Een vertaler kan opgaan in een roman, maar kan hij er ook in voorkomen? Het gebeurde mij, al ben ik er nog niet helemaal zeker van… Een paar jaar terug vertaalde ik enkele korte verhalen van de schrijver Kong Yalei, die afgelopen winter met een nieuwe roman kwam. Hij gaf hem ook een Engelse titel mee: You Beautiful Truth – wat zo om en nabij de vertaling is van de Chinese naam die de eigenlijke titel vormt: Li Meizhen. Wie is Li Meizhen? Het boek begint zo:
Het begon allemaal met die foto. Een oude zwart-witfoto – genomen aan het begin van de twintigste eeuw denk ik, negentien-nul-nog-wat, negentien-één-nog-wat misschien – een frontaal portret, ten halven lijve, van een vrouw van middelbare leeftijd. Om eerlijk te zijn kostte het me even om te bepalen wat haar geslacht was, en dan nog op grond van de vaag zichtbare oorbel. Ik wist niet waarom, maar er ging een onmiskenbare, eigenaardige geslachtsloosheid van haar uit. Misschien vanwege haar haar (dat in een knot achter op haar hoofd zat, waardoor het van voren kort leek). Misschien vanwege haar gelaatstrekken (de zware wenkbrauwen, de enkele oogleden, de rechte neus, de strenge wanglijnen van de neusvleugels tot aan de mondhoeken). Maar misschien vooral vanwege haar gezichtsuitdrukking, of eerder het gebrek daaraan: haar lippen losjes opeen en die ferme, heldere, serene blik – die eenogige blik, om precies te zijn. Ze keek scheel. Haar rechteroog was voor twee derde oogwit, alleen in de rechterbovenhoek zat een halve pupil. Maar in plaats van dat het haar lelijk of monsterlijk zou maken, maakte dat haar alleen maar serener. Haar schele oog leek haar iets zelfverzekerds en onthechts te geven. Een geheimzinnige onverstoorbaarheid. Een zekere bevoorrechtheid. Het was lastig uit te leggen – net zo lastig uit te leggen als alles wat er daarna zou gebeuren.
Aan het woord is de zeer op Kong Yalei gelijkende schrijver K, die besluit een roman over deze vrouw te schrijven. Hij noemt haar Li Meizhen, maakt van haar een sjamaan rond 1900, die zich op de foto laat zetten door een Britse missionaris, John King – al is ze nog zo bang dat de foto ‘haar ziel wegneemt’. De hoofdstukken uit K’s boek over haar alterneren met de wederwaardigheden van K zelf, die zo’n honderd jaar later in de ban raakt van de voorspelling van het einde van de wereld, op 21-12-2012. Dit nadat hij in een Pekingse hutong een kunstvoorstelling over dat thema heeft bijgewoond, die de toeschouwers door middel van virtual reality in een soort hypnose brengt. Als dit allemaal wat Murakami-esk, wat David Lynch-achtig aandoet, is dat niet verwonderlijk: dat zijn twee van Yalei’s helden.
Raakt K eigenlijk wel uit die hypnose, dat ‘augmented dreamscape’, zoals de kunstenaar het noemt? De hoofdstukken die zíjn verhaal vertellen heten telkens ‘K’s parallelle universum’, en gaandeweg beginnen – natuurlijk, met Murakami en Lynch – zaken uit het verhaal van 1900 over te lopen in zijn eigen leven. K zoekt met behulp van een enigmatische geschiedenisprofessor uit wat hem overkomt, waarbij de parallel met 1900, ook een ‘eindtijd’ voor het oude China, door toenemende westerse invloeden, een grote rol speelt. Maar hun discussies, die gaan over Freud en Tarkovski, Confucius en Lu Xun, de Bijbel en de Yijing, Alice in Wonderland, Ulysses en De toverberg, kunnen niet verhoeden dat het ware en het niet-ware steeds verder met elkaar verstrengeld raken. De professor vertelt hem over kwantumverstrengeling, waarbij twee deeltjes op afstand met elkaar verbonden kunnen zijn; kortom, zegt ze: werkt hij niet aan een kwantumroman? ‘Klinkt goed,’ merkt K droogjes op, ‘dat kan de uitgever straks mooi op het buikbandje zetten.’
Nu zijn er meer romans over zulke zelfreferentiële verwarring geschreven, maar Yalei voegt er op het einde nog een dimensie aan toe. Het laatste hoofdstuk heet ‘Nawoord’, en aanvankelijk dacht ik dat het om een ‘echt’ nawoord ging, tot al snel bleek dat het niet voor niets ‘Hoofdstuk 18’ van de roman is. Natuurlijk komt Yalei hier zelf aan het woord, maar K had in het voorafgaande al zo veel gemeen met zijn schepper, van zijn Pekingse omzwervingen tot aan zijn eerdere boektitels, dat die schepper misschien ook wel een stap verder moest gaan. Het begint zo:
Het begon allemaal met die foto. In september 2015 ging ik met de Nederlandse sinoloog Mark Leenhouts naar Panjiayuan, de Pekingse antiekmarkt. We zagen elkaar voor het eerst. Hij was de Nederlandse vertaler van Belegerde vesting en zwoegde intussen op De droom van de rode kamer. We hadden elkaar leren kennen omdat hij me gemaild had dat hij een verhaal van me wilde vertalen. Dat verhaal, ‘Shackleton uitgezwaaid door zijn bemanning op Elephant Island’, was later verschenen in het oude, gevestigde tijdschrift De Gids – een treffende naam voor een blad uit het land van de legale hallucinogenen.
Het was alsof we elkaar allang kenden. Hij bleek een lange, knappe kerel, maar zacht en bescheiden, een tikkeltje verlegen zelfs. En hij sprak een aardig mondje Chinees. Soms dacht ik, misschien was hij in een vorig leven wel een klassieke Chinese literator geweest, zoals ik soms het gevoel had dat ik in een vorig leven een westerling had kunnen zijn.
Al kletsend struinden we de tweedehandsboekenstalletjes af, tot ik opeens die foto zag. De foto, en mijn eerste indruk ervan, heb ik al uitvoerig beschreven in de eerste passage van dit boek.
En net als ik in het verhaal schrijf, heb ik de foto niet gekocht, maar er wel een foto van genomen met mijn mobiel. Ik weet nog goed dat ik met de originele foto in mijn hand tegen Mark zei, die naast me stond: ooit schrijf ik over deze vrouw een roman.
