Lezen van een schildpadschild

Van tatoeages op schouders en billen tot de poëzie van Ezra Pound: het Chinese karakterschrift spreekt tot de verbeelding. Letterlijk: die tekens lijken wel tekeningen, denkt iedereen die ze voor het eerst ziet. Dat was ook het uitgangspunt voor de Zweedse sinologe Cecilia Lindqvist (1932), die in haar boek Het karakter van China ‘het verhaal van de Chinezen en hun schrift’ vertelt.

Ze publiceerde het boek eind jaren tachtig, toen China net zijn deuren had opengegooid en het lang gesloten land van Mao enorm in de belangstelling stond. Half Nederland leerde Chinees via de Teleac-cursus Ni Hao! De karakters die mijnheer Han daar wekelijks kalligrafeerde – met die olijke glimlach onder zijn Chinese snor – staan mij in ieder geval nog scherp op het netvlies. De Nederlandse vertaling van Lindqvists boek verschijnt niet toevallig op het moment dat er, met de Olympische Spelen in Peking in zicht, een tweede, nog grotere golf van China-interesse aanzwelt.

Mijnheer Han, Teleac 1986

Net als veel westerlingen heeft Lindqvist zich altijd afgevraagd waarom de Chinese karakters ‘eruitzien zoals ze eruitzien’. Tijdens haar studie was ze blij als de leraar iets over de geschiedenis van die vreemde vormen kon vertellen; het hielp haar bij het onthouden. Toen ze in de jaren zestig in China ging werken, verbaasde het haar dan ook zeer dat de Chinezen zelf zo weinig over de oorsprong van hun schrift wisten. Die karakters hadden ze als kind gewoon uit hun hoofd moeten leren.

Dus ging Lindqvist zelf op zoek naar de oorsprong. Het resulteerde in een rijk geïllustreerd boek voor de leek, waarin ze met behulp van voortschrijdend taalkundig en archeologisch onderzoek laat zien hoe de geschreven Chinese taal inderdaad als beeldschrift is begonnen. Kijkt u maar naar de bijgaande plaatjes: het karakter voor ‘zon’ lijkt op een zon, dat voor ‘maan’ was oorspronkelijk een beeld van de wassende maan, en in het teken voor ‘groot’ is een rechtopstaande mensenfiguur met gespreide armen te herkennen.

Het is daarom dat karakters vaak ‘pictogrammen’ worden genoemd, gestileerde afbeeldingen van concrete zaken, of ‘ideogrammen’, voorstellingen van abstracte begrippen. Maar al kent het Chinees geen alfabet zoals de meeste talen, toch is het aantal picto- of ideogrammen in het moderne schrift uiteindelijk heel erg klein. Dat kan ook niet anders, want wat moet je met woorden waarvoor geen onmiddellijk herkenbaar beeld voorhanden is? Het idee ‘lopen’ kun je nog wel uitbeelden, maar ‘denken’? Of ‘zullen’ en ‘zouden’? Of woordjes als ‘omdat’, ‘daarom’, ‘mits’? Daarvoor moet je gewoon afspraken maken, conventies vastleggen, zoals in elke taal.

Vertaald door Bertie van der Meij

En dat is wat het Chinees voor de Chinezen dan ook is: taal. Als de gemiddelde Chinees zijn boodschappenlijstje voor de supermarkt maakt, staat hij niet stil bij het visuele aspect van zijn schrift, er verschijnen geen visioenen van appels en peren voor zijn ogen, of hij moet wel erge honger hebben. Vandaar ook dat Lindqvists toegankelijke boek zelfs in het Chinees werd vertaald, want wat zij doet is in China hoofdzakelijk voer voor etymologen. Geen wonder: het Chinese schrift werd al in de derde eeuw voor onze jaartelling gestandaardiseerd, en sommige alledaagse schrifttypen zijn ook al bijna tweeduizend jaar in zwang. Alles wat Lindqvist beschrijft speelt zich dus daarvóór af, in de verre oudheid.

Het is uiteraard geweldig om te zien hoe de vroegste tekens geënt zijn op barstjes in schildpadschilden die ten behoeve van de waarzeggerij werden verhit: een splijting naar links of naar rechts betekende goed of slecht nieuws. Ook is het uniek dat zo’n oud schrift tot op de dag van vandaag voortleeft, want het Japans en Koreaans, hoewel geworteld in het Chinees, zijn bijvoorbeeld al overgestapt op een soort lettergrepenalfabet.

Toch vertelt Lindqvist niet het hele verhaal. Na ‘zon’, ‘maan’ en ‘mens’ gaat ze in overzichtelijke rubrieken de duidelijkste beeldtekens af: van dieren tot gereedschappen, van huizen tot muziekinstrumenten. De gelijkenissen met de werkelijke voorwerpen zijn vaak frappant, en anders wel aannemelijk door Lindqvists historische toelichtingen.

Bij minder concrete zaken worden de verklaringen lastiger. Waarom betekenen de tekens voor ‘kind’ en ‘vrouw’ samengevoegd ‘goed’? vraagt ze zich af. Is het goed voor een man om vrouw en kind te hebben? Dacht de maker van het teken aan het geluk dat moeder en kind samen voelen? Of is een vrouw die kinderen kan baren goed, deugdzaam? Het is een leuk spel om zo te associëren, en Lindqvist schept er zichtbaar genoegen in, maar je kunt er natuurlijk wel eindeloos mee doorgaan.

En dat terwijl het combineren van tekens, zoals bij ‘goed’, in feite de kern van het Chinese schrift is. De ‘enkelvoudige’ tekens waar Lindqvist zo uitgebreid bij stilstaat, zijn uiteindelijk de bouwstenen voor de 50.000 karakters die het Chinees tegenwoordig telt. Een Chinees ziet in een karakter dan ook geen verzameling losse streepjes, maar een groepje basiselementen, waarbij het ene element er soms alleen voor de klank bij staat, en het andere voor de betekenis.

Illustratie de Volkskrant, 9-11-07

Lindqvist besteedt relatief weinig aandacht aan dat principe. Het is ook ingewikkeld en de regels zijn lang niet sluitend; vandaar dat Chinese kinderen domweg moeten stampen. Lindqvist pakt het schools aan: wat zou je doen als je ‘geurig’ wilde schrijven? Je kunt het elementje ‘kruid’ nemen en daar dit of dat aan toevoegen – waarna ze besluit met ‘het goede antwoord’. Het is niet onjuist, maar zo versterkt ze wel de misvatting dat Chinezen creatief ‘tekenen’ wanneer ze schrijven. Bovendien heeft ze het nog geregeld over het penseel, terwijl men in China uiteraard allang met balpen schrijft, en sinds de jaren negentig massaal met de computer.

Het aardige aan Lindqvists boek is dan ook dat ze aan de hand van de karakters allerlei wetenswaardigheden over China te berde brengt: via ‘berg’ en ‘rivier’ komt ze op het landschap, en ook de architectuur heeft veel visueels te bieden. Maar voor de scholieren die momenteel op dertig middelbare scholen in Nederland Chinees leren, is dat alles nog niet de simpele sleutel tot het schrift. Net als de Chinese kinderen zullen ze moeten stampen. Al wordt dat stampen er zo natuurlijk wel leuker op.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 november 2007

Hoe breng je China dichterbij?

