De honden van Hellebosch

Su Tong

In het najaar van 2009 was Su Tong schrijver in residentie bij Passa Porta, België

Su Tong met Quibus (foto Alexandra Cool)

Toen ik aankwam op de luchthaven van Brussel, zag ik het platform met de vliegtuigen nat glanzen in het avonddonker. Regen. Sinds het begin van de herfst was het in Nanjing kurkdroog geweest, pas in België trof ik de eerste regen van het najaar, wat me op de een of andere manier blij stemde. Volgens een Chinees gezegde is voorjaarsregen zo kostbaar als olie, maar ik heb altijd van herfstregen gehouden, ik weet niet waarom.

Eenmaal aangekomen bij Villa Hellebosch was het al diep in de nacht. Moe van de reis opende ik voor het slapengaan nog even het raam om naar buiten te kijken. De lucht was fris en vochtig, het bos pikdonker, al wat ik hoorde was de regen. Her en der flakkerde er een lichtpuntje op in het bladerdek – dan viel er een regendruppel precies op een blad dat al vol water stond.

De landelijke villa lag diep verborgen in het bos, één met de regen, één met de nacht – en één met de ochtend na de regen.

Die ochtend werd ik vroeg wakker, hielp mezelf aan een provisorisch ontbijt in de keuken en opende de achterdeur naar de tuin. Onmiddellijk stond ik oog in oog met een rij grote bomen, geen gewone grote bomen, maar echt bomen die tot in de hemel reikten, minstens vijftig meter hoog. Behalve in het oerbos van Xishuangbanna, kon ik me niet herinneren ooit eerder zulke hoge bomen te hebben gezien. Terwijl ik met mijn hoofd in mijn nek die bomen opnam, had ik niet in de gaten dat ik op mijn beurt ook werd opgenomen. Met een ruk keek ik opzij en zag de drie honden van de villa op me af komen stormen. Vanwege hun onstuimige onthaal – we zagen elkaar voor het eerst, kenden elkaar nog niet – sloot ik behoedzaam de deur en dook een beetje weg. Van achter het glas observeerde het drietal hun nieuwe gast, ze leken zelfs even onderling te overleggen, maar alsof ze niet wisten wat ze van me moesten maken dropen ze uiteindelijk teleurgesteld af. Misschien waren ze door mijn uiterlijk en huidskleur van streek gebracht, misschien waren ze verbaasd over mijn verbazing. Wat kon ik er ook aan doen dat ik de eerste Chinese bezoeker van Villa Hellebosch was?

De vredigheid van de villa had ik verwacht, maar de schoonheid ervan overtrof al mijn verwachtingen. Vandaar dat ik de eerste dag niet als een schrijver maar als een toerist rond de villa struinde om mijn fotografeerlust bot te vieren. Even later ontdekte ik de boomgaard die aan de tuin grensde. De beregende perebomen, de takken vol zware, rijpe vruchten: ik moet bekennen dat het water me in de mond liep en ik zonder erbij na te denken de mooiste peer in het vizier nam – maar ik had de tak nog niet beet of er gebeurde iets volkomen onverwachts: sneller dan je het ooit beschrijven kunt voelde ik iets zachts tegen mijn been stoten en zonder enige waarschuwing werd ik zomaar bij mijn arm gegrepen. Bijgekomen van de eerste schrik zag ik dat het geen mens was maar opnieuw een hond – en wel de hond van de villa die naar de naam Quibus luisterde. Dit keer kreeg ik het echt benauwd, want voor iemand van mijn leeftijd, en een gast van de villa nog wel, was het natuurlijk volstrekt ongehoord – moreel, rationeel, laat staan wettelijk gezien – om zich te vergrijpen aan de peren van de villa! Gepakt worden door de hond was mijn verdiende loon.

Onzeker over hoe de hond me zou straffen, dwong ik mezelf tot kalmte en probeerde met het dier aan te pappen. Ik had de peer niet eens kunnen plukken, het enige wat ik in mijn hand hield was mijn fotocamera, die ik voortdurend voor hem in de lucht hield, om maar duidelijk te maken dat de diefstal verijdeld was. Van lieverlee werd de camera het brandpunt van onze strijd, ik zag dat Quibus inmiddels recht overeind stond, zijn kop tegen mijn hand drukte en me zo, ferm en autoritair, elke beweging onmogelijk maakte. Toen begreep ik opeens dat ik mezelf in de nesten had gewerkt: de cognitieve functies van een hond zijn nu eenmaal beperkt, kon het niet zijn dat hij de digitale camera aanzag voor een peer en me dwong de camera terug in de boom te hangen? In paniek begon ik te roepen: dit is geen peer, dit is mijn camera! Ik stopte het toestel in mijn zak en maakte me met de moed der wanhoop op voor een gevecht van man tot hond. Maar het verwachte gevaar bleef uit, Quibus ging plotseling zitten; in zijn ogen zag ik genadigheid, in zijn houding vergiffenis. Dat gaf me opeens de durf om te zeggen: naar huis, kom, schiet op! En het wonder geschiedde, Quibus luisterde naar me en liep met me mee terug naar de villa. Bij de achterdeur bleef hij staan en wachtte tot ik naar binnen ging. Ik weet niet of hier nu zijn hondenfatsoen of zijn honden-IQ een rol speelde. Hij leek me te zeggen: vooruit, je bent een gast, dus voor deze keer laat ik het hierbij, maar wee je gebeente als je nog eens peren steelt.

Het spijt me dat ik mijn verhaal over Villa Hellebosch aan een hond heb gewijd, het komt gewoon doordat Quibus zo’n lief dier was. Elke ochtend als ik de deur opendeed zag ik Quibus en zijn makkers weer. Hij beschouwde me als een oude vriend en had zijn eigen manier van groeten: eerst rende hij op me af en snuffelde aan me, bij wijze van goedemorgen, waarna hij zijn niet-aflatende belangstelling voor me toonde door meermalen langs me heen naar binnen te schieten om een kijkje te nemen in mijn kamer. Zei ik ‘nee’, dan likte hij even over mijn voet – één zacht likje – en ging er weer vandoor.

Mijn Engels is niet zo goed, waardoor ik met de anderen in de villa niet zo makkelijk kon communiceren; nooit gedacht dat een hond genaamd Quibus er mijn eerste vriend zou worden. Vooraf had ik me niet kunnen voorstellen dat het residenceschap in de villa mijn leven zo zou veranderen, zonder dat ik er ook maar iets van mijn werk zou afmaken. Ik voelde nooit zoveel voor honden, maar dat is nu vast voorbij, misschien neem ik ook nog weleens een hond, zo een als Quibus.

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in de Standaard der Letteren, 29 januari 2010

Op naar de binnenkant

Chinese schrijvers zijn te gast op de grootste boekenbeurs ter wereld

‘De Chinese literatuur van nu is troep!’ Dat zei vertaler en éminence grise van de Duitse sinologie Wolfgang Kubin drie jaar geleden in een interview met een Chinese krant. Blijkbaar raakte hij een gevoelige snaar, want in China hebben ze het er nu nog over.

Met de poëzie ging het nog, volgens Kubin, maar Chinese romans stelden internationaal niets voor. Ten eerste omdat Chinese schrijvers geen vreemde talen kenden en niet in dialoog traden met buitenlandse collega’s, ten tweede omdat ze hun hoofd te veel naar de markt hingen, ten derde omdat ze ‘zo laf waren’ hun eigen werk al samen met de uitgever te censureren voordat de politiek eraan te pas kwam.

Wel, al die dingen zijn tot op zekere hoogte waar. Er zijn snelle ondernemers die unverfroren fortuin maken met geprefabriceerde liefdesromannetjes voor China’s talrijke tieners, op maat geleverd voor mobieltje of twitter. En menig auteur schrapt gewillig een gevoelige passage voor de binnenlandse markt, terwijl hij zijn buitenlandse literair agent de ongekuiste versie doorspeelt.

