Westers plantje in Chinese bodem

Al een paar jaar nu staat ze bovenaan de goklijstjes voor de Nobelprijs voor literatuur, de eigenzinnige Chinese schrijver Can Xue (1953). Opvallend, want de droom- of soms eerder nachtmerrieachtige werelden die zij al veertig jaar lang onverdroten schept, worden door iedere nieuwe lezer als ronduit raadselachtig, zo niet ondoorgrondelijk ervaren. En toch dienen de nieuwe lezers zich telkens weer aan, ook wereldwijd, vooral in het doorgaans niet zo ‘vertalingsgerichte’ Amerika nota bene, waar Can Xue met een tiental boeken sterker vertegenwoordigd is dan elders; de International Booker Prize tipte haar ook al tweemaal. Wat verklaart dit fenomeen?

Can Xue’s werk is amper verhalend, maar vooral heel zintuiglijk, waarbij mens en natuur vaak ongehinderd in elkaar over lijken te lopen. Haar romans en verhalen bestaan uit heldere, directe zinnen zonder veel beeldspraak, alles lijkt gewoon wat het is – en toch kan binnen het bestek van enkele alinea’s de verwarring toeslaan. Dialogen ontsporen doordat de soms naïef aandoende personages er een geheel eigen, wonderlijke logica op na lijken te houden. Men praat vaak langs elkaar heen, niet zelden voelt een ik-persoon zich alleen en onzeker – en eigenlijk meer aangetrokken tot de planten- en dierenwereld. Niet dat de natuur per se mooier is, maar een soort oerkracht lijkt veel personages ermee te verbinden.

Neem het korte verhaal ‘De os’ (door Ann Boone vertaald in tijdschrift Het trage vuur), dat nog tot haar meer toegankelijke werk behoort maar wel heel illustratief is. In vier luttele pagina’s beschrijft Can Xue hier een ouder echtpaar in een lekkend, houten huisje, ten prooi aan de elementen. Het barre weer sluit aan bij hun gemoedstoestand: de vrouw bekijkt haar uitvallende, grijze haar in de spiegel, de man klaagt over zijn rottende tanden. Maar af en toe vangt de vrouw een glimp op van een paarse os, een log beest met een ‘purperen glans’ dat buiten rondstruint. Het steekt zelfs een keer een paarse hoorn door een spleet in de muur, vlak boven het echtelijk bed; als de vrouw er een hand naar uitsteekt, voelt ze enkel het kale hoofd van haar man. Haar man, die haar negeert als ze hem fluisterend over het ‘purperen licht’ vertelt.

Het is verleidelijk om dit alles psychologisch te duiden – een verhaal over verlangen, een diep oergevoel? – maar Can Xue zelf doet daar geen enkele poging toe. Alles komt tot haar in een soort ‘automatisch schrijven’, zegt ze, en het enige wat ze daar verder over kwijt wil, is dat haar Chinese achtergrond erin samenkomt met haar grote liefde voor westerse literatuur. Typisch Chinees is voor haar namelijk het traditionele idee van de ‘eenheid van mens en hemel’, waarbij ‘hemel’ doorgaans staat voor de natuur – de mens is daar maar een onderdeel van en zeker niet ‘de kroon op de schepping’. Denk aan de klassieke Chinese schilderkunst, met haar overweldigende berglandschappen waarin vaak enkel een piepklein mensfiguurtje is opgenomen, als om te zeggen: de mens is hier niet de maat der dingen. Het typeert Can Xue’s werk wonderwel.

Maar, vervolgt ze, door die ‘eenheid van mens en hemel’ heeft de Chinese mens wel altijd een zwakker zelfbewustzijn gekend dan de westerse. En in haar ogen zou de moderne Chinese literatuur best wat meer ‘kritische reflectie op het ik’ mogen bieden. De westerse literatuur en filosofie die ze van jongs af aan las – ze heeft veel met Kafka, over wie ze een studie schreef – wil ze gebruiken om iets ‘los te wrikken’ in de Chinese ziel. ‘Een westers plantje dat groeit in de Chinese bodem van 5000 jaar geschiedenis’, noemt ze haar werk. Dat ze daarmee ook bij de westerse lezer iets weet los te woelen, in zijn onderbewuste wellicht, bewijst volgens haar alleen maar dat haar ‘intuïtieve’ manier van schrijven werkt. Haar teksten zijn er namelijk niet zozeer om begrepen te worden, vindt ze, maar om te worden ondergaan, het is voor haar performatieve kunst. En laat dat nu juist de meest gehoorde reactie zijn onder haar Amerikaanse bewonderaars, die zich na enige perplexiteit simpelweg over zeggen te geven aan het bevreemdende Can Xue-universum. Een universum waarin zij op hun beurt kunnen ervaren hoe het is om op te gaan in die allesomvattende natuur.

Oorspronkelijk verschenen in de Nederlandse Boekengids, nummer #1 – 2025

Zie ook: Het eenvoudigste schriftteken

Tieshengiana

1. Indruk, beeld, herinnering

In Shi Tieshengs Notities van een theoreticus draait het om herinneringen. In het eerste hoofdstuk, op de eerste pagina’s, treffen we een in alles op Shi Tiesheng gelijkende ‘ik’ aan, die zich op een avond in een oud park geconfronteerd ziet met zijn sterfelijkheid en zich afvraagt wat zijn ‘ik’ nu eigenlijk is, hoe er uit zijn herinneringen, die vervormingen van het verleden waarmee hij als schrijver nu eenmaal werkt, zoiets als een ‘ik’ is ontstaan.

Recente uitgave van de Notities (People’s Literature)

Het woord dat Shi Tiesheng meestal voor ‘herinnering’ gebruikt is niet het Chinese standaardwoord maar: 印象 yinxiang, wat in eerste instantie ‘indruk’ betekent. De relatie tussen die beide woorden kennen we in het Nederlands natuurlijk ook, evenals in andere talen. Maar in het Chinees liggen de connotaties dichter bij elkaar, en voor de vertaler van de Notities, uw dienaar op deze site, leverde dat soms problemen op, bijvoorbeeld wanneer het bepaalde alledaagse zinswendingen betrof. Neem de Chinese uitdrukking ‘daar heb ik geen indruk van’ (even letterlijk weergegeven), die eerder iets betekent als ‘daar staat me niets van bij’ dan ‘dat is niet mijn indruk’, de Nederlandse uitdrukking die zich opdringt. Iets vergelijkbaars is de frase ‘in mijn indruk’ (opnieuw even letterlijk omgezet), die Shi geregeld in zijn boek gebruikt: daar klinkt voor een Nederlandse lezer algauw ‘naar mijn indruk’ in mee, wat meer een mening of een kijk op de zaak aangeeft, terwijl Shi het toch echt bedoelt als ‘in mijn herinnering’. Allemaal hinderlijke interferenties dus, met mogelijk zelfs misvertanden.

In de Notities heb ik daarom toch vaak voor ‘herinnering’ moeten kiezen in plaats van ‘indruk’. Maar wel heb ik in het eerste hoofdstuk, waarin als het ware het thema, het program, van de roman uiteen wordt gezet, gepoogd om beide woorden naar voren te laten komen – zodat de lezer ze voor de rest van het boek in zijn hoofd kan houden. Daarbij kon ik mooi gebruik maken van Shi’s stijl, want die is, zoals een recensent het zei, weliswaar ‘helder als water’, maar heeft ook, door de veelvuldige herhalingen en hernemingen, een onmiskenbaar ‘nadenkend’ karakter. In het onderstaande fragment uit notitie 7 kunt u zien – aan de onderstrepingen – dat ik mijn oplossing heb gezocht in een verdubbeling van woorden, wat voor mij goed past bij een verteller die ‘hardop nadenkt’, en daarbij ook een soort overgang heb gecreëerd via het woord ‘beeld’, dat ook in de stam van het Chinese woord zit: van 印象 yinxiang betekent het eerste karakter namelijk het fysieke ‘in-’ of ‘afdruk’, en het tweede ‘beeld’. Ik denk dat het hieronder vanzelf duidelijk wordt, dus het woord is aan de schrijver.