Het onbekende China moet de laatste tijd al een stuk bekender zijn geworden, als je tenminste afgaat op het aantal boeken dat er over de wereldmacht in wording verschijnt. Het afgelopen anderhalf jaar zijn we in Nederland bijna anderhalf dozijn titels rijker geworden, of het nu gaat om politieke studies, handboeken voor zakendoen, taalgidsjes of persoonlijke boeken met een culturele inslag. De vraag is natuurlijk of ze er allemaal in slagen het verre China werkelijk dichterbij te brengen.

Want hoe doe je dat? Twee van de meest recente publicaties laten elk een andere aanpak zien, al waren beide auteurs gedurende dezelfde periode China-correspondent: Garrie van Pinxteren werkte van 2001 tot 2006 voor NRC Handelsblad, Peter Hessler werd in 2001 de eerste vaste verslaggever voor The New Yorker.

Van Pinxteren studeerde Chinees en komt al sinds 1982 in China, zo ongeveer de tijd waarin de Volksrepubliek aan zijn huidige opmars in de vaart der volkeren begon en na decennia van geslotenheid zijn grenzen openstelde. Van Pinxteren heeft China steeds meer deel van de wereld zien worden en vraagt zich dan ook af: zal het land verregaand verwestersen of krijgt het door zijn wirtschaftswunder zoveel zelfvertrouwen dat het zijn Chinese opvattingen aan de wereld zal opleggen?

In de zeventien uitgewerkte krantenreportages van China. Centrum van de wereld laat zij zien dat het laatste al in toenemende mate het geval is. Zo hebben veel westerse bedrijven hun plannen in China moeten bijstellen: de gedroomde afzetmarkt van 1,3 miljard mensen blijft vaak buiten bereik en in plaats daarvan produceren ze vanuit China noodgedwongen voor de export en leveren ze voornamelijk technologie. Dat geld en die kennis heeft de Chinese overheid voorlopig harder nodig dan veelal te dure westerse consumptiegoederen. Toch doen die bedrijven vanwege gedane investeringen grote concessies: Shell zegde zowaar toe pompstations te openen waarop ook de naam van de Chinese partner staat vermeld, en Yahoo en Google werken mee aan politieke internetfiltering.

Van Pinxteren beschrijft deze ontwikkelingen met een haast triomfantelijk grijnsje. In deze economische kwesties is ze ook het beste thuis, voor onderwerpen als Chinese kunst of de positie van de vrouw lijkt ze wat te nuchter ingesteld en zijn haar verklaringen vaak gemakzuchtig. Als ze dan weer wat persoonlijker wordt, hoe bescheiden en functioneel ook, zie je meteen het verschil. De opkomst van de Chinese middenklasse kan ze fraai illustreren aan de hand van een bevriend echtpaar: begin jaren tachtig waren deze mensen armer dan de jonge studente uit Nederland, tegenwoordig halen ze de fietsende Van Pinxteren rechts in met een dure auto. Maar het mooist is het laatste hoofdstuk, waarin ze beschrijft hoe haar beste Chinese vriend gedurende vijfentwintig jaar van duizelingwekkende veranderingen stoïcijns zichzelf is gebleven – Chinees dus, en dat is heus niet hetzelfde als bekrompen en traditioneel.

Peter Hesslers Orakelbeenderen is een veel persoonlijker boek. Als leraar Engels bij de Amerikaanse vrijwilligersorganisatie Peace Corps werd hij in 1996 plotseling ‘in een totaal andere samenleving geworpen’. Nog altijd lijkt alles nieuw voor hem en die verbijstering is zijn uitgangspunt. Dat zou goed kunnen werken, de westerse lezer zou zich met hem kunnen identificeren, ware het niet dat Hessler zich door zijn enthousiasme lukraak in het ene na het andere verhaal stort.

Vertaald door Josephine Ruitenberg

Hij is bijvoorbeeld gefascineerd door het karakterschrift – als een kind dat net leert lezen leest hij overal opschriften op en strooit hij de karakters over de pagina’s. Dit leidt hem vervolgens naar de orakelbeenderen, de oudste Chinese teksten op botten en schildpadschilden. Veel oorspronkelijks heeft hij er niet over te melden, al e-mailt hij erover met een beroemd Amerikaans professor, maar ze brengen hem toevallig op het spoor van een Chinese orakelbeenderenexpert, en prompt besluit hij diens zelfmoord tijdens de Culturele Revolutie te gaan uitzoeken. Het moet de rode draad van zijn boek vormen, er een historische laag aan geven, maar eigenlijk is het niet meer dan een verhaal tussen alle andere verhalen.

Sommige daarvan zijn heel aardig, zoals die van zijn oud-leerlingen, die hij volgt in hun prille loopbanen, en wier brieven in aandoenlijk steenkolenengels hij uitgebreid citeert. Maar hij verliest zich telkens in impressies en details. Hessler studeerde creative writing aan Princeton en heeft daar misschien het adagium show, don’t tell meegekregen. Bladzijden lang beschrijft hij de anti-Amerikaanse straatbetogingen van Nanking in 1999, na de Amerikaanse bom op de Chinese ambassade te Belgrado, gretig noteert hij alle leuzen die hij hoort, maar voor de betekenis van het incident verwijst hij haastig naar wat telexberichten. ‘Ik was altijd slecht geweest in de dagelijkse journalistiek’, geeft hij toe.

Als hij daar nou iets tegenover stelde, literaire brille of een brede visie, dan zou je die bekentenis nog ontwapenend kunnen vinden. Nu laat hij zich vooral kennen als een nogal naïeve reporter. Van Pinxteren mag dan wat prozaïsch afsteken bij de Amerikaan, in dit geval geef ik meer voor die Hollandse nuchterheid.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 16 augustus 2007

Gelijkhebberij is niet des Tao’s

Nu China de laatste jaren overal ter wereld Confucius-instituten uit de grond stampt, als culturele aanhangsels van zijn ambassades, lijkt de oude wijsgeer bijna synoniem met de Chinese cultuur. Maar het praktische confucianisme, de oude levensbeschouwelijke staatsorthodoxie, heeft altijd een stille tegenhanger gekend in het meer spirituele, apolitieke taoïsme, dat alleen al door zijn invloed op de kunsten cultureel minstens zo bepalend is geweest.

Een van de twee belangrijkste boeken van het taoïsme is nu voor het eerst volledig en direct in het Nederlands vertaald, door kenner en Tao-meester Kristofer Schipper: de geschriften van Zhuang Zi, meester Zhuang, uit de vierde eeuw voor onze jaartelling. Het andere boek, de Daodejing van Laozi, werd vanwege zijn bondigheid en relatief toegankelijke symboliek al vele malen vertaald of bewerkt, onlangs nog door sinoloog B.J. Mansvelt Beck (Servire, 2002). Maar het boek van Zhuang Zi is dan ook anders: weerbarstiger, maar ook rijker en levendiger.