Maar of dat alles verklaart? Een diepere oorzaak is waarschijnlijk dat de Chinese schrijver, met of zonder talenkennis, nu eenmaal sterk gericht is op de eigen traditie en, omdat hij engagement van oudsher hoog in het vaandel houdt, op de eigen maatschappelijke problemen. Zo blijft de Chinese literatuur een eigen eilandje op de wereld vormen – iets waar de Frankfurter Buchmesse, die volgende week met Schwerpunkt China van start gaat, misschien verandering in kan brengen.

Van Xu Zechen verscheen in 2016 een Nederlandstalige verzameling novellen, onder redactie van Anne Sytske Keijser. Het hier besproken Rennend door Zhongguancun werd vertaald door Annelous Stiggelbout, die ook een nawoord verzorgde.

De grootste boekenbeurs ter wereld zorgt altijd voor een stoot nieuwe vertalingen uit het gastland. Duitsland heeft die kans vooral aangegrepen om zijn lacunes in het Chinese aanbod te vullen, want gek genoeg verscheen er in deze grote taal veel minder eigentijds werk dan in het Engels of Frans, zelfs waar het grootheden als Mo Yan of Yu Hua betreft. Maar gelukkig poogt de Buchmesse meteen een inhaalslag door zich op de jongere generatie schrijvers te richten, dertigers die elders nog amper vertaald zijn.

Piepen zij anders dan de ouden zongen? De als veelbelovend getipte Xu Zechen, geboren in 1978, belicht in zijn werk graag de zelfkant van de maatschappij. Zijn mondiale debuut, Im Laufschritt durch Peking, is een korte roman over een verkoper van illegale dvd’s die de straten van de hoofdstad afstruint. Iedere Chinese lezer kent dit fenomeen: de gepirateerde schijfjes zijn vaak de enige manier om, zeg, een Truffaut of Tarantino te zien, want in de bioscoop komen die films niet.

De buitenlandse lezer mist die achtergrond, maar geen nood: Xu toont uitgebreid hoe het allemaal in zijn werk gaat. We volgen onze kruimelcrimineel vanaf het moment dat hij uit de gevangenis komt, zien hoe hij aan zijn waar komt, zijn centen telt en een broos bestaan probeert op te bouwen met een vriendinnetje dat in valse papieren handelt.

Maar dat is het ook zo’n beetje. Xu zegt dat hij in deze randfiguren geïnteresseerd is omdat het ‘echte mensen’ zijn, taaie overlevers die ondanks alles trouw blijven aan zichzelf. Alleen laat hij ons dat ‘zelf’ van zijn personages niet echt zien. Zijn laconieke held raakt bijvoorbeeld benieuwd naar de films die hij verkoopt en gaat ze zelf bekijken, maar we lezen niets over wat die films, met toch toepasselijke titels als Lola rennt of Fietsendieven, met hem doen.

Het is een vaak gehoord westers bezwaar jegens Chinese literatuur: de mensen worden te veel van buitenaf beschreven. Dat heeft te maken met de Chinese traditie, die eerder de sociale verhoudingen benadrukt dan het innerlijk uitdiept. Kennelijk is de jongste lichting schrijvers wat dat betreft nog steeds typisch Chinees – trouw aan zichzelf dus.

Een iets genuanceerdere indruk krijg je bij lezing van de verhalenbundel Unterwegs, samengesteld door Jing Bartz, leidster van het informatiecentrum van de Frankfurter Buchmesse in Peking, en de Chinese literatuurpaus Li Jingze, die vooral naam heeft gemaakt als ontdekker van jong talent.

Ook hier veel aandacht voor de kleine man of vrouw. Er is een cynisch verhaal over bouwvakkers die hun leven riskeren op een hoge brug en een larmoyant portret van een fabrieksarbeider. Vette ironie vind je bij de veelgeloofde Lu Min (1973), die beschrijft hoe een radiopresentator van een praatprogramma, totaal afgestompt door de problemen van alle bellers, opeens geconfronteerd wordt met de dood van een mooie taxichauffeuse, voor wie zijn nachtshow een lichtpunt in haar leven was.

Subtieler is het verhaal van Jin Renshun (1970), waarin een eenvoudige studente hoffelijk verleid wordt door een oudere man, die haar zo bedelft onder de cadeaus dat ze langzaam in de war raakt over luxe en liefde. Ook hierin is maatschappelijk commentaar te lezen, op de rol van het geld in booming China, maar de twijfels van de studente worden van binnenuit beschreven en sluiten een al te simpele veroordeling uit.

Dat laatste geldt helemaal voor de bijdrage van Huang Tulu (1970), van oorsprong dichter, die zich op veel subversievere wijze verplaatst in een ambtenaar die door steekpenningen in opspraak raakt en op de vlucht slaat. Corruptie is een enorm thema in de Chinese literatuur, maar zelden werd de ontreddering van ‘de dader’ zo beklemmend geschetst. Zijn schuldgevoel neemt haast mythische trekken aan, en op zijn tocht door het buitenland trekt zijn hele grauwe leven aan zijn geest voorbij, met een freudiaanse hoofdrol voor zijn moeder.

Criticus Li Jingze pleit in het voorwoord terecht voor het korte verhaal, dat in China een voorname traditie kent. Kennelijk gaat sociale begaanheid daarin goed samen met enige relativerende introspectie. Dat is alvast een mooie, kleine uitkomst van deze Buchmesse; goed om te onthouden bij alle symposia die zij gaat houden over beeldvorming tussen oost en west, persvrijheid en economische groei – grote thema’s die de zaken meestal wat simpeler voorstellen dan ze zijn.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 9 oktober 2009

Zie ook: Tien liefdes

De secretaris

Han Shaogong (zeer kort verhaal)

Communesecretaris X was een klein dikkertje met een bleke huid. Hoewel hij goed in het vlees zat en al over de veertig was, had hij nog altijd een fijn kinderstemmetje, hoger dan de helderste vrouwenstem in de wijde omtrek. Hij kreeg er van alle kanten zo veel complimentjes over, dat hij vaak trots aan mensen van buiten vroeg: ‘Wat vindt u van mijn timbre?’

Als de commune een revolutionaire rijstplantopera moest opvoeren, werd hij door de jongeren gniffelend opgepord om op een donker plekje achter de coulissen de partijen voor de acteurs op het toneel in te zingen. De man, de vrouw, de clown of de bruut, alle rollen nam hij voor zijn rekening; en of het nu de theeplukkersaria of de ‘overreding van de echtgenoot’ was, één blik op de tekst en hij hief aan. Na afloop van zo’n hele set vertoonde hij ook geen spoortje van vermoeidheid, zijn stem klonk nog altijd als een klok, even kristalhelder als aan het begin. De verraste bijval van het publiek maakte de secretaris nog voller van zichzelf; met een stralend gezicht liep hij dan zingend en wel naar huis.

Vergeleken met alle uitbundigheid van die avonden, maakte hij overdag maar een uitgebluste indruk. Tijdens vergaderingen zat hij met zijn hoofd op zijn armen tegen de muur te dommelen. Als een collega hem tegen zijn voet schopte en siste: ‘hé’, schrok hij met een ruk wakker, keek gejaagd om zich heen en vroeg: ‘Wat? Een aanslag op voorzitter Mao? Nee?’ Om dan gauw een zucht van verlichting te slaken, met getuite lippen van zijn thee te nippen en onverstoorbaar op te merken: ‘Nou, dan kan ik toch wel even een dutje doen?’ Waarmee hij de hele zaal weer aan het lachen kreeg en alle kritiek op zijn persoon als sneeuw voor de zon verdween.

