Toen er in 1939 voor het eerst een moderne Chinese roman in het Nederlands werd vertaald, Schemering over Sjanghai van de schrijver Mao Dun, kon je aan de flaptekst wel merken hoe nieuw en bijzonder dat was. ‘Sjanghai!’ klonk het enthousiast. Het ‘Parijs van het Oosten’ was ‘nu het brandpunt der wereldbelangstelling’ en ‘op het juiste moment’ verscheen dan ook ‘een boeienden roman, die ons het werkelijke, tegenwoordige Sjanghai met de oogen van een Chinees laat zien’.
Benieuwd naar hoe die uitgeversaanprijzing destijds bij het lezerspubliek viel, dook ik het internet eens in, waar ik, onder andere via de mooie website Delpher, uit oude kranten en tijdschriften enkele recensies wist op te diepen. De reacties kwamen me eerlijk gezegd wat bekend voor.
Sprak de Heldersche Courant zonder meer van ‘meesterschap’ en vond de Telegraaf dat Mao Dun een ‘beklemmend en angstig beeld van het Verre Oosten met realistische kleuren schildert’, iets vaker waren er helaas bedenkingen te lezen. Het Utrechts Nieuwsblad oordeelde: ‘De inlichtende waarde van het boek dunkt mij, althans in vertaling, grooter te zijn dan de literaire.’ En de katholieke Boekengids uit Vlaanderen voegde er streng aan toe: ‘Een diepere kijk op de Chineesche ziel, die men van den schrijver, zelf Chinees, zou verwachten, geeft het boek niet.’
Nu was Schemering over Sjanghai misschien ook meer een grote, caleidoscopische schets van het stadsleven dan een psychologisch drama, maar toch: in die wat gedateerde termen staat hier eigenlijk te lezen hoe Chinese romans ook later, door de jaren heen, nog geregeld zouden worden ontvangen – met een iets te grote nadruk op de vraag wat het boek je over China zou kunnen leren. Al is het op zich een begrijpelijke vraag, gezien de onbekendheid van land, cultuur en literatuur, hij kan het blikveld ook beperken.
Het deed me, om bij Shanghai te blijven, denken aan de reacties op de roman Shanghai baby van Wei Hui uit 1999 – een nieuwe, hippe getuigenis van het destijds net heroplevende kosmopolitische karakter van de stad, die uiteraard zo lang in de socialistische luwte had gelegen.
Behalve Wei Hui’s ontboezemingen op het gebied van sex, drugs & dance, waren vooral haar vele verwijzingen naar de westerse cultuur de attractie van het boek – al werden die in de kritiek direct als wel wat al te parmantig weggezet. In een Nederlands radioprogramma werden haar iets te luid beleden schrijversaspiraties zelfs hardop lachend besproken. Hoe dan ook: toch bespraken ze het boek maar, en Shanghai baby beleefde een voor een Chinese roman zeldzame vier herdrukken. De nieuwsgierigheid naar het ‘tegenwoordige Sjanghai’, gezien door ‘de oogen van een Chinees’, was ondanks alles groot.
Het is natuurlijk lang niet eenvoudig om een vreemde literatuur als de Chinese in de rest van de wereld evenwichtig voor het voetlicht te brengen. Maar toch is het in dit geval jammer dat een andere Shanghai-roman, die net voor Shanghai baby verscheen, zo onderbelicht is gebleven. Want het grote Lied van het eeuwig verdriet (1995) van schrijfster Wang Anyi, dat in het Engels, Frans, Spaans en Italiaans werd vertaald maar weinig weerklank vond, kijkt nou juist met een kritische, ironische blik naar die jonge generatie van Wei Hui.
In het boek aanbidt een romantische jongeling een voormalige ‘miss Shanghai’ uit de jaren 1940, terwijl grande dame Wang Anyi juist fijntjes laat zien hoe de gewezen schoonheidskoningin slechts derde werd bij die verkiezing, en hoe zij in de communistische decennia daarna een grijs en onopvallend leventje als vrijgezelle verpleegster leidde. Het boek mag zijn gebreken hebben, het grijze leven wordt wellicht wat breed uitgemeten, toch wordt er wel degelijk een ‘Chineesche ziel’ blootgelegd, als je bijvoorbeeld kijkt naar het karakteristieke taaie overleven van de heldin.
Heeft Lied van het eeuwig verdriet gewoon wat minder ‘inlichtende waarde’ voor een nieuwsgierig westers publiek? Of is dat publiek toch wat verblind door het opzichtige westerse appeal van Shanghai baby? De opvallende belangstelling voor Shanghai is wat dat betreft tekenend – in de flaptekst uit 1939 hierboven werd de stad immers al als ‘smeltkroes der Oostersche en Westersche cultuur’ aangeprezen.