Spontaniteit is het kernwoord van het taoïsme. In de Chinese traditie is de wereld niet geschapen maar verloopt alles in de natuur spontaan, volgens een ongrijpbaar ordeningsprincipe, aangeduid met Tao of ‘de weg’. Volgens het taoïsme heeft alleen de arme mens zijn spontaniteit verloren, gedreven als hij is door gewin en door zijn drang om alles in het leven in te delen in goed en kwaad, nuttig en nutteloos. Om zijn spontaniteit – en daarmee zijn vrijheid – te herwinnen, moet de mens proberen niet meer in te grijpen in de natuur: het befaamde taoïstische ‘niets doen’.

Waar de Daodejing soms iets wegheeft van een handboek met spreuken, maakt Zhuang Zi deze principes aanschouwelijk door middel van anekdotes, allegorieën en grappen – zijn boek wordt niet voor niets vaak als literatuur gelezen. Spontaniteit laat hij bijvoorbeeld zien aan de hand van de door hem zo geliefde ambachtsman: de houtbewerker of de smid die door zijn jarenlange ervaring zijn vaardigheden onbewust uitvoert. Spontaan zijn heeft niets te maken met je gevoelens volgen, zoals het in de westerse romantiek heet: de ambachtsman zal zich juist tot het uiterste concentreren om elke menselijke passie uit te bannen en zo toegang te krijgen tot de Tao, datgene wat ons met de natuur verenigt.

Zhuang Zi kán het ook alleen maar laten zien, want uitleggen blijkt onmogelijk: de ambachtslui kunnen nooit onder woorden brengen hoe ze het doen, hoe vaak het hen in Zhuang Zi’s verhalen en verhaaltjes ook gevraagd wordt – onder andere door niemand minder dan Confucius zelf! Zhuang Zi voert de Grote Heilige voortdurend op, meestal om hem zijn eigen domheid te laten toegeven. De Wijze snapt de Tao in abstracto wel, maar kan er simpelweg niet naar leven; Zhuang Zi zet hem spottend neer als een ijdele zedenpreker, die vooral school wil maken.

Zhuang Zi’s vlinderdroom, door Lu Zhi (16de eeuw)

Niet alleen Confucius’ eerzucht is natuurlijk niet ‘des Taos’, ook zijn moralisme en gelijkhebberij zijn Zhuang Zi volkomen vreemd. De vrolijke relativist laat je keer op keer zien dat je de dingen ook anders kunt bekijken. Een oude boom vol knoesten mag nutteloos lijken omdat je er geen planken uit kunt zagen, maar aangezien niemand de bijl erin zet, is de boom wel een heerlijk lang leven beschoren, en hoe groter hij wordt hoe meer schaduw hij geeft.

Zhuang Zi’s taal is soms abstruus, soms volks en luchtig; een grilligheid die je terugziet in Schippers vertaling, die over het algemeen letterlijker blijft dan de literaire benaderingen die er bijvoorbeeld in het Engels bestaan. In de eveneens wat grillige inleiding geeft ook Schipper blijk van dat onbezorgde onvermogen van de taoïst om zijn leer uit te leggen. Lees het boek maar, lijkt hij te zeggen, net zoals zijn Taiwanese Tao-meesters altijd tegen hem zeiden: vraag toch niet telkens waarom! Dat hij eerder een man van de praktijk is dan een boekengeleerde – een man naar Zhuang Zi’s hart dus – heeft ook een groot voordeel. In de onmisbare voetnoten doceert Schipper uiterst gemoedelijk, zodanig zelfs dat de noten op een prettige manier bij de tekst gaan horen; net als in China overigens, waar Zhuang Zi het ook al eeuwenlang niet meer zonder commentaren kan stellen.

Zhuang Zi’s Innerlijke geschriften, die Schipper tien jaar geleden vertaalde, zijn nu eindelijk uitgebreid met de veel omvangrijkere Uiterlijke en de Gemengde geschriften, die niet meer aan Zhuang Zi zelf worden toegeschreven. Zijn volgelingen zijn weliswaar niet altijd zo gevat als de meester zelf, en sommigen willen ondanks alles toch politiek bedrijven, polemiseren en beleren met de Tao. Maar dankzij deze volledige vertaling worden we wel getrakteerd op de beroemde verhalen over de dood van Zhuang Zi’s vrouw en over zijn eigen sterfbed. En belangijker nog: de vele herhalingen en overlappingen in deze delen helpen ons, ‘arme kinderen van het avondland’, de Tao te begrijpen, doordat we hem steeds in een iets andere gedaante kunnen bekijken. Want dat is tenslotte de enige manier: gewoon lezen!

Hoogleraar, vertaler en Tao-meester

Na zijn middelbare school zette Kristofer Schipper (1934) zich af van het intellectuele milieu waarin hij was opgegroeid, hij wilde niet gaan studeren en toog begin jaren vijftig naar Parijs om zich in de kunsthandel te begeven. Een eenvoudig stalletje was zijn ideaal; wat dat betreft was hij al jong een taoïst. Maar via de Chinese kunst kwam hij toch op de universiteit terecht, waar hij sinologie combineerde met antropologie. Toen hij in de jaren zestig voor veldonderzoek in Taiwan verbleef ontdekte hij dat het taoïsme, dat hij had leren kennen als een filosofische wereldbeschouwing die voornamelijk in geschriften bestond, eigenlijk een springlevende volksreligie was, gekenmerkt door rituelen en ingebed in een sociale structuur. De fascinatie voor religie die hij van huis uit al had – zijn moeder schreef christelijke kinderboeken, zijn vader was joods – groeide uit tot een levensbestemming.

De enige manier om meer van het Chinese volksgeloof te weten te komen was zelf opgeleid worden tot priester of Tao-meester – het werd een verregaand participerend onderzoek van zeven jaar, dat hij als eerste en enige westerling volbracht. Terug in Parijs ontdekte hij dat hij met zijn praktijkkennis bepaalde leemtes in de wetenschappelijke bestudering van het taoïsme kon vullen, wat onder meer resulteerde in zijn boek Le Corps taoïste uit 1982, dat hij in 1988 zelf in het Nederlands vertaalde als Tao, de levende religie van China. Deze oorspronkelijke en zeer leesbare studie werd alom geprezen en beleefde in Nederland onlangs zijn vijfde druk (Meulenhoff 2006).

Met zijn nieuwe inzichten ging hij eveneens het boek van Zhuang Zi te lijf, de taoïstische klassieker die hij inmiddels als hoogleraar aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes met zijn studenten was begonnen te lezen. Het idee voor een nieuwe, grondige vertaling werd algauw geboren, maar de aanvankelijke samenwerking met de Franse dichter Yves Bonnefoy was niet bevredigend. Schipper wachtte tot hij in de jaren negentig hoogleraar Chinese geschiedenis werd in Leiden om zelf, in zijn eigen moedertaal, de literaire aspecten van Zhuang Zi recht te kunnen doen.

