Literatuur in bits en games

Aan het eind van elk jaar wordt in China een lijst van de rijkste schrijvers uitgebracht. Dat Mo Yan, winnaar van de Nobelprijs voor literatuur van 2012, daarop staat, ditmaal op twee nog wel, zal niemand verbazen. Verrassender is het dat de top tien van het afgelopen jaar werd aangevoerd door de jonge fantasyschrijver Jiang Nan, buiten China niet bekend, maar in 2013 goed voor omgerekend drie miljoen euro, bijeengeschreven met titels als Novoland en Dragon Raja.

Fantasy is groot in China, en je kunt je er ook wel wat bij voorstellen: Lord of the RingsHarry Potter, maar dan in een decor geïnspireerd op de Tangdynastie. Niet zelden ook reizen hedendaagse personages terug in de tijd naar die tot de verbeelding sprekende bloeiperiode van de Chinese geschiedenis. Het pseudoniem van een andere grootverdiener in het genre spreekt wat dat betreft boekdelen: Derde Zoon van de Tangdynastie (Tangchao Sanshao). Als de rijkenlijst ook schrijvers mee zou tellen die alleen online actief waren, zou hij waarschijnlijk op één hebben gestaan. Want ja, Chinese fantasy speelt zich vooral af op het internet.

Internetliteratuur, dat is in China aardig wat groter dan in Europa of zelfs in de VS. Niet alleen vanwege de laagdrempelige publiceermogelijkheden, of als uitwijkplaats voor de literaire, experimentele underground, maar ook omdat de censuur er nu eenmaal wat minder strikt is dan in de gedrukte cultuur. Tegelijkertijd is het ook big business: er zijn talloze hippe, slimme portals, die ook buiten China met argusogen worden bekeken – om de business models die erachter steken, welteverstaan. Een van de succesvolste platforms, Cloudary, gelanceerd door het online-literatuurbedrijf Shanda, zegt 1,6 miljoen schrijvers onder contract te hebben, schrijvend voor 60 miljoen geregistreerde lezers, een enorm deel van de in totaal 230 miljoen die er volgens de China Daily in 2012 waren.

Hoe je daar geld aan verdient? De typische vorm van internetliteratuur is het feuilletonverhaal, waarbij je als lezer gratis het eerste hoofdstuk krijgt voorgeschoteld, op je pc, mobiel of ereader, en vervolgens moet betalen voor de vervolgafleveringen. Internetauteurs schrijven dan ook vaak in een moordtempo, waarbij ze ook nog eens feedback van de lezers verwerken in hun notoir slordige plots. Alles draait om de gunst van de lezer: de schrijvers met de meeste kliks verdienen het meest – en worden als bonus ook nog eens uitgeven in papieren vorm. Zo krijg je in de boekhandel het rare fenomeen van een kast met ‘internetliteratuur’ in traditionele, gedrukte boeken.

Maar daar houdt het niet op. Het bedrijf Shanda organiseert bijvoorbeeld ook fandagen waarop lezers hun schrijvende idolen kunnen ontmoeten. Soms wordt daar zelfs een heel voetbalstadion voor afgehuurd, en de fans kunnen er niet alleen handtekeningen verzamelen, maar worden er ook getrakteerd op bewerkingen van de internetverhalen in games – want ook naar die industrie dijt het genre uit, vaak via de verwerking in mangastrips.

Natuurlijk, met een industrie die verhalen zo verhandelt als content voor games, kun je je afvragen of literaire kwaliteit er nog toe doet in deze omgeving. Weinig internetauteurs breken door naar klassieke literaire uitgevers en velen zien zichzelf als leveranciers van ‘voordelig vermaak voor de geest’, zoals Tangchao Sanshao het op CCTV ooit zei. Maar toch, dat voetbalstadion is wel gevuld met lezers, niet met popfans, het hele evenement is wel uitgegaan van het geschreven woord. Dat zegt toch iets: 230 miljoen online lezers is niet alleen veel omdat China zo groot is, in China wordt gewoon veel gelezen.

Dat komt denk ik doordat literatuur altijd al zo’n centraal onderdeel van de Chinese cultuur is geweest, voornamelijk door haar sterke maatschappelijke functie – van oudsher. Zoals de ambtenaren in het klassieke China via poëzie over onrecht in het rijk rapporteerden aan de keizer, zo pende Nobelprijswinnaar Mo Yan ooit in veertig dagen een boze roman neer over een grove misstand bij hem in de streek. Daarmee is nog niet alle literatuur per se sociaal betrokken, maar de literatuur reageert in China wel snel en direct op de werkelijkheid, is er veel meer een aardse dan een verheven zaak, minder een schilderij aan de muur dan iets wat vrij en vanzelfsprekend midden in het leven staat. En misschien stroomt ze daarom wel zo vrij en gemakkelijk door in de vorm van online bits en computergames, zowel op de schermpjes van smartphones in de metro als onder grote menigten in een voetbalstadion.

Oorspronkelijk verschenen op China2025.nl, het China crowdblog

China’s geschiedenis als slapstick

In het nawoord bij zijn grote succesroman Broers schrijft Yu Hua, een van China’s bekendste auteurs van nu, dat het boek is voortgekomen uit een ‘ontmoeting tussen twee tijdperken’. Enerzijds de Culturele Revolutie, een tijdperk van fanatisme en onderdrukking ‘dat vergeleken kan worden met de Middeleeuwen in Europa’; anderzijds het heden, een tijdperk van morele ontwrichting en hedonisme, ‘en dit nog extremer dan in het Europa van vandaag’. Kortom: een westerling ‘zou vier eeuwen moeten leven’ om te ervaren wat een Chinees in veertig jaar heeft doorgemaakt.

Vertaald door Jan De Meyer

Of die westerling kan Yu Hua’s roman lezen, waarin twee halfbroers die veertig jaar doorlopen – vanwege hun tegengestelde karakters elk op een andere manier. Ze groeien op, net als Yu Hua, tijdens de Culturele Revolutie, om in de jaren van de economische opmars langzaam van elkaar te vervreemden, en niet alleen omdat ze dezelfde vrouw begeren. Terwijl de brave arbeider Song Gang ten onder gaat in de nieuwe maatschappij, weet het boefje Kaalkop zich handig op het werken tot een van de rijksten van het land – zo rijk dat hij zich zelfs een ruimtereisje kan veroorloven.

Uit dat laatste blijkt al dat Yu, om het contrast van vier eeuwen te schetsen, het rücksichtslos in de overdrijving zoekt, zoals ook zijn vakbroeder Mo Yan dat graag doet. De waanzin van Mao’s klassenstrijd, in het eerste deel, is nog niet zo verrassend voor wie Yu’s eerdere werk kent. Klinische beschrijvingen van gruwelijk geweld vond je ook in de romans Leven! (1992, verfilmd door Zhang Yimou) en De bloedverkoper (1996), en het argeloze kinderpersectief maakt een en ander ook nog wel aannemelijk. Het is de waanzin van de consumptiemaatschappij in het tweede, tweemaal zo lange deel, die tot werkelijk groteske toestanden leidt.