In dat opzicht is een andere roman hier interessant, de klassieker Belegerde vesting van Qian Zhongshu, verschenen in 1947 en in 2013 (door ondergetekende) in het Nederlands vertaald. Het boek vertelt over Chinese studenten die in de jaren 1930 van Europa terugkeren naar Shanghai, en de schrijver, een bolleboos en polyglot, doorspekt zijn satire met grappen in allerlei talen, van Frans en Latijn tot klassiek Chinees. Het geheel wordt daarom vaak kortweg geduid als een confrontatie tussen het moderne Westen en het traditionele China, maar eigenlijk ligt het wat genuanceerder. De meeste studenten blijken overzee namelijk niet zoveel te hebben uitgevoerd, terwijl het mondaine wereldje van Shanghai hen juist bewonderend onthaalt als de toekomst van het land. Beide partijen wordt zo een spiegel voorgehouden.
Bovendien schuilt er in hoofdpersoon Hongjian, een wat sukkelige, zelfverklaarde schopenhaueriaan, een heel wat conservatievere, vadervrezende ziel dan hij wil toegeven. Als hij na een mislukte carrièrestap een huwelijk met de aanvankelijk bescheiden ogende Roujia inrolt, blijkt deze jonge vrouw, die nooit in het buitenland is geweest, een sterker, zelfstandiger denkend type dan hij.
Verkijk je niet op al het westerse in Shanghai, lijkt Qian Zhongshu met een knipoog te zeggen, het moderne komt niet per se van buiten. Gezien de vele geleerde essays over taal en literatuur die Qian schreef, waarin hij juist altijd vergelijkingen en verbindingen zocht tussen oost en west, is dat heus geen overtrokken conclusie. En om een nog boudere stelling te wagen: misschien voorzag hij daarmee zelfs wel hoe het er in de wereld zou uitzien in de 21e eeuw, kort na zijn dood. Heeft de westerse blik zich immers niet wat al te veel op de westerse kant van China gericht, terwijl het land op andere manieren sterker werd?
Dat is nog eens lezen met Chinese ogen, zou je kunnen zeggen.
Vertaald door diverse vertalers onder redactie van Annelous Stiggelbout
De jonge belofte Zhang Yueran (1982) staat bekend om haar droom- en nachtmerrieachtige werelden, waarin oude Chinese wonderverhalen en westerse sprookjes (Grimm, Pinokkio) vaak moderne, duistere lagen meekrijgen. Haar verhalen tonen veelal meisjes en jonge vrouwen die kampen met jeugdtrauma, verloren liefde en dood, waarbij legendes als die van de ‘concubine zonder hoofd’ of de ‘kleine witte bottengeest’ lijken te draaien om een verstoorde verhouding met het eigen lichaam. Anders dan de oudere Chinese generatie van ‘vertellers’, besteedt Zhang meer aandacht aan opbouw en constructie, met gevoel voor mysterie. Tegelijkertijd valt haar enige jeugdige romantiek niet te ontkennen; Zhang beschouwt deze bundel zelf ook als haar vroege werk. Daartegenover staat dat zij soms met kleine, suggestieve zinnen de lezer weet mee te voeren in eigenzinnige sferen, of het nu gaat om de schrijfster die in het verhaal ‘Binair’ heen en weer beweegt tussen een ex-vriendje dat homo is en een ridder op een wit paard, of om de zonnebloem die in het openingsverhaal verliefd wordt op Vincent van Gogh.
Jongens van glas van Pai Hsien-yung (ook: Bai Xianyong) staat bij ‘de 100 romans van Le Monde’, oftewel ‘les 100 romans qui ont le plus enthousiasmé Le Monde depuis 1944’, het jaar van de oprichting van de krant. Geen ranglijst, maar een chronologisch overzicht van 75 jaar romans, waarbij volgens de begeleidende tekst bewust een beetje van de gebaande paden is afgeweken. Vandaar ook misschien de voor dergelijke lijsten redelijk diverse keuze qua taalgebieden. Wat het Chinees betreft is ook Yu Hua (Brothers) van de partij, en voor het Japans Kobo Abe (La femme des sables) en Yasunari Kawabata (Tristesse et beauté). Zo zie je het niet vaak.
Bij elk boek wordt een (oude) recensie uit de krant geciteerd, en gek genoeg weet ik nog goed hoe ik die inderdaad zeer enthousiaste bespreking van Garçons de cristal, de Franse vertaling van André Lévy, in 1995 in Le Monde des Livres heb zien staan. Ik was in die tijd in Parijs, had net een paar voorzichtige stappen op het pad der vertaling gezet, en durfde er bij het beeld van die krantenpagina stiekem aan te denken de roman, die ik al kende en die me zo ontroerd had, ook ooit eens in het Nederlands te kunnen vertalen. Tien jaar later zei uitgeverij De Geus ja tegen Jongens van glas, waarover onder andere meer op Schwob.nl.