Tijdens de vergadering mocht hij er dan niet helemaal bij zijn met zijn gedachten, de rapportage achteraf liep altijd van een leien dakje. Kwiek en vlot dreunde hij alles op: punt a, punt b, punt c – luid en duidelijk, en nagenoeg zonder fouten. Toch verzuchtte hij dikwijls dat zijn schriftelijke verslagen, vruchten van uren arbeid, zo bitter weinig succes oogstten. De wapenfeiten van de commune bereikten maar zelden de krant of de radio, en zijn directe baas reageerde er altijd maar lauwtjes op.

Kon het niet zijn, dacht hij op een gegeven moment bij zichzelf, dat zijn vakbroeders enkel hogere publicatiescores haalden omdat ze sneller opereerden en eerder met hun verslag op de proppen kwamen? Met een klap op zijn dij zag hij het licht: hij besloot het radicaal over een andere boeg te gooien en voortaan iedereen te snel af te zijn. Toevallig stond Vrouwendag voor de deur, en de commune had bepaald dat er in het kader van de ‘verwerping van oude zeden’ een collectief bruiloftsfeest voor jongeren moest worden gehouden. Secretaris X nam dit direct tot zijn onderwerp en beschreef vijf dagen van tevoren al in geuren en kleuren een groots huwelijksfestijn in een van de productiebridages: hoe de jongeren de gelofte aflegden, hoe diep geroerd de oude boeren waren, over de ‘gezamenlijke steun’ en de ‘gezamenlijke wensen’, enzovoort, enzovoort. Hij zorgde voor vijf afschriften, die hij stuk voor stuk van een officieel stempel voorzag en vol enthousiasme opstuurde naar de kranten, de radiostations en het districtsbestuur.

De eerste departementschef van het districtsbestuur wierp na lezing een blik op de kalender en vroeg zich met een donkere frons af waarom er al een verslag was terwijl de grote gebeurtenis nog niet eens had plaatsgevonden. Geen wonder dat de leiders het ‘doordringen in de realiteit’ opnieuw op de agenda wilden zetten, concludeerde hij, de houding van de pers moest inderdaad eens goed worden aangepakt! Met zijn geitenharen penseel schreef hij in zwierige karakters een officieel bescheid, waarin hij secretaris X opdroeg zich persoonlijk ter plaatse te begeven en opnieuw verslag van zijn bevindingen uit te brengen, dat vervolgens naast zijn eerdere verslag zou worden gehouden en zo uitstekend kon dienstdoen als lesmateriaal voor de ‘verbetering van werkhouding in het perswezen’.

Secretaris X brak het koude zweet uit toen hij die opdracht kreeg. Hij besefte dat hij met knoeien en sjoemelen uiteindelijk van kwaad tot erger zou vervallen, en een grote boetvaardigheid maakte zich van hem meester. Prompt zette hij zijn gevulde lichaam in beweging en zakte met grote, deinende passen af naar de brigade. Na zorgvuldig onderzoek van het bruiloftsfeest in al zijn facetten, bleken de feiten echter wonderwel overeen te stemmen met zijn oorspronkelijke verslag; de werkelijkheid bracht weinig nieuws. Dat men de juiste leuzen respecteerde, zoals ‘Later trouwen, leren van Dazhai’, was natuurlijk te verwachten, maar zelfs de geloften en de ontroering bleek hij achteraf tot in detail te hebben voorzien.[1] Met de pen in de hand nam hij zijn oude verslag nog drie keer door, maar hij vond het een pareltje en besloot er geen woord aan te veranderen.

De departementschef stond uiteindelijk dus met zijn mond vol tanden, wat de secretaris nog jarenlang naast zijn schoenen deed lopen. Voortaan maakte hij domweg maanden van tevoren een stapel rapporten klaar, systematisch gerangschikt op onderwerp, waardoor hij telkens bespaard bleef van een hoop haast- en vliegwerk op het laatste moment.

December 1985

(Vertaling Mark Leenhouts)

[1] Het plaatsje Dazhai werd in 1964 door Mao Zedong aangewezen als modelbridage, een nationaal voorbeeld voor zijn landbouwhervormingen. Hij deed dat onder meer met de befaamde leuze ‘Voor landbouw, leren van Dazhai’.

Oorspronkelijk verschenen in Het trage vuur 46, juli 2009

Mijn schrijversnachten

Shi Tiesheng (fragment)

In 1996 publiceerde Shi Tiesheng zijn magnum opus Notities van een theoreticus, een verhalend en beschouwend werk bestaand uit 237 notities, waarvan dit de eerste is. Meer over de roman hier.

Portret: Xing Yi

In mijn verdere leven zal ik die twee kinderen wel nooit meer tegenkomen. Zij zullen ook vast niet vermoeden, nooit vermoeden denk ik, dat ze na toevallig een keer met mij te hebben gespeeld nu zomaar in een roman terecht zijn gekomen, zelfs de opening van die roman zijn geworden. Ze weten vast niet eens meer wie ik ben. Ze weten vast niet eens meer dat er op die herfstavond, in dat oude park waar de wandelaars bijna allemaal vertrokken waren, op dat stille paadje waar een straatlantaarn een heldere cirkel licht in het donker aftekende, waar een oude cipres een gelijkmatige talggeur verspreidde en waar de grond bezaaid lag met sterk riekende espenbladeren, dat daar een man met een boek zat die eventjes met hen gespeeld heeft en met hen over van alles en nog wat heeft gekletst. Het is vast vergeten, uit hun geheugen verdwenen, alsof het nooit is gebeurd.

Of misschien weten ze het nog wel. Misschien is die eenzame gestalte onder het lantaarnlicht, op die herfstavond vol dwarrelende bladeren, een van hen beiden wel zijn leven lang bijgebleven.

Maar dat ben ik dan niet meer. Hoe die avond ook in zijn herinnering bewaard is gebleven, het is voortaan zijn verhaal. Misschien zal hij ooit fantaseren over de eenzaamheid van die man, over waar hij vandaan kwam en waar hij naartoe ging, wie weet komt die man ooit wel in een boek van hém terecht. Maar dat heeft dan niets meer met mij te maken, dat zijn dan zijn eigen herinneringen en fantasieën; het is allemaal een deel van zijn eigen leven geworden.

Het jongetje was denk ik een jaar of zeven. Het meisje heb ik gevraagd – vijfenhalf, zei ze, en ze stak vijf vingers op, telde ze een voor een af, maar kon vervolgens niet bedenken hoe ze dat halve jaar moest aangeven. Op datzelfde moment wist ik dat we elkaar algauw weer uit het oog zouden verliezen, die twee kinderen en ik, dat we elkaar in die rumoerige stad vlakbij ons, in die chaotische wereld rondom ons, binnen de kortste keren weer uit het oog zouden verliezen. En elkaar nooit meer zouden vinden.

En zo is het ook met ons, met jou en mij. Hebben wij elkaar ooit ontmoet? Nee, zeg je, nou goed, dat zou best kunnen, maar misschien is dat wel omdat we het vergeten zijn, of omdat het destijds langs ons heen is gegaan. Wat we vergeten zijn of wat langs ons heen is gegaan, is toch eigenlijk nooit gebeurd?

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen in het vertalersnummer van tijdschrift Tirade, nr 428, mei 2009, dat online leesbaar is op de site van uitgeverij Van Oorschot

Lees nog een ander fragment: Invaliditeit en liefde

De pauw huilt

Vertaald door Martine Torfs

‘Toen ik zes was, hielden zelfs de honden het niet uit in mijn gezelschap’, zo begint Hong Ying (1962) het nawoord bij haar nieuwe roman. Van kleins af een buitenstaander, wil ze maar zeggen, een mager nakomertje met fletse haren dat opgroeide tijdens de grote, door Mao veroorzaakte hongersnood, maar bovenal hongerde naar liefde. We konden het al lezen in het autobiografische Hongerdochter (1998), waarin ze als tiener ontdekt dat ze een onecht kind is.

