik iets betekenen voor deze maatschappij.’

Opvallend is hoe hij steeds meer het communistisch jargon overneemt, en dat terwijl de Partij nog altijd niet definitief de macht heeft overgenomen; pas op 1 oktober dat jaar zou Mao de Volksrepubliek uitroepen. Even verderop heeft hij het over zijn ‘opvoeding’ die nu ‘al diep in zijn leven is doorgesijpeld’, en een paar regels daarna zelfs als ‘afgerond’ mag worden beschouwd. Hij voelt zijn leven ‘veranderen’, ‘weer normaal worden’. Het enige wat nog hij wil is ‘met de rest van mijn leven iets nuttigs doen voor het volk’. Het is een ‘mentale hergeboorte’, een ‘nieuw begin’, maar ook een ‘vrijwillige straf’. Laat hem maar als tuinman of bewaker in het Zomerpaleis op een bescheiden salarisje zijn dagen slijten, dat is de straf die hij verdient, een straf die ‘zwaarder is dan de dood’, juist om de gestrafte voor eens en voor al duidelijk te maken dat ‘al zijn fouten zijn begonnen bij het verwijderd raken van het massa’.

Als hij om ‘even over elven’ zijn dagboekaantekening besluit met ‘ik wil het nieuwe leven’, lijkt hij al totaal heropgevoed. Maar helemaal waar is dat niet: hij mag dan accepteren dat de samenleving veranderd is, maar als schrijver wenst hij daar geen rol in te spelen. En dat is wel wat de schrijverswereld van hem verwacht. Als hij een paar maanden later uit de inrichting komt en hij zijn baan aan de universiteit kwijt is, begint men in literaire kringen weer aan hem te trekken. Toch houdt hij voet bij stuk, en in september dat jaar neemt hij een eenvoudig baantje als catalograaf en rondleider in het paleismuseum van de Verboden Stad – precies zo als hij dat in zijn dagboek wenste. Mao zag schrijvers graag als ‘culturele arbeiders’, wel, Shen lijkt die betiteling letterlijk op te nemen, in een hogere, schrijnende vorm van ironie. Niet iedereen zag dat laatste in: een collega-schrijver die hem op een dag in het museum aan het werk zag, durfde hem uit plaatsvervangende schaamte niet te groeten.

Ook de nieuw geïnstalleerde regering laat hem niet met rust, maar hoe gebroken Shen ook lijkt, hij blijft zich halsstarrig verzetten. Pas in 1950 gaat hij schoorvoetend akkoord met de marxistische lessen aan de Revolutionaire Universiteit en pas in 1951 perst hij er ten langen leste een ‘bekentenis’ over zijn verderfelijke schrijversverleden uit. Het is een eindeloos herschreven traktaat vol voorspelbare leuzen als ‘literatuur is ondergeschikt aan de politiek’, waarin hij hoogstens wat authentieke clausules als ‘het is moeilijk mijn oude zelf af te schudden’ weet te behouden. Hoe groot de sociale druk op hem is, blijkt wel uit een bewaard gebleven schoolopstel van zijn zoon, die op zijn eigen manier het ongemak verwoordt waarmee het gezin door Shens weigerachtige houding wordt opgezadeld:

Wij zijn thuis met zijn vieren, papa, mama, mijn oudere broer en ik. Papa was een zogenaamde schrijver onder de Nationalisten, hij heeft vroeger veel boeken geschreven. Hij is erg trots dat hij op eigen kunnen is opgeklommen. Na de Bevrijding ging het niet zo goed met hem omdat hij geen helder bewustzijn had en is hij een tijdje ziek geweest. […] Behalve papa zijn wij een heel progressief gezin. [Op zaterdag] houdt mama ideologische strijdsessies met hem. Als papa zijn denken kan hervormen, zal dat denk ik heel fijn zijn voor ons hele gezin. Ik heb met mijn broer afgesproken dat we mama zullen helpen om papa op te voeden, zodat we weer een gelukkig gezin kunnen worden.

Shens boek over traditionele klederdracht

Opmerkelijk is ook de verhouding met zijn vrouw Zhaohe, die onder het nieuwe bewind uitgerekend redactrice wordt van het vooraanstaande tijdschrift Literatuur van het volk, waarin zij dus mede de nieuwe socialistische standaard voor de Chinese letteren bepaalt. In de loop van de jaren vijftig corresponderen de echtelieden verscheidene malen over literaire zaken, als een van beiden voor het een of ander op reis moet. In deze brieven is soms de felle Shen weer terug, die de door zijn vrouw aanbevolen ‘nieuwe literatuur’ becommentarieert met schimpscheuten over de vele taalfouten: laten ze die soms expres staan om de lezers ernaar te laten zoeken, is dat het soms nieuwe opvoeden? Maar over het algemeen vindt hij de literatuur maar vlak, ‘omdat iedereen bang is iets verkeerds te zeggen’. Zijn vrouw is het uiteraard niet met hem eens, maar geeft wel toe dat schrijvers tegenwoordig zo vaak worden ‘opgetrommeld om aan politieke campagnes mee te doen’ dat ze weinig tijd overhouden om te schrijven. Toch blijft ze hem aansporen: ‘Vroeger, toen je nog ambitieus was, schreef je tot je neus bloedde, nu is er een partij die literatuur belangrijk vindt en schrijvers steunt en aanmoedigt, en dan schrijf je juist niet!’