‘Un roman foudroyant, qui raconte les années 70 à Taïwan. Bai Xianyong porte un regard de connivence et de douceur sur la prositution masculine. Il épuise l’intensité romanesque, sans imposer de dénouement optimiste. Ce livre fait partie des oeuvres rares qui racontent les saccages de l’humanité mais ne dessinent pas de frontière entre bourreaux et victimes, bons et méchants, sauvés et repentis, ni ne suscitent un quelconque désir de revanche. Sans révolte, comme le narrateur Aqing, nous sommes anéantis de lucidité.’ – Hugo Marsan (24 mars 1995)
Gevraagd waarom er zoveel geweld in zijn werk voorkomt, antwoordt de Chinese schrijver Yu Hua steevast dat hij als kind in de Culturele Revolutie domweg veel gruwelen heeft gezien. Wat ook hielp was dat zijn ouders arts waren en hij vaak speelde in het ziekenhuis. In zijn romans Leven! en Broers is dat geweld ingebed in een historische setting, maar zijn korte verhalen, nu verzameld onder de titel Flesjes knallen, zijn andere koek.
Vertaald door diverse vertalers onder redactie van Jan De Meyer
Bevreemdende, soms parabelachtige teksten zijn het, waarin het geweld haast in zijn pure vorm optreedt. Neem het openingsverhaal, ‘Met achttien jaar de wereld in’, over een hoopvolle lifter die bloederig in elkaar wordt geslagen bij een overval op de vrachtauto die hem meeneemt. Meer wordt er amper verteld, veel context is er niet – of mogen we zijn ‘rode rugzakje’ als een politieke toespeling opvatten?
Nog iets verder gaat het kafkaëske ‘Het verleden en de straffen’, waarin een man moet verschijnen bij de ‘Strafexpert’, die hem een bijzondere straf wil laten ondergaan. Gewillig zegt de man toe, omdat hij hoopt dat de marteling hem kan ‘losmaken van een vage herinnering’: een gebeurtenis waarvan hij enkel de datum nog weet, 5 maart 1965, al moet er ook een straf mee zijn gemoeid. Een tergend abstracte verbeelding van trauma en verdrukte herinnering.
In Yu’s latere verhalen komt er meer ruimte voor compassie, zoals in ‘De jongen in het schemerlicht’, waarin een marktkramer een appeldief wreed aan de schandpaal zet, maar schuld en boete betrekkelijk lijken. Of voor humor, met een randje: in ‘Appendix’ willen twee zoontjes dat hun vader, chirurg, zichzelf aan zijn blindedarm opereert; ze houden de spiegel al klaar.
Toch overheerst de laconieke toon. Samen met zijn klare taal lijken Yu’s strakke composities soms iets al te simpels te hebben, alsof hij nog altijd met de argeloze blik van dat kind uit de Culturele Revolutie kijkt. Maar het is een blik die wel degelijk heel wat heeft gezien.
Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 21 april 2018
Na de seks lagen we naakt op bed te roken, zij aan zij. De asbak lag op mijn onderbuik. Elke keer als ze met haar lange, dunne vingers de as aftikte, was ik bang voor brandplekken. De cd-speler bij het hoofdeinde speelde zachtjes een symfonie van Bruckner. Bruckner is het beste om te luisteren na de seks, vind ik, er zit dat gedragen gevoel in van vergane dromen, vervlogen hoop. Roerloos lag ik daar. De angst om me te branden was nog erger dan zo’n brandplekje zelf kon zijn, besefte ik, maar ik had geen zin om de asbak te verzetten. Geen zin om me te verroeren.
‘Waar denk je aan?’
‘Nergens aan,’ antwoordde ik.
‘Weet je waar ik aan denk?’
‘Nou?’
Ze zweeg even, nam nog een trek en tikte de as weer af in de asbak. Met die lange, dunne vingers.
‘Aan mango’s.’
‘Mango’s?’
‘Ja,’ zei ze, een beetje dromerig, ‘aan mango’s, aan hoe ik met mijn nagels de dunne schil eraftrek, eerst één mango, dan nog één, en nog één, tot ik er vijf gepeld heb… Hoe ik dan met een scherp mesje het vruchtvlees lossnijd, dat ik in een blauwe porseleinen kom doe, zodat ik uiteindelijk vijf van die platte, grauwwitte pitten overhoud, waar alleen nog wat sliertjes vlees aan zitten.’
Ze nam een trek van haar sigaret.