Toch vond hij een strikt literaire benadering onvoldoende. Hij plaatste de tekst in zijn sociaal-historische context, met aandacht voor zijn mystieke en liturgische achtergronden – wat onder het confucianisme en het latere communisme, met hun beider afkeer van volksgeloof, uit den boze was. Zodoende kon hij de geschriften beter vertalen. In een interview met de Volkskrant in 1998 zei hij dat de vertaalproblemen hem vooral zaten in de gedachtegang van Zhuang Zi. Zijn denken is niet causaal, maar ‘wild’, concludeert hij met een verwijzing naar Lévi-Strauss. Schipper: ‘Het boek staat vol verhaaltjes over ambachtslieden, slagers, handelaren, zwangere vrouwen, mensen met afgehakte benen en gedrochten om te laten zien dat de essentie van het zijn zich niet in onze intellectuele constructies bevindt, maar in het dagelijks leven.’

Het gaat in de Chinese religie dus meer om wat je doet dan om wat je denkt, benadrukt hij elders – en dat lijkt ook wel van toepassing op zijn eigen beslommeringen. Het praktische vertalen is voor hem in de eerste plaats een manier geweest om simpelweg met Zhuang Zi’s denkwijze bezig te zijn – iets waar zijn academische collega’s verrast van opkeken. En toen hij met pensioen ging deed hij weer iets onverwacht praktisch: in 2002 richtte hij in China, in de zuidoostelijke stad Fuzhou, een exclusieve bibliotheek voor westerse werken op. Na een leven lang dankbaar gebruik te hebben gemaakt van sinologische bibliotheken in het westen wilde hij eindelijk iets teruggeven aan China.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 23 maart 2007

Meer over (confucianisme en) taoïsme in: Volmaakt geluk betekent: vrij van geluk en Insectjes op de wimpers van muggen

Brieven uit China

Victor Segalen

De Franse marinearts, etnoloog en schrijver Victor Segalen (1878-1919), geestverwant van Rimbaud, Gauguin en Slauerhoff, vriend van Huysmans, Claudel en Debussy, liet een buitengewoon veelzijdig oeuvre na – romans, essays, poëzie, libretti, reisdagboeken, toneelstukken – dat grotendeels postuum gepubliceerd is en tegenwoordig toenemend in de belangstelling staat. In Nederland verschenen onder andere de roman René Leys (vertaling Nelleke van Maaren, Wereldvenster 1988) en de dichtbundel Stèles (vertaling Maarten Elzinga, Wagner & Van Santen 2000).

In april 1909 vertrok Segalen als leerling-tolk Chinees per boot naar China. Vanuit Peking ondernam hij samen met zijn vriend Augusto Gilbert de Voisins een avontuurlijke, vijf maanden lange reis door de binnenlanden van China, te paard en per jonk, vergezeld van enige tientallen koelies, gidsen en koks. Voor Segalen was China het land dat het meest beantwoordde aan zijn verlangen zich onder te dompelen in een niet-christelijke, niet-westerse cultuur. Hij kwam er niet als toerist maar wilde zich verdiepen en verliezen in het volslagen Andere van de Chinese cultuur, ondanks én juist in het besef van de onbereikbaarheid van dat Andere.

De kern van Segalens werk en levenshouding is dan ook, zoals hij het formuleerde in zijn onvoltooide Essay sur l’Exotisme, de ‘esthetiek van de verscheidenheid’. Zijn uitgangspunt was ‘een absoluut subjectivisme’, waarbij het ik zichzelf pas werkelijk kan gewaarworden en verrijken door de confrontatie met het Andere. Hoe groter het verschil tussen beide, hoe feller het levensbesef. Segalen was niet alleen geïnteresseerd in de verschillen tussen landen en culturen, maar ook in die tussen verleden en heden, man en vrouw, werkelijkheid en verbeelding, geografie en poëzie. Exotisme betekende voor hem niet het zich vergapen aan vreemde culturen, en in zijn literaire werk zette hij zich af tegen het genre van de oppervlakkige reisimpressie, waarbij de eigen identiteit eerder wordt gestreeld dan uitgedaagd. Het ging Segalen niet ‘om de reactie van de reiziger op zijn omgeving, maar om die van de omgeving op de reiziger’. Met enige bezorgdheid stelde hij vast dat de dominantie van de westerse beschaving en het opkomende massatoerisme een zekere vervlakking van de diversiteit in de hand werkten – waarschijnlijk een van de redenen waarom hij zijn heil zocht in China.

Arbeiderspers, 2010

De brieven die hij vandaar schreef aan zijn vrouw Yvonne Hébert-Segalen, voor het eerst gebundeld in 1967 als Lettres de Chine, laten zich lezen als een dagboek, een reisverslag en een blik in Segalens literaire keuken, aangezien ze onder meer voorstudies bevatten van de latere gedichten uit Stèles (1912) en de postume roman Le Fils du Ciel (De Zoon van de Hemel, 1975). Gelukkig gaat Segalen zich in zijn brieven ook regelmatig te buiten aan datgene wat hij in literatuur en poëzie zo verfoeide: de spontane beschrijving van kersverse reisindrukken en het opdissen van vermakelijke anekdotes. Maar de Brieven uit China ontlenen wellicht hun grootste charme aan het ontroerende beeld dat ze schetsen van de amoureuze en intellectuele verhouding van Segalen met zijn ‘Mavone’, die hem pas een jaar later nareisde.

Voor een selectie uit de Nederlandse vertaling, door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts, lees verder bij tijdschrift De Gids (jaargang 170, januari 2007, via dbnl).

Zie ook: De eerste zin van Victor Segalen

Schoonheid waar man en vrouw voor valt

De herlezer: Junichiro Tanizaki

Waarom lezen we exotische schrijvers? Zijn we echt benieuwd naar het vreemde, of zijn we eigenlijk op zoek naar wat we al kenden? Neem Gabriel García Márquez, Latijns-Amerikaanser kan het niet, zou je denken, maar als je naar het lijstje van Márquez’ inspiratoren kijkt, is naast Kafka, Faulkner, Hemingway en Sofokles de enige inlandse invloed zijn eigen grootmoeder. Hij confronteerde het westen niet echt met iets nieuws, maar blies de westerse literatuur nieuw leven in. Op magistrale wijze, dat wel.

Zoiets lijkt er ook aan de hand met Junichiro Tanizaki (1886-1965). Is het toeval dat de eerste Oost-Aziatische auteur die uitgeverij Atlas opneemt in zijn pantheon van de wereldliteratuur, de inmiddels ruim 50-delige reeks De twintigste eeuw, uitgerekend bekend stond als een van de meest verwesterde auteurs van Japan, een nazaat van Wilde, Poe en Baudelaire? Atlas komt met twee titels: Tanizaki’s magnum opus Stille sneeuwval, een familiekroniek die vaak wordt gelezen als een inkijkje in de Japanse cultuur, en de kleinere roman Kruisende lijnen uit 1931, doorgaans beschouwd als een proeve van Tanizaki’s schrijfkunst.

Vertaald door Jacques Westerhoven

En die schrijfkunst doet inderdaad westers aan. Alleen al vanwege de strakke plot, die je in Japanse (en Chinese) romans niet vaak aantreft – dat zijn, zoals vertaler Jacques Westerhoven in zijn nawoord aangeeft, eerder ‘parelkettingen’ van gebeurtenissen: zonder einddoel, wel een eenheid. Maar het is vooral de psychologie van de personages die de westerse lezer een indirecte verwijzing naar het boeddhisme algauw op de koop doet toenemen.