Ten eerste is er de veelbetekenende manier waarop Kaalkop zijn geld verdient. Geholpen door gehandicapten uit een kansloze sociale werkplaats, bouwt hij zijn imperium uitgerekend op basis van afvalverwerking. Dan is er wat hij met zijn geld doet, naast het opkopen van zowat het hele stadje waar de roman zich afspeelt. Gluurde hij tijdens de puriteinse Culturele Revolutie nog in stinkende latrines naar vrouwenkonten, als tycoon slaapt hij met ontelbare vrouwen, onder wie de finalisten van een grote Miss Maagdelijkheidsverkiezing, een absurd festijn waarbij alle deelneemsters toch al rustig met de jury naar bed gaan, aangezien de handel in kunstmatige maagdenvliezen welig tiert.

Zijn sullige, bijna seksloze broer, intussen, probeert na zijn ontslag uit de staatsfabriek zijn kostje te verdienen met de verkoop van borstvergrotende crème, waarvoor hij zich chirurgisch, als levende reclame, een paar borsten aan laat meten. Yu Hua schrijft dit allemaal uiterst droog en laconiek op, in groot detail, zonder metaforen en zonder commentaar. De roman is mede zo dik, met 850 pagina’s misschien wel iets te dik, doordat Yu voor alle scènes ruim de tijd neemt, telkens weer beeld op beeld stapelt en alles alleen maar gekker maakt. Het trieste einde van de sullige broer wordt daar wel wat moeilijk invoelbaar door, hoeveel tranen Kaalkop ook om hem plengt. Het is alsof Yu na alle overdrijving ook emoties alleen maar kan presenteren als vet sentiment.

Nu is sentiment geen vies woord in de Chinese literatuur, en ook het laten spreken van de beelden is er gebruikelijker dan een beschouwende, onderzoekende inslag. Toch zul je van Yu Hua niet eens het begin van een antwoord krijgen op de vraag waar alle waanzin in het boek vandaan komt. Zijn personages schijnen zich die vraag ook niet te stellen. Yu duidt ze vaak aan als ‘de massa’s’, met een ironische knipoog naar het maoïsme, of anders wel als ‘de smid’ of ‘de tandentrekker’; het zijn kortom welbewuste karikaturen, grof omlijnde types die net als in zijn eerdere romans enkel bezig lijken te zijn met overleven, niet verder kijkend dan het ‘gestoomde broodje’ van de volgende dag.

Yu Hua

Dat politieke beperkingen Yu Hua van zo’n onderzoek afhouden, vooral waar het de Culturele Revolutie betreft, is maar ten dele waar. Hij is weliswaar een prominent lid van de Schrijversbond – en dus niet echt de doorn in het oog van het regime, zoals de cover blurb roept – maar in het buitenland wil hij de laatste jaren weleens zijn mond opendoen. In zijn essaybundel China in Ten Words (Vintage 2012), die hij bewust niet in China uitbracht, gaat hij bijvoorbeeld expliciet in op een politiek taboe als het Tiananmen-incident van 1989, dat hij in Broers slechts indirect kan laten voorkomen. Maar ook daar: enkel impressies, geen zucht naar antwoorden.

In Broers is het alsof hij de antwoorden gewoon niet heeft. De verteller ratelt maar door, in een vaak rauwe stijl vol herhalingen en stoplappen; bij alle personages parelt het zweet op dezelfde manier en alle smeden en tandentrekkers vloeken op dezelfde manier. De verteller lijkt daardoor net zo waanzinnig als de wereld om hem heen. Sterker nog, hij heeft het telkens over ‘ons stadje’ – hij zit er dus letterlijk middenin, hij beschrijft het alsof het hem allemaal ook maar overkomt, en het nog steeds niet kan geloven. Dat was dan ook vast wat Yu Hua in zijn nawoord bedoelde: misschien moet de westerling die het ambitieuze Broers oppakt zijn ongeduldige vragen maar even wegstoppen en het allemaal eerst maar eens domweg ervaren.

Lees ook: Bloedverkopen om te overleven

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 16 maart 2013

Chinees blogfenomeen

Als Han Han, het immens populaire blogfenomeen uit China, vroeger op school een opstel moest schrijven, ging hij altijd even na welke politieke leuzen er in zwang waren. Liep er een overheidscampagne tegen spugen op straat, dan beschreef hij hoe hij met blote hand een fluim van een voorbijganger had opgevangen en kon hij, met een afsluitend woordje van lof voor ‘onze grootse natie’, geheid rekenen op een goed cijfer.

De opmerking is tekenend voor Han Han, en niet alleen als je weet dat hij op zijn zeventiende van school ging en met een roman over een slimme, gevatte schoolverlater prompt alle bestsellerrecords brak. Nee, ook om de conclusie die hij eraan verbindt: het Chinese onderwijs dwingt jongeren te veel in een keurslijf, een authentieke mening is in een schoolopstel niet gewenst, waardoor je mensen kweekt die denken dat ze alles aan de hogere machthebbers te danken hebben, niets aan hun eigen talent.

De bundel werd in 2013 (uit het Chinees) in het Nederlands vertaald door Annelous Stiggelbout en Mathilda Banfield

Het is de rode draad in de Engelstalige bundeling blogs This Generation, uitstekend samengesteld door vertaler Allan Barr uit Han Hans al dan niet door de censuur verwijderde postings van 2006 tot 2012. Eenzelfde gebrek aan ‘individuele flair’ verwijt de inmiddels dertigjarige sterschrijver-annex-rallycoureur het Chinese voetbalteam: ‘Zelfs mijn moeder kan al zien waar de passes heengaan, laat staan de tegenstander.’ Maar vaker is zijn eigen generatie het mikpunt van spot, vooral vanwege hun enge nationalisme – ook een product van het onderwijs.

Han Han kan zich erg vrolijk maken over de sullige protesten die op internet worden aangetekend tegen bijvoorbeeld het beeld van China dat in westerse films als Mission: Impossible wordt getoond. Was die aan balkons te drogen hangt? Dat zijn Indiase taferelen, een volstrekte belediging van China! Als een CNN-reporter met een handgranaat naar China zou komen en een stel mensen zou opblazen, grapt hij, zou er minder verontwaardiging klinken dan als die reporter alleen een denigrerende opmerking over het Chinese volk had gemaakt. Dit alles plaatst de felle anti-Japanse protesten naar aanleiding van de bekende betwiste eilandengroep in een ontluisterend perspectief: ook daar toont Han Han fijntjes aan dat dat patriottisme niet zozeer diepgeworteld is als wel ‘aangeleerd’.

Maar niet alleen de jeugd, ook de overheid mist volgens hem opvoeding. Keer op keer hoont hij het knullige optreden van ambtenaren, waarmee de overheid steeds verder haar gezag onder de bevolking verliest. Hij fileert de beschamende toestanden bij rampenbestrijding (aardbeving in Sichuan, ongeluk hogesnelheidstrein) en ook het staatstoezicht op internet moet eraan geloven. Zo maakte de provincie Gansu ooit overijverig bekend dat ze ‘650 internetcommentatoren’ ging inzetten om de publieke opinie daar ‘in goede banen te leiden’. Natuurlijk hadden die ‘mollen’ geheim moeten blijven, met als gevolg dat de overheid zijn eigen provinciale staf moest gaan censureren om het nieuws te blokkeren! Ja, wat censuur betreft is Han Han op zijn vileinst: de brand in het gebouw van de Chinese staatstelevisie roept bij hem enkel leedvermaak op, het is de climax van de ‘lange loopbaan in zelfverbranding’ waarop dat ‘nieuws-vertekenende’ instituut zich kan beroemen.