‘En dan?’
‘Dan eet ik het vlees allemaal op. Puur vruchtvlees zonder pit eraan.’ Even liet ze een stilte vallen. ‘Heb je mijn mangopitten niet gezien?’
Ik schudde mijn hoofd. Die had ik niet gezien, net zomin als ik ooit de kleurenbuis van een tv had gezien.
‘Ik verzamel ze,’ zei ze nog steeds op die slaperige toon. ‘Ik droog ze en stop ze in grote glazen potten. Gedroogde mangopitten worden gelig van kleur, ze zijn mooi ovaal en helemaal bedekt met van die droge, fluweelachtige vezeltjes, heel bijzonder. Het zouden opgegraven schatten uit de oudheid kunnen zijn, maar ook vreemde objecten uit de ruimte, uit een verre toekomst.’
Ik probeerde me die gedroogde mangopitten voor te stellen, maar het lukte me niet goed. Ik was een beetje moe.
‘Eigenlijk ik heb nog nooit zo mango gegeten,’ zei ze, ‘daar dacht ik alleen maar aan. Ik weet ook niet waarom. Gewoon losse stukken mango eten, niet van de pit af, dat heb ik nooit iets gevonden. Bij een appel of een peer kan dat, maar bij een mango niet. Zal wel met die grote pit te maken hebben, de vorm ervan. Bij een appel of een peer kun je om de pitjes heen eten, zonder ze aan te raken. Bij een mango kan dat niet, daar kom je er geheid met je tanden tegenaan, als je hem al niet bij de pit moet vasthouden om hem überhaupt op te kunnen eten…’
Plotseling onderbrak ze zichzelf, alsof ze wakker werd uit haar dromerige toestand. ‘Je denkt zeker dat ik niet helemaal goed bij mijn hoofd ben?’ Ze keek me van opzij aan.
Ik schudde van nee. ‘Ik heb ergens gelezen dat je van seks introspectief wordt.’
‘Introspectief?’ Zwijgend leek ze dat woord te overdenken. ‘Je bedoelt dat je dan in je eigen lichaam ook opeens zo’n pit voelt zitten… daar waar je hart klopt?’
‘Zoiets ja, zou kunnen.’
Ik werd hoe langer hoe moeër. Voelde me bijna wegglijden.
Geruisloos kroop ze tegen me aan. Haar lange haren prikten tegen de ribben in mijn zij. Met haar sigaret tussen haar vingers tekende ze langzaam een cirkeltje boven mijn hart, alsof ze met een stippellijntje de plek van een incisie aftekende, voorafgaand aan de operatie.
‘Ik ga jouw pit eruithalen,’ zei ze.
Van schrik hield ik mijn adem in, tot ik het plotseling uitkermde van de pijn. Niet om wat ze had gezegd, maar vanwege de as, waaraan ik me dan toch eindelijk had gebrand.
Ik keek naar hoe ze zich aankleedde. Daar keek ik altijd graag naar. In mijn (zeer beperkte) ervaring zijn vrouwen die zich mooi uit- en aan kunnen kleden zeldzaam. Zo zeldzaam als sterren in de ochtend, zeggen ze weleens – waarvan zij dan ook nog eens de helderste ster was. Misschien had het met haar beroep te maken, ze was model. Ik weet nog dat ze een keer zei (als ik me niet vergis vlak na de eerste keer dat we met elkaar naar bed gingen, dus toen ik voor het eerst kon bewonderen hoe ze zich aankleedde): het belangrijkste van model zijn is niet het lopen op de catwalk, maar het omkleden achter de coulissen, het ene kledingstuk uitschieten en het andere aan, dat is in wezen – zoals ze dat zei – de kern van het model zijn. Ze had wel meer van die theorieën. Haar hobby was filosofie. In haar portfolio stak altijd een exemplaar van Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling. In mijn (zeer beperkte) ervaring zijn modellen met Schopenhauer in hun portfolio zo zeldzaam als zebra’s zonder strepen.
Ik zag hoe ze een wit slipje en een witte bh aantrok, effen wit, zonder enige opsmuk, zo eenvoudig dat ze wel handgemaakt leken. Ook haar spijkerbroek en witte T-shirt waren doodgewoon, van het simpelste model, maar zodra zij ze aanhad leken ze toch heel apart. Enfin, dat waren ze ook eigenlijk wel. Haar kleren bleken altijd tien keer zo duur als ik dacht. Dat was nou kwaliteitskleding, had ze eens gezegd, die zag er altijd doodgewoon uit, zonder pretenties.
‘Net als ik dus,’ grapte ik.
Ze lachte toegeeflijk. ‘Ja, net als jij.’