In veel van zijn boeken onderzoekt Tanizaki het verband tussen schoonheid en het kwade, en de rol van erotiek daarin. De spil van Kruisende lijnen is Mitsuko, een adembenemende, absolute schoonheid waar iedereen voor valt, man en vrouw. Deze godin verandert in de loop van het verhaal in een ware demon, die iedereen naar haar hand zet, met een fatale afloop. De meesterzet van Tanizaki is dat hij dit alles optekent uit de mond van Sonoko, een jonge vrouw die even onbevangen als hulpeloos in een lesbische relatie met Mitsuko verwikkeld raakt; het is deze Sonoko die de hele roman aan het woord is, zich rechtstreeks richtend tot ‘meneer Tanizaki’.

De zo gecreëerde dubbele bodem buit Tanizaki volleerd uit: hij onthoudt zich van commentaar en laat de lezer tot het einde toe in het ongewisse over de ware toedracht van de bijna kluchtige relatieperikelen tussen de burgerlijke Sonoko, haar voorbeeldige echtgenoot, de duivelse Mitsuko en de mysterieuze androgyne figuur Watanuki. Tanizaki mag volgens de vertaler geput hebben uit een rijke Japanse prozatraditie waarin de grenzen tussen werkelijkheid en verbeelding met liefde worden vervaagd, de ironie is ook voor niet-ingewijden voelbaar. En bij alle amoureuze complotten en bedriegerij is geen woord Japans.

Bovendien, en misschien nog wel belangrijker, ontleent het boek uiteindelijk zijn kracht aan het levendige kwebbeltoontje van Sonoko. Het Japanse Kansai-dialect dat ze in het origineel bezigt is door de vertaler treffend omgezet in een even oever- als tijdloos Nederlands gebabbel, waardoor Kruisende lijnen in vorm én inhoud volstrekt bij de tijd is gebleven.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 september 2006

Toen ik stopte met roken

Lin Yutang (essay)

Lin Yutang

Iedere roker heeft op een ondoordacht moment weleens het nobele voornemen opgevat om voor eens en voor altijd met roken te stoppen. Een tijdlang weet hij de strijd met de tabaksduivel vol te houden, maar na een dag of tien, twee weken op zijn hoogst, komt hij uiteindelijk toch weer bij zinnen. Ook ik ben ooit op dat dwaalspoor beland, vol goede moed gaf ik de sigaret eraan en het duurde wel drie weken voordat mijn geweten begon te knagen en ik vol berouw tot inkeer kwam. Krachtig zwoer ik nooit meer zo lamlendig en lichtvaardig te zijn, en voortaan als een vrome roker door het leven te gaan, tot mijn laatste snik. Afijn, misschien dat ik vlak voor die tijd alsnog zal bezwijken voor de ketterij van de gehaaide tantes van de Geheelonthoudersbond bij de YMCA, want op die leeftijd is men geestelijk zo afgetakeld en aan anderen overgeleverd dat men nog nauwelijks verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen daden. Maar zolang ik wilsbekwaam ben en nog enig besef heb van goed en kwaad, zal ik mij nooit meer in verzoeking laten leiden. Ik heb mijn lesje geleerd, na deze ervaring weet ik dat stoppen met roken en jezelf beroven van dat geestelijke genot simpelweg een onheilzame, ja immorele handeling is waarmee je jezelf beslist tekort doet. Volgens de beroemde Engelse biochemicus Haldane is roken historisch gezien een van de vier meest invloedrijke uitvindingen van de mens. Van de andere drie herinner ik me alleen een verjongingskuur op basis van apenklieren. Maar daarover een andere keer.

Het is werkelijk een beschamende geschiedenis: hoe dwaas en zwak ben ik die drie weken wel niet geweest dat ik, als geen ander bekend met de weldadige uitwerking die één enkel sigaretje kan hebben op lichaam en geest, toch de moed niet heb gehad er eentje op te steken. Als ik er nu op terugkijk, nu alles achter de rug is, kan ik nog altijd niet verklaren hoe ik zo lang in die dwaasheid heb kunnen volharden. Als ik in detail zou moeten navertellen wat ik die drie weken psychisch heb doorgemaakt, zouden de rollen papier niet aan te slepen zijn. In de eerste plaats is het hele idee om met roken te stoppen natuurlijk al amper te begrijpen. Waarom zou je in hemelsnaam stoppen? Op die vraag weet ik zelfs nu nog geen antwoord. Maar ja, menselijk gedrag is wel vaker niet te doorgronden, soms doet een mens expres iets wat hij niet zou moeten doen, soms stelt hij zichzelf, uit verveling wellicht, voor grote uitdagingen, kwelt hij zichzelf, hongert hij zich uit, peigert hij zich af of gaat hij af en toe eens flink tegen zijn aard in, al was het maar om te bewijzen dat hij een echte man is. Buiten die reden kan ik me niet voorstellen waarom ik destijds met dat verachtelijke idee op de proppen kwam. Het lijkt een beetje op Tao Kan die elke dag met stenen heen en weer zeulde om zijn krachten op peil te houden, of op de gymnastiekoefeningen die de moderne mens tegenwoordig pleegt te doen – een geleerde heeft geen hout om te hakken, geen water om te putten en geen kar om te trekken, zijn armen hangen er voor niets bij, bewegen louter om het bewegen, hij levert geen enkele bijdrage aan de industriële productie van het land. Stoppen met roken is waarschijnlijk niet meer dan geestelijke gymnastiek voor wijze heren.

Natuurlijk kreeg ik de eerste drie dagen een irritant, jeukachtig gevoel in mijn keel, en zelfs boven in mijn luchtpijp. Maar daar viel gemakkelijk wat aan te doen. Ik at pepermuntjes, dronk woeloengthee, zoog op eersteklas Franse keelpastilles van Valda, en binnen drie dagen was ik van die vreemde jeuk af. Dat is de eerste fase van het stoppen met roken, een zuiver fysieke strijd, niets om over naar huis te schrijven. Iedereen die denkt dat het werk hiermee gedaan is, vergeet dat roken ook een geestelijke kant heeft; wie dat niet begrijpt, kan er maar beter zijn mond over houden. Na die drie dagen ging ik de tweede fase in, de spirituele strijd. Op dat moment realiseerde ik me voor het eerst dat er in feite twee soorten rokers bestaan – een openbaring. De ene soort doet eigenlijk maar alsof, dat zijn de zogenaamde sociale rokers. Zij kennen de tweede fase van het stoppen niet eens, voor hen is stoppen een fluitje van een cent. Het schijnt dat ze kunnen stoppen wanneer ze willen, ze worden nota bene geroemd om hun ‘wilskracht’, maar zijn het ooit wel echte rokers geweest? Als je een liefhebberij even makkelijk kunt opgeven als je oude kleren weggooit, dan had je om te beginnen nooit een echte liefhebber mogen heten. Voor dit soort mensen is roken een puur lichamelijke bezigheid, net zoiets als tanden poetsen of je gezicht wassen; tanden poetsen doe je niet uit innerlijke noodzaak, je kunt het ook laten; wat is de geestelijke betekenis van tanden poetsen? Waarschijnlijk hebben deze mensen behalve wassen, eten en voor de kinderen zorgen toch al weinig andere geestelijke behoeften: ’s avonds lezen ze samen met hun vrouwen van de Geheelonthoudersbond uit de fabels van Aesopus en daarna slapen ze tevreden in. De poëzie van Xin Jiqi of Wang Wei, de muziek van Beethoven of Wang Shifu, het zegt hun allemaal niets. De waterval van de berg Lu? Gewoon een stroom water die naar beneden stort. Ik vraag u: Wang Wei’s poëzie lezen en niet roken, is dat überhaupt mogelijk?