Argeloosheid en bedrog, daar draait het om in haar hele werk, deels geschreven vanuit haar tweede woonplaats Londen. In Zomer van verraad (1997), de eerste roman over het Tiananmen-incident van 1989, koppelde ze het politieke verraad van de regering aan verraad in de liefde. En diezelfde opzet markeert het nu vertaalde De pauw huilt, dat opnieuw de eerste roman is over een heikel politiek onderwerp: de Drieklovendam in de Yangtse-rivier, het megaprestigeproject van de staat dat miljoenen gedwongen verhuizingen en grootscheepse milieuproblemen heeft veroorzaakt.

Het leven van wetenschapster Liu komt op losse schroeven te staan als zij na lange tijd terugkeert naar de Drieklovenstreek, waar zij, net als de schrijfster, is geboren. Ze stuit er niet alleen op geheimen omtrent haar ouders, ook haar man blijkt niet te zijn wie ze dacht dat hij was. Als projectleider bij de bouw van de dam praat hij opeens het holle beleidstaaltje na dat alle sociale en ecologische misstanden moet verbloemen. En dan blijkt hij er ook nog eens een andere vrouw op na te houden.

Zoals altijd schuwt Hong Ying het sentiment niet, en de opgeroepen spanning laat ze verslappen door boze exposés over corruptie en wanbeheer. Ook het op een oude legende geënte parallelverhaal over de monnik en de hoer komt niet helemaal uit de verf: vanwege hun verboden liefde werden zij tijdens de Culturele Revolutie opgesloten in de gevangenis – dezelfde waarin Liu belandt vanwege haar verzet tegen de dam.

Toch kun je niet onaangedaan blijven door Hong Yings ernst, haar authentieke en tegelijkertijd oer-Chinese allergie voor onrecht en hypocrisie, die haar in China dan ook een flinke populariteit heeft opgeleverd.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant

Het ‘ik’ is niet zo belangrijk

Chinese literatuur en de grenzen van de globalisering

Er zijn twee soorten Chinese literatuur: een in China en een erbuiten. De internationale variant kun je bijna met één titel typeren – Wilde zwanen van Jung Chang. Deze getuigenis van de woelige Chinese geschiedenis zette in 1991 een ware industrie in gang: autobiografische boeken van naar het Westen uitgeweken vrouwen die direct in de taal van hun gastland tegemoetkwamen aan de schijnbaar onstilbare westerse honger naar ‘Chinees leed’. Onder die naam werd het genre in internationale uitgeverskringen nog een goede vijftien jaar succesvol uitgebaat.

Zelfs een meer frivool boek als Balzac en het Chinese naaistertje (2000) van de Frans-Chinese Dai Sijie, waarin op het platteland tewerkgestelde scholieren tijdens de Culturele Revolutie via verboden westerse romans ‘het ware leven’ ontdekken, bespeelt op vergelijkbare wijze het westerse gemoed, door het onderdrukkende communisme en het vrije Westen tamelijk diametraal tegenover elkaar te zetten.

Is dit eigenlijk nog wel Chinese literatuur te noemen? Chinezen kunnen deze boeken vaak niet eens lezen, en al worden ze in het Chinees vertaald, dan nog blijkt men in China amper geïnteresseerd in verhalen die het leven zo eendimensionaal tot politiek reduceren. Het doet hen denken aan die korte vlaag van ‘littekenliteratuur’ vlak na Mao’s dood in 1976 – verhalen over de wonden van de Culturele Revolutie die simpelweg ‘geschreven moesten worden’, maar nooit voor hoge kunst doorgingen.

Waarom blijft dit werk in de rest van de wereld dan toch zo hardnekkig de ‘echte’ Chinese literatuur aan het zicht onttrekken? Het is niet alleen dat Chinese littekens makkelijker reizen dan Chinese schrifttekens, want inmiddels is er al aardig wat hedendaagse Chinese literatuur vertaald. Het moet deels te maken hebben met die westerse fixatie op eenduidige politieke aanklachten, want in de Chinese letteren wordt ook, en veel zelfs, geschreven over de recente geschiedenis, maar wel wat subtieler.

Belangrijker is dat boeken als Wilde zwanen voor een westerling domweg ‘beter lezen’. Geen wonder: Jung Changs literair agent te Londen zei zeven jaar met haar te hebben samengewerkt om haar manuscript in een voor de westerse markt aantrekkelijke vorm te gieten, waarbij de persoonlijke beleving voor het historische materiaal moest komen te staan.

Vergelijk dat eens met een schrijfster als Wang Anyi, die in China de reputatie geniet van, zeg, Margriet de Moor, maar slechts mondjesmaat wordt vertaald. Haar romanklassieker Lied van het eeuwig verdriet uit 1995 beslaat een halve eeuw China aan de hand van het leven van een vrouw – net als in de Engelstalige egodocumenten dus. Een eenvoudige verpleegster, die ooit derde werd bij een Miss Shanghai-verkiezing en eindigt als een sombere oude vrijster, maakt het Shanghai mee vanaf de kosmopolitische jaren veertig, via de grijze communistische periode tot aan de wederopbloei van de stad begin jaren negentig.

Maar in tegenstelling tot wat de internationale littekenliteratuur suggereert, wordt haar triviale leventje niet beheerst door politieke campagnes: het kabbelt eigenlijk rustig voort. Ze blijft gewoon mahjongen, al moet dat onder het strenge maoïsme dan stiekem. Haar echte ongeluk is te wijten aan haar eigen middelmatigheid, niet aan het totalitaire systeem, dat voor zo’n gewone burger ver op de achtergrond blijft.

Zou de westerling die nuance soms niet willen horen? Mogelijk, maar een groter obstakel is wellicht dat het boek zelf ook wat rustigjes voortkabbelt. De gewone vrouw is een wel heel gewone vrouw, Wang tekent haar niet in detail, maar besteedt minstens zo veel aandacht aan de vele personages om haar heen, die in dit feuilletonachtige relaas allemaal een hoofdstukje krijgen. Met dat brede maatschappelijke palet staat Wang in een lange Chinese traditie, die de westerse lezer van psychologische romans, zoekend naar identificatie met een centrale hoofdfiguur, vaak als kil en afstandelijk overkomt.

Iets soortgelijks zie je bij de nog minder vertaalde schrijver Shi Tiesheng, in China zeer geliefd, zij het bij een kleiner publiek vanwege zijn wat meer experimentele werk. Notities van een theoreticus uit 1996, een vrij los geheel van korte notities, gaat over gefnuikte verlangens. Op een niet zozeer verhalende als wel beschouwende manier legt hij de geknakte levens van groep mensen naast elkaar, en daarbij blijkt dat de politiek maar één van de vormen is die het noodlot kan aannemen. Het ene personage ziet zijn dromen gedwarsboomd door zijn ‘foute’ klassenachtergrond, de ander door zijn verlamde benen, een derde door zijn angst voor de ware liefde. Shi lijkt zozeer op zoek naar het algemeen menselijke dat hij zijn personages geen namen maar slechts initialen meegeeft.

Shi Tiesheng schrijft intimistischer proza dan Wang Anyi, maar ook hij toont zich typisch Chinees in het feit dat hij liever een hele rits personages met elkaar vergelijkt dan in de zielenroerselen van één ervan graaft – al is het resultaat is er niet minder ontroerend om. Toch zijn het die eeuwenoude Chinese opvattingen over maatschappelijke relevantie en verbloeming van het ‘ik’ die zoveel Chinese schrijvers over de grens parten spelen.

Natuurlijk is de moderne Chinese literatuur beïnvloed door de westerse; zij dankt er zo ongeveer haar ontstaan aan. Rond 1900 waren Balzac, Dickens en Gogol al vertaald, en schrijvers van nu zijn geïnspireerd door Faulkner, Kundera of Calvino. De gemiddelde Chinees leest en weet meer van de westerse cultuur dan de westerling van de zijne; omdat die westerse cultuur nu eenmaal alomtegenwoordig is.

