Lezen ‘met de oogen van een Chinees’

Toen er in 1939 voor het eerst een moderne Chinese roman in het Nederlands werd vertaald, Schemering over Sjanghai van de schrijver Mao Dun, kon je aan de flaptekst wel merken hoe nieuw en bijzonder dat was. ‘Sjanghai!’ klonk het enthousiast. Het ‘Parijs van het Oosten’ was ‘nu het brandpunt der wereldbelangstelling’ en ‘op het juiste moment’ verscheen dan ook ‘een boeienden roman, die ons het werkelijke, tegenwoordige Sjanghai met de oogen van een Chinees laat zien’.

Benieuwd naar hoe die uitgeversaanprijzing destijds bij het lezerspubliek viel, dook ik het internet eens in, waar ik, onder andere via de mooie website Delpher, uit oude kranten en tijdschriften enkele recensies wist op te diepen. De reacties kwamen me eerlijk gezegd wat bekend voor.

Sprak de Heldersche Courant zonder meer van ‘meesterschap’ en vond de Telegraaf dat Mao Dun een ‘beklemmend en angstig beeld van het Verre Oosten met realistische kleuren schildert’, iets vaker waren er helaas bedenkingen te lezen. Het Utrechts Nieuwsblad oordeelde: ‘De inlichtende waarde van het boek dunkt mij, althans in vertaling, grooter te zijn dan de literaire.’ En de katholieke Boekengids uit Vlaanderen voegde er streng aan toe: ‘Een diepere kijk op de Chineesche ziel, die men van den schrijver, zelf Chinees, zou verwachten, geeft het boek niet.’

Nu was Schemering over Sjanghai misschien ook meer een grote, caleidoscopische schets van het stadsleven dan een psychologisch drama, maar toch: in die wat gedateerde termen staat hier eigenlijk te lezen hoe Chinese romans ook later, door de jaren heen, nog geregeld zouden worden ontvangen – met een iets te grote nadruk op de vraag wat het boek je over China zou kunnen leren. Al is het op zich een begrijpelijke vraag, gezien de onbekendheid van land, cultuur en literatuur, hij kan het blikveld ook beperken.

Het deed me, om bij Shanghai te blijven, denken aan de reacties op de roman Shanghai baby van Wei Hui uit 1999 – een nieuwe, hippe getuigenis van het destijds net heroplevende kosmopolitische karakter van de stad, die uiteraard zo lang in de socialistische luwte had gelegen.

Behalve Wei Hui’s ontboezemingen op het gebied van sex, drugs & dance, waren vooral haar vele verwijzingen naar de westerse cultuur de attractie van het boek – al werden die in de kritiek direct als wel wat al te parmantig weggezet. In een Nederlands radioprogramma werden haar iets te luid beleden schrijversaspiraties zelfs hardop lachend besproken. Hoe dan ook: toch bespraken ze het boek maar, en Shanghai baby beleefde een voor een Chinese roman zeldzame vier herdrukken. De nieuwsgierigheid naar het ‘tegenwoordige Sjanghai’, gezien door ‘de oogen van een Chinees’, was ondanks alles groot.

Het is natuurlijk lang niet eenvoudig om een vreemde literatuur als de Chinese in de rest van de wereld evenwichtig voor het voetlicht te brengen. Maar toch is het in dit geval jammer dat een andere Shanghai-roman, die net voor Shanghai baby verscheen, zo onderbelicht is gebleven. Want het grote Lied van het eeuwig verdriet (1995) van schrijfster Wang Anyi, dat in het Engels, Frans, Spaans en Italiaans werd vertaald maar weinig weerklank vond, kijkt nou juist met een kritische, ironische blik naar die jonge generatie van Wei Hui.