Niet voor niets geeft Han Han zijn stukjes over ambtenaren titels mee als ‘Cursus overheidsfunctionaris, les één’ – telkens weer laat hij met een knipoog zien dat men in China niet zelf leert denken. En als er iets is wat hij door zijn teksten zelf doet, is het de miljoenen jonge lezers die hij heeft porren om dat juist wel te doen. Porren, want belerend is hij niet: hij gaat altijd van zichzelf uit, en zelfspot is hem ook niet vreemd.

Han Han als rallycoureur

Buitenlandse commentatoren ‘verwijten’ Han Han weleens dat hij zich er vaak maar met een grapje vanaf maakt en nooit eens de stap naar het echte dissidentschap waagt. Maar na lezing van de zestig column-achtige stukken in This Generation kun je alleen maar concluderen dat Han Han daar domweg het type niet voor is. Hij blijft onafhankelijk en heeft geen program, niet eens uit voorzichtigheid, eerder uit overtuiging.

In de recentste stukken vertelt hij hoe hij na veel mopperen op het systeem en koppig blootleggen van onrecht tot het besef is gekomen dat het anders moet. Al te grote idealisten dreigen volgens hem de realiteit uit het oog te verliezen en kunnen soms net zo dictatoriaal worden als de machthebbers waartegen ze zich verzetten. Een schrijver moet daarom bereid zijn niet alleen de machthebbers maar ook het volk aan te pakken. De Partij is bovendien zo groot dat ze bijna één is met het volk, dus als je het volk verandert, verander je alles. Democratie, stelt hij, komt er vroeg of laat toch, maar daarvoor zijn eerst een beter rechtssysteem, onderwijs en cultuur nodig.

Deze ‘nieuwe mildheid’ kwam hem op kritiek te staan, maar eigenlijk doet hij op zijn eigen manier wat veel dissidenten zeggen. Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo, bijvoorbeeld, schrijft in zijn bundel Ik heb geen vijanden, ik ken geen haat (De Geus 2012) dat een ‘drastische regimewijziging’ niet aan de orde is en het te volgen pad voorlopig ligt in ‘hervorming van onderaf’ en het creëren van een ‘zelfbewust volk’. Wel, bewustmaking is bij uitstek Han Hans ding, en hij spreekt ook nog eens de taal van het volk: ‘Pas als Chinezen in de auto leren hun grootlicht te doven bij tegenliggers, zijn ze rijp voor democratie’.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 2 februari 2013

Scherpe en groteske contrasten

In 2002 kwam Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë op bezoek bij Mo Yan in zijn nu wereldberoemde geboortedorpje Gaomi, en ontmoette daar diens tante: een gepensioneerd verloskundige die in haar leven niet alleen vele kinderlevens had gered, maar er vanwege de éénkindpolitiek ook vele had moeten voorkomen. Daar moest Mo Yan eens een boek over schrijven, zei Oë, en zo geschiedde. In 2009 verscheen Kikkers, waarin aspirant-schrijver Kikkervisje in vier lange brieven en een toneelstuk het verhaal van zijn Tante aan de gevierde Japanse auteur Sugitani vertelt – een klein eerbetoon van Mo Yan aan meester Oë, met wie hij inmiddels de Nobeleer deelt.

Vertaald door Silvia Marijnissen

Al is Tante het uitgangspunt, Kikkervisje toont zich een echte Chinese schrijver door haar niet zozeer centraal te stellen als wel spontaan, natuurlijk, naar voren te laten komen uit een bonte lappendeken van verhalen. Uit een bonte stoet van personages ook, met kleurrijke namen als Neus, Wenkbrauw of Onderlip, aangezien ze volgens de plaatselijke gewoonte naar lichaamsdelen zijn vernoemd.

Kikkervisjes verhalen stromen maar voort, het ene opmerkelijk, het andere banaal, en daartussendoor zie je Tante, een doortastend en zelfs grofgebekt type, haar ‘verloskunde nieuwe stijl’ praktiseren. Bijna ongemerkt doet in de jaren zeventig de gezinsplanning zijn intrede, eerst mag twee kinderen nog wel, dan moet het echt blijven bij één – en bijna plotseling zie je Tante, in de tweede brief van het boek, als een meedogenloze overheidsfunctionaris een vrouw achtervolgen om haar te dwingen tot abortus.

Hoe schokkend de transformatie ook is, het lijkt niet Mo Yans opzet om te verklaren hoe die zich in Tantes hoofd heeft voltrokken. Hij presenteert geen lineaire ontwikkeling, maar een contrast: in zijn eerste brief schonk Tante continu het leven aan kinderen, in de tweede is ze de boodschapper van de dood. Dat denken in contrasten, zonder duidelijk de verbanden aan te geven, is eigen aan de Chinese kunst, van poëzie tot film, maar bij Mo Yan is het altijd een graadje scherper en grotesker.

Ga je op die contrasten letten, dan valt er algauw nog een op. In de tweede helft van het boek zijn we in het heden beland, en is de gezinsplanning met de tijd meegegaan. In het plattelandsdorpje is een luxe, Sino-Amerikaanse kraamkliniek voor de rijken gekomen. En waar ‘illegaal zwangere’ vrouwen zich vroeger moesten verstoppen, vluchtend als ‘guerrillatroepen’, zoals ze ironisch werden genoemd, kan men nu illegaal een draagmoeder huren, eventueel ‘inclusief seksuele relatie’. Het cynisme spat ervan af, en is typisch Mo Yan – maar opnieuw ondergaan de personages de veranderingen tamelijk onverstoorbaar.

De Chinese cover van Kikkers

En misschien is er ook wel niet zoveel veranderd, ga je vanzelf denken: de waanzin van deze commerciële decadentie verschilt eigenlijk niet zoveel van de waanzin waarmee de geboortebeperking eerder werd uitgevoerd, met de wilde klopjachten die Mo Yan zo plastisch beschrijft. En Tante, is zij eigenlijk wel zo veranderd? Met haar sterke, koppige karakter heeft ze altijd even fervent het overheidsbeleid uitgevoerd: zij bleef hetzelfde, het beleid veranderde. Is ze slachtoffer? Medeverantwoordelijk? Allebei? Eén ding is zeker: op het eind van haar leven zit ze met een immens schuldgevoel, verbeeld door haar panische angst voor kikkers – een woord dat in het Chinees net zo klinkt als ‘kinderen’: wa.

Dat is het engagement van Mo Yan. Hij schildert alles in forse streken, maar de lezer mag het denkwerk doen. Zo pakte hij het ook aan in zijn Nobelspeech: op het einde vertelde hij drie verhaaltjes, alledrie over schuld, maar zonder commentaar – leest u ze maar na op www.nobelprize.org.

Bij alle felle debatten over de politieke betekenis van zijn Nobelprijs, koos Mo Yan afgelopen maandag in Stockholm voor een verweer via de literatuur. In zijn aanvaardingsspeech zei hij dat hij een verhalenverteller is en de prijs heeft gekregen om zijn verhalen. ‘Een schrijver spreekt het beste door te schrijven. Alles wat ik te zeggen heb, staat in mijn werk. Het gesproken woord vervliegt, het geschreven woord blijft. Ik hoop dat u de tijd kunt vinden om mijn boeken te lezen.’