Toch heeft China geen wereldsterren als Márquez of Rushdie voortgebracht – maar dat zijn dan ook schrijvers die dankzij de koloniale tijd diepe westerse wortels hebben en eerder de Europese literatuur nieuw leven inbliezen dan dat ze de Latijns-Amerikaanse of Indiase op de kaart zetten. Zelfs van de Turkse literatuur, dichter bij huis, leest de Europeaan het liefst iemand als Pamuk, die in zijn thuisland toch bij een kleine, westers georiënteerde minderheid hoort.

Met de Chinese literatuur is het waarschijnlijk hetzelfde gesteld. Zij heeft zich millennia lang in relatieve afzondering ontwikkeld en is daarmee misschien wel de enige andere, grote literaire traditie naast de westerse, als je die met Homerus laat beginnen. Net als de westerse literatuur neemt de Chinese daarom van andere tradities over wat haar bevalt, en is het resultaat mogelijk wat onherkenbaarder voor ons, arme kinderen van het Avondland.

Oorspronkelijk verschenen in Trouw, 20 december 2008

Zie ook: Lezen ‘met de oogen van een Chinees’

Echte mensen

De werkelijkheid op de huid

De wereldcinema is ondenkbaar zonder Chinese films, moderne Chinese schilderkunst breekt miljoenenrecords bij Sotheby’s, maar de Chinese literatuur steekt daar internationaal wat schril bij af. Je zou kunnen zeggen: elk land heeft op cultureel gebied nu eenmaal zijn sterke punten. Nederland was lang het land van Rembrandt en Van Gogh, en meer recentelijk van Dutch Design. Nederlandse schrijvers gaan pas sinds kort de wereld over.

Natuurlijk is dat deels een kwestie van vertalen: als is het Chinees geen kleine taal, net als het Nederlands wordt hij buiten de landsgrenzen nauwelijks gesproken. En zoals Engeland nu pas weet dat ze in W.F. Hermans een Nederlandse Kafka hebben, zo weet menig westerling niet dat China juist altijd een door en door literair land is geweest. De enorme Chinese boekhandels van tegenwoordig puilen uit van boeken en lezers, en in het klassieke China was elke ambtenaar een dichter.

Eeuwenlang vormde literatuur een vast onderdeel van de keizerlijke examens, die toegang boden tot de hoogst mogelijke carrière: het dienen van het land. Literatuur had dan ook een praktische rol: het weerspiegelen van wat er speelde in de maatschappij, het signaleren van misstanden en het trekken van lessen uit de geschiedenis.

Mo Yan

En die rol heeft literatuur in de 20e eeuw grotendeels behouden. Schrijvers zijn dan geen ambtenaar meer – al heeft Mao ze een tijdlang voor zijn politieke kar willen spannen – maar de typische Chinese roman zit de werkelijkheid nog altijd dicht op huid, richt zich op het aardse en alledaagse, en verliest de geschiedenis maar zelden uit het oog.

Iemand als Mo Yan (1956), ongetwijfeld de bekendste hedendaagse schrijver, vaak genoemd als Nobelprijskandidaat, heeft er bijna zijn hele oeuvre aan gewijd. Zijn eerste en beroemdste roman, Het rode korenveld uit 1986, is een barokke ode aan zijn voorouders uit het dorpje Gaomi, zijn eigen Yoknapatawpha – William Faulkner is Mo Yans grote voorbeeld.

De verteller voelt zich een onwaardige telg van een groots geslacht van vitale boeren en liederlijke bandieten, die in de jaren veertig heldhaftig verzet boden tegen de Japanse bezetter. Niet uit patriottisme, maar uit eenvoudige boerentrots en stoere onverzettelijkheid. Eigenschappen die de huidige generatie niet meer bezit, treurt de verloren zoon, zelfs het rode koren schittert niet meer als voorheen.

Mo Yan kan als geen ander dat rode koren doen schitteren. Hij kijkt niet op een bijvoeglijk naamwoord en zijn plastische beschrijvingen dijen oneindig uit. Hij heeft zich niet voor niets het pseudoniem mo yan – ‘niet spreken’ – aangemeten, om zijn eigen woordenvloed in te dammen. Maar tegelijkertijd zie je hoe Mo Yan grip probeert te krijgen op de geschiedenis, haar probeert te herschrijven.

De officiële, revolutionaire versie van de geschiedenis wordt namelijk enkel bevolkt door bovenmenselijke helden en onzelfzuchtige martelaars. Mo Yan zet daar zijn echte, aardse mensen tegenover. Dat hij hun puurheid uit lyrische bewondering danig overdrijft, alla – maar puur betekent voor hem in elk geval niet ongeloofwaardig goed en deugdzaam.

Yu Hua

Yu Hua (1960), een van de populairste en best verkopende auteurs van het moment, gaat daarin nog wat verder. Zijn bekendste roman Leven! (1992) bestrijkt, aan de hand van de lotgevallen van een familie, het China van de jaren veertig tot de jaren tachtig. Alle grote historische gebeurtenissen passeren de revue en vinden hun weerslag in het dagelijks leven: de overgang van gokhuizen naar communes, de privé-ijzersmeltoventjes van de Grote Sprong Voorwaarts en de antikapitalistische leuzen van de Culturele Revolutie.

Veel auteurs hebben zo’n weids panorama geschilderd, maar Yu Hua wil ermee laten zien hoe de gewone man zich op pure wilskracht, de wil om te blijven leven, door de oorlog, armoede en sociale misstanden uit die decennia heen kon slaan. Het verhaal eindigt veelzeggend met het beeld van de hoofdpersoon en zijn buffel – bron van levensonderhoud, symbool van het leven.

Yu Hua schreef dan ook geen politieke aanklacht, maar toont zich eerder diep geroerd door die typisch Chinese overlevingsdrang. In zijn poging een zo gewoon mogelijke hoofdpersoon te schetsen, schiep hij een ware alleman, die bijna uitsluitend getekend wordt door zijn taaiheid en volharding.

Zijn er helemaal dan geen breekbare individuen in de Chinese literatuur, personages die eerder kampen met een innerlijke, psychologische strijd – het kenmerk bij uitstek van de westerse moderne roman? Jawel, maar over het algemeen zie je die pas bij auteurs die het woeden der wereld bewust de rug toekeren. De alom geliefde Su Tong (1963), bijvoorbeeld, heeft een grote voorliefde voor de geschiedenis, maar voor hem lijkt het verleden eerder een vlucht. Zijn hoofdpersonen zijn bijna altijd eenlingen die zich bedreigd voelen door de buitenwereld, niet thuis lijken te horen in hun omgeving.

Su Tong

In zijn pseudo-historische roman Mijn leven als keizer (1992) voert hij een argeloos kindkeizertje op dat slachtoffer wordt van machtspelletjes aan een imaginair hof. Vooral de complotten die de oude keizerin-weduwe achter de schermen smeedt maken hem angstig en onzeker. Als hij uiteindelijk wordt afgezet, ervaart hij dat dan ook direct als een bevrijding. De zinderende vlucht die hij vervolgens als gewoon burger door zijn land moet ondernemen, wordt zo één lange louteringstocht. De voormalige keizer heeft nog maar één ambitie: koorddanser worden, om zo dicht mogelijk de vrijheid van de vogels te benaderen – als de Keizer van het Koord.

Wat als begon als een ironisch spel met de conventies van een hofdrama – compleet met jaloerse concubines en een broedertwist – slaat dus om in een roman over individuele vrijheid. Schrijver John Updike bekende in zijn bespreking voor The New Yorker dat hij aanvankelijk maar moeilijk ‘in het verhaal kwam’, totdat hij in het laatste deel tot zijn plezier opeens ‘een hoofdpersoon in de westerse zin van het woord’ ontwaarde, iemand die dingen ‘najaagt, bevecht en ontdekt’.