Ik liep door het bos, de twee kinderen waren al naar huis. Die hele herfst, elke avond van die hele herfst, liep ik zo alleen door dat bos. De lantaarnpalen staan er wijd uit elkaar, tussen de lichte stukken zitten steeds donkere stukken; mijn schaduw dook nu eens op in het licht en verdween dan weer in het donker. De wind, uit onbestemde richting, blies vlaag na vlaag de kleurige, gevallen blaadjes op, alsof hij de een na de andere herinnering uit mijn leven opzwiepte. Ik leek zelf die onbestemde wind wel, het was alsof ik alleen door die kleurige blaadjes los te rukken en de lucht in te blazen, iets van grip op mijn eigen bestaan kon krijgen.

Dingen van vroeger, of mensen van vroeger, zijn net als die vallende blaadjes, op de herfstwind van mijn leven dwarrelen ze van het donker het licht in, en glippen ze van het licht het donker in. In het licht zie ik ze, in het donker kan ik ze me alleen maar voorstellen; afgaand op de blaadjes die het licht in dwarrelen kan ik me de blaadjes die het donker in glippen voorstellen. Hoe ze echt zijn in het donker kan ik niet zien, ik zie ze alleen in mijn verbeelding – op de wind van mijn verbeelding dwarrelen ze naar een ander soort licht. Is dat andere soort licht niet echt? Als het donker een paar vallende blaadjes heeft opgeslokt, kun je je ze nog altijd voorstellen omdat je verbeelding het donker kan verlichten, die blaadjes kan verlichten. Maar de blaadjes in het licht van mijn verbeelding zijn niet die in het donker opgeslokte, het is alleen het enige echte wat ik kan krijgen. Zelfs die blaadjes in het licht, hoe echt zijn die eigenlijk als ik daarnaar kijk? Alleen echt in mijn indruk, mijn beeld van ze, of eerder gezegd, enkel in mijn beeld, mijn indruk van wat echt is. Met dingen en mensen van vroeger is het net zo, of ze nou het licht in dwarrelen of het donker in glippen, alleen in mijn beeld van ze, mijn herinnering aan ze, kunnen ze echt worden.

Het echte staat niet buiten mijn geest, buiten mijn geest bestaat er niet zoiets als ‘iets echts’ dat daar in zijn oorspronkelijke, onaangetaste vorm ligt te wachten. Echt is soms maar een verhaal, een gerucht zelfs, soms is het een vermoeden, soms een droom, en al die dingen samen houwen in mijn geest, met goddelijk vakmanschap, mijn beelden en herinneringen uit.

En tegelijk met mijn beelden en herinneringen houwen ze ook mij uit. Want wat zou ik, mijn echte ik, anders zijn, anders kúnnen zijn? Niets dan die beelden en herinneringen. Het geheel, het weefsel van al die herinneringen, dat ben ik.

2. All Sages

En dan een herinnering van mij, een kleine – aan het moment dat ik Shi Tieshengs Notities van een theoreticus voor het eerst in handen had, niet lang na verschijnen, ruim vijfentwintig jaar terug. Waarom weet ik dat nog zo goed? De schrijver was ik al langer op het spoor, maar in die tijd, de jaren negentig, de tijd voor het internet, was China ‘verder weg’ dan nu, ook qua vliegverbindingen en ticketprijzen, zeker voor een net af gestudeerde twintiger als ik. Dus de laatste ontwikkelingen volgen, de laatste boeken bemachtigen, dat ging allemaal net wat anders. Natuurlijk was er de sinologische bibliotheek van de Leidse universiteit, met de laatste afleveringen van literaire tijdschriften, maar meer was het toch een kwestie mensen spreken, om je heen vragen, nieuwtjes uitwisselen.

‘Thuis’ waren daar de docenten en onderzoekers, bijvoorbeeld, maar was ik eenmaal in China, dan vroeg ik graag aan iedereen in wie ik maar een beetje iets boekigs zag naar wat ze zoal lazen. Best vaak kreeg je dan de geijkte antwoorden, natuurlijk, de grote namen, de boeken die men op school las, maar een enkele keer… Het was iemand die niet per se literaire affiniteiten had, weet ik nog, maar op mijn vraag wendde deze Pekingse filmproducer even bedachtzaam het hoofd, en zei toen, heel bedaard: Shi Tiesheng, daar houd ik zelf wel van, en ik heb het idee dat de mensen om me heen dat de laatste tijd ook veel lezen, helder, filosofisch, ja, zijn werk zou je eens moeten opzoeken.

Boekhandel All Sages (Wansheng) in 1996

Makkelijker gezegd dan gedaan, in China in die tijd: niet veel boekwinkels waren er, en ze waren ook niet altijd even goed gesorteerd. In een weids opgezette stad als Peking reed je bovendien nog eens aardig wat kilometers af als je naar meer dan één winkel wilde, of moest. Tijdens dat bewuste korte bezoekje aan Peking was ik daarom al blij dat ik een recente verhalenbundel van Shi Tiesheng op de kop kon tikken. Maar toen ik een paar jaar later een tijdje aan de Universiteit van Peking verbleef, had ik meer tijd en gelegenheid – en zo kwam het dat ik in de intussen allang verdwenen hutongs buiten de oostpoort van de universiteitscampus op een dag ‘oog in oog’ stond met de Notities. Bij boekhandel All Sages was het, toen nog niet de grote winkel met de gevestigde naam die hij zou worden, maar een bescheiden, volgepropt zaakje aan een stoffig steegje.

Ik kan nog steeds niet verklaren waarom dat moment me zo is bijgebleven. Ongetwijfeld omdat ik na het lezen van Shi’s verhalen voelde dat ik met iets bijzonders te maken te had, en wist dat dit dan dus zijn grote roman was, het magnum opus waaruit voluit, ononderbroken, de stem zou spreken die ik intussen in stukjes en beetjes had leren kennen. En ongetwijfeld ook omdat je in die dagen als ‘boekenstruiner’ wist: zie je een boek liggen, pak het dan mee, want de volgende dag is het verkocht. Of was het toch nog iets sterkers? De eenvoudige, grijze kaft van die eerste druk uit 1996, de sobere vormgeving die in die tijd nog gewoon was, zou je nu misschien wat karig noemen. Maar het grote portret erop van Shi, in sepiakleuren, zijn kalme blik onder een soortement baret, straalde iets… weldadigs uit. Het sepia en het grijs van de kaft kleurden bovendien mooi met de typische tinten van de hutong waarin ik me bevond, waardoor het even leek alsof ik in iets groters opgenomen werd. Nu zou je kunnen zeggen: omdat je het boek inmiddels vertaald hebt, er zoveel jaren mee geleefd hebt, is de herinnering ‘gegroeid’ en ‘gevoed’. Maar nee, zeg ik dan toch, de herinnering was direct al zo scherp: de indruk én het beeld.