Heeft Kong Yalei nu echt de werkelijkheid de roman in geschreven? Of in welke dimensie zitten we nu? En ik welke dimensie zit ik nu? En wat gebeurt er nu ik dit hier ook nog eens heb vertaald?
Het verhaal ‘Shackleton uitgezwaaid door zijn bemanning op Elephant Island’ is in elk geval echt, en hier te lezen, op de website van De Gids.
Een ander verhaal, ‘Ik’, waarin K ook al opdook, is te lezen bij tijdschrift Terras. En lees hier het verhaal ‘Mango’.
Kong Yalei (1975) publiceerde twee romans en een verhalenbundel, Volcano Hotel, waaruit enkele verhalen eerder tot ‘beste korte verhaal van het jaar’ waren uitgeroepen. Daarnaast vertaalde hij werk van Paul Auster, Bret Easton Ellis, Geoff Dyer en James Salter; zijn vertaling van Salters Light Years werd in 2018 bekroond.
Vandaag tien jaar geleden stierf schrijver Shi Tiesheng, vlak voor zijn zestigste verjaardag, bezweken aan een leven van invaliditeit en ziekte. ‘Ziek zijn is mijn beroep,’ zei hij ooit monter, ‘schrijven doe ik erbij.’
Wat hij ook ooit over zijn leven zei, in een variatie op de bekende paradox ‘de volgende zin is waar, de vorige zin is onwaar’: ‘Ik ben maar een deel van mijn herinneringen, ik ben slechts de som van mijn herinneringen.’ Je zou het het motto kunnen noemen van zijn magnum opus Notities van een theoreticus uit 1996, een verhalend en beschouwend werk bestaand uit 237 notities. In notitie nummer vijf memoreert hij, geheel in de geest van het motto, zijn geboorte – laten we daar vandaag naar teruggaan.
Foto Zeng Huang
Ik ben geboren op 4 januari 1951. Zo gaat althans het verhaal, want meer dan een verhaal is het niet. Ik heb het alleen maar uit de mond van mijn grootmoeder, mijn moeder en mijn vader gehoord.
Grootmoeder zei: Het sneeuwde verschrikkelijk toen je geboren werd, echt verschrikkelijk, zo hard had het nog nooit gesneeuwd.
Moeder zei: Je was ontzettend mager toen je geboren werd. De zuster liet me je zien, waar kwam dat kleine mormel vandaan? Vel over been, van wie was dat kind? Het was bijna dag toen je geboren werd, er kwam al licht door de ramen.
En vader sloeg de kalender open en leerde me: Dat is het jaar, dat is de maand, en dat is de dag. Die dag, ja die, toen ben je geboren.
Maar voor mij is 4 januari 1951 een lege vlek, nul, helemaal niets, een verhaal dat ik heb gehoord toen ik ontwaakte uit het niets; het kan net zo goed een leugen zijn. ‘Toen jij er nog niet was, bestond de wereld al heel lang’ – dat is alleen maar een verhaal dat ik te horen kreeg toen ik er al was. ‘Wanneer jij er niet meer bent, zal de wereld nog heel lang bestaan’ – dat is alleen maar een vermoeden waarmee ik het maar doen moet zolang ik er nog ben.
Ik heb het vaak genoeg opgeschreven: ik ben in 1951 geboren. Maar voor mij komt 1951 eigenlijk na 1955. Op een dag in 1955 – ik herinner me dat de tekens op de kalender groen waren – in dat weekend is voor mij de tijd begonnen. Daarvóór was 1951 een lege vlek, pas na dat weekend in 1955 werd 1951 overgeleverd, kreeg het langzaam betekenis, bestond het echt. Maar dat weekend in 1955 is eigenlijk weer geen zondag in 1955, maar een ochtend in de winter van 1951 – men zegt dat ik toen ben geboren, en als ik me die dag voorstel, wordt die zondag in 1955 verdrongen door die ochtend in 1951. Op die ochtend, zei grootmoeder, sneeuwde het verschrikkelijk. Maar voor mij viel die dag de sneeuw van 1956; alleen met de sneeuw van 1956 kan ik de sneeuw van 1951 begrijpen, daardoor heeft de winter van 1951 gestalte gekregen, is hij niet langer een lege vlek. Later, in 1958, ging ik naar school en begon ik iets te begrijpen van de verbanden tussen de zon, de maan en de sterren, en leerde ik dat wij de plek waar wij leven de aarde noemen. En zo kan het zijn dat 1957 bijvoorbeeld pas in 1964 een indruk bij me heeft achtergelaten; toen pas hoorde ik dat er in 1957 een Anti-rechtsencampagne was geweest, en daardoor viel in 1957 de regen van 1964. En weer later hoorde ik over de tijd van vóór de jaartelling. Aan de hand van de geschiedenislessen stelde ik me de verre oudheid van de mensheid voor. De mensheid is vanuit de verre oudheid bij het heden uitgekomen en gaat vanaf het heden nog verder naar de toekomst. Daardoor bevat de verre oudheid alle fantasieën over het jaar 2000. Ik sta in het heden en stel me het verleden voor en fantaseer over de toekomst; zo kruisen verleden en toekomst elkaar terloops in het heden, en zo waait er zowel in het verleden als in de toekomst de wind van nu.
Toen er in 1939 voor het eerst een moderne Chinese roman in het Nederlands werd vertaald, Schemering over Sjanghai van de schrijver Mao Dun, kon je aan de flaptekst wel merken hoe nieuw en bijzonder dat was. ‘Sjanghai!’ klonk het enthousiast. Het ‘Parijs van het Oosten’ was ‘nu het brandpunt der wereldbelangstelling’ en ‘op het juiste moment’ verscheen dan ook ‘een boeienden roman, die ons het werkelijke, tegenwoordige Sjanghai met de oogen van een Chinees laat zien’.
Benieuwd naar hoe die uitgeversaanprijzing destijds bij het lezerspubliek viel, dook ik het internet eens in, waar ik, onder andere via de mooie website Delpher, uit oude kranten en tijdschriften enkele recensies wist op te diepen. De reacties kwamen me eerlijk gezegd wat bekend voor.