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 15 december 2012

De niet-spreker

Met dit boek wil ik eerbiedig de gekrenkte geesten oproepen van de helden die door de oneindige, dieprode korenvelden van mijn geboorteplaats dolen. Ik, uw onwaardige zoon, ben bereid om mijn hart uit mijn lijf te snijden, het in een marinade van sojasaus te leggen, het fijn te hakken en het over drie kommen te verdelen en die als offerande in het rode korenveld te plaatsen. Dat u het in goede gezondheid moge nuttigen!

Uit Het rode korenveld, vertaald uit het Engels door Peer Nijmeijer, Bert Bakker 1994

Mo Yan tijdens de Nobelceremonie met de Zweedse koning, december 2012

Vanaf de eerste zinnen van zijn eerste roman, hierboven afgedrukt, was het er al, het ‘hallucinerende realisme’ waarmee Mo Yan volgens het Nobelcomité ‘volksverhalen, geschiedenis en het heden vermengt’. In Het rode korenveld uit 1986, mede bekend geworden door de verfilming van Zhang Yimou, bezingt een ‘onwaardige zoon’ zijn heldhaftige voorouders, die zich in de jaren dertig met hart en ziel tegen de Japanse bezetter verzetten. Hun bovenmenselijke dapperheid schildert Mo Yan letterlijk in geuren en kleuren: de rauwe zwarte aarde en vooral het schitterende rode koren waaraan de oude generatie zijn vitaliteit lijkt te ontlenen – op een bijvoeglijk naamwoord heeft Mo Yan nooit gekeken. Maar voortdurend heen en weer bewegend tussen heden en verleden wordt steeds sterker het contrast duidelijk tussen de hedendaagse, slappe nietsnut en de pure, bijna dierlijke plattelanders. De vitaliteit is in het tegenwoordige China dan ook verloren gegaan: ‘Het koren dat op een zee van bloed lijkt, waar ik keer op keer de lof van heb gezongen, is in de kolkende stroom van de revolutie verdronken.’

Je zou haast kunnen zeggen dat de ruim tien kloeke romans en de meer dan honderd verhalen die hij sindsdien aan de lopende band zou schrijven, als het ware allemaal om deze daverende opening en om zijn gemythologiseerde geboortedorpje Gaomi, waar het koren staat, heen zouden blijven cirkelen, almaar uitdijend, in dikkere en dunnere jaarringen. Hij zou de hele 20e-eeuwse geschiedenis induiken: vaak keerde hij terug naar de periode voor de communistische Volksrepubliek, de tijd van de Chinees-Japanse oorlog en de burgeroorlog tussen de Communisten en de Nationalisten. Bij zijn roman Grote borsten, brede heupen (1995) kwam hem dat bij wijze van uitzondering op een tijdelijk uitgeefverbod te staan: hij zou de communisten niet heroïsch genoeg geportretteerd hebben. Maar voor Mo Yan was het niets dan de realiteit: ‘Zo heb ik het van de oude mensen bij mij op het platteland gehoord’, zei hij in de Volkskrant in januari 2004.

Het rode korenveld werd in 2015 direct uit het Chinees vertaald door Jan De Meyer

Vaker nog doorloopt Mo Yan de turbulente decennia van communistisch China, van 1949 tot het heden, zoals in het nog niet in het Nederlands vertaalde Life and death are wearing me out (2006), waarin een grootgrondbezitter, reïncarnerend in achtereenvolgens een ezel, os, varken, hond en aap alle politieke campagnes en sociale omwentelingen meemaakt. Soms maakt hij zich echter ook kwaad over een bepaalde misstand en ramt hij er in luttele weken een fel j’accuse uit, zoals De knoflookliederen (1988), waarin een groep boeren door wanbeleid van de overheid met enorme bergen onverkoopbare knoflook komt te zitten – de geur dampt van de bladzijden, want laat dat maar aan Mo Yan over. Zijn weelderige, barokke stijl zou altijd herkenbaar blijven, en het is ook niet voor niets dat hij zich spottend het pseudoniem mo yan aanmat, dat ‘niet spreken’ betekent – als om zijn woordenvloed in te dammen. In De wijnrepubliek (1992) parodieerde hij zijn eigen stijl zelfs door zichzelf op te voeren in een hard-boiled detectiveverhaal dat zich afspeelt in het fictieve stadje Alcoholica, dat bekend staat om zowel zijn overvloedige wijnconsumptie als zijn decadente banketten, waarbij naar verluidt – de inzet van de intrige – mensenbaby’s worden geserveerd. Mo Yan, die daar gefêteerd wordt om zijn literaire verdiensten, verdwijnt er lallend in de goot…

Om die stijl en om zijn grote productiviteit wordt Mo Yan weleens gemakzucht verweten: hij schrijft zijn boeken te snel en door de telkens weer wijd uitwaaierende beschrijvingen gaan sommigen twijfelen of hij nog wel iets te zeggen heeft. Toch is hij qua compositie ook best eens wat ambitieuzer en giet hij een boek als De sandelhoutstraf (nog onvertaald in het Nederlands) bijvoorbeeld in de vorm van een lokale opera. En zijn laatste roman, Kikkers (2009), die later dit jaar in het Nederlands verschijnt (voor het eerst direct uit het Chinees vertaald), kent een brievenvorm, met als slothoofdstuk een toneelstuk. Bovendien snijdt hij hierin een gevoelig politiek onderwerp aan: China’s eenkindpolitiek – een onderwerp dat hij naar eigen zeggen allang in de pen had, maar waarvoor hij de juiste gelegenheid, lees: het juiste klimaat, afwachtte.

De wijnrepubliek werd in 2014 direct uit het Chinees vertaald door Yves Menheere

Dat laatste kenmerkt Mo Yan eveneens: als schrijver die in China woont, werkt en publiceert, weet hij heel goed waar de grenzen van het politiek toelaatbare liggen. En ook weet hij dat de ruimte die het Chinese regime zijn schrijvers laat de laatste jaren steeds groter wordt – het feit dat zijn aanvankelijk verboden boek Grote borsten na zes jaar in 2003 alsnog werd gepubliceerd laat dat goed zien. Toch wordt Mo Yan in China weleens als te onkritisch, te meegaand weggezet, al is dat eigenlijk een recente ontwikkeling. Mo Yan gold altijd als een vrij eigengereid schrijver, iemand die niet echt bij een clubje of bij het establishment hoorde, en ook weleens afgaf op een institutie als de Chinese Schrijversbond, die schrijvers salaris en woningen geeft en er, in zijn ogen, dorre, woordentellende ambtenaren van maakt. Maar ruwweg sinds de Frankfurter Buchmesse van 2009, waar China gastland was, is diezelfde Schrijversbond duidelijk begonnen Mo Yan naar voren te schuiven als de officiële ‘kandidaat uit Peking’, waarschijnlijk inspelend op zijn in het buitenland steeds hoger ingeschatte kansen voor het winnen van de Nobelprijs voor de literatuur.