Maar ik vond mezelf bepaald geen kwaliteitsproduct, integendeel zelfs. Ik was gewoon in de zin van gemiddeld, alledaags. Paste ook op geen enkele manier bij haar. Ik was een centimeter korter dan zij (zij één meter tachtig, ik één negenenzeventig) en ik verdiende een vijfde van wat zij verdiende (zij ving meer dan tienduizend per maand, terwijl ik voor een waardeloos blaadje werkte dat vooral uit advertenties bestond – ik had haar ontmoet toen ik een image representative van een of ander modemerk moest interviewen). Geen flauw idee waarom ze op me viel. Omdat ze zich lekker bij me voelde, zei ze ooit, zo lekker als liggen op een oud beddenlaken dat net te drogen heeft gehangen en nog warm is van de zon. Ik was nog nooit met een oud beddenlaken vergeleken.
De echte reden was misschien dat ze gewoon behoefte had aan iets anders, dacht ik weleens. De modellenwereld, zoals ze me die beschreef, was niet echt de normale wereld. Je zag alleen maar beeldschone jongens en meisjes, je droeg de wonderlijkste creaties, zat constant in het vliegtuig en het was je werk om constant zonder enige gezichtsuitdrukking op en neer te lopen terwijl je bestookt werd door mitrailleursalvo’s van flitslichten. Het enige waarover je met elkaar praatte was wiens appearance fee weer omhoog was gegaan, wie er weer naar Parijs mocht, wie er weer een miljonair als vriendje had, enzovoort. Geen gezonde wereld, zei ze. In wezen – ‘in wezen’ was haar stopwoordje – was het niet veel anders dan een psychiatrische inrichting. Het wereldje stompte haar af, vermoeide haar, benauwde haar zelfs. Vandaar dat ze af en toe terug naar de normale wereld moest om op adem te komen. En ik was de sleutel tot die normale wereld.
We zagen elkaar één of twee keer per maand. Waren als twee satellieten die elkaar op gezette tijden kruisten, maar verder lusteloos onze vaste rondjes draaiden. Soms kwam ze bij me thuis. Dan belde ze van tevoren netjes op of het uitkwam. Ze was pas negentien, maar leek vaak volwassener dan ik.
Inmiddels was ze aangekleed. Ze moest haar vliegtuig gaan halen. Ik keek toe hoe ze vlug en ervaren haar vingers door haar haar haalde. Ze leek net een sierlijke kleine boom. Daarna boog ze voorover om me op mijn voorhoofd te kussen. ‘Slaap nog maar even,’ zei ze. Ik draaide me om en begroef mijn hoofd in het zachte dons. Ik hoorde haar hakken op de woonkamervloer. Hoorde het doortrekken van de wc. Hoorde de voordeur in het slot vallen. Daarna hoorde ik niks meer.
Schrijver Kong Yalei (1975)
Ik schrok wakker. Badend in het koude zweet. Alles donker om me heen. De telefoon stond te rinkelen. Ik stak zoekend mijn arm uit naar het toestel op het nachtkastje, waarbij ik de asbak, een colablikje en nog iets anders omverstootte. Toen ik opnam werd er net opgehangen. Ik liet de hoorn vallen en ging weer liggen.
Ik had een nachtmerrie gehad. Mijn hart ging als een bezetene tekeer. Ik probeerde me de droom te herinneren, maar het gedroomde was als een verongelukt schip dat langzaam maar zeker onder water verdween. Eerst de romp, dan het dek, dan de masten, tot er enkel een leeg zeeoppervlak overbleef. Wat had ik in vredesnaam gedroomd?
Alsof het een antwoord op mijn vraag was, voelde ik plots een hevige pijn in mijn borst.
Een pijn zoals ik die nog nooit had gevoeld. Een totaal nieuwe pijn. Het was of er een hand, dwars door mijn borst, mijn hart had vastgegrepen en er uit alle macht aan trok, alsof hij het eruit wilde trekken. In overweldigende golven straalde de pijn uit over mijn hele lichaam, als bij een aardbeving met mijn hart als epicentrum. Ik begon hulpeloos te kermen en sloeg mijn handen uit als klauwen, waarbij ik de lakens verfrommelde.
Ik ga jouw pit eruithalen. Had ze gezegd.
Ik hapte naar adem, hoorde mijn hart niet meer kloppen. Misschien was het al gestopt. Ik ga dood, dacht ik.
Hoelang het geduurd had wist ik niet, maar de pijn verdween even abrupt als hij opgekomen was. Zo plotseling dat ik even niet wist hoe ik het had. Stil lag ik op mijn buik, mijn gezicht op het kussen, als een gedroogde plant in een herbarium.