Sprak de Heldersche Courant zonder meer van ‘meesterschap’ en vond de Telegraaf dat Mao Dun een ‘beklemmend en angstig beeld van het Verre Oosten met realistische kleuren schildert’, iets vaker waren er helaas bedenkingen te lezen. Het Utrechts Nieuwsblad oordeelde: ‘De inlichtende waarde van het boek dunkt mij, althans in vertaling, grooter te zijn dan de literaire.’ En de katholieke Boekengids uit Vlaanderen voegde er streng aan toe: ‘Een diepere kijk op de Chineesche ziel, die men van den schrijver, zelf Chinees, zou verwachten, geeft het boek niet.’
Nu was Schemering over Sjanghai misschien ook meer een grote, caleidoscopische schets van het stadsleven dan een psychologisch drama, maar toch: in die wat gedateerde termen staat hier eigenlijk te lezen hoe Chinese romans ook later, door de jaren heen, nog geregeld zouden worden ontvangen – met een iets te grote nadruk op de vraag wat het boek je over China zou kunnen leren. Al is het op zich een begrijpelijke vraag, gezien de onbekendheid van land, cultuur en literatuur, hij kan het blikveld ook beperken.
Het deed me, om bij Shanghai te blijven, denken aan de reacties op de roman Shanghai baby van Wei Hui uit 1999 – een nieuwe, hippe getuigenis van het destijds net heroplevende kosmopolitische karakter van de stad, die uiteraard zo lang in de socialistische luwte had gelegen.
Behalve Wei Hui’s ontboezemingen op het gebied van sex, drugs & dance, waren vooral haar vele verwijzingen naar de westerse cultuur de attractie van het boek – al werden die in de kritiek direct als wel wat al te parmantig weggezet. In een Nederlands radioprogramma werden haar iets te luid beleden schrijversaspiraties zelfs hardop lachend besproken. Hoe dan ook: toch bespraken ze het boek maar, en Shanghai baby beleefde een voor een Chinese roman zeldzame vier herdrukken. De nieuwsgierigheid naar het ‘tegenwoordige Sjanghai’, gezien door ‘de oogen van een Chinees’, was ondanks alles groot.
Het is natuurlijk lang niet eenvoudig om een vreemde literatuur als de Chinese in de rest van de wereld evenwichtig voor het voetlicht te brengen. Maar toch is het in dit geval jammer dat een andere Shanghai-roman, die net voor Shanghai baby verscheen, zo onderbelicht is gebleven. Want het grote Lied van het eeuwig verdriet (1995) van schrijfster Wang Anyi, dat in het Engels, Frans, Spaans en Italiaans werd vertaald maar weinig weerklank vond, kijkt nou juist met een kritische, ironische blik naar die jonge generatie van Wei Hui.
In het boek aanbidt een romantische jongeling een voormalige ‘miss Shanghai’ uit de jaren 1940, terwijl grande dame Wang Anyi juist fijntjes laat zien hoe de gewezen schoonheidskoningin slechts derde werd bij die verkiezing, en hoe zij in de communistische decennia daarna een grijs en onopvallend leventje als vrijgezelle verpleegster leidde. Het boek mag zijn gebreken hebben, het grijze leven wordt wellicht wat breed uitgemeten, toch wordt er wel degelijk een ‘Chineesche ziel’ blootgelegd, als je bijvoorbeeld kijkt naar het karakteristieke taaie overleven van de heldin.
Heeft Lied van het eeuwig verdriet gewoon wat minder ‘inlichtende waarde’ voor een nieuwsgierig westers publiek? Of is dat publiek toch wat verblind door het opzichtige westerse appeal van Shanghai baby? De opvallende belangstelling voor Shanghai is wat dat betreft tekenend – in de flaptekst uit 1939 hierboven werd de stad immers al als ‘smeltkroes der Oostersche en Westersche cultuur’ aangeprezen.
In dat opzicht is een andere roman hier interessant, de klassieker Belegerde vesting van Qian Zhongshu, verschenen in 1947 en in 2013 (door ondergetekende) in het Nederlands vertaald. Het boek vertelt over Chinese studenten die in de jaren 1930 van Europa terugkeren naar Shanghai, en de schrijver, een bolleboos en polyglot, doorspekt zijn satire met grappen in allerlei talen, van Frans en Latijn tot klassiek Chinees. Het geheel wordt daarom vaak kortweg geduid als een confrontatie tussen het moderne Westen en het traditionele China, maar eigenlijk ligt het wat genuanceerder. De meeste studenten blijken overzee namelijk niet zoveel te hebben uitgevoerd, terwijl het mondaine wereldje van Shanghai hen juist bewonderend onthaalt als de toekomst van het land. Beide partijen wordt zo een spiegel voorgehouden.
Bovendien schuilt er in hoofdpersoon Hongjian, een wat sukkelige, zelfverklaarde schopenhaueriaan, een heel wat conservatievere, vadervrezende ziel dan hij wil toegeven. Als hij na een mislukte carrièrestap een huwelijk met de aanvankelijk bescheiden ogende Roujia inrolt, blijkt deze jonge vrouw, die nooit in het buitenland is geweest, een sterker, zelfstandiger denkend type dan hij.
Verkijk je niet op al het westerse in Shanghai, lijkt Qian Zhongshu met een knipoog te zeggen, het moderne komt niet per se van buiten. Gezien de vele geleerde essays over taal en literatuur die Qian schreef, waarin hij juist altijd vergelijkingen en verbindingen zocht tussen oost en west, is dat heus geen overtrokken conclusie. En om een nog boudere stelling te wagen: misschien voorzag hij daarmee zelfs wel hoe het er in de wereld zou uitzien in de 21e eeuw, kort na zijn dood. Heeft de westerse blik zich immers niet wat al te veel op de westerse kant van China gericht, terwijl het land op andere manieren sterker werd?
Dat is nog eens lezen met Chinese ogen, zou je kunnen zeggen.