Eerste druk van de Notities (Shanghai Literature & Art, 1996)

3. Het jaar dat ik éénentwintig werd

Tot slot een herinnering van Shi Tiesheng, een grote. In een essay uit 1991 keek Shi Tiesheng terug op zijn eerste, lange ziekenhuisopname in ‘het jaar dat ik éénentwintig werd’, oftewel 1972, toen hij op het platteland tewerk was gesteld om ‘van de boeren te leren’. Hieronder de openingspassage van dat lange stuk, waarin hij langzaam tot het besef komt dat hij voor zijn leven verlamd zal zijn.

Twaalf kamers had de afdeling neurologie van het Vriendschaps-ziekenhuis, in tien ervan heb ik gelegen, alleen in nummers 1 en 2 niet. Niet dat ik er trots op ben, natuurlijk. Al is een mens nog zo trots, kan ik je vertellen, zodra hij in een ziekenhuisbed ligt, weet hij wat nederigheid is. Die nummers 1 en 2 waren de intensive-carekamers, vanwaar het nog maar één stap naar het hogere was – daarvoor vond God het voor mij nog te vroeg.

Negentien jaar geleden kwam ik aan de arm van mijn vader de ziekenzaal opgelopen. Ik kón toen nog lopen, zij het moeilijk, moeilijk om aan te zien voor anderen ook. Ik nam me voor: of ik word beter, of ik leg het loodje, maar op deze manier zal ik de ziekenzaal in geen geval weer uitlopen.

Het was rond het middaguur, behalve het lichte gesnurk van de patiënten hoorde je alleen de vederlichte voetstappen van de verplegers en verpleegsters. Alles was schoon en wit, in het zonlicht hing de geur van ontsmettingsmiddel, als een gelovige die een tempel betrad voelde ik hoop. Een vrouwelijke arts bracht ons naar kamer 10. Zachtjes vroeg ze me in mijn oor: ‘Heb je al middageten gehad?’ Ik reageerde met: ‘Denkt u dat ik nog beter word?’ Ze lachte. Ik weet niet meer wat ze antwoordde, alleen nog dat mijn vaders betrokken gezicht er wat van opklaarde. Ik heb er voor altijd een vooroordeel aan overgehouden, vanaf het moment dat ze weer sierlijk wegliep: vrouwen zijn de beste artsen, die witte jassen staan hun het best.

Het was de dag na mijn éénentwintigste verjaardag. Ik wist nog weinig van de geneeskunde en nog weinig van het lot, kon nog niet weten wat voor een ellende het betekende als je ruggenmerg was aangetast. Ik ging lekker liggen en deed een prima dutje. Ik dacht bij mezelf: tien dagen, een maand, vooruit, drie maanden, dan ben ik weer helemaal de oude. Mijn klasgenoten van het boerenproductieteam dachten er ook zo over toen ze op bezoek kwamen; ze brachten een hoop boeken voor me mee.

In kamer 10 stonden zes bedden. Ik had bed nummer 6. Bed 5 was een boer, die elke dag uitkeek naar zijn ontslag. ‘Dit bed alleen al kost me één vijftig per dag, dus reken maar uit!’ zei hij. ‘Kan beter doodgaan, ben ik goedkoper uit.’ Bed 3 reageerde: ‘Hou er nou maar eens over op zeg, met je dood dood dood. Meneer de pessimist!’ Bed 4 was een oude man, die zei: ‘Kom kom, zoals voorzitter Mao altijd zegt: maak er gewoon het beste van.’ Daarop keek de boer mij aan, met een grote glimlach, terwijl hij tegen de rest zei: ‘Tja, jullie hebben natuurlijk gratis gezondheidszorg.’ Hij wist dat ik me nog altijd ‘onder de gelederen van de arme boerenklasse schaarde’. Bed 1 zei niets. Hij zou direct het ziekenhuis uit kunnen als hij daartoe in staat was. Bed 2 leek een iemand van betekenis, iedereen keek tegen hem op, zonder dat hij er iets voor hoefde te doen. Onbekommerd, ik zou haast zeggen blijmoedig, vergat hij alle namen van dingen en mensen, inclusief zijn eigen naam. Als hij sprak verving hij elk zelfstandig naamwoord door ‘hoe heet het’ of ‘dinges’, waardoor hij de smeuïgste verhalen kon vertellen zonder dat je ooit wist wie er nou wat had gedaan. ‘Prachtig toch,’ zei bed 4, ‘zo kan hij nooit iemand beledigen.’

Ik bleef stil. Dat betrekkelijk lekkere gevoel van me was op slag verdwenen. Eén zoveel per dag voor mijn bed, dat moesten mijn ouders ophoesten, net als de kosten voor medicijnen en maaltijden, wat nog veel meer per dag was – en dat terwijl ze zich al flink in de schulden hadden gestoken om überhaupt mijn behandeling te kunnen betalen. Meteen dacht ik wat de boer almaar dacht: wanneer kon ik hier weg? Ik voelde mijn gebalde vuisten en sprak mezelf toe: dit was het ziekenhuis, ik was hier niet thuis, kwaad worden werd hier heus niet geduld, en als ik iets kapotsmeet moesten mijn ouders ook daar nog eens voor opdraaien, of niet soms? Gelukkig had ik mijn boeken, en uiteindelijk dacht ik: verdwijn daar maar gewoon in. Vooruit, drie maanden! In die deadline bleef ik domweg geloven.

De Aardetempel en ik

Het zijn doorgaans de grote maatschappelijke romans die in China de boventoon voeren, liefst die waarin de turbulente recente geschiedenis van het land aan je voorbijtrekt. Toch zag ik najaar 2023 iets heel anders op nummer 1 in de Top 20 van de bekende Pekingse boekhandel Sanlian staan: het al uit 1991 stammende essay De Aardetempel en ik, waarin de betreurde schrijver Shi Tiesheng (1951-2010) terugblikt op de tijd dat het Pekingse Aardetempelpark zijn persoonlijke toevluchtsoord was, de plek waar hij als jonge gerolstoelde man zijn schrijversroeping vond.

Nu viel mijn oog op die Top 20 omdat ik onlangs een roman van deze Shi heb vertaald, Notities van een theoreticus geheten, maar opeens realiseerde ik me ook dat het essay eigenlijk al jaren op zulke lijstjes te vinden is. Terug thuis zag ik dat de aan het essay opgehangen bundel bij de grote Chinese internetboekhandel Dangdang niet alleen het best verkochte boek van 2023 was, maar zelfs een van de vierentwintig bestverkochte boeken van de afgelopen vierentwintig jaar, naast internationale eversellers als De kleine prins. Zoals het park voor Shi Tiesheng altijd die ‘serene plek’ in zijn ‘overvolle stad’ was, zo lijken lezers uit het stormachtig veranderende China al ruim dertig jaar hun toevlucht te nemen tot dit ingetogen essay.

Shi raakte op zijn eenentwingste aan beide benen verlamd en zag in zijn destijds nog sterk verarmde land geen enkele toekomst meer voor zichzelf. Dagelijks rolde hij zijn rolstoel naar het eeuwenoude, verwaarloosde Aardetempelpark bij zijn huis, het enige passende decor voor zijn soms wanhopige gemoed. Ook de andere parkgangers pasten in dat decor, suggereert hij in zijn essay: het zwijgende middelbare echtpaar op zijn dagelijkse rondje, de verlegen zanger, het mooie, geestelijk gehandicapte meisje en de jongen die met hardlopen zijn eigen depressie bestreed – behulpzaam klokte Shi zijn tijden. Dat het geen gitzwart essay is geworden, voor zover dat al kan met Shi’s lichte stijl, is omdat hij uiteindelijk een zekere vrede vindt met zijn lot – vrede is het woord, een ronkende, Amerikaanse loutering is het niet.