Ik ga jouw pit eruithalen. Hoorde ik haar weer zeggen. Natuurlijk had dit niets met haar te maken, dit was hartkramp, zo duidelijk als wat. Dit waren de klassieke symptomen van angina pectoris. De reden waarom ik dat zo zeker wist, was dat mijn vader, grootvader en overgrootvader er allemaal aan overleden waren. Buiten bijzonderheden zou ik er ook aan doodgaan. Het was erfelijk. Maar zo vroeg, dat had ik niet verwacht. Hoe dan ook vond ik mezelf nog altijd jong, te jong om aan zoiets als de toekomst te hoeven denken.
De toekomst.
Hoe zou mijn toekomst eruitzien?
‘Denk je weleens aan de toekomst?’ had ze me ooit gevraagd.
Nee, had ik gezegd.
‘Ik wel, heel vaak. In het modellenvak moet je wel, je begint op je vijftiende en je mag blij zijn als je het tien jaar kunt doen. Dus je moet wel een plan B hebben.’
‘Zoals?’
‘Zoals… een rijke man trouwen, achter de schermen gaan werken als ontwerper, of een studie gaan doen.’ Ze keek me aan alsof ze een lap stof bekeek. ‘Afijn, ik ben er nog niet uit.’
Ik was er wel uit. Terwijl ik daar verlamd op het bed lag had ik in een lucide halve minuut mijn hele toekomst overzien. Die lag klaarhelder voor me. Kort gezegd: mijn relatie met haar was tot mislukken gedoemd, mijn werk bood geen enkel vooruitzicht, ik zou sterven aan hartkramp.
Ik knipte de lamp op het nachtkastje aan. Op mijn wekkertje bleek het tien over één. Ik stond op en nam een hete douche. Nog altijd hét middel tegen de meeste kwellingen van het aardse bestaan, als je het mij vraagt. Na de douche keek ik in de spiegel – een angstaanjagend bleek gezicht. Ik legde een hand op mijn borst. Gelukkig, mijn hart klopte nog. De pijn was ook helemaal verdwenen. Wat moest ik nu doen? Het was midden in de nacht en ik was klaarwakker.
Ik ging aan de eettafel zitten en stak een sigaret op. Pakte het radiootje van de tafel, zette het aan, draaide wat aan de zenderknop. Op dit tijdstip had je bijna alleen maar programma’s over seks en uitzendingen waar bellers hun verhaal kwijt konden. Ik koos de eerste de beste zender die helder doorkwam.
‘Ik weet dat ik het niet moet doen.’ Een mannenstem. ‘Maar ik doe het toch, ik kan het niet helpen. Elk weekend is het weer raak, als een computervirus dat telkens weer de kop opsteekt. Ik ga naar een bar, maak oogcontact, begin een praatje, dan een drankje, en nog één, en nog één. Dan zoeken we een tentje op voor een late night snack, en daarna een plek om het bed in te duiken. Het is zo onderhand een vaste formule geworden, een routine, een soort lopendebandwerk gewoon. Maar een paar maanden geleden gebeurde er dus iets. Ik zal je eerlijk zeggen, ik weet niet eens meer hoe dat meisje eruitziet. We hadden allebei te veel op. Ik kan goed tegen drank, maar zoveel had ik nog nooit opgehad. Hoe dan ook, toen ik wakker werd had ik geen flauw idee waar ik was – en het duurde even voordat het me duidelijk werd. Uit het raam zag ik een grote neonreclame, waarop een elektronische klok de tijd aangaf: jaar, maand, dag, uur, minuut. Daaronder stond in steeds wisselende kleuren een tekst: dat het nog 98 dagen was tot de een of andere beurs. Het meisje lag naast me, diep in slaap, het neonlicht flikkerde op haar gezicht.
‘Ik voelde me een beetje misselijk. Met een tollende kop stond ik op en zocht op de vloer mijn kleren en tas bij elkaar, wat nog een hele toer bleek. Om haar niet wakker te maken kleedde ik me in de badkamer aan. Ik was nog niet klaar of ik viel bij de plee neer om te kotsen. Kotste zowat mijn hele maag leeg. Maar het luchtte wel op. Ik was in een hotel, dat zag ik aan de badkamerspulletjes. Toen ik naar sigaretten zocht in mijn tas, vond ik twee condooms, ongeopend in de verpakking. O nee, kreunde ik, als ik nou maar niks opgelopen heb. Maar ja, voor spijt was het te laat. Ik besloot een sigaretje te roken om me te kalmeren en daarna weg te gaan. Op de stoel in de kamer, naast het bed, stak ik er een op. Het meisje lag nog altijd roerloos te slapen, alsof ze door de een of andere prins wakker gekust moest worden.