Vertaald door diverse vertalers onder redactie van Annelous Stiggelbout
De jonge belofte Zhang Yueran (1982) staat bekend om haar droom- en nachtmerrieachtige werelden, waarin oude Chinese wonderverhalen en westerse sprookjes (Grimm, Pinokkio) vaak moderne, duistere lagen meekrijgen. Haar verhalen tonen veelal meisjes en jonge vrouwen die kampen met jeugdtrauma, verloren liefde en dood, waarbij legendes als die van de ‘concubine zonder hoofd’ of de ‘kleine witte bottengeest’ lijken te draaien om een verstoorde verhouding met het eigen lichaam. Anders dan de oudere Chinese generatie van ‘vertellers’, besteedt Zhang meer aandacht aan opbouw en constructie, met gevoel voor mysterie. Tegelijkertijd valt haar enige jeugdige romantiek niet te ontkennen; Zhang beschouwt deze bundel zelf ook als haar vroege werk. Daartegenover staat dat zij soms met kleine, suggestieve zinnen de lezer weet mee te voeren in eigenzinnige sferen, of het nu gaat om de schrijfster die in het verhaal ‘Binair’ heen en weer beweegt tussen een ex-vriendje dat homo is en een ridder op een wit paard, of om de zonnebloem die in het openingsverhaal verliefd wordt op Vincent van Gogh.
Jongens van glas van Pai Hsien-yung (ook: Bai Xianyong) staat bij ‘de 100 romans van Le Monde’, oftewel ‘les 100 romans qui ont le plus enthousiasmé Le Monde depuis 1944’, het jaar van de oprichting van de krant. Geen ranglijst, maar een chronologisch overzicht van 75 jaar romans, waarbij volgens de begeleidende tekst bewust een beetje van de gebaande paden is afgeweken. Vandaar ook misschien de voor dergelijke lijsten redelijk diverse keuze qua taalgebieden. Wat het Chinees betreft is ook Yu Hua (Brothers) van de partij, en voor het Japans Kobo Abe (La femme des sables) en Yasunari Kawabata (Tristesse et beauté). Zo zie je het niet vaak.
Bij elk boek wordt een (oude) recensie uit de krant geciteerd, en gek genoeg weet ik nog goed hoe ik die inderdaad zeer enthousiaste bespreking van Garçons de cristal, de Franse vertaling van André Lévy, in 1995 in Le Monde des Livres heb zien staan. Ik was in die tijd in Parijs, had net een paar voorzichtige stappen op het pad der vertaling gezet, en durfde er bij het beeld van die krantenpagina stiekem aan te denken de roman, die ik al kende en die me zo ontroerd had, ook ooit eens in het Nederlands te kunnen vertalen. Tien jaar later zei uitgeverij De Geus ja tegen Jongens van glas, waarover onder andere meer op Schwob.nl.
‘Un roman foudroyant, qui raconte les années 70 à Taïwan. Bai Xianyong porte un regard de connivence et de douceur sur la prositution masculine. Il épuise l’intensité romanesque, sans imposer de dénouement optimiste. Ce livre fait partie des oeuvres rares qui racontent les saccages de l’humanité mais ne dessinent pas de frontière entre bourreaux et victimes, bons et méchants, sauvés et repentis, ni ne suscitent un quelconque désir de revanche. Sans révolte, comme le narrateur Aqing, nous sommes anéantis de lucidité.’ – Hugo Marsan (24 mars 1995)
Gevraagd waarom er zoveel geweld in zijn werk voorkomt, antwoordt de Chinese schrijver Yu Hua steevast dat hij als kind in de Culturele Revolutie domweg veel gruwelen heeft gezien. Wat ook hielp was dat zijn ouders arts waren en hij vaak speelde in het ziekenhuis. In zijn romans Leven! en Broers is dat geweld ingebed in een historische setting, maar zijn korte verhalen, nu verzameld onder de titel Flesjes knallen, zijn andere koek.
Vertaald door diverse vertalers onder redactie van Jan De Meyer
Bevreemdende, soms parabelachtige teksten zijn het, waarin het geweld haast in zijn pure vorm optreedt. Neem het openingsverhaal, ‘Met achttien jaar de wereld in’, over een hoopvolle lifter die bloederig in elkaar wordt geslagen bij een overval op de vrachtauto die hem meeneemt. Meer wordt er amper verteld, veel context is er niet – of mogen we zijn ‘rode rugzakje’ als een politieke toespeling opvatten?
Nog iets verder gaat het kafkaëske ‘Het verleden en de straffen’, waarin een man moet verschijnen bij de ‘Strafexpert’, die hem een bijzondere straf wil laten ondergaan. Gewillig zegt de man toe, omdat hij hoopt dat de marteling hem kan ‘losmaken van een vage herinnering’: een gebeurtenis waarvan hij enkel de datum nog weet, 5 maart 1965, al moet er ook een straf mee zijn gemoeid. Een tergend abstracte verbeelding van trauma en verdrukte herinnering.
In Yu’s latere verhalen komt er meer ruimte voor compassie, zoals in ‘De jongen in het schemerlicht’, waarin een marktkramer een appeldief wreed aan de schandpaal zet, maar schuld en boete betrekkelijk lijken. Of voor humor, met een randje: in ‘Appendix’ willen twee zoontjes dat hun vader, chirurg, zichzelf aan zijn blindedarm opereert; ze houden de spiegel al klaar.
Toch overheerst de laconieke toon. Samen met zijn klare taal lijken Yu’s strakke composities soms iets al te simpels te hebben, alsof hij nog altijd met de argeloze blik van dat kind uit de Culturele Revolutie kijkt. Maar het is een blik die wel degelijk heel wat heeft gezien.
Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 21 april 2018
Na de seks lagen we naakt op bed te roken, zij aan zij. De asbak lag op mijn onderbuik. Elke keer als ze met haar lange, dunne vingers de as aftikte, was ik bang voor brandplekken. De cd-speler bij het hoofdeinde speelde zachtjes een symfonie van Bruckner. Bruckner is het beste om te luisteren na de seks, vind ik, er zit dat gedragen gevoel in van vergane dromen, vervlogen hoop. Roerloos lag ik daar. De angst om me te branden was nog erger dan zo’n brandplekje zelf kon zijn, besefte ik, maar ik had geen zin om de asbak te verzetten. Geen zin om me te verroeren.
‘Waar denk je aan?’
‘Nergens aan,’ antwoordde ik.
‘Weet je waar ik aan denk?’
‘Nou?’
Ze zweeg even, nam nog een trek en tikte de as weer af in de asbak. Met die lange, dunne vingers.
‘Aan mango’s.’
‘Mango’s?’
‘Ja,’ zei ze, een beetje dromerig, ‘aan mango’s, aan hoe ik met mijn nagels de dunne schil eraftrek, eerst één mango, dan nog één, en nog één, tot ik er vijf gepeld heb… Hoe ik dan met een scherp mesje het vruchtvlees lossnijd, dat ik in een blauwe porseleinen kom doe, zodat ik uiteindelijk vijf van die platte, grauwwitte pitten overhoud, waar alleen nog wat sliertjes vlees aan zitten.’