In meerdere opzichten ademt het stuk een duidelijk Chinese gevoeligheid. Al dacht hij aanvankelijk vaak aan de dood, schrijft Shi, op een goed moment besloot hij dat hij ‘zich daar niet naartoe hoefde te haasten’, want: ‘mislopen zul je hem toch niet’. Met de montere berusting die je zo vaak in de Chinese literatuur tegenkomt, zei hij tegen zichzelf: hou gewoon nog even vol. Toch beseft hij gaandeweg dat een mens wat meer wil van het leven, en hij denkt dat dat voor hem schrijven is. Hij leeft om te schrijven, zegt hij, al stelt hij dat later in het stuk bij tot het omgekeerde: hij schrijft om te leven, door te schrijven geeft hij uiting aan zijn verlangen om te leven.

Een bescheiden verlangen is het, dat je vooral terugziet in de liefdevolle portretten van zijn mede-parkgangers. Shi ‘richt zijn blik op de mensen om hem heen’, klinkt het in veel lezersreacties, en zo heeft de Chinese lezer het ook graag: een schrijver die, net als de oude Chinese dichters al deden, via een blik op de buitenwereld indirect, niet al te nadrukkelijk, iets over zijn binnenwereld zegt. Het is wel duidelijk, vindt een lezer, dat Shi ‘in het middelbare echtpaar iets over trouw leerde zien’, ‘in de hardloper iets over volharding’ en zo verder – allemaal manieren, kortom, waarop ‘de mens met zijn lot omgaat’.

Zeker, ook Shi’s persoonlijke lot raakt een snaar bij het grote publiek, en een meer direct biografische interesse is ook de Chinese lezer niet vreemd, zie de vaak uit het stuk gelichte passages over de band met zijn moeder, de heimelijk zieke vrouw die haar gekwelde zoon wijselijk naar het park liet gaan en tot Shi’s spijt stierf voordat ze zijn schrijfdebuut kon meemaken. Maar dat uiteindelijk toch de typische vertelwijze van het stuk de aantrekkingskracht ervan bepaalt, blijkt wel uit wat scholieren ermee doen, die Shi’s essay massaal in de literatuurles voorgeschoteld krijgen. In de video-essays die ze ervan maken spelen ze toegewijd alle rollen na: de moeder, het echtpaar, de hardloper – met in hun midden een jonge gerolstoelde ‘Shi Tiesheng’.

Oorspronkelijk verschenen in de Nederlandse Boekengids, nummer #4 – 2024

Zie ook: Tieshengiana

Chinese literatuur de wereld in

Symbolischer kon het niet: in Nanjing, de enige UNESCO World City of Literature die China rijk is, kwam in september 2023 een dertigtal literair vertalers Chinees uit alle windstreken samen, om op een van de eerste internationale congressen na de pandemie met een dertigtal Chinese schrijvers te praten over ‘Chinese literatuur in de wereld’. Zo bijzonder is dat niet, zult u denken, maar de Chinese literatuur heeft altijd een gespannen verhouding gehad tot de buitenwereld. Dat literatuurstad Nanjing die wereld na jaren van lockdowns weer fysiek over de vloer had, gaf het geheel dan ook iets extra’s mee, merkte ik als een van de deelnemers.

Beeld van het congres uit een reportage van Jiangsu TV

China is een literatuurland. Het heeft een traditie zo oud als de westerse, met een rijkdom waar men trots op is, maar waarvan men tegelijkertijd weet dat de wereld, vooral de westerse, er maar mondjesmaat kennis van neemt. Al de hele twintigste eeuw voert het land daar hevige debatten over, die de laatste jaren, met China’s economische opmars en toenemende mondiale invloed, weer nieuwe brandstof krijgen. Zou Chinese literatuur niet meer ‘de wereld in’ moeten, hoor je steeds vaker, ook vanuit de overheid, die culturele promotie onderdeel heeft gemaakt van de Nieuwe Zijderoute, China’s grote infrastructuurproject. Ook op het mede door de Schrijversbond belegde congres viel de vraag algauw, maar hij was wel omgeven door twijfels en onzekerheden.

Spreker A Lai, bekend van zijn romans over Tibet, memoreerde haast weemoedig hoe hoopvol hij in de jaren tachtig, vlak na de Culturele Revolutie, had uitgekeken naar een ‘aansluiting’ bij de wereldliteratuur, die hij toen net ontdekte en gretig verslond. Nu vroeg hij zich af of ‘we niet te naïef’ waren geweest, westerlingen lazen Chinese romans immers nog altijd niet zo gretig als Chinezen westerse romans. Schrijver en literatuurprofessor Cao Wenxuan weet zich sinds het winnen van de Andersenprijs voor kinder- en jeugdliteratuur veelvuldig vertaald, vertelde hij, maar al ging zijn werk dan ‘de grens over’, of het ginds ook ‘de harten in’ ging, durfde hij eigenlijk niet te zeggen. Een relativerende noot kwam er van de populaire humorist Liu Zhenyun: laten we ons maar niet steeds afvragen ‘hoever we de wereld al in zijn’, vond hij, we hebben ons werk, onze vertalers, en wat we vooral hebben, is tijd.

Over de oorzaken van die afstand tot de wereld, die deze schrijvers zo duidelijk voelen, ging het uiteraard ook. Cao Wenxuan zocht het voornamelijk in verschillende literatuuropvattingen. De Chinese voorliefde voor het ‘suggestieve beeld’ bijvoorbeeld, een gevoel voor sfeer of stemming dat minder makkelijk de wereld overgaat, meer aanleiding kan geven tot onbegrip, dan het westerse ‘de diepte ingaan’, het meer analytische schrijven. Andere manieren van vertellen in het algemeen, minder nadruk op plot en psyche met name, waren zaken die ikzelf in een van de sessies naar voren bracht, waarop science-fictionauteur Chen Qiufan direct inhaakte met zijn persoonlijke ervaring: dat buitenlandse uitgevers bijna altijd met hem in overleg gaan over het aanpassen van zijn werk aan een internationaal publiek. Meerdere vertalers konden meepraten over zulke ingrepen, zoals het verplaatsen van hoofdstukken voor meer spanning in de vaak ‘lossere’ structuur van Chinese romans – een Angelsaksische praktijk die zich volgens hen verder in Europa uitbreidt.

In dat laatste schuilt natuurlijk een ontwikkeling die op de achtergrond van dit alles speelt: steeds meer bepalen Anglo-Amerikaanse opvattingen het beeld van de wereldliteratuur, iets wat in China, dat al nooit tot de koloniale invloedssfeer behoorde en altijd zijn eigenheid koesterde, sterk wordt gevoeld. Als je dat weet, luister je anders naar A Lai als hij geëmotioneerd concludeert dat ‘we met onze eigen standaard van goede literatuur de wereld in moeten’, en ook het subthema van het congres, ‘meer begrip voor Chinese literatuur in de wereld’, klinkt er veel vanzelfsprekender door. Men vraagt niet zozeer om aandacht voor de nationale literatuur an sich, dunkt me, maar voor een andere manier van kijken naar de wereld, een andere manier van schrijven. En daar spreekt, bij alle twijfel die je op het congres kon horen, dus toch ook het zelfvertrouwen uit dat misschien wel past bij een traditie die al zo lang naast de westerse bestaat. Het zelfvertrouwen waarmee Liu Zhenyun kon zeggen: ‘We hebben de tijd.’