‘Zo zat ik daar dus met mijn peukje te staren naar dat reclamebord buiten. Ik zag de cijfers van de elektronische klonk verspringen: 15 werd 16, 16 werd 17, 17 werd 18… tot ik opeens dacht: hier klopt iets niet. Turend naar die cijfers, die felle cijfers in de nacht, begon me iets te dagen. Toen wist ik het, patsboem – het was mijn verjaardag! Ik was dertig geworden. Straal vergeten! Het leek wel een elektrische schok die me totaal verlamde, ik kreeg een brok in mijn keel en barstte bijna in tranen uit. Aan de ene kant was het droefheid. Dertig jaar al, dat ik op aarde rondliep… Aan de andere kant was het ook angst, verwarring. Was dit het? Moest ik dan alsmaar zo verder?’
Hij zweeg. ‘Sorry, ik steek even een sigaretje op.’ Over de radio klonk het geluid van een aansteker. Ik wachtte, kijkend naar het zwarte toestelletje op mijn eettafel.
‘Een paar dagen geleden,’ ging hij verder, ‘drie dagen denk ik, werd ik gebeld. Midden in de nacht, om deze tijd ongeveer. Een onbekend meisje, dat alleen maar zei: ik ben zwanger. Daarna hing ze op. Ik belde meteen terug naar het nummer dat de nummermelder weergaf. Het bleek een openbare telefoon in een 24-uursshop.
‘Ik weet dat zij het was. Kan niet anders. Ik ben altijd heel voorzichtig, alleen die nacht had ik geen condooms gebruikt. Maar ik kan haar dus niet meer vinden. Ik heb geen telefoon van haar. Weet haar naam niet eens. Al dagen zit ik nu constant met dat beeld in mijn hoofd: ik in die stoel, te roken, zij op bed, aan het slapen, en buiten die flikkerende cijfers van de klok, in de nacht. En op dat moment moet in haar lichaam mijn zaadje zijn ontkiemd. Dat is toch gewoon een goddelijk teken, of niet? Een god die me op de dag van mijn dertigste verjaardag een kind geeft en me er dan naar laat zoeken. Je kunt niet alsmaar zo verder – dat was zijn antwoord op mijn vraag.’
Hij zweeg weer. Er volgde reclame. Ik zette de radio uit.
Kong Yalei’s verhalenbundel Volcano Hotel (2013)
Ik legde mijn handen plat op de tafel. Ze leken wel van iemand anders. Een kind, dacht ik. Toen ik op de universiteit zat was ik ooit met een meisje meegegaan om een abortus te laten doen. Maar dat leek alweer zo lang geleden, het had evengoed niet gebeurd kunnen zijn. Om de een of andere reden had ik opeens zin om mijn modellenvriendin te bellen, maar uiteindelijk liet ik dat zitten. Wat had ik haar ook eigenlijk te zeggen?
Ik vroeg me af wat ik nu moest gaan doen. Eigenlijk had ik best honger, merkte ik. Het laatste wat ik gegeten had was noedels voor lunch, samen met mijn modellenvriendin. Ik stond op, liep de keuken in en trok de koelkastdeur open. De koelkast was net zo’n schrale bedoening als mijn leven. Een halfje versteend fabrieksbrood. Slasaus van ver over de datum. Bijna onherkenbaar beschimmeld fruit. Niks eetbaars. Ik begon de koelkast uit te ruimen en gooide alle verpieterde dingen in de vuilnisbak, tot ik alleen nog een blikje Tiger Beer overhad en een zwart uitgeslagen mango. De koelkast, helemaal leeg nu, leek net een blinkend miniatuur-mortuarium. Terwijl ik met de ene na de andere plof alle spullen in de vuilnisbak aan het gooien was, speelde voortdurend dat zinnetje van die man op de radio door mijn hoofd – moest ik dan alsmaar zo verder?
Ik nam het bier en de mango mee naar de eettafel. Zette de radio weer aan en zocht een jazzzender op de kortegolf op. Luisterend naar de muziek en drinkend van het bier bekeek ik de mango, die naast het radiootje op tafel lag. Samen vormden ze een geheimzinnig stilleven. De mango was al verregaand verrot, hij voelde ook boterzacht aan. Vast vergeten door mijn vriendin het model. Ze was net zo bezeten van mango’s als ik van boeken.
Opeens had ik een inval. Ik zette mijn bier neer, stond op, pakte een oude krant van het koffietafeltje en spreidde die op de eettafel uit, waarna ik mijn Zwitsers zakmes erbij pakte en de mango begon te pellen. Ook het vruchtvlees was al zwart geworden, het leek wel modder en het rook behoorlijk eigenaardig. Toen ik op de helft was stopte ik even, omdat mijn oog was gevallen op een klein rubriekje in een onderhoek van de krant.