Voor echte rokers is stoppen een probleem dat de dames en heren van de Geheelonthoudersbond zich niet eens kunnen voorstellen. Wij, rokers van de echte stempel, zien al na drie dagen de zinloosheid van deze zelfkwelling onder ogen. Onze ratio en ons gezond verstand stellen ons de vraag: waarom, om welke politieke, sociale, morele, fysiologische of psychologische reden zouden wij niet mogen roken, waarom zouden wij willens en wetens tegen onze natuur en ons geweten in moeten gaan, als we ons daarmee alleen maar van een ontspannen, zorgeloze gemoedstoestand beroven? Iedereen weet dat een schrijver moet bruisen van vitaliteit, vrij van geest moet zijn – ‘een onbevangen hart, een onbevangen stijl’ – wil er echt iets goeds uit zijn pen vloeien. En ook lezers moeten voor het echte leeswerk in een ontvankelijke toestand komen, zonder innerlijke weerstand, hun geest moet de ruimte krijgen om te kunnen dwalen. Hoe kun je zonder te roken ooit een dergelijke staat bereiken? Op momenten van grote inspiratie lijkt een sigaret opsteken ons dan ook het enige juiste om te doen; een kauwgom in je mond stoppen zou in onze ogen het toppunt van vulgariteit zijn. Ik heb voorbeelden te over van dat soort momenten, maar laat ik het hier bij een of twee houden.

Mijn vriend B kwam van Beiping naar Shanghai, we hadden elkaar drie jaar niet gezien. In Beiping brachten we vaak hele dagen met elkaar door, en vooral ’s avonds praatten we onder het genot van een sigaret over literatuur, filosofie, moderne kunst en over hoe we mens en maatschappij konden veranderen. Die keer zaten we bij de haard herinneringen op te halen. We hadden het over vrienden van vroeger en over de toestand in de wereld, wat anders? Bij elk treffend punt greep ik in gedachten naar een sigaret, maar uiterlijk stond ik alleen eventjes op of ging verzitten. Mijn vriend B pafte op zijn gemak door, zo te zien gelukkiger dan ooit. Ik had hem al verteld dat ik gestopt was en schaamde me om in zijn bijzijn te zondigen. Toch voelde ik me ergens niet lekker, een beetje bedrukt, alsof er iets miste. Ik was buitengewoon helder, alles waar B het zo bevlogen over had kon ik met een volmondig ‘ja’ beamen, maar eigenlijk barstte ik van verlangen om net zo opgewonden mijn hart uit te storten als hij. Zo ging ons eenzijdige gesprek nog een paar uur door, ik viel niet voor de verleiding, en uiteindelijk nam mijn vriend afscheid. Wat ‘wilskracht’ en ‘doorzettingsvermogen’ betreft had ik een grote zege geboekt, maar diep van binnen viel die overwinning me maar zuur. Een paar dagen later schreef mijn vriend me. Ik was de oude niet meer, zei hij, ik was niet meer zo begeesterd, zo openhartig als vroeger, en mijn conversatie was ook niet meer wat het geweest was. Misschien lag het aan de vuile lucht in Shanghai, dacht hij. Tot op de dag van vandaag heb ik spijt dat ik die dag geen sigaret heb opgestoken.

Een andere avond was ik op een wekelijkse bijeenkomst waar na het eten altijd iemand een spreekbeurt gaf, gevolgd door discussie – normaliter één groot rookfestijn. Die week was het de beurt aan C, zijn onderwerp was religie en revolutie, en algauw had hij de lachers op zijn hand. Ik weet nog dat hij vertelde dat krijgsheer Feng Yuxiang bij de noordelijke methodistenkerk was gegaan, terwijl Chiang Kai-shek voor de zuidelijke methodisten had gekozen – waarop iemand zei dat krijgsheer Wu Peifu daarom binnen de kortste keren wel een westelijke methodist zou worden. Bij dat soort opmerkingen werd de rook in de ruimte alsmaar dikker, het was zoals in die klassieke verzen: ‘vluchtige geuren’ wekten ‘ongrijpbare gedachten’. Dichter H zat in het midden, achterover in zijn stoel, en probeerde rookkringetjes uit te blazen. Ongetwijfeld steeg zijn inspiratie met elk kringetje dat hij de lucht in zond. Hij verkeerde in sferen waarover hij na terugkeer met niemand zou kunnen spreken. Ik was de enige die niet rookte en voelde me een verschoppeling, iemand die uit de beschaving was verbannen. Stoppen met roken kwam me op dat moment hoe langer hoe zinlozer voor, ik besefte nu pas echt hoe dwaas ik was geweest. Koortsachtig zocht ik mijn geheugen af naar de redenen voor mijn nobele voornemen van weleer, maar ik kon er geen enkele vinden.

Vanaf die dag liet mijn geweten me niet meer met rust. Het ware denken bestond bij de gratie van plotselinge invallen, bedacht ik, maar hoe kon een niet-rokende geest daar ooit voor open staan? Een middag ging ik bij een westerse vrouw op bezoek. Ze zat aan tafel, met een sigaret in de ene hand en met haar andere hand op haar knie. Ze helde iets naar voren en was een en al charme. Ik voelde dat het moment van mijn ontwaken daar was. Ze hield haar pakje sigaretten op en bood me er een aan. Langzaam maar zelfverzekerd nam ik er een uit het pakje, en ik wist dat ik met die stap weer op het rechte pad zat.

Thuis liet ik de bediende meteen een pakje Capstan kopen. Rechts op mijn bureau zat een brandplek, daar legde ik mijn brandende sigaret altijd neer. Omdat ik continu rookte had ik naast die plek een inscriptie gekerfd: ‘Holte van de vliedende tijd’. Ik had ooit uitgerekend dat het me zo’n zeven, acht jaar zou kosten om helemaal door het twee duim dikke tafelblad heen te branden; toen ik zo vastberaden stopte met roken, deed het me pijn dat die ‘Holte van de vliedende tijd’ maar een halve centimeter diep zou blijven. Het was daarom met groot genoegen dat ik mijn sigaret er opnieuw neerlegde; al had ik nog een lange weg te gaan, ik kon hem nu weer onvermoeibaar voortzetten. Toen ik later verhuisde en een kleinere studeerkamer kreeg, heb ik mijn bureau helaas moeten verkopen, waardoor ik ook mijn ‘Holte van de vliedende tijd’ verloor. Misschien is dat wel het grootste verdriet van mijn leven.