Zou dat de onbekendheid van de Chinese literatuur kunnen helpen verklaren? De westerse lezer identificeert zich misschien beter met een zich ontplooiend individu dan met een voortploeterende alleman. Hoe het ook zij, voor de huidige grote drie van de Chinese letteren is er duidelijk meer dan alleen dat individu: naast de vogel van de vrijheid is er het koren van de kracht en de buffel van het leven.

Lees ook: Brieven aan een onbekende

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant op 2 augustus 2008 (katern ‘Let The Games Beijing’)

In ons koninkrijk

Pai Hsien-yung (romanfragment)

In ons koninkrijk zijn geen dagen, alleen nachten. Zodra het licht wordt verdwijnt ons rijk, want wij zijn een uiterst illegale staat: wij hebben geen regering, geen grondwet, wij worden niet erkend of gerespecteerd, wij zijn niet meer dan een bonte troep burgers. Soms kiezen we een leider – iemand met een lange staat van dienst, een goed voorkomen, allure, een zekere populariteit – die we vervolgens weer even gemakkelijk, even willekeurig ten val brengen, want we zijn nu eenmaal een grillig, onhandelbaar volk. Wat ons grondgebied betreft, dat is in feite bedroevend klein, hooguit twee-, driehonderd meter lang en een goede honderd breed: niet meer dan een klein lapje grond rondom de rechthoekige lotusvijver in het Nieuwe Park aan de Guanqianstraat in Taipei. Om de grenzen van ons land groeien alle mogelijke soorten tropische bomen, kriskras door elkaar: potloodbomen, broodbomen, oude kokosbomen, dor en kaal, en niet te vergeten de rij hoge koningspalmen langs de weg, die hoofdschuddend en zuchtend hun dagen slijten. Als een dichte haag onttrekken ze ons koninkrijk aan het zicht, sluiten ze ons tijdelijk van de buitenwereld af. Toch zijn de dreigingen van die grote buitenwereld geen moment ver weg, altijd voelbaar. Via de schetterende luidsprekers van het radiostation achter de bosjes krijgen we geregeld allerlei geruchtmakende nieuwsberichten binnen. Op indringende toon meldt de CBC-omroepster met haar feilloze standaardaccent: Amerikaanse astronauten hebben voet gezet op de maan! Een internationale drugssmokkelbende uit Hongkong en Taiwan is vanochtend opgerold! Het proces in de corruptiezaak bij Compostbeheer gaat morgen van start!

Allemaal spitsen we onze oren; als een troep schichtige herten in een bos vol wolven zijn we extra op onze hoede. Elk blaadje dat ritselt in de wind, het minste geluid is voor ons een waarschuwing. Zodra de beslagen laarzen van de politie opklinken en plotsklaps, door de palmbomen, ons territorium komen binnenvallen, stuift iedereen als opgejaagd wild uiteen. Sommigen rennen halsoverkop naar het radiostation en mengen zich onder de mensen, anderen schieten de toiletten in en doen alsof ze nodig moeten, staand of hurkend; weer anderen vluchten de trappen op van het klassieke, mausoleumachtige museum bij de ingang van het park en verdwijnen in de schaduwen tussen de zuilen, waar ze weer even kunnen ademhalen. Ons anarchistische koninkrijk kan ons geen enkele bescherming bieden, we zijn aangewezen op onze dierlijke instincten, dwalend in het duister, op zoek naar overleving.

De geschiedenis van ons rijk is in nevelen gehuld, we weten niet wie de stichters zijn of wanneer het is ontstaan; toch heeft ons verborgen, illegale ministaatje door de jaren heen de nodige heroïek en tragiek gekend, een turbulente geschiedenis waarvan buitenstaanders nooit zullen horen. Als onze aartsvaders, die paar nog levende grijsaards, dat kleurrijke verleden voor ons ophalen, verzuchten ze altijd met veel pathos en niet zonder enige trots: ‘Ach, zulke tijden zullen jullie nooit meer beleven…’

Jaren geleden scheen de lotusvijver in het park vol te hebben gestaan met rode waterlelies. In de zomer kwamen ze een voor een uit en dreven ze op het water als stralende lampionnen. Maar later heeft de gemeente ze er om de een of andere reden allemaal uit laten trekken. Midden in de vijver werd een achthoekige kiosk neergezet, en rond de vijver nog een aantal paviljoentjes met rode zuilen en groene daken, waardoor ons eerst zo woeste, ongerepte land een schijn van antieke beschaving kreeg en vreemd afstak bij de alledaagse omgeving. Als onze aartsvaders hierover vertellen, zuchten ze altijd vol droeve nostalgie: ‘Die felrode waterlelies, och, zo onbeschrijflijk mooi!’

Vervolgens noemen ze onder elkaar allerlei namen waarvan wij nog nooit hebben gehoord en rakelen ze allerlei hartverscheurende oude verhalen op, waarin de hoofdrollen zijn weggelegd voor grote helden die allemaal langgeleden onze nationaliteit hebben opgezegd en de wijde wereld zijn ingetrokken. Sommigen zijn spoorloos, al tijden zonder bericht; anderen stierven jong, hun graven overwoekerd met onkruid. Maar er zijn er ook die na vijf, tien, twintig jaar op een diepdonkere nacht plotseling bij de lotusvijver opduiken, terug thuis in ons duistere koninkrijk; rusteloos, gejaagd lopen ze rondjes rond de vijver, alsof ze op zoek zijn naar hun jaren geleden verloren ziel. Dan knikken onze eerwaardige grijsaards, en met halfgesloten ogen en meewarige gezichten concluderen ze wijs en geëmotioneerd: ‘Zo gaat het altijd. Jullie denken dat de wereld groot is, maar er komt een dag, er komt altijd een dag, dat jullie weer als brave kinderen terugvliegen naar je oude nest, ons nest.’

(Vertaling Mark Leenhouts)

Uit: Pai Hsien-yung, Jongens van glas, De Geus 2006

Zie ook: Blue Boy

Gevangen in een shopping mall

Chinese literatuur en de markt

In China verrijzen overal boekhandels zo groot als warenhuizen, waarvan alle verdiepingen vol zitten met jongeren die deze ‘boekensteden’ of ‘boekentorens’ staand en hurkend gebruiken als bibliotheek. Je moet bijna altijd iemand onder het lezen storen als je een boek uit het schap wilt pakken. Massaconsumptie ja, maar dan wel van het geschreven woord.

Het Beijing Book Building

Er is bijna een exacte datum vast te stellen waarop de moderne consumptiemaatschappij haar intrede deed in de Volksrepubliek China: 4 juni 1989 – de bloedige onderdrukking van de protestbeweging rond het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, die vorige week voor de zestiende keer werd herdacht.

De daaraan voorafgaande jaren tachtig waren een periode van bevlogen discussie over ideeën, kunst en cultuur, bijna ongekend voor het moderne China, maar misschien ook wel voor de westerse wereld, waar hippies en vrijdenkers zich in die jaren juist bekeerden tot de economie en het ondernemerschap.

De dood van Mao Zedong in 1976 maakte een einde aan drie decennia van culturele kaalslag en isolationisme; Deng Xiaopings opendeurpolitiek bracht niet alleen materiële maar ook geestelijke verrijking. Het betekende tegelijk het begin van de hedendaagse Chinese literatuur, mede dankzij de introductie van westerse boeken in vertaling, nu niet meer ondergronds in kleine kringen, maar over de toonbank in miljoenen exemplaren.