Het heette ‘De geschiedenis van vandaag’, eronder stond ‘De oktoberrevolutie’, met ernaast een plaatje. Ik las de tekst: 7 november is de herdenkingsdag van de Grote Socialistische Oktoberrevolutie. Op deze dag in 1917 kwamen onder aanvoering van Lenin de arbeiders en soldaten van Sint-Petersburg in opstand, om uiteindelijk de eerste, door Lenin geleide Sovjetregering in te stellen. De afbeelding toont de omsingeling van het Winterpaleis op de middag van 7 november 1917; na een kanonschot van de kruiser Aurora zouden duizenden revolutionaire strijders het Winterpaleis bestormen.
De hoeveelste was het vandaag? Ik kon er niet op komen. Na even peinzen ging ik verder met mijn mango, luisterend naar de jazz. Onder het pellen stelde ik me de bestorming van het Russische Winterpaleis voor. Toen ik al het vruchtvlees weggesneden had, aarzelde ik even, maar zette toen het mes op de pit en wrikte hem langs de rand open. Ik wilde zien wat er in zat. Een mangozaadje, bleek. Het was bijna zo lang als mijn pink en had veel weg van een klein menselijk embryo.
Een prikkelende Biblion|NBD-recensie van Wie wij zijn – een literaire kennismaking met China:
Modern Chinees proza van dertien auteurs als kennismaking met de moderne Chinese literatuur. Elf soms zeer korte vertellingen, twee prozagedichten en een voorwoord dat leest als een verhaal. Surrealistische vertellingen met veel geweld en misère, realistische vertellingen met vaak ook veel verdriet, filosofische stukjes over het typisch Chinese meisje of de gauw getrapte Chinese lange tenen. Over smaak valt niet te twisten, als smaakmaker om meer te lezen van de hier vertaalde dertien auteurs is er voor elk wat wils. De vertalingen zijn uitstekend, evenals de bibliografie, zodat het zoeken naar meer werk van deze schrijvers gemakkelijk is. Of het voorwoord, van een Nederlandse auteur, ook een verhaal is of realiteit, is een prettige vraag waar de lezer mee achterblijft.
Geïnterviewd in de Correspondent, door Tabitha Speelman:
‘Lezen en schrijven zijn ongekend populair in China. Toch slaat Chinese literatuur niet aan in het Westen. Daarover spreek ik vertaler Mark Leenhouts, die al zo’n tien jaar werkt aan de vertaling van een klassieker die in China de status heeft van Shakespeare of Don Quichot in Europa: Droom van de rode kamer.‘
Vandaag vijftig jaar geleden ‘wierp Lao She zich in de rivier’, zoals men het in China meestal zegt als men het over de sterfdag van de geliefde schrijver heeft. Op 24 augustus 1966, aan het begin van de Culturele Revolutie, verdronk Lao She, die we in de lage landen vooral kennen van zijn beroemde roman De riksjarenner, zich in het Taipingmeer in Peking.
Geheel opgehelderd zijn de omstandigheden van zijn dood niet. Voor velen is zijn zelfmoord een gevolg van de vernederingen en mishandelingen die veel intellectuelen tijdens die ‘bloedige augustus’ ondergingen. Sommigen beweren dat hij zou zijn bezweken aan het geweld van een hevige ‘strijdsessie’ bij de Confuciustempel, waarvoor hij die dag immers was gesommeerd. Alles wat zeker is, is dat hij de 24e ’s ochtends zijn huis verliet en de volgende dag in het water werd gevonden.
Op dezelfde dag vijftig jaar later ben ik gaan kijken naar de plek waar vroeger het Taipingmeer lag, net buiten de oude stadsmuur van Peking. Tegenwoordig is er een klein park, langs de oude stadsgracht. Geen herdenkingsteken te vinden, geen plakkaat of steen, maar een man die er waterkalligrafie aan het beoefenen was, maakte deze voor me, een tijdelijke.
老舍投江 : ‘Lao She werpt zich in de rivier’Park op de plek van het oude TaipingmeerLao SheVertaling Daan BronkhorstDe kalligraaf
Kunstenaar Jan Paul Hulsenbek maakte tekeningen geïnspireerd op een citaat uit Han Shaogongs Woordenboek van Maqiao:
In Maqiao tekenen ze een draak altijd zwart met een hertengewei, haviksklauwen, een slangenlijf, een runderkop, garnalensnorharen, tijgertanden, een paardengezicht, vissenschubben enzovoort… (…) Zo bezien is de draak dus helemaal geen dier en heeft hij ook niets te maken met de dinosauriërs uit de verre oudheid. De draak is een typische Chinese samenstelling van alle dieren, een abstracte samenvatting van al het leven op aarde.