Ze nam een trek van haar sigaret.
‘En dan?’
‘Dan eet ik het vlees allemaal op. Puur vruchtvlees zonder pit eraan.’ Even liet ze een stilte vallen. ‘Heb je mijn mangopitten niet gezien?’
Ik schudde mijn hoofd. Die had ik niet gezien, net zomin als ik ooit de kleurenbuis van een tv had gezien.
‘Ik verzamel ze,’ zei ze nog steeds op die slaperige toon. ‘Ik droog ze en stop ze in grote glazen potten. Gedroogde mangopitten worden gelig van kleur, ze zijn mooi ovaal en helemaal bedekt met van die droge, fluweelachtige vezeltjes, heel bijzonder. Het zouden opgegraven schatten uit de oudheid kunnen zijn, maar ook vreemde objecten uit de ruimte, uit een verre toekomst.’
Ik probeerde me die gedroogde mangopitten voor te stellen, maar het lukte me niet goed. Ik was een beetje moe.
‘Eigenlijk ik heb nog nooit zo mango gegeten,’ zei ze, ‘daar dacht ik alleen maar aan. Ik weet ook niet waarom. Gewoon losse stukken mango eten, niet van de pit af, dat heb ik nooit iets gevonden. Bij een appel of een peer kan dat, maar bij een mango niet. Zal wel met die grote pit te maken hebben, de vorm ervan. Bij een appel of een peer kun je om de pitjes heen eten, zonder ze aan te raken. Bij een mango kan dat niet, daar kom je er geheid met je tanden tegenaan, als je hem al niet bij de pit moet vasthouden om hem überhaupt op te kunnen eten…’
Plotseling onderbrak ze zichzelf, alsof ze wakker werd uit haar dromerige toestand. ‘Je denkt zeker dat ik niet helemaal goed bij mijn hoofd ben?’ Ze keek me van opzij aan.
Ik schudde van nee. ‘Ik heb ergens gelezen dat je van seks introspectief wordt.’
‘Introspectief?’ Zwijgend leek ze dat woord te overdenken. ‘Je bedoelt dat je dan in je eigen lichaam ook opeens zo’n pit voelt zitten… daar waar je hart klopt?’
‘Zoiets ja, zou kunnen.’
Ik werd hoe langer hoe moeër. Voelde me bijna wegglijden.
Geruisloos kroop ze tegen me aan. Haar lange haren prikten tegen de ribben in mijn zij. Met haar sigaret tussen haar vingers tekende ze langzaam een cirkeltje boven mijn hart, alsof ze met een stippellijntje de plek van een incisie aftekende, voorafgaand aan de operatie.
‘Ik ga jouw pit eruithalen,’ zei ze.
Van schrik hield ik mijn adem in, tot ik het plotseling uitkermde van de pijn. Niet om wat ze had gezegd, maar vanwege de as, waaraan ik me dan toch eindelijk had gebrand.
Ik keek naar hoe ze zich aankleedde. Daar keek ik altijd graag naar. In mijn (zeer beperkte) ervaring zijn vrouwen die zich mooi uit- en aan kunnen kleden zeldzaam. Zo zeldzaam als sterren in de ochtend, zeggen ze weleens – waarvan zij dan ook nog eens de helderste ster was. Misschien had het met haar beroep te maken, ze was model. Ik weet nog dat ze een keer zei (als ik me niet vergis vlak na de eerste keer dat we met elkaar naar bed gingen, dus toen ik voor het eerst kon bewonderen hoe ze zich aankleedde): het belangrijkste van model zijn is niet het lopen op de catwalk, maar het omkleden achter de coulissen, het ene kledingstuk uitschieten en het andere aan, dat is in wezen – zoals ze dat zei – de kern van het model zijn. Ze had wel meer van die theorieën. Haar hobby was filosofie. In haar portfolio stak altijd een exemplaar van Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling. In mijn (zeer beperkte) ervaring zijn modellen met Schopenhauer in hun portfolio zo zeldzaam als zebra’s zonder strepen.
Ik zag hoe ze een wit slipje en een witte bh aantrok, effen wit, zonder enige opsmuk, zo eenvoudig dat ze wel handgemaakt leken. Ook haar spijkerbroek en witte T-shirt waren doodgewoon, van het simpelste model, maar zodra zij ze aanhad leken ze toch heel apart. Enfin, dat waren ze ook eigenlijk wel. Haar kleren bleken altijd tien keer zo duur als ik dacht. Dat was nou kwaliteitskleding, had ze eens gezegd, die zag er altijd doodgewoon uit, zonder pretenties.
‘Net als ik dus,’ grapte ik.
Ze lachte toegeeflijk. ‘Ja, net als jij.’
Maar ik vond mezelf bepaald geen kwaliteitsproduct, integendeel zelfs. Ik was gewoon in de zin van gemiddeld, alledaags. Paste ook op geen enkele manier bij haar. Ik was een centimeter korter dan zij (zij één meter tachtig, ik één negenenzeventig) en ik verdiende een vijfde van wat zij verdiende (zij ving meer dan tienduizend per maand, terwijl ik voor een waardeloos blaadje werkte dat vooral uit advertenties bestond – ik had haar ontmoet toen ik een image representative van een of ander modemerk moest interviewen). Geen flauw idee waarom ze op me viel. Omdat ze zich lekker bij me voelde, zei ze ooit, zo lekker als liggen op een oud beddenlaken dat net te drogen heeft gehangen en nog warm is van de zon. Ik was nog nooit met een oud beddenlaken vergeleken.
De echte reden was misschien dat ze gewoon behoefte had aan iets anders, dacht ik weleens. De modellenwereld, zoals ze me die beschreef, was niet echt de normale wereld. Je zag alleen maar beeldschone jongens en meisjes, je droeg de wonderlijkste creaties, zat constant in het vliegtuig en het was je werk om constant zonder enige gezichtsuitdrukking op en neer te lopen terwijl je bestookt werd door mitrailleursalvo’s van flitslichten. Het enige waarover je met elkaar praatte was wiens appearance fee weer omhoog was gegaan, wie er weer naar Parijs mocht, wie er weer een miljonair als vriendje had, enzovoort. Geen gezonde wereld, zei ze. In wezen – ‘in wezen’ was haar stopwoordje – was het niet veel anders dan een psychiatrische inrichting. Het wereldje stompte haar af, vermoeide haar, benauwde haar zelfs. Vandaar dat ze af en toe terug naar de normale wereld moest om op adem te komen. En ik was de sleutel tot die normale wereld.