In het boek aanbidt een romantische jongeling een voormalige ‘miss Shanghai’ uit de jaren 1940, terwijl grande dame Wang Anyi juist fijntjes laat zien hoe de gewezen schoonheidskoningin slechts derde werd bij die verkiezing, en hoe zij in de communistische decennia daarna een grijs en onopvallend leventje als vrijgezelle verpleegster leidde. Het boek mag zijn gebreken hebben, het grijze leven wordt wellicht wat breed uitgemeten, toch wordt er wel degelijk een ‘Chineesche ziel’ blootgelegd, als je bijvoorbeeld kijkt naar het karakteristieke taaie overleven van de heldin.

Heeft Lied van het eeuwig verdriet gewoon wat minder ‘inlichtende waarde’ voor een nieuwsgierig westers publiek? Of is dat publiek toch wat verblind door het opzichtige westerse appeal van Shanghai baby? De opvallende belangstelling voor Shanghai is wat dat betreft tekenend – in de flaptekst uit 1939 hierboven werd de stad immers al als ‘smeltkroes der Oostersche en Westersche cultuur’ aangeprezen.

In dat opzicht is een andere roman hier interessant, de klassieker Belegerde vesting van Qian Zhongshu, verschenen in 1947 en in 2013 (door ondergetekende) in het Nederlands vertaald. Het boek vertelt over Chinese studenten die in de jaren 1930 van Europa terugkeren naar Shanghai, en de schrijver, een bolleboos en polyglot, doorspekt zijn satire met grappen in allerlei talen, van Frans en Latijn tot klassiek Chinees. Het geheel wordt daarom vaak kortweg geduid als een confrontatie tussen het moderne Westen en het traditionele China, maar eigenlijk ligt het wat genuanceerder. De meeste studenten blijken overzee namelijk niet zoveel te hebben uitgevoerd, terwijl het mondaine wereldje van Shanghai hen juist bewonderend onthaalt als de toekomst van het land. Beide partijen wordt zo een spiegel voorgehouden.

Bovendien schuilt er in hoofdpersoon Hongjian, een wat sukkelige, zelfverklaarde schopenhaueriaan, een heel wat conservatievere, vadervrezende ziel dan hij wil toegeven. Als hij na een mislukte carrièrestap een huwelijk met de aanvankelijk bescheiden ogende Roujia inrolt, blijkt deze jonge vrouw, die nooit in het buitenland is geweest, een sterker, zelfstandiger denkend type dan hij.

Verkijk je niet op al het westerse in Shanghai, lijkt Qian Zhongshu met een knipoog te zeggen, het moderne komt niet per se van buiten. Gezien de vele geleerde essays over taal en literatuur die Qian schreef, waarin hij juist altijd vergelijkingen en verbindingen zocht tussen oost en west, is dat heus geen overtrokken conclusie. En om een nog boudere stelling te wagen: misschien voorzag hij daarmee zelfs wel hoe het er in de wereld zou uitzien in de 21e eeuw, kort na zijn dood. Heeft de westerse blik zich immers niet wat al te veel op de westerse kant van China gericht, terwijl het land op andere manieren sterker werd?

Dat is nog eens lezen met Chinese ogen, zou je kunnen zeggen.

Oorspronkelijk verschenen op China2025.nl

Zie ook: Het ‘ik’ is niet zo belangrijk

Wie wij zijn

Een prikkelende Biblion|NBD-recensie van Wie wij zijn – een literaire kennismaking met China:

Modern Chinees proza van dertien auteurs als kennismaking met de moderne Chinese literatuur. Elf soms zeer korte vertellingen, twee prozagedichten en een voorwoord dat leest als een verhaal. Surrealistische vertellingen met veel geweld en misère, realistische vertellingen met vaak ook veel verdriet, filosofische stukjes over het typisch Chinese meisje of de gauw getrapte Chinese lange tenen. Over smaak valt niet te twisten, als smaakmaker om meer te lezen van de hier vertaalde dertien auteurs is er voor elk wat wils. De vertalingen zijn uitstekend, evenals de bibliografie, zodat het zoeken naar meer werk van deze schrijvers gemakkelijk is. Of het voorwoord, van een Nederlandse auteur, ook een verhaal is of realiteit, is een prettige vraag waar de lezer mee achterblijft.