Enerzijds is dat niet verwonderlijk: als je Mo Yan naast de andere bekende Chinese schrijvers van nu zet, zoals Yu Hua of Su Tong, voldoet hij, met zijn maatschappelijke begaanheid en met name zijn diepe en veel gelaagde historische besef, het beste aan het Nobelprofiel. En dat hij wat voorzichtig is in zijn politieke stellingname heeft er ook toe geleid dat hij, in elk geval in China, een grote lezersschare heeft. Maar toch is het vriend en vijand opgevallen dat hij, na Frankfurt, wel vaker door de Schrijversbond werd opgetrommeld. Wat de afgelopen weken op het Chinese internet opspeelde was ook het feit dat Mo Yan eerder dit jaar, samen met 99 andere schrijvers en kunstenaars, inging op het verzoek om Mao Zedongs beroemde toespraken over kunst en literatuur met de hand over te schrijven voor een speciale herdenkingsuitgave. Deze Toespraken (zie een recent artikel in tijdschrift De Gids 2012/6) staan symbool voor Mao’s grimmige cultuurpolitiek die tot vele schrijversvervolgingen heeft geleid. Voor sommige deelnemers aan de verhitte internetdiscussies diskwalificeerde Mo Yan zich hiermee ten enenmale als schrijver – en als Nobelprijskandidaat.

Hoe Mo Yan hier over denkt weten we nog niet – hij sloot zich na alle geruchten deze weken op in zijn dorpje Gaomi. Maar het zal zeker interessant worden om te zien hoe de discussie zich ontwikkelt: wat gaat officieel China zeggen, nadat zij bij de Nobelprijzen voor de vrijwillige balling Gao Xingjian (literatuur, 2000) en burgerrechtenactivist Liu Xiaobo (vrede, 2010) had verklaard dat het comité volstrekt onjuiste, politiek gekleurde criteria hanteerde? En wat gaat Mo Yan, de niet-spreker, zeggen als hij in Zweden zijn prijs gaat ophalen en door journalisten ongetwijfeld over Liu’s ‘lege stoel’ zal worden bevraagd?

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 12 oktober 2012

‘Het leven is politiek; het is erdoor gebrandmerkt’

Mo Yan woont nog altijd in een legercompound in Peking, niet ver van de Verboden Stad, ook al is hij niet meer verbonden aan de Kunstopleiding van het Bevrijdingsleger. ‘Dat instituut is een erfenis van het revolutionaire verleden,’ zegt hij, ‘toen kunstenaars, van musici tot dansers, ook als militairen werden gezien, die moesten meevechten om de Volksrepubliek te stichten. Maar een leger dat nu, in vredestijd, nog acrobaten opleidt, dat is toch eigenlijk absurd! De schrijvers schrijven ook al lang niet meer over het leger, zoals ze geacht worden te doen.’ Dat Mo Yan in 1997 na twintig jaar afzwaaide, heeft alles te maken met zijn roman Grote borsten, brede heupen.

‘Het boek verscheen eind 1995 en won begin 1996 direct een prijs. Maar liefst 100.000 yuan (10.000 euro), destijds veel geld, zeker voor de gemiddelde Chinees. Daarna werd ik meteen aangevallen in de pers: ik zou met de titel alleen op sensatie uit zijn, met seks de verkoop willen aanwakkeren! Afijn, de kritiek nam toe, en de spanningen liepen op omdat ik bij het leger en dus bij de overheid zat. Op een gegeven moment werd er in allerijl een politieke onderzoekscommissie ingesteld, bestaande uit de collega’s van mijn eenheid, die het boek in één avond van commentaar moesten voorzien. Ieder kreeg een hoofdstuk te lezen, waarna de bevindingen bij elkaar werden gelegd. Ik moest een zelfkritiek schrijven. Maar die werd netjes voor mij opgesteld en ik hoefde hem alleen maar te ondertekenen. Goed, zei ik, ik teken wel, dan kunnen jullie tenminste gaan slapen.

‘Niet lang daarna ben ik uit mijn functie gestapt. De materiële omstandigheden waren goed, mijn salaris hoog, maar dat wilde ik graag opgeven voor mijn creatieve vrijheid. Dat er in China geen echte romans van betekenis verschijnen, heeft veel te maken met instellingen als deze, en ook de Schrijversbond, die je in alle communistische landen hebt. Iedereen die ook maar een beetje kan schrijven, krijgt van de Bond een salaris en een woning. Vervolgens maakt het niet uit of je een dag niet schrijft, of helemaal niet meer schrijft, je bent gewoon een ambtenaar geworden. Met dat systeem kweek je geen onafhankelijke geesten. Als je het mij vraagt heeft het zijn langste tijd gehad.

‘Vervolgens is het boek verboden, zeven jaar lang. Alhoewel, het is eigenlijk nooit echt verboden geweest. Het hing af van mijn ‘opstelling’, zeiden de autoriteiten. Hoe moet ik me dan opstellen? vroeg ik. Het kwam erop neer dat ik zelf een brief moest schrijven aan de uitgever om hem af te raden het boek uit te geven. Uiteindelijk heb ik het begin 2003 stilletjes laten uitbrengen. Als we er geen publiciteit aan geven, zei ik tegen een uitgever die het inmiddels wel aandurfde, kraait er vast geen haan naar. En inderdaad, het ligt nu gewoon in de winkels. China is erg veranderd: als dit twintig, dertig jaar geleden was gebeurd, dan had ik hier nu niet gezeten.’

Wat voor een boek is Grote borsten, brede heupen dan wel? De hoofdpersoon is Shangguan Jintong, die tot in zijn puberteit enkel op moedermelk leeft en sindsdien kampt met een obsessie voor borsten. Zijn daaruit voortvloeiende kinderlijke onschuld maakt hem zijn leven lang een speelbal van de moderne Chinese geschiedenis. Het boek loopt van zijn geboorte tijdens de Chinees-Japanse oorlog, via de burgeroorlog van de jaren veertig en het Maoïstische tijdperk, waarvan Jintong een groot gedeelte in een werkkamp doorbrengt, tot aan de commercialistische jaren tachtig en negentig, wanneer hij uiteindelijk in de lingeriehandel terechtkomt.

‘Mijn oorspronkelijke idee was iets te schrijven over de relatie tussen moeder en kind. Op een dag zag ik bij een metro-uitgang een arme plattelandsvrouw zitten met een tweeling, een kind aan iedere borst. Er viel een bepaald zonlicht op en ik voelde dat het een krachtig beeld was: een van de meest basale dingen in het leven. Maar alleen de moederliefde bezingen leek me geen onderwerp voor een roman, ik wilde iets doen met de symboliek ervan. Toen bedacht ik de obsessie van het personage Jintong, die symbool zou kunnen staan voor allerlei soorten obsessies. Al nadenkend kwam ik erop om dat gegeven tegen een bredere, historische achtergrond te plaatsen, zodat het aan overtuigingskracht zou kunnen winnen. Door Jintong alle gebeurtenissen uit de recente geschiedenis te laten overkomen, staat hij voor China en is het boek dus beslist een kritiek op de Chinese politiek.’