Het waren koortsachtige tijden. Niet alleen Faulkner, Kafka, Borges en Agatha Christie werden ontdekt, maar ook, deels in reactie daarop, de eigen literaire traditie, waarvan de wortels ergens diep onder Mao’s barre laag ideologie waren komen te liggen. Koorts heerste er door enthousiasme maar ook door onzekerheid: de westerse invloed was algauw zo dominant dat men zich afvroeg of er iets mis was met de Chinese cultuur. Toen Gabriel García Márquez in 1982 met een voor sommige Chinezen gedroomde mengeling van Europese en inheemse tradities de Nobelprijs won waren de reacties veelzeggend.

Chinezen lezen in een Pekingse boekhandel

‘En wij maar denken dat die Colombianen alleen maar konden voetballen,’ klonk het met enige zelfspot. Mo Yan (Het rode korenveld), licht gepikeerd om steeds met de Latijns-Amerikaanse magisch-realist te worden vergeleken, hield het erop dat Márquez hem gewoon te snel was afgeweest. Schrijver Han Shaogong (Woordenboek van MaqiaoSchoenenobsessie) diagnosticeerde dat er niets mis was met de Chinese cultuur maar wel met de Chinese creativiteit. Hij zag voorlopig meer oppervlakkige navolging dan werkelijke invloed van het Westen, meer connoisseurs dan scheppers: als de Culturele Revolutie iets kapot had gemaakt, was dat de creativiteit.

Men praatte niet alleen over cultuur omdat de politiek het weer toestond, maar ook omdat het een manier was om indirect over politiek te praten. De mens zien tegen de achtergrond van een rijke, veelkleurige cultuur was – voor de goede verstaander – hem wegtrekken uit een enge klassenachtergrond. Als het écht over politiek ging, greep de overheid nog altijd in. De laatste keer dat dat pijnlijk duidelijk werd was bij de openlijke demonstraties om democratie, die uitmondden in de traumatische les van 4 juni 1989.

Na een korte stilte werden de debatten over mens en maatschappij overstemd door discussies over de consumptiemaatschappij. Praten over geld, daar had de regering inmiddels weinig meer tegen.

Voor sommige intellectuelen lag dat anders: tot hun schrik merkten zij dat hun eens zo vooraanstaande rol door de opkomst van de populaire cultuur werd gemarginaliseerd. In de jaren tachtig had het geleken alsof het woord ‘elitair’ niet bestond, maar nu kregen zij dat etiket opgeplakt. Tot op heden gaan er geregeld verontwaardigde stemmen op dat de economie weleens een even geduchte vorm van censuur met zich mee kan brengen als de politiek, wanneer kungfu-romans en popmuziek de dienst uit gaan maken. Gao Xingjians in het Westen soms als naïef ervaren Nobelrede over het schrijven van een literatuur die zich onttrekt aan de politiek én aan de markt, is in dit licht beter te begrijpen.

Of het nu door Vier Juni kwam of niet, verschillende schrijvers die tevoren naam hadden gemaakt als experimentele avant-gardisten, aanbidders van Calvino en Robbe-Grillet die het de lezer graag moeilijk maakten, kwamen in de jaren negentig met meer conventionele romans. Su Tong (Rijst) groeide uit tot een bestsellerauteur, mede dankzij de internationaal succesvolle verfilming Raise the red lantern. Yu Hua’s Leven!, hoewel toegankelijker dan zijn vorige werk, werd juist lange tijd verboden omdat de vermaarde cineast Zhang Yimou er een veel politieker werk van had gemaakt dan de schrijver zelf.

Bladzijde uit Jia Pingwa’s Vervallen stad, met blanco blokjes gevolgd door de tekst: ‘hier heeft de auteur zo-en-zoveel karakters geschrapt’.

Soms lijkt de censuur vaker in te grijpen nu door de marktwerking een groter publiek wordt bereikt; een kort experimenteel verhaal leest ‘het gewone volk’ toch niet, zei Su Tong ooit schouderophalend. In zijn geval was zelfs een keer alleen de film de pineut: de adaptatie van zijn roman Rijst bleef jaren lang in de blikken vanwege te veel bloot – maar doet het tegenwoordig goed op dvd.

Seks is wel meer het probleem: Jia Pingwa’s (hier onvertaalde maar met de Franse Prix Fémina bekroonde) roman Vervallen stad uit 1993 was om die reden de eerste grote literaire rel van de jaren negentig, ook al had de auteur alle erotische scènes opzettelijk weggelaten: blanco regels als treiterige zelfcensuur.

Een heikeler punt is de politiek, zoals Mo Yan in 1997 ervoer. Zijn roman Grote borsten brede heupen doet zijn titel eer aan, maar werd uit de winkels geweerd vanwege zijn verdraaide weergave van de revolutionaire geschiedenis. In de strijd tussen de nationalisten en de communisten, waaruit per slot van rekening de huidige Chinese staat ontstond, dienen de laatsten nog altijd als helden te worden afgeschilderd. Zo kreeg een andere auteur in 1995 een belangrijke literaire staatsprijs alleen op voorwaarde dat hij enkele passages over die oorlog herzag.

Maar de boeken van Mo Yan en Yu Hua konden in de 21ste eeuw weer verschijnen. Dergelijke stormen gaan ook steeds sneller liggen. Na de ophef over seks, drugs en rock-’n-roll die Mian Mian in 2000 met Candy veroorzaakte, werd haar nieuwe boek Pandaseks dit jaar besproken in de Engelstalige partijkrant China Daily. De schrijfster was ‘volwassen geworden’, luidde het oordeel – misschien omdat de redactie wist dat pandaberen het maar twee keer per jaar doen.

Directe politieke kritiek blijft uit den boze. Onlangs werd in een roman Mao’s leus ‘Dien het volk’ in verband gebracht met het seksueel bedienen van een hoge legerpief, waarbij ook foto’s van de voormalige Leider werden verscheurd en beplast. Het verbod liet niet op zich wachten, maar de verschijning als zodanig laat zien dat het patent op een kritische of opstandige geest niet berust bij naar het Westen uitgeweken Chinezen, zoals sommigen van die laatsten weleens willen doen geloven.

Er verschijnen in China wel degelijk maatschappijkritische werken. De recentelijk opgekomen ‘bureaucratieroman’ is misschien nog de riskantste vorm daarvan. Daarin stellen auteurs de wijdverbreide corruptie in de publieke sector aan de kaak, wat hun naast politieke tegenwerking vooral hoge verkoopcijfers oplevert.

Datzelfde samengaan van kritiek en commercieel succes zie je bij twee zeventienjarige debutanten die zich verzetten tegen het rigide schoolsysteem. Beijing Doll van Chun Sue is ook in Nederland bekend, maar veel meer furore maakte Han Han met De drie poorten. Binnen twee jaar na uitgave in 2000 werden er een miljoen exemplaren van verkocht, in 45 drukken, terwijl een Chinese uitgever met 20.000 exemplaren al dik tevreden is. De jonge auteur werd een tieneridool, die zijn school niet afmaakte en rondreed in dure Japanse auto’s.

Hu Fangs experimentele
roman uit 2003

De consumptiemaatschappij zélf werd onderwerp van literair onderzoek. In Fucker van Yin Lichuan gaat een groepje outcasts in supermarkten stelen als een vorm van performance art: niet uit materiële behoefte, maar als kritiek op de consumptiemaatschappij. In Shopping Utopia beschrijft de multimediale artiest Hu Fang de vervreemding van enkele personages in een reusachtig winkelcentrum. Het boek is voorzien van een plattegrond en de hoofdstukken hebben als titels de codes van de verschillende verdiepingen en afdelingen: L3-C08, B2-A04… Ook van zijn hand is het eveneens geïllustreerde Zintuigelijke training, een roman in de vorm van een handboek dat China’s nieuwe middenklasse geestelijk welzijn moet bijbrengen in tijden van toenemende materiële welvaart.