We zagen elkaar één of twee keer per maand. Waren als twee satellieten die elkaar op gezette tijden kruisten, maar verder lusteloos onze vaste rondjes draaiden. Soms kwam ze bij me thuis. Dan belde ze van tevoren netjes op of het uitkwam. Ze was pas negentien, maar leek vaak volwassener dan ik.
Inmiddels was ze aangekleed. Ze moest haar vliegtuig gaan halen. Ik keek toe hoe ze vlug en ervaren haar vingers door haar haar haalde. Ze leek net een sierlijke kleine boom. Daarna boog ze voorover om me op mijn voorhoofd te kussen. ‘Slaap nog maar even,’ zei ze. Ik draaide me om en begroef mijn hoofd in het zachte dons. Ik hoorde haar hakken op de woonkamervloer. Hoorde het doortrekken van de wc. Hoorde de voordeur in het slot vallen. Daarna hoorde ik niks meer.
Schrijver Kong Yalei (1975)
Ik schrok wakker. Badend in het koude zweet. Alles donker om me heen. De telefoon stond te rinkelen. Ik stak zoekend mijn arm uit naar het toestel op het nachtkastje, waarbij ik de asbak, een colablikje en nog iets anders omverstootte. Toen ik opnam werd er net opgehangen. Ik liet de hoorn vallen en ging weer liggen.
Ik had een nachtmerrie gehad. Mijn hart ging als een bezetene tekeer. Ik probeerde me de droom te herinneren, maar het gedroomde was als een verongelukt schip dat langzaam maar zeker onder water verdween. Eerst de romp, dan het dek, dan de masten, tot er enkel een leeg zeeoppervlak overbleef. Wat had ik in vredesnaam gedroomd?
Alsof het een antwoord op mijn vraag was, voelde ik plots een hevige pijn in mijn borst.
Een pijn zoals ik die nog nooit had gevoeld. Een totaal nieuwe pijn. Het was of er een hand, dwars door mijn borst, mijn hart had vastgegrepen en er uit alle macht aan trok, alsof hij het eruit wilde trekken. In overweldigende golven straalde de pijn uit over mijn hele lichaam, als bij een aardbeving met mijn hart als epicentrum. Ik begon hulpeloos te kermen en sloeg mijn handen uit als klauwen, waarbij ik de lakens verfrommelde.
Ik ga jouw pit eruithalen. Had ze gezegd.
Ik hapte naar adem, hoorde mijn hart niet meer kloppen. Misschien was het al gestopt. Ik ga dood, dacht ik.
Hoelang het geduurd had wist ik niet, maar de pijn verdween even abrupt als hij opgekomen was. Zo plotseling dat ik even niet wist hoe ik het had. Stil lag ik op mijn buik, mijn gezicht op het kussen, als een gedroogde plant in een herbarium.
Ik ga jouw pit eruithalen. Hoorde ik haar weer zeggen. Natuurlijk had dit niets met haar te maken, dit was hartkramp, zo duidelijk als wat. Dit waren de klassieke symptomen van angina pectoris. De reden waarom ik dat zo zeker wist, was dat mijn vader, grootvader en overgrootvader er allemaal aan overleden waren. Buiten bijzonderheden zou ik er ook aan doodgaan. Het was erfelijk. Maar zo vroeg, dat had ik niet verwacht. Hoe dan ook vond ik mezelf nog altijd jong, te jong om aan zoiets als de toekomst te hoeven denken.
De toekomst.
Hoe zou mijn toekomst eruitzien?
‘Denk je weleens aan de toekomst?’ had ze me ooit gevraagd.
Nee, had ik gezegd.
‘Ik wel, heel vaak. In het modellenvak moet je wel, je begint op je vijftiende en je mag blij zijn als je het tien jaar kunt doen. Dus je moet wel een plan B hebben.’
‘Zoals?’
‘Zoals… een rijke man trouwen, achter de schermen gaan werken als ontwerper, of een studie gaan doen.’ Ze keek me aan alsof ze een lap stof bekeek. ‘Afijn, ik ben er nog niet uit.’
Ik was er wel uit. Terwijl ik daar verlamd op het bed lag had ik in een lucide halve minuut mijn hele toekomst overzien. Die lag klaarhelder voor me. Kort gezegd: mijn relatie met haar was tot mislukken gedoemd, mijn werk bood geen enkel vooruitzicht, ik zou sterven aan hartkramp.
Ik knipte de lamp op het nachtkastje aan. Op mijn wekkertje bleek het tien over één. Ik stond op en nam een hete douche. Nog altijd hét middel tegen de meeste kwellingen van het aardse bestaan, als je het mij vraagt. Na de douche keek ik in de spiegel – een angstaanjagend bleek gezicht. Ik legde een hand op mijn borst. Gelukkig, mijn hart klopte nog. De pijn was ook helemaal verdwenen. Wat moest ik nu doen? Het was midden in de nacht en ik was klaarwakker.
Ik ging aan de eettafel zitten en stak een sigaret op. Pakte het radiootje van de tafel, zette het aan, draaide wat aan de zenderknop. Op dit tijdstip had je bijna alleen maar programma’s over seks en uitzendingen waar bellers hun verhaal kwijt konden. Ik koos de eerste de beste zender die helder doorkwam.
‘Ik weet dat ik het niet moet doen.’ Een mannenstem. ‘Maar ik doe het toch, ik kan het niet helpen. Elk weekend is het weer raak, als een computervirus dat telkens weer de kop opsteekt. Ik ga naar een bar, maak oogcontact, begin een praatje, dan een drankje, en nog één, en nog één. Dan zoeken we een tentje op voor een late night snack, en daarna een plek om het bed in te duiken. Het is zo onderhand een vaste formule geworden, een routine, een soort lopendebandwerk gewoon. Maar een paar maanden geleden gebeurde er dus iets. Ik zal je eerlijk zeggen, ik weet niet eens meer hoe dat meisje eruitziet. We hadden allebei te veel op. Ik kan goed tegen drank, maar zoveel had ik nog nooit opgehad. Hoe dan ook, toen ik wakker werd had ik geen flauw idee waar ik was – en het duurde even voordat het me duidelijk werd. Uit het raam zag ik een grote neonreclame, waarop een elektronische klok de tijd aangaf: jaar, maand, dag, uur, minuut. Daaronder stond in steeds wisselende kleuren een tekst: dat het nog 98 dagen was tot de een of andere beurs. Het meisje lag naast me, diep in slaap, het neonlicht flikkerde op haar gezicht.