De allegorische interpretaties van de roman bleven inderdaad niet uit. Mo Yan: ‘Iemand vergeleek Jintongs ziekelijke fixatie met de manier waarop communistische kaderleden afhankelijk zijn van de Partij, die hen hun leven lang voedt, kleedt en huist, waardoor ze niet meer zelfstandig kunnen leven. Volgens een Japanse professor stond Jintong voor de Chinese intelligentsia, die zich aan de nationale traditie vastklampt en zich angstvallig afsluit voor alle nieuwe of buitenlandse dingen. Ik zie wel wat in die lezingen. Ik ben er zelfs blij mee. Een roman die je op meerdere manieren kunt uitleggen, is voor mij een geslaagde roman. Maar tijdens het schrijven denk ik niet aan al die mogelijkheden, dan laat ik me leiden, meeslepen zelfs, door de personages.’

Mo Yan lijkt zich doorgaans inderdaad graag te verliezen in zeer uitgesponnen beschrijvingen van zijn personages en hun omgeving, die hij letterlijk in geuren en kleuren weergeeft. Een verhaallijn lijkt van ondergeschikt belang: in Grote borsten volstaat de chronologie van de geschiedenis. Veel Chinese romans, zowel klassieke als hedendaagse, ontberen een dwingende plot en bestaan eerder uit een lange reeks episoden waarin bepaalde motieven telkens terugkeren. Verschilt de Chinese romantraditie op dat punt misschien wezenlijk van de Westerse?

‘Dat zou kunnen, maar ik kan alleen maar voor mezelf spreken. Ik wil het leven in al zijn volheid aan de lezer overbrengen. Stel dat ik wil vertellen hoe ik naar het warenhuis hier verderop ga om boodschappen te doen. Ik ben dan het type dat onderweg in alle winkeltjes kijkt en allerlei dingen koopt die hij van tevoren niet op zijn lijstje had staan. Misschien dat een ander recht op zijn doel afgaat, maar ik ben ondertussen wel een hoop ervaringen rijker geworden, bij de bakker, de kleermaker, enzovoort.’

Vlak voor hij het manuscript van Grote borsten inleverde, vond Mo Yan zelfs dat hij bepaalde dingen nog niet voldoende had beschreven: hij voegde een extra deel toe met zeven ‘Aanvullingen’, die ook als op zichzelf staande korte verhalen kunnen worden gelezen. Dat deel zullen de Nederlandse lezers moeten missen, omdat het in de Engelse vertaling, die haastig in het Nederlands werd omgezet, is weggelaten.

‘Ik krijg wel vaker de kritiek dat ik te lang van stof ben. Al vinden anderen het juist mijn fort. De Amerikaanse vertaler Howard Goldblatt en zijn uitgever hebben me bij eerdere boeken ook al voorstellen gedaan om iets in te korten, of om het einde te herschrijven. Zo ook ditmaal. En niet alleen wat dat slotdeel betreft, ook in andere hoofdstukken is gesneden. Ik beschouw het maar als een tegemoetkoming aan de Amerikaanse lezer. De Franse en de Italiaanse versie zijn wel integraal.’

De herziene, aangevulde versie van Grote borsten, brede heupen uit 2003

Wat de compositie aangaat blijft er in de korte versie toch iets vitaals overeind. Aangekomen in de jaren negentig laat Mo Yan Jintong op zijn tweeënvijftigste achter, en in wat nu het laatste deel is beschrijft hij wat er vóór Jintongs geboorte met zijn moeder gebeurde.

‘Klopt, daarin vertel ik hoe zijn zeven oudere zussen ter wereld kwamen. Dat werpt een ander licht op de traditionele rol van goede, sterke moeder die ze voor hem vervult, en dus eigenlijk op het hele boek. Ik laat namelijk zien hoe de moeder, de vrouw, onder het feodale systeem van de ‘oude maatschappij’ wordt vernederd, en daarin schuilt een scherpe kritiek die veel critici niet hebben gezien.’

Het boek bevat ook kritiek die wel degelijk werd opgemerkt, met name in de verhalen van Jintongs zussen en hun mannen, die uitgroeien tot meer dan zomaar bijfiguren. Orthodoxe critici namen vooral aanstoot aan het soms negatieve portret van de communisten tijdens de burgeroorlog in de jaren veertig, die even wreed en gewelddadig worden afgeschilderd als hun tegenstanders, de nationalisten.

‘Dat noem ik niet negatief maar objectief. Zo heb ik het van de oude mensen bij mij op het platteland gehoord. De communisten voorstellen als louter helden, dat is de officiële geschiedschrijving. Daar moet een schrijver niet aan meedoen. Een schrijver kan bij uitstek laten zien dat het met goed en kwaad niet zo simpel gesteld is als in de theorie van de klassenstrijd. Volgens sommigen heb ik met mijn roman Het rode korenveld in de jaren tachtig een begin gemaakt met het ‘herschrijven’ van de geschiedenis. Daarin belicht ik de oorlog tegen Japan ook vanuit het perspectief van het gewone volk. Hun visie vind ik soms betrouwbaarder.

‘Uiteindelijk was dat ‘herschrijven’ ook het belangrijkste onderdeel van de ‘officiële’ kritiek op Grote borsten: niet de seks – ook wel, hoor – maar vooral mijn ‘historisch subjectivisme’, zoals ze dat noemden. Mijn vorige roman, De wijnrepubliek, was een niet mis te verstane satire op de decadentie in het huidige China en bevatte veel passages over drank en seks. Dat boek is ook fel bekritiseerd, maar het werd lang niet zo hard aangepakt als dit boek – vanwege de politieke kant.

‘Schrijvers hebben een lastige verhouding met de politiek: ze willen er steeds van wegkomen, maar kunnen er gewoon niet aan ontsnappen. Het leven is erdoor gebrandmerkt, het leven ís politiek. In de bijna vijftig jaar van mijn leven heb ik ondervonden dat alle facetten van het leven nu eenmaal te maken hebben met de politiek, met de Communistische Partij. Maar in romans moet je ook weer niet domweg de Partij gaan aanklagen. Dat is niet de taak van een schrijver. Die moet te allen tijde bij zijn personages blijven; in de beschrijving van hun karakters komt tot uiting wat hij te zeggen heeft.’

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 23 januari 2004, online hernomen in 2012

Shang Ch’in en Hsia Yü

In twee mooi vormgegeven bundels van uitgeverij Voetnoot, Ontsnappende hemel en Als kattenogen, is het verspreid verschenen werk van twee Taiwanese dichters bijeengebracht dat vertaalster Silvia Marijnissen in de loop van tien jaar vernederlandste.

Shang Ch’in (ook Shang Qin, 1930-2010) werd geboren op het Chinese vasteland maar vluchtte naar Taiwan, waar hij uitgroeide tot een van de meest toonaangevende stemmen in de hedendaagse Chinese poëzie. Vooral bekend is hij om zijn veelal verstilde prozagedichten, waarin gevangenschap en ontsnapping de overheersende thema’s zijn, en waarin hij met kronkelige, uitdijende zinnen een licht irreële maar zeer menselijke wereld creëert. Zoals in het gedicht waarin iemand voor zijn eigen huisdeur staat, zijn schaduw op de deur ziet en vervolgens de sleutel ‘in zijn hart’ steekt. Of met humor, in het gedicht ‘Giraf’, waar een ietwat argeloze cipier een ‘maandelijkse toename’ in de lengte van de nekken van de gevangenen bemerkt. Voorzien van pentekeningen van de auteur.