(Vertaling Mark Leenhouts)

De Chinees Lin Yutang (1895-1976) was een tweetalige auteur, die in het westen bekend werd met Engelstalige boeken als My Country and My People en The Importance of Living, waarin hij op een prettige, licht ironische manier essayeerde over ‘Chinese levenswijsheid’, van het genieten van thee, roken en conversatie tot de kunst van het in bed liggen. Daarnaast vertaalde hij veel Chinese klassieken. Van 1937 tot 1954 doorliep hij een academische carrière in Amerika (Harvard) en Duitsland (doctorsgraad in Leipzig), waarna hij doceerde in Singapore, Taiwan en Hongkong. Het bijgaande essay schreef Lin in 1932 in het Chinees, waarna hij het in 1937 in gewijzigde, Engelse vorm opnam in The Importance of Living, dat in 1949 in het Nederlands verscheen als Levenswijsheid met een glimlach.

Oorspronkelijk verschenen in De tweede ronde, ‘Roken is dodelijk-nummer’, herfst 2006

Lees ook: Lezen op het toilet

In ons koninkrijk

Pai Hsien-yung (romanfragment)

In ons koninkrijk zijn geen dagen, alleen nachten. Zodra het licht wordt verdwijnt ons rijk, want wij zijn een uiterst illegale staat: wij hebben geen regering, geen grondwet, wij worden niet erkend of gerespecteerd, wij zijn niet meer dan een bonte troep burgers. Soms kiezen we een leider – iemand met een lange staat van dienst, een goed voorkomen, allure, een zekere populariteit – die we vervolgens weer even gemakkelijk, even willekeurig ten val brengen, want we zijn nu eenmaal een grillig, onhandelbaar volk. Wat ons grondgebied betreft, dat is in feite bedroevend klein, hooguit twee-, driehonderd meter lang en een goede honderd breed: niet meer dan een klein lapje grond rondom de rechthoekige lotusvijver in het Nieuwe Park aan de Guanqianstraat in Taipei. Om de grenzen van ons land groeien alle mogelijke soorten tropische bomen, kriskras door elkaar: potloodbomen, broodbomen, oude kokosbomen, dor en kaal, en niet te vergeten de rij hoge koningspalmen langs de weg, die hoofdschuddend en zuchtend hun dagen slijten. Als een dichte haag onttrekken ze ons koninkrijk aan het zicht, sluiten ze ons tijdelijk van de buitenwereld af. Toch zijn de dreigingen van die grote buitenwereld geen moment ver weg, altijd voelbaar. Via de schetterende luidsprekers van het radiostation achter de bosjes krijgen we geregeld allerlei geruchtmakende nieuwsberichten binnen. Op indringende toon meldt de CBC-omroepster met haar feilloze standaardaccent: Amerikaanse astronauten hebben voet gezet op de maan! Een internationale drugssmokkelbende uit Hongkong en Taiwan is vanochtend opgerold! Het proces in de corruptiezaak bij Compostbeheer gaat morgen van start!

Allemaal spitsen we onze oren; als een troep schichtige herten in een bos vol wolven zijn we extra op onze hoede. Elk blaadje dat ritselt in de wind, het minste geluid is voor ons een waarschuwing. Zodra de beslagen laarzen van de politie opklinken en plotsklaps, door de palmbomen, ons territorium komen binnenvallen, stuift iedereen als opgejaagd wild uiteen. Sommigen rennen halsoverkop naar het radiostation en mengen zich onder de mensen, anderen schieten de toiletten in en doen alsof ze nodig moeten, staand of hurkend; weer anderen vluchten de trappen op van het klassieke, mausoleumachtige museum bij de ingang van het park en verdwijnen in de schaduwen tussen de zuilen, waar ze weer even kunnen ademhalen. Ons anarchistische koninkrijk kan ons geen enkele bescherming bieden, we zijn aangewezen op onze dierlijke instincten, dwalend in het duister, op zoek naar overleving.

De geschiedenis van ons rijk is in nevelen gehuld, we weten niet wie de stichters zijn of wanneer het is ontstaan; toch heeft ons verborgen, illegale ministaatje door de jaren heen de nodige heroïek en tragiek gekend, een turbulente geschiedenis waarvan buitenstaanders nooit zullen horen. Als onze aartsvaders, die paar nog levende grijsaards, dat kleurrijke verleden voor ons ophalen, verzuchten ze altijd met veel pathos en niet zonder enige trots: ‘Ach, zulke tijden zullen jullie nooit meer beleven…’

Jaren geleden scheen de lotusvijver in het park vol te hebben gestaan met rode waterlelies. In de zomer kwamen ze een voor een uit en dreven ze op het water als stralende lampionnen. Maar later heeft de gemeente ze er om de een of andere reden allemaal uit laten trekken. Midden in de vijver werd een achthoekige kiosk neergezet, en rond de vijver nog een aantal paviljoentjes met rode zuilen en groene daken, waardoor ons eerst zo woeste, ongerepte land een schijn van antieke beschaving kreeg en vreemd afstak bij de alledaagse omgeving. Als onze aartsvaders hierover vertellen, zuchten ze altijd vol droeve nostalgie: ‘Die felrode waterlelies, och, zo onbeschrijflijk mooi!’

Vervolgens noemen ze onder elkaar allerlei namen waarvan wij nog nooit hebben gehoord en rakelen ze allerlei hartverscheurende oude verhalen op, waarin de hoofdrollen zijn weggelegd voor grote helden die allemaal langgeleden onze nationaliteit hebben opgezegd en de wijde wereld zijn ingetrokken. Sommigen zijn spoorloos, al tijden zonder bericht; anderen stierven jong, hun graven overwoekerd met onkruid. Maar er zijn er ook die na vijf, tien, twintig jaar op een diepdonkere nacht plotseling bij de lotusvijver opduiken, terug thuis in ons duistere koninkrijk; rusteloos, gejaagd lopen ze rondjes rond de vijver, alsof ze op zoek zijn naar hun jaren geleden verloren ziel. Dan knikken onze eerwaardige grijsaards, en met halfgesloten ogen en meewarige gezichten concluderen ze wijs en geëmotioneerd: ‘Zo gaat het altijd. Jullie denken dat de wereld groot is, maar er komt een dag, er komt altijd een dag, dat jullie weer als brave kinderen terugvliegen naar je oude nest, ons nest.’

(Vertaling Mark Leenhouts)

Uit: Pai Hsien-yung, Jongens van glas, De Geus 2006

Zie ook: Blue Boy

Beschaving met een lintje

Toen begin september 2005 in Peking de derde druk van de Bloemlezing moderne Nederlandse poëzie in Chinese vertaling ten doop werd gehouden, maakte NRC Handelsblad voornamelijk melding van de vormgeving van het boek. De rood-wit-blauwe lintjes aan de cassette, de oranje kleur, het molentje en de foto’s: het deed ‘een beetje knullig en wel heel stereotype Hollands aan.’ Nog afgezien van het feit dat de gemiddelde Nederlandse vertaling van een Chinees boek nogal eens de kleuren geel en rood, lukraak gekozen Chinese karakters of gepenseelde, verticaal gezette westerse letters op het omslag heeft, leek de journalist er vooral aan voorbij te gaan dat daar toch zomaar zestig Nederlandse dichters, van Hendrik Marsman tot Gerrit Krol, voor het Chinese publiek beschikbaar waren gemaakt.