‘Ik voelde me een beetje misselijk. Met een tollende kop stond ik op en zocht op de vloer mijn kleren en tas bij elkaar, wat nog een hele toer bleek. Om haar niet wakker te maken kleedde ik me in de badkamer aan. Ik was nog niet klaar of ik viel bij de plee neer om te kotsen. Kotste zowat mijn hele maag leeg. Maar het luchtte wel op. Ik was in een hotel, dat zag ik aan de badkamerspulletjes. Toen ik naar sigaretten zocht in mijn tas, vond ik twee condooms, ongeopend in de verpakking. O nee, kreunde ik, als ik nou maar niks opgelopen heb. Maar ja, voor spijt was het te laat. Ik besloot een sigaretje te roken om me te kalmeren en daarna weg te gaan. Op de stoel in de kamer, naast het bed, stak ik er een op. Het meisje lag nog altijd roerloos te slapen, alsof ze door de een of andere prins wakker gekust moest worden.
‘Zo zat ik daar dus met mijn peukje te staren naar dat reclamebord buiten. Ik zag de cijfers van de elektronische klonk verspringen: 15 werd 16, 16 werd 17, 17 werd 18… tot ik opeens dacht: hier klopt iets niet. Turend naar die cijfers, die felle cijfers in de nacht, begon me iets te dagen. Toen wist ik het, patsboem – het was mijn verjaardag! Ik was dertig geworden. Straal vergeten! Het leek wel een elektrische schok die me totaal verlamde, ik kreeg een brok in mijn keel en barstte bijna in tranen uit. Aan de ene kant was het droefheid. Dertig jaar al, dat ik op aarde rondliep… Aan de andere kant was het ook angst, verwarring. Was dit het? Moest ik dan alsmaar zo verder?’
Hij zweeg. ‘Sorry, ik steek even een sigaretje op.’ Over de radio klonk het geluid van een aansteker. Ik wachtte, kijkend naar het zwarte toestelletje op mijn eettafel.
‘Een paar dagen geleden,’ ging hij verder, ‘drie dagen denk ik, werd ik gebeld. Midden in de nacht, om deze tijd ongeveer. Een onbekend meisje, dat alleen maar zei: ik ben zwanger. Daarna hing ze op. Ik belde meteen terug naar het nummer dat de nummermelder weergaf. Het bleek een openbare telefoon in een 24-uursshop.
‘Ik weet dat zij het was. Kan niet anders. Ik ben altijd heel voorzichtig, alleen die nacht had ik geen condooms gebruikt. Maar ik kan haar dus niet meer vinden. Ik heb geen telefoon van haar. Weet haar naam niet eens. Al dagen zit ik nu constant met dat beeld in mijn hoofd: ik in die stoel, te roken, zij op bed, aan het slapen, en buiten die flikkerende cijfers van de klok, in de nacht. En op dat moment moet in haar lichaam mijn zaadje zijn ontkiemd. Dat is toch gewoon een goddelijk teken, of niet? Een god die me op de dag van mijn dertigste verjaardag een kind geeft en me er dan naar laat zoeken. Je kunt niet alsmaar zo verder – dat was zijn antwoord op mijn vraag.’
Hij zweeg weer. Er volgde reclame. Ik zette de radio uit.
Kong Yalei’s verhalenbundel Volcano Hotel (2013)
Ik legde mijn handen plat op de tafel. Ze leken wel van iemand anders. Een kind, dacht ik. Toen ik op de universiteit zat was ik ooit met een meisje meegegaan om een abortus te laten doen. Maar dat leek alweer zo lang geleden, het had evengoed niet gebeurd kunnen zijn. Om de een of andere reden had ik opeens zin om mijn modellenvriendin te bellen, maar uiteindelijk liet ik dat zitten. Wat had ik haar ook eigenlijk te zeggen?
Ik vroeg me af wat ik nu moest gaan doen. Eigenlijk had ik best honger, merkte ik. Het laatste wat ik gegeten had was noedels voor lunch, samen met mijn modellenvriendin. Ik stond op, liep de keuken in en trok de koelkastdeur open. De koelkast was net zo’n schrale bedoening als mijn leven. Een halfje versteend fabrieksbrood. Slasaus van ver over de datum. Bijna onherkenbaar beschimmeld fruit. Niks eetbaars. Ik begon de koelkast uit te ruimen en gooide alle verpieterde dingen in de vuilnisbak, tot ik alleen nog een blikje Tiger Beer overhad en een zwart uitgeslagen mango. De koelkast, helemaal leeg nu, leek net een blinkend miniatuur-mortuarium. Terwijl ik met de ene na de andere plof alle spullen in de vuilnisbak aan het gooien was, speelde voortdurend dat zinnetje van die man op de radio door mijn hoofd – moest ik dan alsmaar zo verder?
Ik nam het bier en de mango mee naar de eettafel. Zette de radio weer aan en zocht een jazzzender op de kortegolf op. Luisterend naar de muziek en drinkend van het bier bekeek ik de mango, die naast het radiootje op tafel lag. Samen vormden ze een geheimzinnig stilleven. De mango was al verregaand verrot, hij voelde ook boterzacht aan. Vast vergeten door mijn vriendin het model. Ze was net zo bezeten van mango’s als ik van boeken.
Opeens had ik een inval. Ik zette mijn bier neer, stond op, pakte een oude krant van het koffietafeltje en spreidde die op de eettafel uit, waarna ik mijn Zwitsers zakmes erbij pakte en de mango begon te pellen. Ook het vruchtvlees was al zwart geworden, het leek wel modder en het rook behoorlijk eigenaardig. Toen ik op de helft was stopte ik even, omdat mijn oog was gevallen op een klein rubriekje in een onderhoek van de krant.