Oorspronkelijk verschenen in de Nederlandse Boekengids, nummer #3 – 2024

Lees ook: Ruimtelijk en meervoudig

Notities van een theoreticus

Vandaag verschenen, 696 pagina’s schoon aan de haak:

Het is door de jaren heen mijn gewoonte geworden om ’s ochtends bij het opstaan en aankleden naar de radio te luisteren. Daarna, de verdere dag, zit ik hier, als er niemand langskomt, te lezen, te denken en, dat wil het lot, te schrijven aan mijn verhalen, noem het literatuur. Het is alsof er met die paar dozijn verhalen die ik geschreven heb zomaar enkele tientallen jaren voorbij zijn gegaan. Tientallen jaren voorbij, weg en verdwenen. Toen het meisje me die dag zowaar opa noemde, zei het jongetje gelukkig (hij was per slot wat ouder): ‘Het is oom, niet opa.’ Ik slaakte een zucht van verlichting, wilde hem bijna bedanken. Hoe wordt een mens eigenlijk ouder? Op een dag noemen ze je ineens meneer, dan noemen ze je ineens oom, en dan, als ze je op een dag ineens opa noemen, tja, wat denk je dan, hoe voelt dat dan? De zon trekt van de ene naar de andere kant van de hemel. Elke dag kan ik hier wel een troep duiven zien, elke dag, koerend op het dak van de buren of vliegend, zwevend in de lucht, vlakbij of verder weg. Als je er verder niet bij stilstaat, zou je kunnen denken dat het al tientallen jaren dezelfde troep is, witte, grijze, bruine, vliegend, koerend, levend, altijd hetzelfde, altijd dezelfde, altijd die troep waaraan niets lijkt te veranderen. Maar eigenlijk hebben ze er al vele, vele levens op zitten, hebben ze elkaar al duizenden jaren leven na leven afgelost.

Door Wang Yuanhua gekalligrafeerde titel van de roman uit de eerste tijdschriftuitgave (Harvest)

Voor Shi Tiesheng, als gerolstoeld schrijver, is het lichamelijke gebrek van de gehandicapte altijd een uitgangspunt geweest voor bespiegelingen over het menselijke gebrek in het algemeen. Zo ook bij Notities van een theoreticus, zijn ‘autobiografie van de geest’, die tot de invloedrijkste romans uit het hedendaagse China wordt gerekend.

‘Hardop nadenkend’ laat hij in dit eigenzinnige zelfportret zijn eigen herinneringen samenvloeien met herinneringen aan een handvol anderen, mensen van wie hij het leven op verschillende manieren door het lot getekend ziet: de gehandicapte C en de emotioneel verlamde dokter F, de gekwetste dichter L en de in de liefde teleurgestelde lerares O, de verbeten schilder Z en de politieke banneling WR. Hij legt hun levens naast elkaar, schuift ze zelfs over elkaar, om op even verrassende als indringende wijze te laten zien wat ze gemeen hebben, en hoe zij, als personages die zijn ‘schrijversnachten’ bevolken, allemaal samenkomen in zijn eigen ‘ik’.

Shi Tiesheng (1951–2010) is een van China’s meest geliefde prozaïsten. Helder, filosofisch en menselijk, zo luiden de veelgehoorde typeringen van zijn werk, waarin het beschouwende en het verhalende samengaan. Notities van een theoreticus, uit 1996, geldt als zijn magnum opus.

Meer over de roman hier, en lees ook deze eerder geposte fragmenten: Mijn schrijversnachten, Ik ben geboren en Invaliditeit en liefde

Zie ook de podcast in Levenswegen, het essay Ruimtelijk en meervoudig en het drieluik Tieshengiana

Mist van geheimen

Beeld Silvia Celiberti

Op de eerste pagina’s van de donkere, zoekende roman De spijker sneeuwt het ‘alsof God de brieven van alle mensen naar beneden gooit. In kleine stukjes gescheurd.’ Het is een van de achteloos treffende beelden waarmee Zhang Yueran (40), een van de beloften van de Chinese literatuur, direct de toon zet in haar internationaal met lof ontvangen boek.

In die sneeuw, op een troosteloze medische campus in de provincie, ontmoeten de bijna-dertigers Jiaqi en Gong elkaar na lange tijd weer. Zij is weer thuis omdat haar grootvader, ‘de beroemdste cardioloog van China’, op sterven ligt, hij verzamelt juist de moed om zijn geboortegrond nu eindelijk eens te verlaten. Sinds hun elfde hebben ze elkaar niet meer gezien, maar hun levens zijn nog altijd verbonden, niet alleen door hun vroegere gevoelens, ook, zoals zal blijken, door ‘de geschiedenis’, door het lot dat hun beider families pijnlijk bijeenbracht.

Dat lot ligt in de Culturele Revolutie, en het is bijzonder dat een auteur van Zhangs generatie daarover schrijft, dat ze heeft willen onderzoeken hoe die gebeurtenissen van vóór haar geboorte doorwerken in haar generatie. Veel jonge schrijvers, zegt ze zelf in een interview, leveren ruwe schetsen van een snel veranderend heden, schijnbaar zonder om te willen kijken. Maar zij is zich langzaamaan gaan afvragen of je wezen, je karakter, niet ook door de geschiedenis wordt gevormd, ‘de geschiedenis die niet alleen in ons leven komt op het moment dat we haar opmerken en herkennen’.

Gong en Jiaqi lijken lusteloos, ze ‘dobberen doelloos rond’ in hun leven. Als ze elkaar over zichzelf gaan vertellen, om en om, elk in hun eigen hoofdstukjes, laat Zhang daar een beklemmende matheid uit opklinken. Geregeld lijkt het alsof ze gewoon maar voor zich uitpraten, domweg alles kwijt moeten, want ze zeggen weleens iets waarvan je denkt ‘dat zou de ander toch moeten weten’ en in hun monologen reageren ze ook eigenlijk niet op elkaar.

Dat werkt wat bevreemdend, maar misschien past het ook wel bij hen, het zijn vereenzaamde mensen, van jongs af ingesponnen door familiegeheimen: het is, zegt een van hen, alsof ze altijd ‘een mist geweven van geheimen’ om zich heen hebben gehad, ‘als een cocon’. Cocon is de oorspronkelijke Chinese titel van de roman, die begrijpelijkerwijs is aangepast in het Nederlands, omdat het woord hier eerder de connotatie van behaaglijkheid heeft.

Vertaald uit het Chinees door Annelous Stiggelbout

De geheimen draaien om Gongs grootvader, ooit bestuurder van het provinciale academische ziekenhuis. In 1967 is hij tijdens een politieke strijdbijeenkomst zo mishandeld dat hij in een levenslange coma is geraakt. Gong vindt als jongen wel iets uit over het gebeurde, via een getourmenteerde tante die op zijn eerste vraag alleen ‘een spijker’ mompelt en ook daarna slechts met moeite vertelt. In grove lijnen hoort hij over de klassenstrijd en de gevolgen ervan voor zijn familie, wat bij hem, als enige kleinzoon, de verantwoordelijkheid wekt de zaak verder uit te zoeken, hoe jong hij ook is. Toch blijft hij stuiten op een groot zwijgen, dat hem steeds meer verlamt.

Jiaqi is vooral getekend door het zwijgen van haar vader, de man die wegging naar Beijing, die altijd de dolende maar ook gekwetste idealist bleef die hij in zijn ‘rode’ jeugd al was. Als jonge vrouw ‘zoekt’ ze hem in relaties met mannen die hem in eerdere delen van zijn leven hebben gekend. Buiten die momenten van vervoering om leeft ze ‘als een zombie’, zoals haar gedupeerde vriend een keer zegt, in een poging door de mist van haar kille, liefdeloze kindertijd heen te prikken.