B.J. Mansvelt Beck

Meer over de door uw dienaar samengestelde bundel op de website van het ILFU

Zie ook: De tweede ronde

Het ‘ik’ is niet zo belangrijk

Chinese literatuur en de grenzen van de globalisering

Er zijn twee soorten Chinese literatuur: een in China en een erbuiten. De internationale variant kun je bijna met één titel typeren – Wilde zwanen van Jung Chang. Deze getuigenis van de woelige Chinese geschiedenis zette in 1991 een ware industrie in gang: autobiografische boeken van naar het Westen uitgeweken vrouwen die direct in de taal van hun gastland tegemoetkwamen aan de schijnbaar onstilbare westerse honger naar ‘Chinees leed’. Onder die naam werd het genre in internationale uitgeverskringen nog een goede vijftien jaar succesvol uitgebaat.

Zelfs een meer frivool boek als Balzac en het Chinese naaistertje (2000) van de Frans-Chinese Dai Sijie, waarin op het platteland tewerkgestelde scholieren tijdens de Culturele Revolutie via verboden westerse romans ‘het ware leven’ ontdekken, bespeelt op vergelijkbare wijze het westerse gemoed, door het onderdrukkende communisme en het vrije Westen tamelijk diametraal tegenover elkaar te zetten.

Is dit eigenlijk nog wel Chinese literatuur te noemen? Chinezen kunnen deze boeken vaak niet eens lezen, en al worden ze in het Chinees vertaald, dan nog blijkt men in China amper geïnteresseerd in verhalen die het leven zo eendimensionaal tot politiek reduceren. Het doet hen denken aan die korte vlaag van ‘littekenliteratuur’ vlak na Mao’s dood in 1976 – verhalen over de wonden van de Culturele Revolutie die simpelweg ‘geschreven moesten worden’, maar nooit voor hoge kunst doorgingen.

Waarom blijft dit werk in de rest van de wereld dan toch zo hardnekkig de ‘echte’ Chinese literatuur aan het zicht onttrekken? Het is niet alleen dat Chinese littekens makkelijker reizen dan Chinese schrifttekens, want inmiddels is er al aardig wat hedendaagse Chinese literatuur vertaald. Het moet deels te maken hebben met die westerse fixatie op eenduidige politieke aanklachten, want in de Chinese letteren wordt ook, en veel zelfs, geschreven over de recente geschiedenis, maar wel wat subtieler.

Belangrijker is dat boeken als Wilde zwanen voor een westerling domweg ‘beter lezen’. Geen wonder: Jung Changs literair agent te Londen zei zeven jaar met haar te hebben samengewerkt om haar manuscript in een voor de westerse markt aantrekkelijke vorm te gieten, waarbij de persoonlijke beleving voor het historische materiaal moest komen te staan.

Vergelijk dat eens met een schrijfster als Wang Anyi, die in China de reputatie geniet van, zeg, Margriet de Moor, maar slechts mondjesmaat wordt vertaald. Haar romanklassieker Lied van het eeuwig verdriet uit 1995 beslaat een halve eeuw China aan de hand van het leven van een vrouw – net als in de Engelstalige egodocumenten dus. Een eenvoudige verpleegster, die ooit derde werd bij een Miss Shanghai-verkiezing en eindigt als een sombere oude vrijster, maakt het Shanghai mee vanaf de kosmopolitische jaren veertig, via de grijze communistische periode tot aan de wederopbloei van de stad begin jaren negentig.