De eigenzinnige Hsia Yü (ook Xia Yu, 1956), die haar gedichten titels meegeeft als ‘Salsa’ en ‘Fusion Kitch’, geldt als een van de origineelste stemmen in de hedendaagse Chinese poëzie. Opvallend is de (zelf)spottende, speelse toon waarmee ze vrouwen en relaties tussen mannen en vrouwen beschouwt, in regels als: ‘een vrouw […] is geknipt voor verrassingsaanvallen/ ongeschikt voor afspraken’ en: ‘ik liep de verkeerde kamer binnen/ en miste mijn eigen huwelijk’ of: ‘jij bent zo verveeld/ ik ben zo mooi’. Ook speels is haar omgang met de taal, ze schuwt het experiment niet, zet het Chinees, met zijn soms ambigue grammaticale regels, geheel naar haar hand en leverde zelfs een bundel af waarin ze eerder werk opknipte om er nieuwe verzen mee te maken.

Recensies NBD | Biblion

Invaliditeit en liefde

Shi Tiesheng (romanfragment)

In 1996 publiceerde Shi Tiesheng zijn magnum opus Notities van een theoreticus, een verhalend en beschouwend werk bestaand uit 237 notities, waarvan dit nummer 8 is. Meer over de roman hier.

Al jaren heb ik er nog geregeld bedenkingen over: ging C nou in een rolstoel zitten om mij in de maling te nemen?

Hij is degene die als eerste uit de warboel van mijn vele herinneringen tevoorschijn komt. In een afbeelding zonder achtergrond zie ik C in een rolstoel zitten. Op zijn schouders rust een vredig schemerlicht, dat van de stille avondzon afkomstig moet zijn. Van veraf gezien lijkt het op een grap. Hij draait aan de handvaten van de rolstoel en de rolstoel gaat vooruit, achteruit, in de rondte, draait 180 graden, 360 graden, 720 graden… Het lijkt wel een dans, of een nieuw uitgevonden spel. Er is geen achtergrond, geen grond en zelfs geen blauwe lucht, en hij rijdt daar maar behendig heen en weer, soepeltjes in de rondte, alsof hij dat nieuwe spel al volledig beheerst. Van ver af wil je hem roepen, vragen: ‘Hé, wat krijgen we nou, wat is dat? Van wie is dat ding?’ Hij kijkt om en lacht, en rijdt zijn rolstoel naar je toe. Je wilt naar hem roepen, hem zeggen: ‘Hé, kom uit die stoel, gauw, waar heb je dat ding vandaan? Eruit jij, laat mij ook een keer…’

Maar als je naar hem toegaat, naar C toegaat, dan zie je dat zijn lege broekspijpen in de wind bungelen, en pas dan ga je langzaam beseffen wat er is gebeurd. Vooral als je zijn naakte onderlichaam hebt gezien – zijn zo goed als vergane benen, zijn zo goed als vergane hele onderlichaam – dan heeft het noodlot je zijn ware gezicht getoond. Dan heeft de afbeelding ineens een achtergrond gekregen. Onder de wielen van zijn rolstoel is er ineens grond, boven zijn hoofd is er een blauwe lucht, en achter hem en om hem heen zijn er huizen, als bergen, en mensen, als een zee. In mijn herinnering of in het beeld van C is leven geslopen, er is tijd in geslopen.

Ik herinner me dat in een onvergetelijke zomer een man met twee verlamde benen een einde maakte aan zijn veertigjarige vrijgezellenleven. In mijn schrijversnachten, in mijn herinnering, was die man C.

Die zomer is hij getrouwd.

Hij is getrouwd – wat klinken die paar woordjes toch simpel.

(Vertaling Mark Leenhouts)

Oorspronkelijk verschenen, samen met notities 9 en 10, in tijdschrift Tortuca, nummer 27 (2011)

Spui

Su Tong

In 2011 verbleef Su Tong als writer in residence van het Nederlands Letterenfonds aan het Spui in Amsterdam

Na een paar sombere, regenachtige dagen is het opgeklaard, en het Spui baadt weer in het zonlicht.

Zoals altijd heb ik mijn ontbijt mee naar een van de vensterbanken genomen om het daar, aan het raam, op te eten; dat is zo mijn gewoonte geworden, want dat raam kijkt uit op het plein, mijn favoriete uitzicht. Op het plein staat een standbeeld van een jongetje, naar verluidt een dappere kleine held. Elke ochtend groet ik hem, maar helaas staat hij met zijn rug naar me toe en lijkt hij zich niet echt te bekommeren om het eerbetoon van zijn vreemde buurman. Van alle kanten lopen mensen langs hem heen en het is makkelijk te zien wie de Amsterdammers zijn en wie de toeristen. De toeristen houden bijna allemaal de pas in om hem een paar tellen op te nemen of zelfs met hem op de foto te gaan, terwijl de bewoners uit de buurt er met ferme pas voorbij lopen. Een middelbare man laat hier vaak zijn hond uit, zijn jack was me opgevallen, felgekleurd met op de achterkant een paar Chinese karakters, zomaar wat karakters zonder enige samenhang, maar een ervan brandde zich op mijn netvlies, het karakter ‘woede’. Ja, echt: woede.

Het is vrijdagochtend. De tweedehandsboekenmarkt is al in volle gang, allemaal eender witte luifels met daaronder de boeken, netjes opgestapeld als kleurige sneetjes brood. De meeste kraamhouders staan er maar een beetje bij en geven zich zoveel mogelijk over aan het zonlicht; sommigen maken een praatje, anderen doen niets, het is alsof ze hun oude boeken niet komen verkopen maar gewoon mee naar het plein hebben genomen voor een dagje uit. Ik kan geen Nederlands en mijn Engels is ook niet goed, maar toen ik op een vrijdag over de boekenmarkt liep, bedacht ik in een opwelling dat ik hier toch minstens één keer een boekje moest hebben gekocht. Ik koos een verhalenbundel van John Updike, The Music School, voor drie euro vijftig. De pagina’s waren al een beetje vergeeld, ik vroeg me af wie de vorige eigenaar was geweest. Iemand die graag korte verhalen leest moet wel een echte literatuurliefhebber zijn, dacht ik, wie weet was het wel een collega-schrijver.

De literatuur hangt hier sowieso in de lucht, op het plein. Aan de overkant van de Spuistraat staat een hele reeks cafés, De Zwart, Hoppe, Luxembourg, die naar verluidt druk bezocht worden door de schrijvers, dichters en critici van Amsterdam. Zowel overdag als ’s avonds zie ik door de drie ramen van mijn appartement groepjes mensen op de terrasjes zitten – de literatuur zit misschien wel vlak onder mijn neus. Wie van hen zijn de dichters? Wie de romanciers? Geen idee, maar de stille zwijgers stel ik me voor als dichters en schrijvers, en al die druk orerenden als critici. Ze komen er allemaal voor de literatuur, zij heffen daar beneden hun glas, ik hierboven. Op de literatuur.