Gong en Jiaqi vertellen elkaar veel en uitgebreid, gaandeweg wat al te uitgebreid, moet gezegd. Zoals je vaak ziet in de Chinese literatuur, denkt Zhang sterk in contrasten; weinig Chinese romans hebben een strikt lineaire of plotgerichte opbouw, het zijn vaak eerder uitdijende reeksen van spiegelingen, tussen personages bijvoorbeeld, waarmee gestaag een thema wordt omcirkeld. Zo ook bij Zhang: naast de overduidelijke spiegelingen tussen Gong en Jiaqi zelf, en tussen hun bedlegerige grootvaders, speelt ze dit spel nog met meerdere bijfiguren, alleen hebben die ‘uitbreidingen’ niet altijd dezelfde intensiteit.

Zhang is op haar best als ze de ‘mistige’ sfeer van haar boek spint, met motieven die beklijven: van de onheilspellende Dodentoren waarbij Gong en Jiaqi als kind griezelend spelen, nog onwetend van het werkelijke onheil van die plek, tot de frase ‘vuiligheid in je hart’ die de kleine Gong achtervolgt – iets duisters dat hij volgens Jiaqi’s grootmoeder van zijn familie moet hebben meegekregen.

Aan alles zie je dat Zhang niet uit is op eenvoudige verklaringen voor de psychische wonden die ze onderzoekt, en zeker niet de politiek eendimensionale lezing geeft die we kennen van veel memoirs over de Culturele Revolutie. Haar gedachten over lot, karakter en geschiedenis mogen dan voorzichtig zijn, misschien bieden ze wat houvast aan haar ronddobberende generatie.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 1 juni 2023

Meer Zhang Yueran: Tien liefdes

Lees ook: Op naar de binnenkant en Ruimtelijk en meervoudig

Wetenschap is een emotie

Beeld Silvia Celiberti


Wie opgroeit met westerse sciencefiction raakt eraan gewend dat de aliens ook altijd in de westerse wereld op aarde komen. In films vaak in de Verenigde Staten natuurlijk, en in de literatuur kan het ook het slaperige Britse platteland zijn: van de Tripods in H.G. Wells’ War of the Worlds tot de Vogons in het hilarische Transgalactisch liftershandboek van Douglas Adams, waarin de aarde helaas moet wijken voor een nieuwe intergalactische snelweg.

Maar we leven inmiddels in de 21ste eeuw en dus moeten we niet raar opkijken als het eerste contact met buitenaards leven net zo vanzelfsprekend plaatsvindt in China. In het China van de Culturele Revolutie bijvoorbeeld, zoals Cixin Liu’s onwaarschijnlijke bestsellertrilogie Het drielichamen­probleem ons voorhoudt. Een eenzame wetenschapper, net als veel intellectuelen destijds gedesillusioneerd door de chaos om haar heen, beantwoordt daar met een simpele druk op de knop een oproep uit de ruimte: ‘Kom ons maar veroveren, onze beschaving kan haar eigen problemen niet meer oplossen.’

Het is het startschot voor een 1.750 pagina’s lang wetenschappelijk verbeeldingswerk van duizelingwekkende, ‘post-humanitaire’ schaal. Springt het vanaf de jaren 1970 eerst nog met eeuwen vooruit, uiteindelijk kijkt het simpelweg 18 miljoen jaar de toekomst in. En dat alles met een ernst en gedrevenheid die je misschien ook alleen maar in China kunt aantreffen.

Sciencefiction is groot in China en niet in de laatste plaats, zo zeggen de schrijvers vaak zelf, omdat de maatschappelijke veranderingen er zo snel gaan dat sciencefiction voor velen ‘gewoon de realiteit lijkt’. Zoals de niet-sciencefictionschrijver Yu Hua al zei in zijn klassiek geworden sociale roman Broers uit 2006: een Chinees heeft in de veertig jaar sinds de Culturele Revolutie evenveel meegemaakt als een Europeaan in de afgelopen vierhonderd jaar. Op zo’n schaal moet je dus denken.

Geen wonder, kortom, dat Cixin Liu je onverstoorbaar zijn universum binnenleidt. De buitenaardse beschaving die aan de deur klopt, is die van Trisolaris, een planeet met drie zonnen die onder de invloed van het zogenaamde drielichamenprobleem onvoorspelbaar ten opzichte van elkaar bewegen. Soms is het ondraaglijk heet op Trisolaris, dan weer is er langdurig geen enkele zon te bekennen, een uitzichtloze klimatologische toestand. Op zoek naar een kolonie vinden ze de aarde, maar omdat het vierhonderd jaar zal duren voor ze die fysiek kunnen bereiken, zetten ze technologie op afstand in: sofonen, oftewel ‘wetende protonen’, die door het principe van kwantumverstrengeling de grenzen van ruimte en tijd kunnen overbruggen om zo op aarde alvast kennis te verzamelen.

En te delen: er wordt een heuse Earth-Trisolaris Organization opgericht ter voorbereiding van hun komst, en de Trisolaranen proberen de sympathie van de aardse wetenschappers te veroveren door ze een computerspel te laten spelen waarin hun planeet wordt geïntroduceerd. Gestoken in een speciaal pak, zodat ze alles met al hun zintuigen ondergaan, nemen de spelers online de persona’s aan van Chinese wijsgeren en figuren als Copernicus en Newton. De discussies die ze zo met elkaar voeren vormen een belangrijk onderdeel van het uitgebreid beschreven spel.

Discussies, ja, dat is eigenlijk de hoofdmoot van de trilogie. De meeste personages zijn wetenschappers, op enkele politici en activisten na, en voortdurend leggen zij elkaar bevlogen alle theorieën en ontwikkelingen uit. Het is bijna de enige emotie die hen drijft, maar dat is ook precies zoals Liu het heeft bedoeld: in een interview met The New Yorker zei hij dat wetenschap, als pure bron van verbeelding, voor hem werkelijk emotie is, en dat hij daar alleen personages en situaties bij zoekt om zijn ideeën over te brengen. Al doet hij dat laatste weleens al te opzichtig, met zijn typische aardse bevlogenheid weet hij je toch bij de les te houden.

Dit moet ook het verkoopsucces in met name Amerika verklaren, waar onder meer Barack Obama fan is, want de soms weinig subtiele plot biedt minder verrassends. Het Trisolaraanse charmeoffensief neemt al gauw grimmiger trekken aan: geschrokken door de exponentieel snelle vooruitgang van de menselijke kennis zijn de kolonisten bang tijdens hun 400-jarige reis hun technologische voorsprong te verliezen en beramen ze plannen om de aardse wetenschap af te remmen door een soort Trisolaraans ‘natuurgeloof’ te stichten, met technisch vernuft als ‘wonderen’. Toch zal de mens onverschrokken het heelal intrekken, het ‘donkere woud’, zoals het tweede deel van de trilogie heet.

Behalve de nieuwe, verbazende ideeën die de revue blijven passeren, over bewust aangelegde zwarte gaten en opvouwbare dimensies, is een ander deel van de aantrekkingskracht ongetwijfeld dat Liu in wezen de hele aarde omarmt. Het verhaal mag dan in China beginnen, ook internationale wetenschappers en de VN doen uiteindelijk mee, en niet in een bijrol. Waar Chinese literatuur in het algemeen sterk met China begaan is, en daardoor soms lastig de wereld over lijkt te gaan, heeft sciencefiction misschien baat bij een overduidelijke focus op ‘de mensheid’.