Maar in tegenstelling tot wat de internationale littekenliteratuur suggereert, wordt haar triviale leventje niet beheerst door politieke campagnes: het kabbelt eigenlijk rustig voort. Ze blijft gewoon mahjongen, al moet dat onder het strenge maoïsme dan stiekem. Haar echte ongeluk is te wijten aan haar eigen middelmatigheid, niet aan het totalitaire systeem, dat voor zo’n gewone burger ver op de achtergrond blijft.

Zou de westerling die nuance soms niet willen horen? Mogelijk, maar een groter obstakel is wellicht dat het boek zelf ook wat rustigjes voortkabbelt. De gewone vrouw is een wel heel gewone vrouw, Wang tekent haar niet in detail, maar besteedt minstens zo veel aandacht aan de vele personages om haar heen, die in dit feuilletonachtige relaas allemaal een hoofdstukje krijgen. Met dat brede maatschappelijke palet staat Wang in een lange Chinese traditie, die de westerse lezer van psychologische romans, zoekend naar identificatie met een centrale hoofdfiguur, vaak als kil en afstandelijk overkomt.

Iets soortgelijks zie je bij de nog minder vertaalde schrijver Shi Tiesheng, in China zeer geliefd, zij het bij een kleiner publiek vanwege zijn wat meer experimentele werk. Notities van een theoreticus uit 1996, een vrij los geheel van korte notities, gaat over gefnuikte verlangens. Op een niet zozeer verhalende als wel beschouwende manier legt hij de geknakte levens van groep mensen naast elkaar, en daarbij blijkt dat de politiek maar één van de vormen is die het noodlot kan aannemen. Het ene personage ziet zijn dromen gedwarsboomd door zijn ‘foute’ klassenachtergrond, de ander door zijn verlamde benen, een derde door zijn angst voor de ware liefde. Shi lijkt zozeer op zoek naar het algemeen menselijke dat hij zijn personages geen namen maar slechts initialen meegeeft.

Shi Tiesheng schrijft intimistischer proza dan Wang Anyi, maar ook hij toont zich typisch Chinees in het feit dat hij liever een hele rits personages met elkaar vergelijkt dan in de zielenroerselen van één ervan graaft – al is het resultaat is er niet minder ontroerend om. Toch zijn het die eeuwenoude Chinese opvattingen over maatschappelijke relevantie en verbloeming van het ‘ik’ die zoveel Chinese schrijvers over de grens parten spelen.

Natuurlijk is de moderne Chinese literatuur beïnvloed door de westerse; zij dankt er zo ongeveer haar ontstaan aan. Rond 1900 waren Balzac, Dickens en Gogol al vertaald, en schrijvers van nu zijn geïnspireerd door Faulkner, Kundera of Calvino. De gemiddelde Chinees leest en weet meer van de westerse cultuur dan de westerling van de zijne; omdat die westerse cultuur nu eenmaal alomtegenwoordig is.

Toch heeft China geen wereldsterren als Márquez of Rushdie voortgebracht – maar dat zijn dan ook schrijvers die dankzij de koloniale tijd diepe westerse wortels hebben en eerder de Europese literatuur nieuw leven inbliezen dan dat ze de Latijns-Amerikaanse of Indiase op de kaart zetten. Zelfs van de Turkse literatuur, dichter bij huis, leest de Europeaan het liefst iemand als Pamuk, die in zijn thuisland toch bij een kleine, westers georiënteerde minderheid hoort.

Met de Chinese literatuur is het waarschijnlijk hetzelfde gesteld. Zij heeft zich millennia lang in relatieve afzondering ontwikkeld en is daarmee misschien wel de enige andere, grote literaire traditie naast de westerse, als je die met Homerus laat beginnen. Net als de westerse literatuur neemt de Chinese daarom van andere tradities over wat haar bevalt, en is het resultaat mogelijk wat onherkenbaarder voor ons, arme kinderen van het Avondland.

Oorspronkelijk verschenen in Trouw, 20 december 2008

Zie ook: Lezen ‘met de oogen van een Chinees’