Kennelijk zit er nog genoeg West-Hunanese koppigheid in hem: Shen blijft in het paleismuseum, en alles wat hij in zijn verdere leven nog publiceert zijn boeken en artikelen over traditionele kostuums, zijde, lak- en glaswerk, waaronder overigens zeer gewaardeerde standaardwerken. In 1961 wordt hij nog een keer overgehaald om zich voor langere tijd in een schrijverskolonie ergens in de provincie te vestigen, om daar ‘van het leven te leren’ en een roman te schrijven. Er ging een audiëntie met Mao in hoogsteigen persoon aan vooraf, die gezegd moet hebben: u bent nog niet zo oud, u kunt nog wel een tijdje mee als schrijver. Maar Shen houdt het na een paar kladhoofdstukken voor gezien en brengt zijn tijd voornamelijk door in de nabijgelegen porseleinfabrieken van het beroemde Jingdezhen, waar hij meer van zijn gading vindt. Alles wijst er ook op dat hij werkelijk gepassioneerd is van al dit soort ambachtswerk: voor de buitenwereld ‘begraaft hij zich in die stoffige museummagazijnen’, maar een geëmigreerde oud-leerling die hem in 1973 na jaren terugziet merkt op hoe zijn ogen twinkelen als hij over antiquiteiten en dergelijke spreekt. Op de vraag waarom hij niet meer terug naar de fictie wil, antwoordt hij bescheiden, bijna verontschuldigend dat hij daar ‘simpelweg de vereiste levenservaring niet meer voor heeft’.

Tijdens de Culturele Revolutie blijkt zijn keuze voor een ondergedoken monnikenbestaan ook niet eens zo’n slechte, want de ergste vervolgingen blijven hem bespaard. In 1966 moet hij weliswaar een jaar lang damestoiletten schrobben, omdat nu eenmaal geen enkele intellectueel zijn leven zeker is in die tijd, maar als hij later naar een kaderschool wordt gestuurd, voor weer een nieuwe ronde heropvoeding, krijgt hij niet het zwaarste werk te doen. Schrijven doet dan eigenlijk niemand meer, daarop is hij nu geen uitzondering.

Na de Culturele Revolutie, die eindigt met Mao’s dood in 1976, komt er langzamerhand meer vrijheid in de kunsten, zeker onder de hervormingen van de jaren tachtig. Er breekt een periode aan die veel wegheeft van de levendige jaren twintig en dertig, met opnieuw een flinke injectie westerse literatuur. Toch neemt Shen de pen niet meer op, al is zijn gedeeltelijke verlamming na een hersentrombose in 1983 daar mede debet aan. Wel wordt hij herontdekt en zelfs aanbeden door een nieuwe generatie schrijvers die, op zoek naar de ware Chinese literatuur onder de versteende laag maoïstische ideologie, juist bij hem het kolkende magma van de traditionele vertelwijzen vinden. Een hedendaags schrijver heeft eens gezegd dat hij als student ademloos in een onbekend, oud boek zonder kaft en titelblad had zitten lezen, en er pas later achterkwam dat het om Grensplaats ging.

Maar het was meer dan de boeken alleen. In de puurheid van Shens personages, zoals het meisje op het veer uit Grensplaats, zag men nu scherper dan ooit zijn eigen karakter terug. Niet alleen omdat in de Chinese literatuurbeschouwing de mens en de tekst lang niet zo streng gescheiden worden – van oudsher is literatuur in China immers de spiegel van ’s schrijvers ziel, waarin ongehuicheld zijn gevoelens over de wereld worden gereflecteerd. Maar ook omdat Shen in zijn pijnlijke worsteling met de politiek heeft laten zien dat hij zijn literatuur echt zuiver heeft proberen te houden, door niet volgens andermans geloof te schrijven of, zoals anderen wel deden, op andermans aanwijzing zijn oude werk te herschrijven. Meer dan een tragisch slachtoffer, lijkt hij in die zin eigenlijk een taaie, oprechte volhouder. En zo wordt hij sinds zijn dood in 1988, op vijfentachtigjarige leeftijd, waarschijnlijk vooral herinnerd.

***

Voor dit essay is gebruik gemaakt van Shen Congwens correspondentie, zoals opgenomen in zijn Verzameld werk uit 2002 en zijn Familiebrieven uit 1995, alsmede van diverse Chineestalige bronnen. Geraadpleegde westerse werken zijn The Odyssey of Shen Congwen door J. Kinkley (Stanford University Press, Palo Alto, ca, 1987; biografie), The Chinese Literary Scene door Kai-yu Hsu (Penguin 1975), Vier zusters van Hofei door Annping Chin (Spectrum, Utrecht 2003; over Zhang Zhaohe) en en het tijdschrift A Public Space nr 10, 2010 (Brooklyn, New York; brieven).

Lees hier een fragment uit Grensplaats

En hier meer over Shens tijdgenoot Qian Zhongshu

Oorspronkelijk verschenen in Armada – tijdschrift voor wereldliteratuur nr 68 ‘Beslissende dagen’, herfst 2012