Dat geldt ook voor de andere Chinese sf-romans die zich in Engelse vertaling hebben doen gelden, al zijn die meer maatschappijkritisch van aard. In Folding Beijing van Hao Jingfang bijvoorbeeld, waarmee zij net als Liu de Amerikaanse Hugo Award voor het genre won, is de bevolking van de Chinese hoofdstad opgedeeld in klassen, die om beurten gebruik mogen maken van de ruimte. Per dagdeel vouwen de huisjes van de lageren zich in, met bewoners en al, om plaats te maken voor de uitklapbare woontorens van de hogeren. Ook ecologie is een thema, onder andere in Waste Tide van Chen Qiufan, waar iets misgaat op een (werkelijk bestaande) verwerkingsplaats voor elektronisch afval op een Zuid-Chinees eilandje, in de roman ‘Silicon Isle’ geheten.

De trilogie werd uit het Engels vertaald door Eisso Post en Richard Heufkens

Hoezeer China ook gericht is op technologie, inclusief een overheid die conferenties en onderzoeksinstituten rond sciencefiction ondersteunt voor hun bijdrage aan het ‘verbeelden van China’s toekomst’, de schaduwkanten worden dus net zo goed belicht. Misschien wel het sterkst in een wat wild en vooralsnog onvertaald boek van Han Song, dat het verlies van Amerika’s hegemonie aan China ‘voorspelt’, maar naast een Amerika in verval ook een Brave New World-achtig China schetst, in de ban van kunstmatige intelligentie. Van deze Han Song komt ook het metaforische verhaal over een hogesnelheidstrein, toonbeeld van de vooruitgang, die door een botsing uit koers raakt en in een andere tijd en ruimte terechtkomt, waar hij eindeloos blijft doordenderen: waar gaat de nieuwe samenleving heen?

Cixin Liu lijkt dit soort vragen te ontstijgen; niet dat hij onkritisch is, maar hij heeft nu eenmaal een ruime blik, waarmee hij meer in mogelijkheden denkt – een beetje zoals in de oude sciencefiction van Jules Verne, zijn grote inspiratiebron. Er is een vroege Chinese sf-roman uit 1902 die zich het China van 1962 voorstelt, waarin Shanghai de Wereldtentoonstelling mag houden en de hele wereld gretig Chinees leert. Dat jaartal had de schrijver Liang Qichao mis, het zou de tijd van het gesloten China zijn, maar vijftig jaar later, in 2010, waren beide zaken een feit. In datzelfde 2010 rondde Liu zijn drielichamentrilogie af – Liu, de aardling die niet per se van een groot China droomt, maar wiens ‘wetenschappelijke emotie’ onmiskenbaar een product is van zijn land.

Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 21 augustus 2021 / De Morgen, 28 augustus 2021

Blue Boy

Pai Hsien-yung had al een idee voor wat uiteindelijk zijn roman Jongens van glas zou worden, toen hij eind jaren zeventig in de Huntington Art Gallery in California ‘The Blue Boy’ zag hangen, van Thomas Gainsborough uit 1770. In de blik van de knaap in Van Dyck-kostuum herkende hij zijn eigen melancholie, maar ook die van de jongen die centraal zou komen te staan in zijn boek over verstoten zonen, eenzame buitenstaanders, op zoek naar vaders of vaderfiguren.

De eenzaamheid had zich in Pai zelf genesteld, heeft hij vaak gezegd, toen hij op zijn zevende wegens tuberculose twee jaar in afzondering moest leven, bijna geheel aan zijn bed gekluisterd. Maar de breekbare jongens in zijn roman zouden ‘zondige zonen’ worden, vanwege hun homoseksualiteit niet door hun vaders erkend, levend in de ‘glazen gemeenschap’ van het stadspark van Taipei. Hij noemde zijn hoofdpersoon naar de Blue Boy: Li Qing, waarbij qing 青 dat wonderlijke Chinese karakter is dat in eerste instantie blauw betekent, maar ook voor groen, vaak in de zin van jong, blauwgroen en zwart wordt gebruikt. Het teken heeft in de geschiedenis een lange evolutie doorgemaakt, waardoor al die tinten in verschillende uitdrukkingen overleven.

Is het toeval dat al die kleuren terugkomen in de beelden die Pai altijd voor de omslagen van zijn boeken heeft gebruikt? Het zijn steevast schilderijen van zijn goede vriend Ku Fu-sheng (1935-2017), die net als hij in de jaren zestig van Taiwan naar de Verenigde Staten emigreerde, in zijn geval na een studie in Parijs. Dunne, uitgerekte figuren zijn het die, vaak omgeven door grijzige qing-kleuren, zeer lichamelijk hun innerlijke toestand lijken te tonen, zowel op de cover van Jongens van glas als bijvoorbeeld op een eerdere verhalenbundel Eenzaam met zeventien.

Als je naar de plaat rechtsonder kijkt, geloof ik dat Pai zijn vriend Ku, die hij overigens ook als een eenzaat beschrijft, ook in het verhaal van Jongens van glas zelf een kleine eer heeft willen bewijzen. Hij voert er namelijk een naamloze ‘meester-schilder’ in op, die maar even kort voorbijkomt, maar van wie in detail een schilderij wordt beschreven:

Op een straathoek, in het midden van het doek, stond een jongen in zwarte kleren, zijn lichaam uitgerekt tot een lange lijn. Hij had een bos wilde haren, die als leeuwenmanen over zijn voorhoofd vielen. Zijn borstelige wenkbrauwen vormden één lijn, en zijn ogen, zijn opvallende ogen, leken op het doek als zwarte vonken heen en weer te schieten. Hij had een puntig gezicht en dunne lippen, die stijf dicht waren geknepen. Op blote voeten stond hij, zijn bloesje hing open en op zijn borst zag je een tatoeage van uitzonderlijke dieren. De jongen keek zo woest dat hij elk moment van het doek af zou kunnen springen. Ik had één blik op het schilderij geworpen en kon me niet inhouden te roepen: ‘Maar dat is…’

Wie het is, is een belangrijke figuur in het boek, ook vereeuwigd in de still van de Taiwanese tv-serie uit 2003 op de Nederlandse cover hier rechtsonder. Maar misschien is het ergens ook wel een ‘verkapt’ zelfportret van de schrijver… Pai Hsien-yung stond in de jaren zestig vaak model voor de nog jonge struggling artist, en als het om zwarte, lange lijnen gaat, spreekt het naar Pai geschilderde beeld hier linksonder, ‘Sitting High’ uit 1960, boekdelen.

Meer over de roman hier

25 jaar ‘Maqiao’

Han Shaogongs vrije schrijven

Vijfentwintig jaar geleden verscheen Han Shaogongs lexiconroman Woordenboek van Maqiao, voorjaar 1996. Het toeval wilde dat Han toen even in Nederland was: over uit Parijs, in juni, kwam hij promotie maken voor Pa pa pa en Vrouw vrouw vrouw, de novellen die ik net van hem had vertaald. Gezeten op een terras aan de Grote Markt van Breda, toen nog de thuisbasis van zijn uitgever De Geus, vertelde hij me over zijn roman in de vorm van een woordenboek, die net was uitgekomen in een tijdschrift – een gewoonte die in China nog altijd bestaat. Hij gaf me er een exemplaar van en zei, bescheiden als altijd: ‘Kijk er maar eens naar, het is alleen wat groot en experimenteel misschien, geen doorsneeroman. Al is het denk ik wel precies hoe ik nu eenmaal wil schrijven.’