Bovendien waren veertig van hen de rest al vooruitgereisd. In 1988 bracht vertaler Maghiel van Crevel, samen met dichter Ma Gaoming een eerste bloemlezing in de Chinese Volkrepubliek uit, die net als alle vertaalde literatuur in die tijd binnen de kortste keren was uitverkocht. In 2001 volgde een uitgebreide druk in Taiwan, in samenwerking met Gu Biling. De nieuwe, door Zhang Xiaohong herziene ‘vastelandversie’ verscheen met steun van het Nederlands Literair Produktie en Vertalingen Fonds, als startschot voor zijn eerste deelname aan de Beijing Book Fair, waar de bundel werd gepresenteerd in bijzijn van staatssecretaris Medy van der Laan en een twintigkoppige cultuurdelegatie. In een land waar tot nog toe maar mondjesmaat Nederlandse literatuur doordringt, mag dat een bijzondere publicatie heten. En in tegenstelling tot wat NRC schreef wordt buitenlandse literatuur ook wel degelijk gelezen: in zijn praatje bij de boekpresentatie in Peking sprak de dichter Xi Chuan, een van China’s huidige kopstukken, over Vroman en Campert alsof hij ze dagelijks las. Te oordelen naar het beduimelde, volgekladde exemplaar van de eerste druk dat hij omhooghield was dat ook werkelijk zo.

Lees verder op de site van Filter, tijdschrift over vertalen

De evolutie van de man

Lu Xun (essay)

Het paren van dieren liefde noemen is haast profaan, ik geef het toe. Toch valt niet te ontkennen dat ook dieren een seksleven hebben. Als mannetjes en wijfjes elkaar in de bronsttijd tegenkomen is het gekir en gekoos niet van de lucht. Ook zal het wijfje met haar gebruikelijke maniertjes en koketterie soms een paar passen wegspringen, weer omkijken, nog eens roepen, totdat de ‘cohabiterende liefde’ een feit is. Al zijn er vele soorten dieren en zijn hun manieren van ‘liefhebben’ complex, één ding staat vast: het mannetje heeft het meestal niet voor het zeggen.

De mens is de heer der schepping, dat is in de eerste plaats te danken aan de vermogens van de man. In de oertijd rommelde iedereen natuurlijk maar wat aan, maar gezien het feit dat men, in Confucius’ woorden, ‘wel zijn moeder maar niet zijn vader kende’, moet het zwakke geslacht toch een tijdlang ‘de touwtjes in handen’ hebben gehad; de matriarch boezemde toen waarschijnlijk meer ontzag in dan de latere stamhoofden. Daarna, het is niet duidelijk waarom, keerde het tij voor de vrouwen: om hals, armen en voeten kregen zij kettingen, banden en ringen geslagen – en hoewel die kettingen en ringen in de duizenden jaren die volgden grotendeels in goud en zilver veranderden, en ingelegd werden met paarlen en juwelen, blijven die snoeren en braceletten tot op de dag van vandaag een teken van vrouwelijke onderwerping. Nu vrouwen eenmaal slaven waren, hoefden mannen geen toestemming meer te vragen om hen ‘lief te hebben’. Bij de stammenoorlogen uit het verleden werden krijgsgevangenen immers tot slaven gemaakt en vrouwelijke krijgsgevangenen verkracht. Inmiddels was de bronst waarschijnlijk al ‘afgeschaft’ en konden mannen altijd en overal vrouwelijke krijgsgevangenen, vrouwelijke onderworpenen, verkrachten. De schurken en aanranders van vandaag die vrouwen niet als hun gelijke bejegenen, handelen dus eigenlijk in de nobele geest van de krijgers en krijgsheren van weleer.

Maar al was de mens met zijn vermogen tot verkrachting een stap verder ‘geëvolueerd’ dan het dier, uiteindelijk kon je dat toch maar een halve beschaving noemen. Denkt u zich eens in, die huilende, jammerende vrouwen, aan handen en voeten geboeid, zou dat nu echt stimulerend hebben gewerkt? Toen het zaligmakende geld zijn intrede deed, nam de evolutie van de man pas echt een grote vlucht. Alles onder de zon kon verhandeld worden, seks was daarop natuurlijk geen uitzondering. In ruil voor een paar losse centen kon de man voortaan krijgen wat hij van een vrouw verlangde. En hij kon haar voorhouden: ik verkracht je niet, jij doet dit geheel uit eigen vrije wil, als je wat geld wilt verdienen, doe dan wat ik zeg, wees braaf en gedwee, dit is eerlijke handel tegen een eerlijke prijs! Na aldus haar eer te hebben vertrappeld, verwachtte hij bovendien nog een ‘dank u, meneer’. Kunnen dieren hieraan tippen? Hoerenlopen vertegenwoordigt duidelijk al een betrekkelijk hoog stadium in de mannelijke evolutie.

Tegelijkertijd was het traditionele huwelijk, bepaald door de ouders en bekonkeld door koppelaars, een zo mogelijk nog ingenieuzere vondst dan hoerenlopen. Onder dit systeem verwierf de man een levende have van permanente, levenslange duur. Vanaf het moment dat de bruid bij de bruidegom in bed belandde, had ze alleen nog maar plichten, zelfs het recht om over de prijs te praten had ze niet meer, laat staan dat op liefde. Of ze nu van hem hield of niet, in naam van de Hertog van Zhou en de wijze Confucius werd zij geacht haar man eeuwige trouw te zweren en verder haar kuisheid te bewaren. De man kon naar believen gebruik van haar maken, terwijl zij de zedenleer der wijze vaderen moest betrachten; ‘zo wie slechts in zijn hart begeert, die heeft alrede overspel gedaan’. Als een mannetjeshond er ten aanzien van een teefje zulke slinkse, grimmige praktijken op nahield, zou het teefje ongetwijfeld binnen de kortste keren in wanhoop ‘van de muur springen’. De mens, van zijn kant, springt hooguit in een put, om te kunnen sterven als een zedige, eerbare vrouw en een martelares voor de kuisheid. De evolutionaire betekenis van het zedelijk huwelijk behoeft geen nader betoog.

Het feit, ten slotte, dat de man met de ‘meest wetenschappelijke’ theorieën in de hand de vrouw zonder een beroep op enige zedenleer toch heeft kunnen bewegen hem bereidwillig tot in den dood trouw te blijven en haar ervan heeft weten te overtuigen dat seksuele lust alleen maar ‘dierlijke lust’ is en niet opgevat moet worden als een voorwaarde voor liefde – die uitvinding van de ‘wetenschappelijk verantwoorde kuisheid’ is uiteraard het toppunt van beschaving en vooruitgang.

Ach, daarin onderscheidt de mens – de man – zich dan toch ten enenmale van het dier!

Let wel: dit is een stukje van een verstokte zedenpreker.

1933

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in De tweede ronde, ‘Chinees nummer’, lente 2006 – zie ook hier