Het heette ‘De geschiedenis van vandaag’, eronder stond ‘De oktoberrevolutie’, met ernaast een plaatje. Ik las de tekst: 7 november is de herdenkingsdag van de Grote Socialistische Oktoberrevolutie. Op deze dag in 1917 kwamen onder aanvoering van Lenin de arbeiders en soldaten van Sint-Petersburg in opstand, om uiteindelijk de eerste, door Lenin geleide Sovjetregering in te stellen. De afbeelding toont de omsingeling van het Winterpaleis op de middag van 7 november 1917; na een kanonschot van de kruiser Aurora zouden duizenden revolutionaire strijders het Winterpaleis bestormen.
De hoeveelste was het vandaag? Ik kon er niet op komen. Na even peinzen ging ik verder met mijn mango, luisterend naar de jazz. Onder het pellen stelde ik me de bestorming van het Russische Winterpaleis voor. Toen ik al het vruchtvlees weggesneden had, aarzelde ik even, maar zette toen het mes op de pit en wrikte hem langs de rand open. Ik wilde zien wat er in zat. Een mangozaadje, bleek. Het was bijna zo lang als mijn pink en had veel weg van een klein menselijk embryo.
Een prikkelende Biblion|NBD-recensie van Wie wij zijn – een literaire kennismaking met China:
Modern Chinees proza van dertien auteurs als kennismaking met de moderne Chinese literatuur. Elf soms zeer korte vertellingen, twee prozagedichten en een voorwoord dat leest als een verhaal. Surrealistische vertellingen met veel geweld en misère, realistische vertellingen met vaak ook veel verdriet, filosofische stukjes over het typisch Chinese meisje of de gauw getrapte Chinese lange tenen. Over smaak valt niet te twisten, als smaakmaker om meer te lezen van de hier vertaalde dertien auteurs is er voor elk wat wils. De vertalingen zijn uitstekend, evenals de bibliografie, zodat het zoeken naar meer werk van deze schrijvers gemakkelijk is. Of het voorwoord, van een Nederlandse auteur, ook een verhaal is of realiteit, is een prettige vraag waar de lezer mee achterblijft.
Kunstenaar Jan Paul Hulsenbek maakte tekeningen geïnspireerd op een citaat uit Han Shaogongs Woordenboek van Maqiao:
In Maqiao tekenen ze een draak altijd zwart met een hertengewei, haviksklauwen, een slangenlijf, een runderkop, garnalensnorharen, tijgertanden, een paardengezicht, vissenschubben enzovoort… (…) Zo bezien is de draak dus helemaal geen dier en heeft hij ook niets te maken met de dinosauriërs uit de verre oudheid. De draak is een typische Chinese samenstelling van alle dieren, een abstracte samenvatting van al het leven op aarde.
Op een dag ontvangt Yang Fei het bericht dat hij zich uiterlijk om 9.00 uur in het uitvaartcentrum dient te melden, aangezien ‘het voorziene tijdstip van zijn crematie’ 9 uur 30 is. Met volgnummer A3 in de hand betreedt hij beduusd de wachtkamer en neemt plaats op een van de plastic stoeltjes voor het gewone volk, uitkijkend op de viproom met leunstoelen voor de rijken.
Vertaald door Jan De Meyer
De toon is gezet in Yu Hua’s nieuwe roman De zevende dag: China’s meest gelezen schrijver klinkt een stuk stemmiger dan in zijn grote, daverende Broers. Zodra Yang Fei begrijpt dat hij dood is en zich in een soort tussenportaal tussen sterven en uiteindelijke uitvaart, oftewel eeuwige rust bevindt, laat hij zijn beurt voorbijgaan en vertrekt, op zoek naar zijn vader, de man die terminaal ziek van huis wegliep om niemand meer tot last te zijn. Het is zijn eerste dag in een onbestemde wereld vol mist en natte sneeuw; er volgen er nog zes, één per hoofdstuk.
Algauw ontdekt Yang Fei dat er massa’s mensen door deze zone dolen, velen al zo lang dat ze hun vlees verliezen en skeletten worden. En iedereen geeft hem dezelfde reden: ze hebben geen geld voor een graf of urn, de grondprijzen in China zijn zo gestegen dat niet alleen een huis maar ook een plek op de begraafplaats onbetaalbaar is geworden. Een sterk beeld: de gewone Chinees is na een leven lang ploeteren niet eens zijn laatste rust gegund. De kritiek is ook duidelijk, want in China is de grond van de staat, geen privébezit.
Die kritiek steekt Yu Hua niet onder stoelen of banken. Alle verhalen van de doden die Yang Fei ontmoet getuigen van het maatschappelijk onrecht waarmee de Chinese sociale media een paar jaar terug volstonden: van mensen die zonder inspraak hun huis verliezen aan de sloop tot een schandaal van zevenentwintig te laat geaborteerde foetussen, een gevolg van de eenkindpolitiek.
Van Chinese lezers kreeg Yu Hua het verwijt dat hij bijna gewoon het nieuws navertelde, en inderdaad, de vele verhalen worden soms wat al te toevallig met elkaar verbonden. Toch kun je niet heen om de grote compassie die Yu Hua erin legt; keer op keer benadrukt hij de diepe liefde tussen al deze ongelukkigen, zelfs die tussen het meisje en het vriendje dat haar tot zelfmoord dreef door haar een nep-iPhone cadeau te doen. Er vloeien veel tranen, ook uit de lege oogkassen van de levende skeletten.
Chinese cover van De zevende dag
Die mengeling van het sentimentele en het macabere is soms wat lastig te accepteren. De skeletten dienen hier duidelijk niet als een streng ‘gedenk te sterven’, misschien moeten we eerder denken aan de beroemde taoïstische parabel van Zhuang Zi. De meester vond eens een schedel die hij ’s nachts gebruikte als hoofdkussen, waarna de schedel hem in een droom vertelde dat hij geen groter geluk kende dan de dood, want ‘in de dood zijn er geen heersers en onderdanen’ en is het met het harde werk gedaan.
Het is die gelaten doodsaanvaarding die tenslotte doorklinkt in De zevende dag, ondanks de christelijk klinkende titel. Doordat iedereen een skelet wordt, zeggen de ‘doden zonder graf’, zijn we hier allemaal gelijk. En ja, elke nieuwkomer wordt liefdevol opgenomen in deze haast idyllische gemeenschap, die misschien nog wel het mooist gesymboliseerd wordt door de gezamenlijke maaltijden die de geraamtes zonder ingewanden blijven nabootsen. Dat schijnt Yu Hua zijn personages uiteindelijk te gunnen: geen rust, maar een knekelig soort saamhorigheid.
Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 19 maart 2016