Maqiao is het verzonnen plaatsje op het Zuid-Chinese platteland waar Han op zijn zeventiende tewerk werd gesteld, als onderdeel van de grote maoïstische campagne om ‘van de boeren te leren’. Miljoenen scholieren ondergingen die vervanging van de universiteit, en voor menigeen, ook menig schrijver, werd het een levensbepalende ervaring; een confrontatie van culturen, stadse revolutie tegenover eeuwenoude traditie. In ruim honderd lemma’s beschrijft Han de streektaal van ‘Maqiao’, in een mengeling van essay en verhaal, beschouwing en vertelling, waarbij hij zelf op elke pagina aanwezig is. En dat laatste, dat persoonlijke, heeft er ongetwijfeld voor gezorgd dat het boek, waarover meer in mijn ‘vertaalverhaal’ Woorden zijn wortels, ook ver buiten de grenzen van China kennelijk iets los wist te maken.

Het blijft bijzonder dat de talige microkosmos van een bergdorpje intussen in toch al aardig wat andere talen de wereld is overgegaan. Zelf ging ik na dat Bredase terrasje, ook als onderdeel van mijn promotieonderzoek naar Han, met een Nederlandse vertaling aan de slag, die op de voet gevolgd werd door de invloedrijke Engelse van Julia Lovell; we hebben nog notes gecompared. Net deze maand verscheen de Italiaanse, en omdat de Franse versie van Hans vaste vertaalster Annie Bergeret-Curien ook al af is, zij het nog niet uit, mogen we zeggen dat de teller in dit jubileumjaar op een respectabele tien staat.

Wat het boek losmaakt valt te lezen in de recensies, twee Nederlandse zijn online nog hier en hier te bekijken, maar zelf denk ik bij dat losmaken ook vaak aan de reacties op het boek in Oklahoma, waar Han in 2011 de aan Oklahoma University verbonden Newman Prize won, en waar ik als symposiumspreker aan de feestelijkheden mocht meedoen. Buiten de prijsuitreiking, speeches en perszaken om werd de roman ook inzet van projecten aan de universiteit en de middelbare school. Onder andere de schrijfwedstrijd voor ‘young writers’ die zich moesten laten inspireren door enkele lemma’s uit het Woordenboek. Zo schreef de vijftienjarige winnares Eleanor Sun een vijftal lemma’s over haar North High School, waaronder toch best een maqiao-eske overpeinzing van de naam North, waarin zowel de naamgever als de betekenis ‘het noorden’ meespeelde.

Of neem de discussie tussen Han en studenten onder leiding van docent, vertaler en dichter Jonathan Stalling, die duidelijk een aantal geschikte lemma’s voor zijn publiek had uitgekozen. Hoe komt het dat woorden soms zo’n grote macht hebben dat ze iemands leven kunnen bepalen, is een van de vragen die Han Shaogong in zijn boek stelt. Bijvoorbeeld in het verhaal van de jonge Yanzao uit Maqiao. Omdat zijn vader een landverrader was, werd hij voorgoed met dat woord gebrandmerkt; kinderen van klassenvijanden waren tijdens de Culturele Revolutie nu eenmaal ook automatisch klassenvijanden. Als paria mocht hij in het dorp het zwaarste werk opknappen, zoals insecticiden spuiten. Hij raakte daardoor zo aan het gif gewend dat hij zelf giftig werd en met zijn adem een mug kon doden – het maakte hem letterlijk een ‘ongenaakbare’. Chinese critici hebben zich wel eens afgevraagd of Hans roman niet te experimenteel en ‘te Chinees’ zou zijn voor een groter, westers publiek. Ze hadden bij dit seminar moeten zijn, waarop bleek hoezeer het personage Yanzao de Amerikaanse studenten raakte.

Je kunt je ook afvragen wat nu echt het experimentele is aan Woordenboek van Maqiao. Toch niet de woordenboekvorm, zou je zeggen, want die komt wel meer voor. In China kreeg Han zelfs een – tamelijk loze maar helaas lelijke opgespeelde – beschuldiging van plagiaat te verduren. Hij zou het Chazaars woordenboek van Milorad Pavic hebben nagedaan, al kan iedereen zien dat de twee boeken op de lemmavorm na weinig met elkaar gemeen hebben. Milan Kundera’s Ondraaglijke lichtheid van het bestaan bevat ook een woordenboekdeel, en dat heeft Han Shaogong nota bene ooit vertaald, dus waarom dat niet genoemd? Of Zie: liefde van David Grossman?

Voor Han was het experiment dan ook eerder die mengeling van essay en verhaal, de losse, vrije vorm die hij in de Chinese literaire traditie zo aantrekkelijk vond: waarom een scheiding maken tussen vertellend en beschouwend schrijven, zei hij me in een interview voor Het trage vuur al eens, het belangrijkste element van de roman was de ‘gevoelsmatige benadering’, andere romanmodellen konden volgens hem overboord. Opvallend genoeg was in de westerse recensies juist de losheid van het Woordenboek het enige struikelpunt of bezwaar, zoals westerse critici ook bij meer conventionele Chinese romans trouwens al geregeld een gebrek aan structuur of samenhang noteren. Toch zag ik, in mijn proefschrift, wel degelijk een opbouw in de opzet van Hans lemma’s, lineair en thematisch, met een duidelijk begin en eind – of op zijn minst een spel daarmee.

’s Avonds bij een diner daar in Amerika’s Deep South vroeg ik Han er toch nog eens naar. Die ‘gevoelsmatige benadering’, was dat niet ook zijn persoonlijke blik en zijn persoonlijke inzet, die het boek volgens mij dus grenzen deden slechten? Per slot is Hans aandacht voor een figuur als Yanzao ook altijd verbonden aan zijn eigen buitenstaandersrol, als stadse scholier in de plattelandsgemeenschap – een van de hoofdthema’s. En ook bij de meer directere woordverklaringen geeft hij altijd zijn eigen twijfels en eigengereide aannames erbij.

Han begon ermee te zeggen dat zijn boek ook heus wel anders werd gelezen, als leerzame beschrijving van de plaatselijke cultuur bijvoorbeeld; hij herinnerde me eraan dat Chinese etnologen hem bedankt hadden voor zijn waardevolle inzichten, en dat hij zijn boek in boekhandels ook al eens in het rayon ‘woordenboeken’ was tegengekomen (hij moest er nog om lachen). Misschien waren westerse lezers gevoeliger voor die persoonlijke vorm, die ‘ik’, zei hij, die traditioneel meer in de westerse roman zit dan in de Chinese. ‘In het westen komt de roman eigenlijk voort uit de theatermonoloog, bij de oude Grieken, die op zijn beurt weer uit het gebed voortkomt, het aanroepen van de goden, later ook het één-op-ééngesprek met God, of de bekentenis. In China is die ontwikkeling totaal anders geweest en is die ‘ik’ voor veel lezers waarschijnlijk veel meer iets moderns.’

Dat was zo, dacht ik, in de traditionele Chinese literatuur was de blik meer naar buiten dan naar binnen gericht, het ik minder ‘belangrijk’ dan de wereld, iets wat ik ook in de hedendaagse roman nog wel meende te zien. ‘Dus misschien vonden de Chinese critici het Woordenboek daarom al experimenteel misschien?’ grapte ik. ‘En is het, met al zijn Chinese inhoud en zijn typisch Chinese structuur, misschien dus helemaal niet zo “Chinees”?’

‘Wie weet!’ lachte hij.

Ook de wereld in: dankzij de geweldige inspanning van Han Shaogong-expert Liao Shuwu is mijn proefschrift Leaving the World to Enter the World – Han Shaogong and Chinese Root-Seeking Literature (2005) eind 2020 in het Chinees vertaald.

Najaar 2023: ‘Maqiao’ nu ook in het Arabisch (Yara El Masri)
Najaar 2024: ‘Maqiao’ nu ook in het Russisch (Alina Perlova)

Lees ook: Pa pa pa