Er zijn natuurlijk ook genoeg schrijvers die geen kritiek leveren, geen actuele thema’s agenderen. Maar hoe wars sommigen ook zijn van trends en tendensen, allemaal profiteren ze van de markt doordat hun boeken steeds mooier gedrukt worden en beter beschikbaar blijven. Kon je tien jaar geleden nog stad en land afzoeken naar een bepaald werk, tegenwoordig publiceren schrijvers hetzelfde boek zonder scrupules bij meerdere uitgevers tegelijk.

De grote boekenwarenhuizen zijn dan ook niet alleen gevuld met de vele gretige lezers die China van oudsher kent, maar bieden vooral ruimte aan de enorm uitdijende boekenmarkt. In 2004 verschenen er in China zo’n 170.000 titels, waarvan de helft educatief. Daar zaten zeker 1000 nieuwe Chinese romans bij, terwijl nog een veelvoud ervan verscheen op het internet, dat ondanks staatsfiltering een levendig alternatief circuit vormt, bijvoorbeeld voor homoliteratuur. Buitenlandse bedrijven azen op mogelijkheden – er is al een Chinese Bol.com, en Amazon heeft Joyo.com gekocht – al krijgen zij wel te maken met een gebrekkige auteurswet en de plaag van piratenuitgaven.

Economische groei alleen is niet zaligmakend, zelfs economen schijnen het tegenwoordig te beamen en veel Chinezen hoor je het verzuchten, misschien omdat ze de ontwikkelingen zo snel meemaken. Aan het eind van Shopping Utopia krijgt de hoofdpersoon ’s avonds in de hel verlichte shopping mall het beklemmende gevoel dat hij niet meer naar buiten durft, waar de enge, donkere werkelijkheid wacht. Zou hij zich in zo’n boekenwarenhuis beter voelen?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant op 10 juni 2005

Bloed verkopen om te overleven

Realistische fabel van Yu Hua over de gewone man in China

Een kleuter die per ongeluk zijn kleine broertje uit zijn armen laat vallen en daarmee de apathie en harteloosheid in het gezin blootlegt, een doorgedraaide geschiedenisleraar die de vijf traditionele Chinese straffen, van neus afhakken tot castratie, op zichzelf uitvoert, terwijl zijn vrouw en kinderen beschaamd de andere kant op kijken, of een hoofdpersoon die na zijn dood door chirurgen vakkundig wordt opgesneden ten behoeve van de orgaanhandel…

Met zulke verhalen werd de Chinese schrijver Yu Hua (1960) in de jaren tachtig bekend: uitermate bloederig geweld, maar zo klinisch beschreven dat het duidelijk niet alleen bedoeld leek om te shockeren, maar ook om aan het denken te zetten. Door zich te onthouden van elk commentaar, stelde Yu Hua de morele oordelen van de lezer op de proef.

Vertaald door Martine Torfs

Desgevraagd verklaart Yu dat zijn fascinatie voor geweld gedeeltelijk voortkomt uit de gruwelen van de Culturele Revolutie: vage herinneringen van een angstige basisscholier. Maar dat niet alleen. Laconiek vertelt hij in interviews dat hij als kind veel in het ziekenhuis rondhing, aangezien zijn vader arts was. ‘Als het warm was, deed ik mijn middagdutje in het mortuarium; lekker koel.’ Ook tijdens zijn tandartsopleiding werd zijn verbeelding rijkelijk gevoed. Pas toen hij na vijf jaar tandartsenpraktijk weleens wat meer van de wereld wilde zien dan al die open monden, besloot hij schrijver te worden.

De titel van Yu’s nu vertaalde roman uit 1996, De bloedverkoper, doet misschien ook wat luguber aan, maar dat valt behoorlijk mee. Dat heeft alles te maken met de nieuwe, mildere koers die Yu in de jaren negentig is gaan varen: hij wil niet meer afstandelijk problemen aan de kaak stellen, zegt hij, maar zich meer in zijn personages verplaatsen. Een eerste blijk van die ommekeer was zijn wereldwijd vertaalde roman Leven! (De Geus, 1995), die zijn succes mede dankte aan de verfilming van Zhang Yimou.

Yu’s latere werk heeft met de explosieve inhoud ook zijn experimentele trekjes verloren: beide romans zijn rechttoe, rechtaan vertelde familiegeschiedenissen die het China van de jaren veertig tot de jaren tachtig beslaan. In beide boeken is Yu’s thematiek ook veel eenduidiger dan voorheen. Hij wil voornamelijk laten zien hoe gewone Chinese mensen zich door pure wilskracht, de wil te blijven leven, door de oorlog, armoede en sociale misstanden uit die decennia heen slaan.

Terwijl in Leven! de Chinese geschiedenis nog zeer pregnant aanwezig was, is hij in De bloedverkoper meer naar de achtergrond verdrongen, waardoor Yu’s thema van doorzetten en overleven centraler komt te staan. Dat zie je ook terug in de stijl, die vertaalster Martine Torfs goed heeft weten te treffen: een verontrustende mengeling van realisme en fabel.

Hoofdpersoon Xu Sanguan geeft bloed voor geld. Dat is een wijdverbreide praktijk onder arme Chinese boeren, en een van de grootste oorzaken van de enorme aids-epidemie die momenteel in verschillende Chinese provincies heerst. Maar in Yu Hua’s boek is die werkelijkheid ver te zoeken. Fabrieksarbeider Xu Sanguan beseft wel dat hij met zijn leven speelt door keer op keer bloed af te staan, maar hij weet van geen HIV, hij maakt zich alleen zorgen om iets mythisch als zijn ‘levenskracht’.

Vertaald door Elly Hagenaar

Dat zie je ook aan de beschrijvingen van het bloed aftappen. In zijn korte verhalen zou de jongere Yu Hua daar graag alle plastische details van hebben gegeven, maar in deze roman laat hij het vanuit zijn personages zien, en gaat alles gehuld in hun bijgelovige rituelen. Zo moet je van tevoren eerst zoveel water drinken dat je blaas op knappen staan, om je bloed te verdunnen (staaltje ondernemerschap), en achteraf meteen een deel van je geld uitgeven aan gebakken varkenslever met rijstwijn in restaurant De Overwinning.

Het verhaal van Xu Sanguan is even simpel als zijn gedachten. In zijn jeugd leert hij wat bloed verkopen is en in zijn volwassen leven grijpt hij steeds naar dat middel als hij met zijn rug tegen de muur staat. Voor een schuldeiser, in de hongersnood van de jaren zestig, voor een etentje om een ambtenaar te paaien of een cadeautje voor de vrouw waarmee hij een slippertje maakt… Het geld dat hij met zijn eigen bloed verdient is strikt voor hem en de zijnen bedoeld, dat wordt wel duidelijk wanneer hij weigert die dure centen te besteden aan de zoon die zijn vrouw vermoedelijk met een ander heeft gehad. Met zijn fabriekssalaris voedt hij de arme jongen wel op, maar een extraatje van zijn ‘bloedgeld’, dat gaat hem te ver.

Die boerse simpelheid wordt nog versterkt doordat Yu Hua zijn personages bewust van buitenaf beschrijft, zonder enige poging tot diepte-psychologie, net als in het traditionele Chinese proza, dat ook meer door typen dan round characters wordt bevolkt. In De bloedverkoper werkt dat aanvankelijk goed, maar naar het einde toe wordt het verhaal er wat al te simpel op.

Xu Sanguan verkoopt steeds vaker en met steeds kortere tussenpozen zijn bloed, tot aan de bloedstollende finale waarin hij het bijna om de dag doet – om de ziekenhuisrekening van zijn onechte zoon te betalen. Het is op het sentimentele af, ook al suggereert Yu Hua net als in Leven! dat één overwinning van tegenspoed nog geen ‘eind goed, al goed’ betekent. De gewone man zal moeten blijven volhouden. Literair gezien is dat toch een wat mager besluit voor een van de opmerkelijkste schrijvers uit het China van na Mao. De provocateur is met de jaren wel erg mild geworden.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 18 juni 2004