Onder mijn appartement bevindt zich de bekendste literaire boekhandel van de stad, Athenaeum. Ik herinner me dat er in de eerste dagen na mijn aankomst een heleboel foto’s van literaire grootmeesters in de etalage hingen. Sommigen waren al overleden en leefden inmiddels in de literaire geschiedenis, anderen genoten nog de dubbele roem van het ondermaanse én de literaire geschiedenis; misschien hadden ze ooit in de boekhandel gesigneerd? Bij de foto van de Franse schrijver Le Clézio voelde ik iets van vertrouwdheid, maar ook van verwarring, de wereld was echt klein geworden, het leek wel een ronddraaiende tafel: amper twee weken tevoren was Le Clézio nog op tournee in Nanjing geweest en had ik samen met hem gegeten.

De naam ‘Spui’ kan ik nog altijd niet goed uitspreken. Als mensen me vragen waar ik woon zeg ik altijd ‘aan het Spow’, waarop iedereen, na even nadenken, gelukkig bewonderend uitroept: aan het Spui? maar da’s een mooie plek!

Het is ook een mooie plek.

Toevallig heb ik net Rituelen van Cees Nooteboom gelezen, waarin de hoofdpersoon een keer het Spui oversteekt en voor de poort van het Bethaniënklooster een praatje maakt met een bekende. Aanvankelijk begreep ik er niets van, dat klooster is beroemd, ik had het bezocht, volgens mij lag het aan een steegje achter het plein, een heel eind verderop, dus hoe konden ze dan voor de poort staan praten? Maar toen ik later nog eens naar het klooster ging, ontdekte ik een stil kronkelweggetje dat naar een verborgen zijpoort voerde, die inderdaad uitkwam op het Spui. Ik moest ook wel om mezelf lachen: wie zou Amsterdam nou beter kennen, Nooteboom of ik?

Ook de tram komt over het Spui, je hebt lijn 1, 2 en 5. Als ze langskomen drukt de chauffeur op zijn bel, een echte ouderwetse trambel, waarschijnlijk het enige aangename straatlawaai dat ik ken, ding-ding. Het is meer dan een beschaafd waarschuwingssignaal, het is een flard poëzie uit het industriële tijdperk, met een mooi vleugje oerdegelijke romantiek. De tramlijn op het Spui loopt in een kronkel, zodat de trams in een soort S-bocht het plein over moeten. Kijkend vanuit mijn raam valt me op dat die stalen wagens wel iets hebben van een jonge vrouw: met twee keer een charmante heupwieging passeren ze het plein, en met elke passage neemt de bekoring toe, en toe.

(Vertaling Mark Leenhouts)

Peking is de beste stad om te wonen

Vertaald door Yves Menheere

Toen in 2008 de westerse wereld in een crisis afgleed maar China relatief ongeschonden bleef, kreeg Chan Koonchung een idee voor een roman – een toekomstvisioen.

Hij beeldde zich het China van 2013 in: een land waar iedereen in blakende welvaart en opperste gelukzaligheid leeft, en niemand het leiderschap van de Partij nog betwist. Chen, zijn alter ego in De vette jaren, is geen uitzondering: gezapig nipt deze ‘tweederangs schrijver’ van zijn Lychee Oolong Latte in de door Chinezen overgenomen Starbucks, bedenkend dat er geen betere plek op aarde is dan Peking, al voelt hij dan de nood tot schrijven niet meer zo…

Een oude vlam, verbitterd internetdissidente, haalt hem uit zijn roes. Er is iets niet pluis en langzaam ontrafelen ze het mysterie. Een tweede crisis in 2011, die ook China raakte, leidde tot zulke grote onlusten dat de noodtoestand werd uitgeroepen. Deze maand van chaos lijkt uit ieders geheugen gewist, in online krantenarchieven ontbreekt elk spoor, maar naar blijkt heeft de regering toen niet alleen militair ingegrepen maar ook op miraculeuze wijze het tijdperk van de Gouden Jaren afgekondigd.

Het lijkt op Brave New World en 1984 ineen: een totalitair utopia waarin à la Orwell de geschiedenis wordt herschreven en zelfs Huxley’s geluksdrug om de hoek komt kijken. Uiteraard is het een rake, zij het overdreven typering van het huidige booming China, waarbij de ‘verloren maand’ natuurlijk staat voor alle zaken die officieel ‘vergeten’ zijn, zoals het Tiananmen-incident of de hongersnood onder Mao. Maar een eendimensionale aanklacht als 1984 is het beslist niet.

De vette jaren is ambivalenter, alleen al omdat de twijfels van hoofdpersoon Chen centraal staan. Als die op zijn speurtocht ontdekt dat bepaalde, niet eens zo kritische boeken nergens meer verkrijgbaar zijn, vraagt hij zich af of dat nou wel zo erg is. We zijn 90% vrij, denkt hij, over 90% van de dingen kunnen we vrij discussiëren. Het Westen is ook niet 100% vrij, sterker nog, de meesten mensen benutten die 90% niet eens!

Nog prangender worden zijn twijfels in het slotdeel, waarin hij met een groepje gelijkgezinden een hoge partijfunctionaris ontvoert, om van hem nu eens de ware toedracht achter China’s gouden jaren te horen. De knorrige ambtenaar ‘legt verantwoording af’ in een lang, puntsgewijs betoog van zowat vijftig pagina’s, waarbij je je soms afvraagt of je nog wel een roman leest.

Toch maakt zijn weidse analyse van de Chinese politiek en economie de verder niet echt eersterangs thriller de moeite waard. Er wordt een wereldbeeld in ontvouwd dat je wel vaker onder Chinese intellectuelen hoort: van het idee dat opkomend China zich niet veel anders gedraagt dan 19e-eeuws Amerika tot de visie van een nieuwe ‘postwesterse, postblanke’ wereldorde, waarin meerdere machtsblokken harmonieus naast elkaar bestaan.

Chen en zijn kompanen hebben dan ook verrassend weinig tegen de technocraat in te brengen, zelfs als hij concludeert dat stabiliteit in dit bestel voor alles gaat, ook voor vrijheid: ‘in een relatief welvarende maatschappij is het volk altijd banger voor chaos dan voor dictatuur’. De ontvoerders sputteren wel wat tegen, maar lijken vooral te beseffen dat volk en regering elkaar in de houdgreep hebben – ‘als het volk niet zelf had willen vergeten, hadden wij het er echt niet toe kunnen dwingen’.

Chan Koonchung

Het is een waar open einde, waarmee Chan Koonchung weliswaar een beangstigend China schetst, maar niet het simpele anti-partijgeluid laat horen dat meestal in de westerse kritiek opklinkt. Het rijke palet aan bijfiguren, van leiders van ondergrondse kerken tot studenten met fascistische ambities, wier belangen vaak onontwarbaar verstrengeld blijken, toont wel aan dat de zaken ingewikkelder liggen.

Het tekent Chan Koonchung, die ook in het echte leven Peking de boeiendste plek vindt om te wonen; hij kwam er tien jaar geleden vanuit Hongkong bewust naartoe. Juist dankzij zijn Hongkongse identiteit heeft hij het waarschijnlijk aangedurfd De vette jaren te schrijven. Dat hij er geen Chinese uitgever voor vond mag geen verbazing wekken, maar als hij er de westerse lezer mee aan het denken kan zetten, is dat alvast mooi meegenomen.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 29 oktober 2011